Glasfabriek

GLASFABRIEK DE RUPEL 

 

Alhoewel het Glasfabriek "De Rupel" reeds jaren niet meer bestaat is het "Booms Glas" nog steeds een begrip en een zeer gegeerd verzamelobject. Dit artikel is een verzameling van teksten uit de boeken van geschiedschrijver Alex Vinck, aangevuld met gegevens die ik op het internet vond. In augustus 2007 fotografeerde ik de gesloopte gebouwen. Je kan de foto's hier bekijken. Aanvullingen en/of verbeteringen zijn altijd welkom!

Marc Verlinden 
 

  • 1923- Oprichting glasfabriek "De Rupel N.V." in de Diepestraat nr.21.
  •  

  • 1925- Glasfabriek "De Rupel N.V." inrichten glasblazerij, een transformatiepost met elektromotoren, een braakmolen, een werkplaats voor het mechanisch bewerken van hout en een houtstapelplaats.
     
  • 1926- Glasfabriek De Rupel plaatst een stoomketel van 6 m2 hitteoppervlakte.
     
  •  1935-191935- Heller Paul, decorateur-ontwerper, treedt in dienst van de glasfabriek "De Rupel N. V."
     
  • 1951- Het Glasfabriek telt 261 personeelsleden.
     
  • 1959-  N.V.Glasfabrieken Rupel-Boom glasfabriek, garage voor meer dan 10 voertuigen, hout- en metaalbewerking, zandstraal- en verfspuitinrichtingen, stro- en houtwolbergplaats (hernieuwing).
     
  • 1960- November: Glasfabriek "De Rupel" trekt 22 Spaanse gezinnen aan uit de omgeving van Barcelona. Ze vestigen zich in de omgeving van de fabriek inzonderheid in de Diepestraat.
     
  • 1961- Verkiezingen 28 en 29 oktober: het Glasfabriek stelt haar lokalen ter beschikking voor de verkiezingen. Het gemeentebestuur plaatst er kieshokjes.
     
  • 1965- Glasfabriek "N. V. De Rupel" verkeert in moeilijkheden. Ze gaat een fusie aan met drie Waalse bedrijven onder de benaming "Manubelver" (Manufactures Belges Verreries).
     
  • 1982- De eigenaars beslisten het bedrijf per 30 juni 1982 te sluiten  
     
  • 1985-  De gebouwen van de oude glasfabriek werden voor ongeveer 3 miljoen verkocht aan Jeugdhuis Noeveren, dat er een ontmoetings- en ontspanningscentrum van maakte.
     
  • 2000- December: het vroegere gebouw van de glasfabriek "De Rupel", Diepestraat, wordt verkocht aan een projectontwikkelaar en zal gesloopt worden.
     
  • 2009- Op 24 december verschijnt in "Het Nieuwsblad" een artikel over de bouw van 70 nieuwe woningen op het voormalig terrein van het Glasfabriek.
    De wijk zal "Nieuw Noeveren" heten. Op de site van de projectontwikkelaar "Disentis" kan je een maquette bekijken 

     
  • 2010- Juni: De sloop van de oude gebouwen van het glasfabriek neemt een aanvang. Bekijk hier de foto's van de sloop.
     

 

 

Boven:  1/3 van het personeel op 1 juni 1938. Links Paul Heller.
Onder: achterzijde foto.
(Fotoarchief Boom 7839)
 

     dddddd                                                                          

 

 


Boom 1960-1980, Alex Vinck

Pagina 176 t/m 182

De glasfabriek De Rupel N.V., Diepestraat, werd opgericht in 1923. Van een vroeger glasfabriek uit Schelle werden de oude machines en de outillage overgenomen, evenals het vakkundig personeel. De produktie bleef eenvoudig en beperkt tot in 1930. Toen schakelde men over op het versieren van tafelglas door het te slijpen, te graveren en te etsen.De grote doorbraak op artistiek vlak geschiedde door de werving van decorateur-ontwerper Paul Heller. Deze Tsjech, afkomstig uit Bohemen, een streek die wereldwijd bekend is om haar glasindustrie, was in 1923 als 9-jarige
samen met zijn ouders in Manage (Henegouwen) aanbeland. Zijn vader was decorateur van glas en leidde zijn zoon hiervoor op. Paul Heller schoolde zich in de Provinciale Academie van La Louvière en werkte in verscheidene Waalse bedrijven, om zich in alle branches van het glasmaken te bekwamen. In 1935 werd hij aangeworven door de Boomse glasfabriek en promoveerde tot chef-decorateur-ontwerper. Hij ontpopte zich tot een kunstenaar in zijn genre en leidde zijn personeel vakkundig op.

