Boomse scheepswerven

Onze vereniging gaat een groot artikel wijden in het jaarboek 2011 over de Boomse scheepswerven (inclusief sloperijen). Deze info zal ook ter beschikking worden gesteld aan Toerisme Rupelstreek-Vaartland die een project heeft opgezet rond de scheepswerven in de Rupelstreek.

Wie enige info heeft en/of foto's zou bezitten mag dit altijd laten weten. Alvast mijn dank!

mvg,

Marc

Wat weten we tot op heden over de schuttersgilden van Boom en omstreken?

Lezing op 29.10.1996
door Dr. E. Van Autenboer
 (°1920 +2008)


Verenigingen ontstaan, verenigingen vergaan. En toch zijn er uitzonderingen: de schuttersgilden, Eeuwen geleden werden zij opgericht en tot op heden zijn er nog steeds velen actief. Sommigen van hen zijn verdwenen, anderen vielen in een diepe slaap om terug te ontwaken. Het gildenwezen is om zo te zeggen onverwoestbaar omdat het diep in het wezen van het volk vast geankerd werd. Met het ontstaan van de steden ontstond de noodzakelijkheid om de verdediging van de bevolking en haar bezittingen door de weerbare mannen.

Deze groepeerden zich in een gilde ter beschutting van de zwakkere inwoners zowel geestelijken als leken en om de heer bijstand te verlenen in zijn ondernemingen. Een juiste datum van oprichting der verschillende gilden is praktisch zelden terug te vinden door het verlies der oude documenten. Het voorbeeld der steden werd spoedig nagevolgd door de inwoners der vrijheden. En de dorpen? Ook zij lieten zich niet onbetuigd. Sporen van plattelandsgilden werden teruggevonden in het begin der l5e eeuw. Of zou het nog vroeger geweest zijn?

Toen de militaire functie der schuttersgilden afzwakte en zelfs wegviel door de centralisatie politiek der vorsten, verdwenen de schutters niet van het toneel. Naast hun godsdienstige en sociale opdracht werden zij belast met politionele taken en richtten zij zich vooral naar recreatieve bezigheden. Het gildenleven wordt zoals bij elke vereniging geregeld door de kaart of reglement. Wie zorgde voor dit document? Er waren verschillende mogelijkheden: ofwel de leden zelf, die hun kaart onderwierpen aan de goedkeuring der overheid ofwel de heer van de plaats ofwel de koning als hertog van Brabant ofwel de hoofdgilden van Leuven.

Het gildenleven was eertijds goed gestructureerd. De Leuvense oude Sint-Sebastiaansgilde werd erkend als het hoofd van alle handbooggilden van Brabant en Mechelen, de Oude Boog en de Sint-Jorisgilde voor de voet- en kruisbooggilden, en de Kolveniersgilde voor alle buksgilden.

Deze hoofdgilden oefenden het gezag uit over de schutters aan wie zij een modelkaart verleenden. Zij traden ook op als rechter in schuttersmoeilijkheden en interpreteerden de reglementen. Het spreekt vanzelf dat zij buiten deze algemene voorwaarden ook zelf maatregelen konden opleggen. De Leuvense gilden regelden het reilen en zeilen van de schutters, zoals het verlenen van toelating om schietspelen en landjuwelen in te richten. Dit alles betekende niet dat hun gezag goedschiks door iedereen werd erkend. Machtige heren als deze van Westerlo (de Merode) legden zich niet goedschiks bij een Leuvense beslissing neer en maakten gebruik van hun recht om beroep aan te tekenen bij de Raad van Brabant.

Een gilde werd - en wordt - geleid door een hoofdman die voor het leven is gekozen. Hij kan rekenen op de hulp van de eerste en de tweede deken, de oudermannen, de gezworenen en vooral de koning, die vroeger jaarlijks werd geschoten en eventueel een griffier. Bovendien was er nog de alferis (vendelier) en de cornet, die te paard met de wimpel reed, alsmede de knaap of knecht. Wanneer de heer van de plaats fungeerde als hoofdman, dan liet hij zich, wegens zijn veelvuldige afwezigheden, vervangen door een luitenant. Er dient evenwel opgemerkt te worden dat deze functies niet overal terug te vinden waren.

De activiteiten van een gilde speelden zich af ofwel in de vereniging zelf ofwel er buiten. Overal werd met geestdrift het feest van de patroon gevierd: Sint-Sebastiaan, Sint-Joris, Sint- Antonius, Sint-Kristoffel, Sint-Barbara en noem maar op. De viering duurde gewoonlijk drie dagen, alhoewel een week geen uitzondering was. De eerste dag begon met een Eucharistieviering voor de overleden leden, gevolgd door een maaltijd en een jaarvergadering, waarop de rekeningen werden voorgelegd, de verkiezing van nieuwe leden, een nieuwe deken en gezworenen. Verder werd de tweede dag een mis opgedragen voor de overleden gildenzusters. De gildenbroeders hielden geregeld hun schietoefeningen en kampten jaarlijks - later om de drie en soms zes jaar - om de koningsvogel neer te halen.

De gilden waren ook verplicht naar buiten te treden: deelneming aan de processies met als bekroning het drinken van een ton bier in het lokaal, de aanwezigheid bij het bezoek van voorname personages als koning, graaf of bisschop, de viering van een vrede, de geboorte van een koningskind, de dienst voor een overleden koning of heer.
De schutters hadden tot taak de orde te handhaven toen zij hun heer in zijn militaire ondernemingen niet meer dienden bij te staan. Hiervoor dienden de huursoldaten ! Van grote betekenis was de deelneming aan schietspelen en in Brabant in de eerste plaats aan de landjuwelen. Mogen we erop wijzen dat wedstrijden alleen door gilden van hetzelfde wapen mochten betwist worden.