Na de oorlog 1940/45 hervatte de glasfabriek haar activiteiten met amper 16 werknemers. De vraag naar glas nam toe en weldra had de Boomse fabriek te kampen met een gebrek aan stielmannen Glasblazen is een moeilijke en ongezonde stiel. De blazers vormen kwantitatief gesproken de sterkste groep in het produktieproces.

 

 

VERHOUDING VAN HET PERSONEEL

51% glasblazers, met helpers 
3% compositeurs (maken het mengsel: wit zand uit Mol + oud zuiver glas + fosfaat + enkele produkten, die geheim worden gehouden). Een kleine, maar zeer belangrijke groep
10% werkers aan de transportband 
3% keurders op het glasblazen
20% afwerkingspersoneel (op maat zagen, motief aanbrengen, slijpen, guillocheren, graveren, satineren, enz... 
 3% eindkeurders 
10% inpakkers

 

Uit het buitenland (Duitsland en Spanje) werd personeel aangetrokken, waaronder enkele bekwame vakmannen. Zo bereikte het personeelsbestand in 1962 de piek van 406 werknemers.

Daarna ging het bergaf. Fantasieartikelen, zoals vazen en serviezen, die te Boom met de mond werden geblazen, werden elders machinaal vervaardigd. Deze produkten waren van mindere kwaliteit, maar veel goedkoper. Op enkele jaren tijd werd de concurrentie bijna fataal.

Redding werd gezocht in een fusie met drie Henegouwse bedrijven, die eveneens in nood waren. Samen met de "Verreries Nouvelles S.A." uit Manage, de "Manufacture de Boussu" uit Boussu en de "Verreries Doyen" uit Havre­Ville vormde de "Glasfabriek De Rupel N.V." de "N.V. Manubelver" (Manufac­tures Belges Verreries).

Het Waalse gewest pompte 120 miljoen in het bedrijf, waarvan in theorie 40 miljoen bestemd was voor de Boomse tak. De praktijk viel anders uit. De bedoeling van de fusie was duidelijk: de wederzijdse concurrentie uitschakelen, de kostprijs verlagen door specialisatie en het rendement herstellen. De glas­fabriek te Boom zou zich vooral toeleggen op de vervaardiging van verlichtings­glas, een artikel dat groot vakmanschap vereiste.

Hoewel de directie aan de vakbonden had beloofd niet te tornen aan het personeelsbestand, vielen er veel ontslagen, vooral onder het bediendenperso­neel. In 1970 stonden nog slechts 195 werknemers op de loonlijst. 

De samensmelting bracht niet de verwachte resultaten. De Waalse miljoenen verdwenen als sneeuw voor de zon en op het einde van 1972- was het faillis­sement van Manubelver onvermijdelijk.

Toen kwam Gantenbrink, als uit de hemel gezonden. Dit was een Duitse groep, bestaande uit "Bega-Gantenbrink-Leuchten OHG" uit Menden (Sauer­land) en "Glashütte Limburg" uit Limburg (Lahn).

Gantenbrink was in het verleden een belangrijke klant van de N.V. De Rupel geweest en de gebroeders Heinrich en Heiner Gantenbrink kenden het klappen van de zweep. Ze hadden in Menden (D) een luchterfabriek opgericht en in Limburg (D) hadden ze een staatsbedrijf in moeilijkheden overgenomen, gesaneerd en winstgevend gemaakt.

Gantenbrink was enthousiast en hoopvol gestemd, omdat de sector van het verlichtingsglas een "hausse" beleefde. Door de bouw van flatgebouwen en sociale woningen was de vraag naar wand- en staanlampen verhonderdvoudigd. Mits modernisatie van het bedrijf moest Boom wel renderend zijn. Gantenbrink zou een nieuwe fabriek bouwen in onze gemeente, omdat "de Rupelstreek in het hart van het Benelux-territorium en op enkele kilometers van een zee­haven ligt".