De Franse Omwenteling (1789) schafte alle verenigingen af en dus ook de gilden. Sommigen van hen verdwenen van het toneel of werden vervangen door schuttersmaatschappijen. Onder invloed van de romantiek ontlook een grote belangstelling voor het eigen verleden, waar vooral de aandacht werd toegespitst op de gilden. Dit gildenleven kende een grote herleving na 1918 en een tweede maal na 1945, toen het uit haar voegen dreigde te barsten. Zal die hoogconjunctuur blijven duren? Het gildenwezen is kenmerkend voor onze gewesten. In elke gemeente kan de activiteit van één, soms twee of meer schuttersverenigingen worden vastgesteld. Spijtig genoeg is het niet mogelijk bijzonderheden over vele gilden te noteren door het gebrek aan de noodzakelijke documenten.

Vele archieven zijn immers verloren gegaan. Nochtans, wanneer er voldoende systematisch en lang gezocht wordt, komen er nog talrijke aspecten te voorschijn. Hoeveel is er bijvoorbeeld over de eeuwenlange geschiedenis van de Sint-Sebastiaansgilde van Boom bekend gebleven? En over de schutters van de omliggende gemeenten? Het wordt daarom de hoogste tijd de nog bestaande bronnen aan een nieuw en grondig onderzoek te onderwerpen. Het beeld van de schuttersgilden zal in een klaarder licht komen te staan. Is hier geen taak voor de heemkundigen weggelegd? Om hun werk te vergemakkelijken brengen de volgende bladzijden een status questionis van wat geweten is over de gilden van Boom en omliggende gemeenten. 

Uit de speurtocht naar de overal verspreide bronnen1, zelfs op de meest onvermoede plaatsen, zal duidelijk blijken welke betekenis de gilden voor onze voorouders en voor de gemeenschap gehad hebben. Het zal tevens duidelijk worden dat zij in de loop der tijden een evolutie hebben doorgemaakt. Zij hebben zich aangepast aan de veranderde maatschappij zonder hun basisprincipes te verloochenen. Daarin schuilt het geheim van hun eeuwenoud bestaan.

AARTSELAAR2
De schuttersgilde van Aartselaar gaf reeds in de 15e eeuw tekenen van leven. Inderdaad in de periode 1479-85 werd een boete opgelegd aan de persoon die een doel van de schutters had vernield. In 1522-24 had een Janne de Schoesetter de schalen van de Jonge Handboog van de wand gesmeten. Aartselaar kende een Oude en een Jonge Handbooggilde waarvan de rekeningen zijn bewaard gebleven, respectievelijk van 1770-1836 en 1729-1818.

In 1562 werden verklaringen afgelegd door koster Joos Verreycken, 51 jaar oud en 31 jaar gildenbroeder, alsmede door Pauwels Coens, 39 jaar en 24 jaar gildenbroeder. Op 13 december 1726 schonk de hoofdgilde van Leuven een modelkaart aan de handboog (welke?) van Aartselaar. In 1834 werd de nog bestaande gilde als "nul" aanzien. Het doel ervan was zich onderling te vermaken. Er werden geen prijzen gegeven: wie de vogel neerhaalde, bleef vrij van gelag tot hij door een andere werd vervangen.

BERCHEM3
De Sint-Sebastiaansgilde van Berchem werd reeds in het begin van de 16e eeuw gesignaleerd, maar is waarschijnlijk ouder. In 1517 reisden de gildenbroeders naar de kermis van Mortsel en Wilrijk. Op het landjuweel te Deurne in 1526 wonnen de schutters van Berchem de eerste prijs van schoon inkomen. Leuven schonk op I juni 1688 een kaart aan de gilde van Berchem. Deze droeg zorg voor een altaar in de Sint-Hubertuskerk evenals voor een schilderij die de Martelie van Sint-Sebastiaan voorstelde. Het beeld van de patroon, in witgeschilderd hout, dateert van 1652.

De rekeningen van 1720-81 zijn bewaard gebleven. Belangrijk is de vaststelling dat de gildenzusters een eigen vaandel hadden dat verpacht werd. De vrouwen moesten inkomgeld betalen en schoten, zoals de broeders naar prijzen. De huisvrouw van een broeder werd aangesteld als opperdeken van de vrouwen. De gilde kon ook beschikken over het kinder- en bruiloftsgeld (1724-25).

Op bevel van de Franse bezetter verklaarde de gilde alleen een stukje grond te bezitten dat 44 p. 11 s. opbracht.
Van de gilde worden nog een processietoorts en een gildentoorts bewaard. De gilde leefde in 1834 nog steeds. Ze bestond uit getrouwde mannen die samenkwamen met Sint-Sebastiaan en ook met de boog schoten. Mannen en vrouwen kwamen jaarlijks tweemaal bijeen in een groot lokaal. Ze aten gedurende twee à drie dagen en dansten 's avonds.

De jaarlijkse overwinnaar ontving prijzen: kristal, tafelservies en tinnen voorwerpen ter waarde van 5, 10, 15 en 20 fr. Soms begaven de vrouwen zich aan het spel: voor hen waren er prijzen van 2 tot 30 fr. voorzien. Indien de schutters zouden gevraagd worden voor oefeningen, dan wilden ze wel meedoen op voorwaarde dat deze van dezelfde aard waren. De gilde was samengesteld uit goede patriotten die op enige uitzondering na verknocht waren aan het toenmalige gouvernement. De oud- secretaris P. Werbroeck - nu afgesteld - bewaarde ten onrechte de registers.

BLAASVELD 4
Het Heilig Kruis werd door de gilde gekozen als patroon van wie een relikwie in de kerk berustte. Aan de processie op 3 mei werd deelgenomen door de gilden van Heffen en Wille broek. De Handboog van Brussel schonk op 26 september 1754 een kaart aan Blaasveld. De breuk dateert van 1630-31 en wordt in het Vleeshuis te Antwerpen bewaard.