Ze namen een optie van ongeveer 10 ha op het industrieterrein-in-wording, gelegen achter de Boomse Metaalwerken. Ze verkozen een terrein naast het bestaande bedrijf Frateur-De Pourcq, zodat de noodzakelijke spoorlijn in de onmiddellijke nabijheid lag. Er werd genoteerd "een terrein van 10 ha", zonder situatieplan, want dat was nog niet mogelijk, omdat de onteigeningen en de grondopspuitingen nog niet beëindigd waren.

De contacten tussen de groep Gantenbrink en het gemeentebestuur van Boom waren hartelijk. De Boomse burgemeester Van Bulck vertrok, aan het hoofd van een delegatie werknemers, die zitting hadden in de ondernemings­raad, op uitnodiging van Gantenbrink op werkbezoek naar de fabriek in Limburg-an-der-Lahn (D). Hij overhandigde namens het gemeentebestuur van Boom aan Gantenbrink een prachtige tinnen schotel als aandenken. Gantenbrink beloofde een investering van 10.000.000 Duitse mark en een tewerkstelling van een driehonderdtal personen.

In afwachting van het feit dat de gronden van het nieuwe industrieterrein beschikbaar zouden zijn (als uiterste datum werd 1 januari 1975 bepaald), zou de oude glasfabriek verder produceren met nieuwe machines. De Belgische arbeiders zouden in Duitsland worden opgeleid voor de nieuwe produktie-methode.

Nadat Gantenbrink op 1 februari 1973 te Havré een contract met Manubelver S.A. had gesloten voor de overname van de Boomse glasfabriek, had op 8 februari 1973 een belangrijke bespreking plaats in de zetel van de Economische Raad van de provincie Antwerpen (E.R.A.). 

Waren daarop aanwezig: Gantenbrink jr., Gantenbrink Bruno en hun raadslieden; van Outryve d'Ydewalle, kabinetschef van Luc Dhoore, staats­secretaris voor Streekeconomie; J. Dupré en Blondé namens E.R.A.; Marcel Van Bulck, burgemeester van Boom vergezeld van zijn gemeentesecretaris Verstrepen.

Het volgende werd overeengekomen (uittreksel uit het aangetekend schrij­ven, dd. 12.2. 1973, van staatssecretaris Dhoore aan H. Gantenbrink):

  1. het beoogde terrein van 8 et 10 ha wordt u uiterlijk tegen 1 januari 1974 ter beschikking gesteld. Dit betekent dat u ten laatste tegen 1/1/74 het terrein zult kunnen betreden om met de bouw van uw nieuw bedrijf te beginnen; .. / ..
  2. het definitief ontwerp van de ontsluiting van het terrein, d.w.z. het technisch studieproject voor de aanleg van de infrastructuur en van de nutsvoorzieningen (wegen, riolering, water, electriciteit en gas) zal klaar zijn tegen uiterlijk 1 januari 1974... / .. Ik ben bereid bij het ministerieel comité te verdedigen, dat een spoorwegaansluiting volledig ten laste van de Staat wordt gelegd;
  3. de streefdatum voor de uitvoering van de infrastructuur en voor de aanleg van de nutsvoorzieningen is bepaald op 1 januari 1975:
  4. mocht het nodig zijn voor uw bedrijf dan zal, ingeval genoemde streefdatum niet wordt geëerbiedigd, voor voorlopige aansluiting (weg, riolering, water, gas en electriciteit) worden gezorgd. Het gemeentebestuur van Boom wil zich als locale overheid mee verbinden om deze voorlopige aansluitingen op haar kosten uit te voeren, eventueel nog vroeger dan 1 januari 1975; .. / ..
  5. de verkoopprijs van de grond van 8 tot 10 ha zal 75 fr. /m2 bedragen. .. / .. Als industrieel moet u alleen een lage theoretische grondprijs betalen, zonder dat de infrastructuur en nutsvoorzieningen noch de aanvullingen van het terrein ten uwen laste worden gelegd. In ruil hiervoor moet u er zich alleen toe verbinden de bestaande fabriek van Manubelver af te breken en te nivelleren op het natuurlijk niveau van de grond en daarna dit terrein tegen dezelfde prijs van 75 fr. /m2 aan de Staat af te staan". Einde citaat.