Een tweetal acten van de Mechelse notaris J. Thomas geven enkele details over de werking van de gilde in 1637.
Een achttal gildenbroeders kwamen op 23 oktober 1637 een verklaring afleggen. Het waren: Jan Schellens (54 j.), Peeter Gheens (73 j.), Jan Cleymans (94 j.), Laureys van Boexelaer (67 j.), Hugo Teugels (40 j.), Adriaen Goelicx (41 j.), Cornelis de Bruyn (40 j.) en Peeter Teugels (35 j.). De reden voor hun getuigenis waren de moeilijkheden die met een weduwe ontstaan waren.

Bij het overlijden van een gildenbroeder mocht zijn weduwe lid blijven mits de helft van de onkosten te dragen. Als de gilden van Heffen en Willebroek op 3 mei naar Blaasveld kwamen, werd elk van hen bedacht met twee tonnen bier ten bedrage van 6 à 7 gulden zonder de accijnzen. Dit was het enige waarin de weduwe moest tussenkomen. Tot dan toe was deze regeling zonder moeilijkheden gehandhaafd, maar in 1637 werd deze gang van zaken verstoord. De weduwe van wijlen Matheeus Verspreeuw kwam in verzet. Het weigeren te betalen was een nieuwigheid en nochtans voor een jaarlijkse bijdrage van 10 of 12 st. mochten de weduwen zoveel drinken als zij wensten of mochten zij een plaatsvervangster sturen. Op 16 november van ditzelfde jaar 1637 werd mr. Jan van der Hoffstadt, secretaris van de
heerlijkheid Blaasveld, aangesteld om deken Peter Teugels te verdedigen in het proces in- gesteld bij de Handboog van Brussel tegen Maria Borgens, weduwe M. Verspreeuwen. Teugels schonk die volmacht mede namens mededeken Cornelis De Bruyn en de gilde.

Te Blaasveld werd de bijdrage beschouwd als een van de lasten die op de inwoners van de parochie rustten. Iedereen die van de "gemeynte" wou genieten, moest betalen. Praktisch elke inwoner ingezetene was dan ook lid van de gilde.
In 1834 schoten de schutters van Sint-Sebastiaan voor tinnen prijzen van weinig waarde. Zij waren wel bereid deel te nemen aan grotere wedstrijden.

BOECHOUT 5
Deze gilde was reeds actief in de 16e eeuw. Getuige hiervan waren de verklaringen die op 22 september 1562 werden afgelegd door een gildenbroeder, nl. De 62-jarige Gooris van Mierop, meier van Boechout en keizer van de gilde.
In 1834 bestond er geen gilde, confrerie of serment in de gemeente.

BOOM 6
Het verleden der Boomse schuttersgilden is helemaal geen onbeschreven blad, zoals blijkt uit de verschillende geschiedenissen. Basis van deze publicaties was het werk van Sel. Pastoor-deken F. Beten ontleende in 1901 zijn gegevens voor zijn parochiegeschiedenis aan voornoemd werk.

De stichtingsdatum van de Grote gilde van Sint-Sebastiaan kon, zoals voor zo vele gilden, niet achterhaald worden. Feit is nochtans dat Leuven op 14 juni 1680 een modelkaart schonk aan de Boomse schutters. In 1624 werd voor de Raad van Brabant een proces gevoerd over het hout van het schuttershof der Oude Sint-Sebastiaansgilde. Stoffel Spillemaecker en Matthys Verlinth vertegenwoordigden toen de gilde.

De oudste van de drie nog bewaarde rekeningen begint in 1629. De gilde bezat tot en met het jaar 1686 geen vaste wip om de vogel te schieten. Sinds 1687 konden de gildenbroeders beschikken over een vaste wip en dit tot in 1825.
Samen met de jonge schutters zorgde de oude gilde voor een altaar dat zij vernieuwden in 1677 en 1740.

Het vroegste document van de Jonge Gilde dateert van 12 juni 1685. Voor notaris Ceulemans te Rumst schonk Willem Spillemaeckers het uitgebakken gelaag "de Elzen" de eeuwige toelating om er het schuttershof te vestigen. Hij stelde als voorwaarde dat de gilde jaarlijks een requiemmis zou laten opdragen voor hem en zijn huisvrouw. De Oude Gilde zou echter dezelfde rechten genieten indien beide gilden samen de lasten zouden dragen. Dit geschiedde met de oprichting van de nieuwe wip in 1687 en in 1779.

Op 11 februari 1725 werd de Jonge Handboog door de hoofdgilde van Leuven bedacht met een nieuwe kaart.
Het spreekt vanzelf dat de gildenbroeders moesten deelnemen aan de processies. Het bede- vaartvaantje van de begankenis voor de H. Rochus vertoont een handbooggilde met het beeld van Sint-Sebastiaan. De oude en de Jonge gilde overleefden de roerige tijden van de Franse Omwenteling.

In 1834 werd vastgesteld dat er te Boom een Oude en een Jonge gilde in leven waren en ressorteerden onder de hoofdgilde van Leuven. Hun doel schijnt eertijds de verdediging van het vaderland geweest te zijn. Er werd beweerd dat ze in het verleden privilegies zouden genoten hebben. Gedurende twee dagen hielden zij vogelschieten: de eerste dag voor de koning en de tweede voor prijzen ter waarde van 14 florijnen. De schutters zouden bereid zijn - indien het gevraagd werd - deel te nemen aan grotere wedstrijden.

In 1696 werd een broederschap ter ere van de Rochus ingesteld. Het werd op 19 juni 1697 door de bisschop goedgekeurd. Deze broederschap kocht biekorven aan om ze te verpachten. Sint-Ambrosius werd de tweede patroon. Biestokken vervingen de flambeeuwen in de processie. Er werden twee teerfeesten gehouden: met Boomkermis en met de zondag van Sinksen. Deze werden vervangen door de twee feestdagen van Sint-Ambrosius (7 december en 4 april). De gilde stapte vóór de handboog op in de processie zoals ook blijkt uit het vaantje met de begankenis van 16 augustus.
Geen document bewijst dat de leden van deze broederschap een boog hebben gehanteerd.


Detail uit het bedevaartvaantje van de begankenis voor de H.Rochus(17de eeuw)
vertoont een handbooggilde met het beeld van Sint-Sebastiaan.

 

BORNEM7
In Bornem leefden eertijds twee handbooggilden naast elkaar: de Oude en de Jonge Handbooggilde. Deze laatste verdween omstreeks 1667, althans voorlopig. De Oude Gilde was in de 16e eeuw in het bezit van een kaart, die niet teruggevonden werd. Zij werd nochtans bevestigd en aangevuld door graaf Jan-Frans de Coloma. Dit nieuwe reglement werd in 1763 in het Frans vertaald. De hoofdgilde van Leuven schonk op 10 september 1690 - ter aanvulling - een modelkaart aan de oude schutters. De Jonge Gilde werd op haar beurt op 12 september 1710 met een dergelijke kaart verrijkt. Was zij wellicht terug tot leven gekomen? De domeinrekeningen van Bornem vermeldden reeds in 1465 de "schutters", die 3 pond parisis ontvingen voor de deelneming aan een prijsschieting te Liedekerke. In 1591 leren we de tafelkosten van een teerdag kennen.

In het reglement worden ook richtlijnen gegeven voor het inrichten van en het deelnemen aan schietspelen.
In 1834 telde de gilde nog zeven leden, Hun doel bestond in het deelnemen aan bijeenkomsten en openbare oefeningen houden. De prijzen behaald in de jaarlijkse oefeningen werden betaald door de gilde. Ze bestonden uit tinnen teljoren en borden ter waarde van 20 à 30 fr. Het was op het ogenblik onmogelijk deel te nemen aan grote wedstrijden, maar de gilde was bezig zich te versterken.

DUFFEL 8
In 1416 verschenen de schutters van Duffel in de processie van Lier. Naar alle waarschijnlijkheid waren het de voetboogschutters. Over deze gilde is niet veel, maar toch iets bekend gebleven.
Op 3 maart 1498 ondertekende hoofdman ridder Hendrik, heer van Muggenbergen, een uitnodiging voor alle schutters van oude en jonge gilden van steden, vrijheden en dorpen om op 11 juni te komen schieten. Er waren prijzen voorzien voor inkomen, schieten, sotten en esbattementen. Deze laatsten konden opgevoerd worden door de gilden zelf of door rederij- kerskamers.

De Duffelse gilde nam in 1509 deel aan het schietspel van de Antwerpse Jonge Boog. Duffel was ook aanwezig in 1518 op een haagspel te Mechelen. Uit de reeds gepubliceerde studie blijkt dat de Duffelse voetboog een "tuymelaer" of nar meevoerde. In 1679 werd voor 18 guld. een nieuw vrouwenvendel aangekocht. In de processie werd een Sint-Jorisbeeld meegedragen. Bovendien stapte in Duffel, zoals op andere plaatsen, Sinte Margriet, die "den draeck leyt", mee op;
De Sint-Jorisgilde ging ten onder tijdens de woelige periode van de Franse Omwenteling.

Er waren te Duffel een Oude en een Jonge Sebastiaansgilde actief, maar over de datum van hun ontstaan en de inhoud van hun oudste kaart tasten we in het duister. De Leuvense hoofdgilde verleende omstreeks 1670 een kaart aan de handboog binnen de "prochie" van Duffel, land van Mechelen, op 15 januari 1687 een papieren kaart aan de Gulde van Duffel en op 17 januari 1712 aan de Oude Gulde van Duffel een perkamenten kaart. Spijtig werd niet meegedeeld aan wie de eerste twee modelkaarten werden toegekend.
Activiteiten? In 1697 richtte de Sint-Sebastiaansgilde van Duffel een haagspel of landjuweel (sic!) in met voor 80 guld. prijzen. In de loop der jaren ontstonden er wel eens moeilijkheden, zoals in 1708 toen de Jonge Hand- boog de koningsvogel schoot tegen het verbod van de schout. Deze liet de wip afbreken! Reden van zijn houding was de aanwezigheid van het leger bij Leuven. In 1834 had slechts één gilde de moeilijke jaren overleefd. De weinig talrijke leden kwamen eenmaal per jaar samen om te eten en zich te ontspannen.

EDEGEM 9
De handbooggilde van Edegem was reeds in het begin van de 16e eeuw in volle doening. Inderdaad, in 1562 legde de 81-jarige Laureys de Coninck een verklaring af Hij was meer dan vijftig jaar lid van de Oude Gilde en had verschillende malen de papegaai afgeschoten. Edegem ontving op 1 juli 1699 een modelkaart aan de schutters van de Edegemse gilde.

In 1834 bestond er volgens de overheid geen eigenlijke gilde. Er waren wel personen die jaarlijks samenkwamen met als enig doel: eten, drinken en zich ontspannen. De gilde kon in 1973 grote feestelijkheden op touw zetten.
De Jonge Gilde, bekend in de 16e eeuw, verdween korts na 1628. Een kolveniersgilde zou omstreeks 1689 bedrijvig zijn geweest; ook in 1713 werd een biegilde gesignaleerd: zij werd heringericht in 1718.

HEFFEN 1O
De Sint-Sebastiaansgilde van Heffen ontplooide haar activiteiten reeds in de 16e eeuw. Inderdaad in 1562 velde de Edele Handboog van Mechelen een vonnis in verband met een schietspel dat te Heffen werd gehouden. De onenigheid was ontstaan tussen de gilden van Kampenhout, Heffen, Willebroek en Hombeek. In 1590 kwamen vijf inwoners van Heffen een verklaring afleggen in verband met de breuk van de gilde, die veiligheidshalve was opgeborgen bij mr. Andries Rousselle.