Ondanks al de beloften van Gantenbrink, de staat en het gemeentebestuur liep het fout. Door de oliecrisis in de jaren 74-77 zag Gantenbrink zich verplicht het project in beraad te houden. In 1978 kwam vader Heinrich Gantenbrink speciaal naar Boom (vanaf 1975 was het de zoon Heiner geweest, die maandelijks naar hier kwam), want er moest gebouwd worden. De "peetvader" wilde met eigen ogen het terrein zien. En wat bleek, de infrastructuurwerken op het industriegebied waren beëindigd, maar helemaal anders voltooid dan voorzien in 1973. 

 In zijn thesis over de "Economie Rupelstreek" schrijft Bart Callaert het volgende: "Op 1 januari 1975 waren de werken op de industriezone nog niet ver genoeg gevorderd om het investeringsproject aan te vatten. Het wachten van Gantenbrink werd sterk op de proef gesteld. Begin 1976 bleekplots dat het tracé van een industrieweg doorheen de industriezone gewijzigd was. .. / .. De wijziging van het tracé was opportuun voor Boomse Metaalwerken... .. Voor Gantenbrink viel deze verandering totaal negatief uit. Het beoogde stuk indus­triegrond werd nu doormidden gesneden door de weg, zodat zijn bouwproject onuitvoerbaar werd".

Achiel Keppens, voormalig directeur van de N.V. Boomse Metaalwerken, bevestigde dat de oorspronkelijk voorziene wegtracés op vraag van B.M. werden gewijzigd.

De Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen (G.O.M.), die het industrieterrein beheerde, berichtte mij met een brief van 11/12/1991 dat "het dossier van de Boomse glasfabriek reeds jaren geleden werd afgesloten, nadat er door de eigenaars tot sluiting in Boom was beslist en tot overplaatsing van de resterende aktiviteiten naar Puurs. Bij gelegenheid van de GOM-verhuis in de zomer van dit jaar werd het ganse dossier dan ook vernietigd.

(get) A. Schodts, Hoofd Dienst Ondernemingspromotie en Projectbegeleiding".

In 1979 organiseerde de "Rupelsocieteit" in het Rupelhotel een debatavond over de economische situatie in de Rupelstreek. Als moderator trad de onlangs overleden journalist Johan Struye op. Bij deze gelegenheid laakte Robert Houthooft, gewezen directeur van de Boomse glasfabriek, de gelatenheid van de verschillende overheidsinstanties. In een brief van 5/7/1991 schrijft Robert Houthooft mij: "Gantenbrink heeft op het industrieterrein Krekelenberg geen nieuwe glasfabriek gebouwd OMDAT WIJ HET ONS BELOOFDE TERREIN NIET KREGEN ! / .. De infrastructuurwerken op het industrieterrein waren beëindigd en helemaal anders voltooid dan voorzien in 1973; er was namelijk een toegangsweg, onmiddellijk in het begin - in de bocht van de Nielsestraat - en niet ter hoogte van de helling. Daarenboven was er nog een aardige kronkel in die weg, kortom het terrein onmiddellijk naast Frateur-De Pourcq was lang en smal en onbruikbaar .. / .."

Intussen werkte de groep Gantenbrink voort in de gebouwen van de oude glasfabriek. Ze richtten op 29/8/1975 de "N.V. Boom-Buitenverlichting" op met een kapitaal van 300.000 fr., samengebracht door de familie Gantenbrink. Op 20/12/1977 werd het kapitaal verhoogd tot 10.000.000 fr. en het merendeel van de aandelen kwam in het bezit van Heiner en Bruno Gantenbrink In de begin­jaren werden verliezen geboekt, maar in de tweede helft van de jaren zeventig werd een lichte winst gerealiseerd. In 1979 liep het echter mis. De algehele verslechtering van de economische toestand, de zware concurrentie, een da­lend produktierendement (door de stijging van de lonen en de prijs van het aardgas), veroorzaakten zware verliezen. Het totaal gecumuleerd deficit liep op tot 17 miljoen Belgische frank. De eigenaars beslisten het bedrijf per 30 juni 1982 te sluiten. De vakbonden en senator Egelmeers deden tevergeefs beroep op de Vlaamse executieve. "Gantenbrink was diep ontgoocheld over de gang van zaken", schrijft directeur Houthooft. Op 31 mei 1980 werd de zetel van "Boom-Buitenverlichting" overgebracht van Boom naar Puurs en tegelijkertijd werd het kapitaal verhoogd tot 40 miljoen. Gantenbrink bouwde geen nieuwe glasfabriek op de terreinen naast de rijksweg in Puurs. Op een terrein van ongeveer 4 ha bevinden zich thans een montagehal en bureaus. Het glas wordt in Duitsland geblazen en hier afgewerkt. Daarna worden de eindprodukten geëxporteerd via de haven van Antwerpen.

De gebouwen van de oude glasfabriek werden in 1985 voor ongeveer 3 miljoen verkocht aan Jeugdhuis Noeveren, dat er een ontmoetings- en ontspan­ningscentrum van maakte.


 Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck 

Pag.223

CRISIS

In oktober 1929 veroorzaakte de beurskrach te New York een wereldwijde economische crisis. Aandelen werden waardeloos, bedrijven gingen over de kop of sloten hun deuren, duizenden arbeiders vielen zonder werk. Op het einde van 1932 telde België 330 000 werk­lozen, wat voor die tijd ongelofelijk veel was. Tegen doorgevoerde loonsverlagingen braken wilde stakingen uit. Onlusten deden zich voor. Rijkswacht en leger tra­den hardhandig op. Werkwilligen, ratten genoemd, werden beschermd door de gendarmes.

De syndicaten hadden hun leden niet meer in de hand. Schoorvoetend werden de stakingen erkend.

Vooral industriegebieden, zoals de Rupelstreek, werden door de crisis zwaar getroffen. Meer dan 2 000 man stond dagelijks in lange rijen aan te schuiven aan het kotje op het Wipplein, om een stempel te bekomen, die recht gaf op werkloosheidsvergoeding.

Aard bedrijf                   

Aantal bedrijven

Gebezigde werklieden 1929  

Gebezigde werklieden  1930

Aannemers   206 88
Brouwers en bierstekers 5 123 105
Ijzerconstructie 4 209 176
Diamantslijperijen 8 388 97
Glasfabriek 1 244 185
Rietenmattenmakerij 2 23 14
Scheepswerven 12 941 575
Sloffenfabriek 5 126 75
Steenbakkerijen 20 1539 1470
Ijzergieterijen 3 25 13
Zinkfabriek 1 180 131
(GR 12 augustus 1932   4004 2929

  


Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck 

Pagina 225

Op 18 november 1935 brak in de Rupelstreek een sta­king op de steenbakkerijen uit. Ministeriële bemid­delingspogingen mislukten.

In de Rupelstreek waren meer dan 2 500 arbeiders in sta­king, waaronder 779 in Boom. In februari 1936 deden zich incidenten voor. Bij sommige patroons werden ruiten ingegooid. Werkwilligen werden belaagd en -op weg naar het werk- begeleid door politie of rijkswacht. Op verzoek van de politiecommissaris vorderde de so­cialistische burgemeester de rijkswacht op. Het werd hem door vele van zijn kiezers niet in dank afgenomen. Eindelijk, na bijna 4 maanden staking, kwam op 4 maart 1936 een akkoord uit de bus en het werk op de steen­bakkerijen werd hervat. De sociale rust scheen hersteld, maar dat was slechts schijn. In juni 1936 brak aan de Antwerpse haven, waar vele Bomenaars werkten, een spontane staking uit.

Ook de diamantbewerkers en de scheepsherstellers leg­den het werk neer. Een welomschrevén eisen-programma werd opgesteld: 40-urenweek, verhoging van de kinderbijslag, jaarlijks toekennen van betaald verlof, loonaanpassing, enz...

In de Rupelstreek lagen de meeste scheepswerven stil en in vijf Boomse diamantslijperijen staakten 104 slijpers. Na het bekomen van een loonsverhoging werd het werk hervat. Kort daarop legden de arbeiders van de metaalverwerkende bedrijven, van de glasfabriek en van de bloemmolens van Rypens en Lenie het werk neer. Ook daar werden loonsverhogingen bedongen. De rust keerde weer. De economische crisis scheen voor­bij, maar de politieke internationale toestand was zien­derogen verslechterd.

Na de crisis stond de oorlog voor de deur. 
 


Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck 

Pagina 238

Boom omstreeks 1950

Ook de schoen- en pantoffelnijverheid -met als voor­naamste bedrijven J. Apostel en zonen, J.B. Van Dessel en zonen, J. Van Doren en zonen PVBAen de fabriek van de vroegere burgemeester Frans Holsters- boerde goed. Bijna 300 personen werden er tewerkgesteld.

Tot slot waren er de Brouwerijen en Mouterijen Lamot Ltd, de Molens Rypens NV en de Glasfabriek De Rupel. Tussen 1946 en 1950 verdubbelde de glasfabriek haar personeelsbestand en was vermaard in binnen- en buiten­land.

In totaal hadden in 1951, 181 nijverheidsinstellingen hun zetel in onze gemeente. Ze verschaften werk aan meer dan 4 000 arbeiders en bedienden.
 


Boom 1960-1980, Alex Vinck

Pagina 14

Jaren vijftig Bocam filmvereniging

Albert Van Bulck was kunstschilder. Hij volgde lessen aan de Academie van Boom en aan de Koninklijke Academie van Antwerpen. Als filmer bracht hij vrij vlug werk van professioneel gehalte. Met zijn animatiefilm "Padre Pedro", een 16 mm kleurenfilm, werd hij laureaat in de reeks "Verfilmd Lied" op het Internationaal Festival voor Amateurfilms te Cannes (Fr). (Volksweekblad)
De wetenschap dat voor dit festival 300 films uit 17 verschillende landen werden ingezonden, zet deze bekroning in een juist daglicht. Onder zijn vele andere realisaties citeren wij de documentaire "Smeltend Zand" - over de vervaardiging van glas en gemaakt in opdracht van de Glasfabriek De Rupel - en "Het Eindeloos Begin" - over de fabricage van staaldraad en de toepassingen ervan, een produktie van Bekaert-Cockerill.
 


Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck 

Pagina 243

Op zijn beurt kampte Vlaanderen met een tekort aan, vooral geschoold, personeel en richtte zijn blikken op het buitenland. De glasfabriek De Rupel uit de Diepestraat zocht en vond enkele vakkundige Tsjechen in Bohemen, wereldvermaard voor zijn kristal en porse­lein. Onder hen de artistieke ambachtsman Paul Heller. De geschiedenis herhaalde zich in 1960. De glasfabriek De Rupel zocht opnieuw naar arbeidskrachten in het buitenland. In Spaanse dagbladen werden aanlokkelijke advertenties geplaatst met de bedoeling glasblazers naar Boom te lokken. De hemel op aarde werd hen voorge­spiegeld. Spanje was nog een arm, een zeer arm land. Toen die armoedzaaiers onze lonen onder ogen kregen, begon het hen te duizelen. Bovendien betaalde de toe­komstige werkgever de reiskosten en werd hen aan een billijke prijs een gemeubelde woning aangeboden mèt -stel u voor- een kachel en een radio. Een ongekende luxe! 

Tweeëntwintig Spaanse gezinnen, uit de omgeving van Barcelona, waagden het avontuur. Ondanks het feit dat de zuiderlingen het moeilijk hadden met ons wisselval­lig klimaat en schrokken van de levensduurte, hadden ze zich verbeterd. Ze verkozen de belegde boterham in onze regen, boven het droog stuk brood in hun zono­vergoten vaderland. Het gevolg was dat nog meer Spaanse gezinnen immigreerden. In de Diepestraat en onmiddellijke omgeving vormde zich een Spaanse en­clave van ongeveer 350 personen.

Weer later ontstond er een tekort aan ongeschoold per­soneel of beter, de Belgen voelden zich te goed om in de chemische nijverheid vuile klussen op te knappen of tegen hongerlonen in de tuinbouw of de fruitsector te gaan werken. Om dezelfde reden waarom er vroeger een einde kwam aan de emigratie van Vlamingen naar Wallonië, stopte nu de immigratie van Spanjaarden. Ze konden hun gezin in eigen land onderhouden. Noodge­dwongen zocht het patronaat elders naar paupers. Men kwam terecht in Turkije en Noord-Afrika, de nieuwe wingewesten. 