Gelukkig is er een en ander bewaard gebleven. Zij vertoont het wapenschild van jr. Phlups de Haynin, heer van Lecies, burgemeester van Mechelen en koning van de gilde in 1615. Naast een schild met Sint-Sebastiaan in hoog relief, hangt er een ander aan met de voorstelling van Sint-Amandus en het inschrift: 13 juni 1756 Joes Frans Ips (sic) De Cock hooftman deser gulde. Dit stuk werd in 1933 verkocht voor 5.000 ft. alhoewel het voor 10.000 ft. werd ingezet.
De gilde van Heffen nam deel aan de processies van Leest en Blaasveld. In de kerk bevonden zich grafschriften van Jan van Cauwenberghs, alferis (+ 1648) en Jan de Roeck, koning (+ 1644).

Met consent van het hoofdbestuur van Mechelen richtte Nikolaas van Aken, waard in den Inghel, een schietspel in met tinnen prijzen. De wedstrijd duurde van Halfvasten 1645 tot de derde kerstdag op de middag.
Op 13 februari 1755 ontving Martinus Steemans volmacht om te trachten een kamer of lokaal te bekomen. Zesendertig gildenbroeders (van wie negen met een kruisje tekenden) onderteken- den dit document. En hij slaagde in zijn opdracht. Op 15 februari 1755 werd een huurovereenkomst gesloten tussen Martinus Steemans, gemachtigd door koning Jacobus de Roy en meest alle confreers, met sr. Cornelius Scheppers. De gilde kon nu samenkomen in een kamer van het huis van de tweede comparant op de plaats de Engel aan de kerk te Heffen.

Zoals elke gilde bezat ook Heffen een trommel. Dit instrument werd vervaardigd door A. De Jaer uit Mechelen. In 1933 werd zij voor 700 fr. verkocht op de veiling Claes te Antwerpen. In 1834 was de gilde nog niet verdwenen. De overheid signaleerde een soort Sint-Sebastiaans gilde. Eens per jaar kwamen de leden samen om zich drie à vier dagen te ontspannen. 

HEINDONK 11
Op 28 april 1673 werd de gilde van Hayendonck" begiftigd met een papieren kaart door de hoofdgilde en later op 10 oktober 1713 met een perkamenten exemplaar. De gildenbroeders van Heindonk bevestigden op 18 Brum. V (8 november 1796) in het bezit van een breuk te zijn. In 1834 was er van een "societeit" geen sprake meer.

HEMIKSEM 12
De Sint-Sebastiaansgilde van Hemiksem mocht op 29 oktober 1730 de modelkaart van Leuven in ontvangst nemen. Tijdens de Franse bezetting kon de gilde alleen maar een schuld van 44 pond 11 st. aan de overheid voorleggen: er waren geen bezittingen, In de 19e eeuw blijkt de gilde een minder gunstige periode te hebben doorgemaakt. In 1834 bevestigde de gemeente dat ze in onbruik was geraakt. De leden kwamen nog wel samen voor een ''banket''.

De gilde kon in 1895 te Antwerpen oude vlaggen, de breuk van 1606, een staf en toortsen tentoonstellen.
De herleving kwam stilaan. Heden ten dage is de gilde nog actief. Spijtig genoeg is de prachtige breuk die op het gemeentehuis bewaard werd, spoorloos verdwenen in 1996. In 1708 werd een biegilde opgericht.

HINGENE 13
In Hingene fungeerde de Sint-Sebastiaansgilde als hoofdgilde voor het omliggende. Volgens de vlag van 1970 zou zij in 1520 opgericht zijn geweest. De oudste kaart is verdwenen. Op 2 januari 1600 schonk heer Coenraad Schets haar een kaart die op 19 augustus 1628 en in 1701 werd bekrachtigd.

Afhankelijk van de schutters van Hingene (tot 1779) werkte een gilde te Nattenhaasdonk. Toen de hoofdman in 1772 was overleden, weigerde Hingene een nieuwe man aan te stellen. Nattenhaasdonk wendde zich tot keizerin Maria Theresia die op 4 augustus 1779 een kaart ondertekende. In de kerk van Hingene prijkt een beeld van Sint-Sebastiaan uit de 19e eeuw.
In 1834 waren de gilden in Hingene verdwenen. Er was echter een nieuwe vereniging van handboogschutters ontstaan met als doel eendracht te bevorderen en plezier te maken. Ze hield nog bepaalde ceremonies van vroeger in ere. Als de koning geschoten werd, trok de gilde naar de kerk voor het zingen van een Te Deum. De gemiddelde waarde der prijzen met een koningschieting en de jaarlijkse oefeningen bedroeg 25 fr. Men vermoedde dat deze verenigingen wel  aan grote wedstrijden zou deelnemen.

HOBOKEN 14
De 45-jarige Nicolaes Mertens legde op 22 september 1562 een verklaring af voor de gilde van Hoboken over de gebruiken en samenstelling van schietspelen. Hij kon het weten want hij was 34 jaar in de gilde,
P. Breughel de Oude zorgde voor een tekening van de kermis van Hoboken, die door Bart. de Mumpere werd geëtst. Op de uitgehangen wimpel stond te lezen: Dit is de gulde van Hoboken; Men zag er de schutters naar de doelen schieten. In de kerk was het hoofdaltaar toegewijd aan Sint-Sebastiaan, De inventaris van de kerkgoederen bevatte niet alleen het goud van Onze Lieve Vrouw, maar ook een zilveren papegaai. De leden van de gilde droegen het beeld van Sint-Sebastiaan in de processie, zoals afgebeeld op een bedevaartvaantje van 1652.