 Boom 1940-1960, Alex Vinck 

Pagina 150 

In 1960 kwam een gunstige kentering in de economische situatie. De consumptie van produkten werd opgedreven ; we beleefden de « golden sixties ». De werkloosheid verdween bijna volledig en de Boomse bevolking, zoals elders in de Westerse wereld, profiteerde van een welvaart zonder voor­gaande in de geschiedenis. Dat deze welvaart stoelde op een onmenselijke uitbuiting van de derde wereldlanden besefte de massa niet. De weinigen die de situatie wel doorzagen konden er niets tegen beginnen, omdat de economische struc­tuur in onze maatschappij bepaald wordt door enkele mach­tigen, die de economische touwtjes in handen hebben.

Er ontstond zowaar een gebrek aan arbeidskrachten in onze gewesten. De glasfabriek « De Rupel » uit de Diepestraat, waar meer dan 300 werklieden waren tewerkgesteld, kreeg te kampen met een tekort aan geschoolde arbeiders. Op een advertentie geplaatst in de dagbladen reageerde Ripoll-Ensenat Noël, een voor het Franco-regime gevluchte Spanjaard die in Schaarbeek woonde. Hij werd aangeworven, viel in de smaak van de directie die van hem vernam dat er in Spanje ge­schoolde werklieden, zelfs glasblazers zonder werk zaten of tegen een hongerloon de ziel uit hun lijf bliezen.

In Spaanse dagbladen plaatste de glasfabriek « De Rupel » een uitnodiging aan gezinnen om naar België te emigreren. Kandidaten konden zich aanbieden in een salon van het ver­maarde Hotel Ritz in Barcelona waar de directeuren Wieme en Struppe zich ter beschikking hielden. Een driejaarlijks contract werd aan de postulanten voorgelegd. Benevens de arbeidsvoorwaarden werd bepaald dat de reiskosten voor re­kening van de glasfabriek waren, die zich tevens verbond te zorgen voor een behoorlijke, gemeubileerde woonst tegen een billijke huurprijs.

In november 1960 vertrok een trein uit Barcelona waarin zich 22 Spaanse gezinnen bevonden, die vol verwachting het avontuur waagden. Te Parijs werden ze opgewacht door direc­teur Struppe vergezeld van de verbindingsman en tolk Ripoll-­Ensenat. 

Onder hun hoede werd de reis naar Brussel verder gezet, van waaruit het gezelschap met autobussen naar Boom werd gevoerd. In het restaurant « Rupelhotel » werd door de glas­fabriekdirectie aan de immigranten ter verwelkoming een eet­maal aangeboden. Daarna werden de gezinnen naar hun ge­meubileerde woningen gebracht. Zes Spaanse gezinnen ves­tigden zich te Boom in de Diepestraat. De anderen werden ondergebracht in de omliggende gemeenten en vooral in Wilrijk.

Daar stonden woningen leeg, die in 1957 waren gebouwd om vreemde bezoekers van de wereldtentoonstelling « Expo 58 » te herbergen.

Het gezelschap leefde in een euforie ; de ontnuchtering volgde snel. 

De glasblazer Perales Sanchez Francisco werkte in de «Chris­tallerie Planeil Artesane» in Barcelona. Hij gaf gehoor aan de Belgische lokroep en ves­tigde zich in november 1960 met zijn echtgenote en zijn twee kinderen Maria Louisa (7 jaar) en Ramon (5 jaar) in de Diepestraat 45. Ze kwamen uit Barcelona. 

Perales Sanchez Francisco en zijn gezin waren bij de eerste immigranten. In zeer gebrekkig Nederlands, zodat wij soms telefonisch vertaalhulp van de dochter kregen, verklaar­den ze :
« de Belgische lonen lagen inderdaad veel hoger dan de Spaanse, maar dat was ook zo voor wat de levens­duurte betrof. Niettegenstaande wij de 48-urenweek genoten tegenover 56 uren werktijd in Spanje was de arbeid hier veel vermoeiender, omdat de werkomstandigheden slechter waren. Door de Boomse handelaars werden wij als nieuw cliënteel met open armen ontvangen, maar op de fabriek werden wij door sommige Belgische arbeiders gemeden. Dat deed pijn want dat was het laatste wat wij hadden verwacht ».

Directeur Struppe hechtte niet veel belang aan deze dis­criminatie omdat, zei hij « dit ook onder de Belgen onderling voorkwam ».