Een ander gebruik was het zingen van een Te Deum na de schieting van een nieuwe koning. Wegens misbruik werd deze plechtigheid in 1783 afgeschaft. Onder het Oostenrijks Bewind was het oprichten van een wip voor de koningschieting afhankelijk van de toestemming van de dorpsheer. De drossaard verbood in 1733, zoals te Duffel, het koningschieten.
In de Franse periode bezat de Oude Voetboog (sic! Handboog?) een stuk grond genaamd Buyten-weldt dat jaarlijkse 25 fl. opbracht en nog een ander (Schuttershof) dat 24 fl. 15 st. opleverde.

Ten jare 1834 verklaarde de overheid dat er sinds 1730 een Sint-Sebastiaansgilde bestond. Haar doel bestond in de handhaving van orde en gehoorzaamheid aan de instellingen van het land. Voor de jaarlijkse schieting werd 5 fl. uitgegeven. Wanneer ze zouden gevraagd worden, zouden de schutters ongetwijfeld meedoen.
 

   
De kermis van Hoboken door P.Breughel de Oude, die door Bart de Mumpere werd geëtst.

HOVE 15
Over de gilde van Hove is weinig bekend. Ze bestond in de 16e eeuw. Op 22 september 1562 legde Jan Belliaert, 70 jaar oud, wonende te Boechout, keizer van de Oude Gilde van Sint- Laureys te Hove, een verklaring af In de parochiekerk wordt een schilderij van Peter van de Cruys met de voorstelling van de Marteling van Sint-Sebastiaan bewaard (1659). 
 De gilde bestond nog in 1834. Het doel van de broeders van Sint-Sebastiaan was niet gekend, Er werd jaarlijks wel vergaderd, maar oefeningen werden er niet gehouden. En de jonge gilde? Heeft ze werkelijk bestaan, wanneer en tot welke datum?

KAPELLEN 16
De Sint-Sebastiaansgilde was een van de actiefste verenigingen uit de omtrek, en zeker in de eerste helft van de 20ste eeuw. Het wel en wee van deze gildenbroeders en gildenzusters werd uitvoerig beschreven door P. Veulemans. Leuven schonk haar op 4 oktober 1656 een modelkaart. In Kapellen hadden de bieboeren in 1788 een gilde gevormd,

KONTICH 17
De Oude Gilde van Sint-Sebastiaan bestond in de 16e eeuw. Hiervan wordt het bewijs geleverd door een verklaring in 1562 van Jasper van Regemortel, 66 jaar oud en 40 jaar lid. In 1660 werd de Jonge Gilde door Leuven bedacht met een modelkaart van Leuven. Een beeld van Sint-Sebastiaan door Pieter Malderus (1690-91) prijkt in de Sint-Martinuskerk. Het is vervaardigd uit beschilderd hout en in afkomstig van een zijaltaar.

In de gemeente hadden de kolveniers zich in een gilde verenigd: zij mochten in 1700 een kaart van de Leuvense hoofdgilde der kolveniers in ontvangst nemen. De bieboeren hadden zich verenigd in een gilde die op 4 april 1704 werd opgericht. De kerk bewaart nog een beeld van Sint-Ambrosius (17e - begin 18e eeuw) uit witgeschilderd hout. De overheid bevestigde in 1834 het bestaan in Kontich van twee sociëteiten, overblijfsels van gilden die in 1660 en 1705 waren opgericht. Jaarlijks werd de vogelscheut gehouden. De winnaar kreeg de titel van Opperhoofd, koning van de sociëteit, toebedacht. De broeders kenden jaarlijks een maaltijd en een feest. Indien ze gevraagd werden, zouden enkele aan een oproeping gevolg geven.

LIEZELE 18
De vlag van de Koninklijke Wipmaatschappij Sint-Sebastiaan draagt als data: 1535-1973. In 1535 opgericht?
In 1834 bestond er een "Konings-gilde" van handboogschutters. Het doel was eenvoudig: eendracht en plezier.
De winnaar van een onderlinge wedstrijd werd koning uitgeroepen. Hem werd een bedrag van 7,50 fr. uitgekeerd.

LIPPELO 19
De gilde van Lippelo zou omstreeks 1400 ontstaan zijn. Ze bestond zeker in 1535. De schutters van Lippelo verbroederden met hun confreers van Malderen en Opdorp na de processie (1695), In 1698 was Lippelo aanwezig op een schieting te Brussel. Was er ook een jonge schuttersgilde? Hoe dan ook, in 1834 was er van een gilde geen sprake.

MARIEKERKE 20
In 1834 bestond er geen gilde meer.

MORTSEL 21
De Sint-Sebastiaansgilde van Mortsel dateert zeker van het begin van de 16e eeuwen waarschijnlijk nog van vroeger. In 1526 veroverde zij de eerste prijs op het schietspel van Deurne. Jan Peet, 50 jaar oud, was in 1562 reeds dertig of eenendertig jaar van de gilde. Met de troebelen in de Nederlanden blijkt de gilde in slaap gevallen te zijn, maar zij werd tussen 1595 en 1608 terug actief. Op 19 mei 1680 werd zij door Leuven met een kaart bedacht. De schutters van Mortsel en Wilrijk begaven zich tweemaal per jaar naar Berchem: met de processie op de grote kermisdag en op de vogeldag of koningschieting.

In de kerk prijkt niet alleen een schilderij De Marteling van Sint-Sebastiaan van Comelis Schut,  maar ook een witgeschilderd beeld van de patroon Sint-Sebastiaan (2e helft 18e eeuw). Met de Franse Revolutie verklaarden de gildenbroeders niets te bezitten. De Oude Gilde werd terug opgericht in 1802, maar zou in 1834 niet meer bestaan hebben.

En wat met de Jonge gilde?
Mortsel bezat ook een Sint-Ambrosiusgilde die nog altijd actief is. In de kerk van de H. Benedictus bevindt zich een beeld van de H. Hubertus (wit gekalkt hout, 18e eeuw): het was oorspronkelijk het beeld van de H. Ambrosius voor wie op 7 december 1694 een broederschap werd ingesteld.