De grootste tegenvaller voor de Zuiderlingen was het Belgische klimaat. Regen, regen en nog eens regen, een hele lange winter door, deed het heimwee naar het zonnige vaderland groeien. Kosten voor verwarming die in Spanje miniem waren, drukten bovendien op het budget. Het driejaarlijkse contract hield hen hier gebonden, alhoewel sommigen, volgens directeur Struppe, dit negeerden.

Noodgedwongen pasten de Spanjaarden zich aan de nieuwe omstandigheden aan, want al bij al hadden ze zich materieel verbeterd. Er kwamen nieuwe contingenten gasten-arbeiders uit de streek van Barcelona, uit Valencia, uit Andalusië. Een vreed­zame Spaanse invasie herschiep de Diepestraat en omgeving in een enclave van ongeveer 350 Spanjaarden. Mettertijd zwerm­den ze uit, zochten beter betaald werk en betere huisvesting. Hun plaats werd ingenomen door nieuwe immigranten van andere nationaliteiten, want de Belgische en de Boomse indus­trie bleven met aanlokkelijke voorstellen vreemde gastarbeiders aantrekken. 
 


Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck  

DE GLASNIJVERHEID

  Pagina 270

 In de glansperiode omstreeks 1962 werkten in de glas­fabriek De Rupel meer dan 400 personeelsleden. Daar­onder verscheidene Spaanse gastarbeiders. Vazen en serviezen, die te Boom met de mond werden geblazen, werden elders machinaal vervaardigd. Deze minder­waardige producten waren uiteraard goedkoper. Om de concurrentie te weren, fuseerde De Rupel met drie Waalse bedrijven. De samensmelting gaf niet het ver­hoopte resultaat. Een Duitse groep kwam op de prop­pen. Ze zag brood in het vervaardigen van verlichtings­glas, omdat -door de bouw van sociale appartementen en sociale woningen- de vraag ernaar was verhonderd­voudigd. Gantenbrink, de vertegenwoordiger van de Duitse groep, beloofde een nieuwe glasfabriek op het industrieterrein in aanleg te bouwen. Hij schatte de in­vestering op 10 000 000 Duitse mark en voorzag werk­gelegenheid voor 300 personen. De oliecrisis ver­plichtte Gantenbrink het project in beraad te houden. In 1975 werd een nieuwe maatschappij, de NV Boom-Buitenverlichting, opgericht. Uiteindelijk werd er te Boom geen nieuwe glasfabriek gebouwd en verhuisde NV Boom-Buitenverlichting naar Puurs.
 


 Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck  

Pagina 280

Begin de jaren zestig zond het bisdom Antwerpen twee paters Dominicanen op missie naar de Boomse wijk Noeveren met de bedoeling de nodige zielenzorg aan de inwoners te verstrekken. De geestelijken vestigden zich in het gebouw van de vroegere katholieke vrije school op de hoek van de Nielse- en Plantsoenstraat. Om jeugdig volk te lokken werd in een vrijstaand lokaal een pingpongtafel gezet. Uitsluitend na de mis kon er even getafeltennist worden. Dan werd het ontspanningslo­kaal gesloten. Dat was niet naar de zin van enkele jon­geren, die prompt inbraken om ook in hun vrije tijd te kunnen pingpongen. Pater Bauwens begreep de hint. Prompt stichtte hij Jeugdhuis Noeveren, dat tot half­weg de jaren zeventig de druk bezochte uitgaansplaats voor de jeugd uit de Rupelstreek werd. Toen kwam de klad erin. Pater Bauwens, nogal eigenzinnig van karak­ter en niet zelden boven zijn theewater, kwam in onmin met het bestuur. Dat maakte handig gebruik van de tij­delijke afwezigheid van de geestelijke om tijdens een weekend met pak en zak te verhuizen naar de gebouwen van de leegstaande glasfabriek De Rupel in de Diepestraat. Het jeugdhuis kreeg als nieuwe naam 't Glas­fabriek. Het fabrieksgebouw werd aangekocht met gelden geleend op eigen risico door enkele enthousiaste medewerkers. Het jeugdhuis evolueerde naar een sport­-en gymcentrum (inlichtingen Luc Ceuppens en Marc Peeters). 


Links m.b.t. het Glasfabriek

Booms glas

EMABB- Niet alleen baksteen-Glas

 

Het is: donderdag 23 februari 2012, 07:55