NIEL 22
De oorsprong van de Sint-Sebastiaansgilde wordt nergens aangegeven. De hoofdgilde schonk haar twee kaarten: op 11 maart 1696 en 28 mei 1727. Deze laatste kaart berust thans in het in het museum Taxandria (Turnhout) en is afkomstig uit de verzameling Fr. Claes.

Jonker Jan Carel de Homes, hoofdman van de gilde, stond met medewerking van andere vertegenwoordigers van de gilde op 19 april 1710 het Schuttershof te Niel af aan Jan Lenie en Adriana Verreycken. Voorwaarden waren: er een huis bouwen en het overblijvend terrein aanleggen om er twee doelen te plaatsen. De eerste comparanten verklaarden hun wip te hebben waar zij van ouds de vogel schoten. De tweede comparanten beloofden jaarlijks tien gulden aan de broederschap te betalen.

Een jaarlijkse rente van 400 fr. werd overgenomen door de baron op voorwaarde de wip te onderhouden en drie jaarlijkse missen te laten opdragen. Toen de wip versleten was, betaalde de baron niet meer. In de kerk bevindt zich een beeld van Sint-Sebastiaan (18e eeuw in gepolychromeerd hout) dat vroeger op een zijaltaar prijkte.

Ten jare 1834 was er sprake van een gilde waarvan het oorspronkelijk doel aan de overheid niet bekend was. De leden vierden jaarlijks tweemaal, nl. met Sinksen ter gelegenheid van het schieten van de vogel op de wip en met Sint-Sebastiaan. De koning was gedurende zijn jaar vrij van kosten, een gunst die op 20 fr. werd berekend.

Een biegilde ontstond in 1705 en kende twee reglementen in de Franse tijd (respectievelijk van 16 en 14 art.). In de kerk stond het thans verdwenen beeld van Sint-Ambrosius.

OPPUURS 23
Een gilde was in 1834 niet bekend.

PUURS 24
Te Puurs telde de Sint-Sebastiaansgilde in 1834 slechts acht ouderlingen die geen oefeningen hielden. Er was wel een vereniging van jonge schutters actief. Daar werd zonder organisatie naar de wip geschoten.

REET 25
Uit de bewaard gebleven rekeningen van de Sint-Sebastiaansgilde blijkt dat zij te Leuven een kaart ging halen (1713-14). Interessant is de vermelding van een vrouwenvaandel (1712-13) en het kindergeld (1652-53 en 1720-21): bij elke doop moest een bepaalde som betaald worden. De opbrengst hiervan kwam de gilde toe want zij had deze inkomsten voor een bepaald bedrag van de kerk gehuurd.
Reet kende ook een bijengilde. Dit kan afgeleid worden van het getuigenis van de 62-jarige Peeter Derghent. Hij was "naede oude maniere van doene" met koning, hoofdman, deken en gildenbroeders op 15 augustus 1558 voor de ommegang naar Boom getrokken. Nadat deze haar tocht had volbracht, bezocht P. Derghent en zijn gezelschap van de parochie een herberg waar ruzie was uitgebroken. In 1834 bestonden er geen verenigingen die vroeger als gilde bekend stonden.

RUISBROEK26
De Brusselse hoofdgilde voorzag op 11 december 1697 de Sint-Sebastiaansgilde van Ruisbroek van een kaart, die 46 artikelen telde. De gildenbroeders schoten de vogel op tweede Sinksendag. De koning genoot het voordeel zijn klak met kroon in de kerk op te houden. Na 1836 werd de gilde heringericht, doch telde in 1914 nog slechts vier of vijf leden. De wereldoorlog deed de gilde verdwijnen. In de kerk bevindt zich een beeld van Sint-Sebastiaan met engel (witgeschilderd hout, 1ste helft 18e eeuw).

RUMST 27
Omstreeks 1665 stelde de hoofdgilde van Leuven de handboog van Rumst in het bezit van een kaart en deed dit na op 4 januari 1701 (papieren kaart). De Jonge Handboog van Rumst ontving op 28 september 1722 op haar beurt een papieren kaart. De schutters van Rumst namen in de eerste helft van de 16e eeuw reeds deel aan een landjuweel der vrijheden. 

Rumst won in 1549 de eerste prijs en richtte volgens het reglement in 1550 een nieuwe wedstrijd in, waarin Meerhout zegevierde. In 1679 verscheen de gilde te Reet om naar de prijsvogels te schieten.
In 1834 bestond er geen vereniging meer die de naam van gilde of confrerie droeg.

SCHELLE 28
Schelle was begunstigd met een Oude en een Jonge Sint-Sebastiaansgilde, maar de datum van oprichting werd nog niet teruggevonden. Reeds in 1461 werd te Schelle een schietspel gehouden voor de schutters van alle gewesten met o.a. deelnemers uit Brugge, In 1562 kwamen twee keizers van de Oude Gilde getuigen: mr. Dieriek van Ranst en Jan Coutreel.
Zoals Rumst nam Schelle deel aan het landjuweel der vrijheden, waarvan in 1542 een van de zeven wedstrijden werd betwist. De Oude Gilde werd op 2 januari 1609 en 5 januari 1693 bedacht met de Leuvense kaart en de Jonge Gilde op 11 oktober 1722.

In de parochiekerk kan een schilderij (17e eeuw) met de voorstelling van De Marteldood van Sint-Sebastiaan bewonderd worden, evenals een houten gepolychromeerd beeld van de patroon. De breuk van de gilde wordt bewaard in het Vleeshuis te Antwerpen. De borstplaat draagt als inschrift: JA. Quarteer griffier van Ruysbroeck ende Blaesvelt (1632-33). Verder nog schilden van alferis Jan Meuleman, ouderdeken Jan Mutsaert, ouderdeken Felix Gerard, coninck Jan Dedecker, coninck Jacobus Dedecker enjongerdeken Jan Scholiers.

In 1834 bevestigde de overheid het bestaan van een confrerie S. Bastiaensgilde. De activiteiten schijnen zich toen beperkt te hebben tot loutere ontspanning en vieringen met Sinksen en Sint- Sebastiaan. Wie jaarlijks de vogel van de wip schoot, werd koning genoemd en was als dusdanig vrij van kosten. Indien gevraagd, zou de gilde wel geneigd zijn aan wedstrijden deel te nemen.

SINT -AMANDS 29
Op 14 augustus 1529 begiftigde de Brusselse hoofdgilde van de Handboog de Oude Handboog met een kaart die op 15 juli 1617 vernieuwd werd. Baljuw en schepenen bezorgden de Jonge Gilde op 19 september 1618 een kaart.
De Sint-Sebastiaansgilde werd op 1 augustus 1830 heringericht ter vervanging van de oude en de Jonge Gilde.
In 1834 bevestigde de overheid dat er een confrerie van Sint-Sebastiaan bestond, waarvan de instelling op 15 augustus 1529 was geschied. Haar doel was het eren van de patroon. De koning die jaarlijks geschoten werd, ontving een medaille ter waarde van 10fr. En hij was verplicht drie prijsvogels op te hangen. Eertijds prijkte in de kerk van Sint-Amands een beeld uit gepolychromeerd hout uit de tweede helft van de 18e eeuw, maar ... het is verdwenen!

TISSELT 30
Ten jare 1834 was er geen gilde meer in Tisselt. De wipmaatschappij Sint Jan Baptist, patroon van de parochie, werd in 1874 opgericht. Zij organiseerde een prijsschieting op een windmolen waarop de prang werd geplaatst. Er werden jaarlijks zeven prijsschietingen gehouden. Op de dag van de koning schieting werd de koning op een kar naar zijn woning geleid.

WAARLOOS 31
Hier was vóór 1789 een Sebastiaansgilde actief. Dit is bekend door een ruzie die op 14 juni 1660 onder gildenbroeders uitbrak. De gilde verdween met de Franse Omwenteling en werd vervangen door een schuttersmaatschappij. Deze nam bepaalde gebruiken van de oorspronkelijke gilde over. Een voorbeeld? Tot in de tweede helft van de 19e eeuw kreeg een gildenbroeder die in het huwelijk trad een biezonder voorrecht. In aanwezigheid van zijn gevolg mocht hij bij het verlaten van de kerk naar den haan op de toren schieten. Een vruchtbaarheidsrite?

WlLLEBROEK 32
In Willebroek waren verschillende gilden bedrijvig. De Sint-Niklaasgilde werd in 1533 gesticht met het verlenen van een kaart (49 art.) door de Handboog van Brussel. Dit reglement werd verschillende malen aangepast: in 1655, 1685, 1827 en 1879. In 1958 kon het 425-jarig bestaan gevierd worden. De koningschietingen werden gehouden op kermisdag in mei of juni. Voor de vrouwen die in 1725 een vendel lieten maken, werd op die dag een bolwedstrijd ingericht.

De oude Sint-Sebastiaansgilde ontving op 27 mei 1660 een reglement van 54 artikelen en de Jonge Sint-Sebastiaan (opgericht in 1536) werd op 2 mei 1619 door dezelfde Brusselse hoofdgilde bedacht met een kaart van 27 artikelen en nogmaals op 12 juni 1649 met een andere van 33 artikelen. Op een niet nader bepaald ogenblik smolten de drie gilden samen met de baron van Willebroek als hoofdman. Zij leeft nog voort in de huidige Sint-Niklaasgilde. Deze bestond in 1834 en organiseerde jaarlijks wipschietingen. De koning ontving de titel van Gildenkoning, terwijl de andere winnaars tinnen borden ontvingen, waarvan ongeveer 15 fr werd uitgegeven. Er dient nog gesignaleerd te worden dat Willebroek in 1796 geweigerd had de breuk in te leveren.

WILRIJK 33
De 75-jarige Hendrick Verbert verklaarde in 1562 niet minder dan elfmaal als koning de papegaai afgeschoten te hebben. De Wilrijkse schutters togen naar de kermis van Berchem en omgekeerd. De Oude Gilde werd op 8 mei 1682 voorzien van een kaart zoals de Jonge Gilde op 30 augustus 1700. Er zou ook een "papgilde" bestaan hebben. Ouderdom? In 1547 voerden de schutters een proces voor de Antwerpse magistraat. Met de Franse Revolutie bezat de gilde (welke?) niets. Onder de benaming Sint Sebastiaan was in 1834 een gilde actief. De leden kwamen jaarlijks tweemaal samen om te schieten met de boog en om zich te amuseren.
Wilrijk bezat ook een biegilde.

WINTHAM 34
De vlag van de Gilde Sint-Sebastiaan draagt als data: 1676-1976.
____________________________________________________________________________________
1 Onderstaande bronnen werden geraadpleegd De hierbij vermelde afkortingen worden in de volgende voetnoten gebruikt.
ARB Algemeen Rijksarchief Brussel

RAA Rijksarchief Antwerpen

SAM  Stadsarchief  Mechelen

Berchem  STOCKMANS, J.B. Geschiedenis der Gemeente Berchem. Antwerpen, 1886.
Bijengilden VAN AUTENBOER, E. De Bijengilden van Sint Ambrosius in het oude Hertogdom
Brabant, in: Ons Heem, jrg.35 (1981), afl.2,40-61.

Fotorepertorium JANSEN, J. Fotorepertorium Kanton Berchem. 1976.
Fotorepertorium Kanton Boom. 1977.
Fotorepertorium Kanton Kontich. 1975.
Fotorepertorium Kanton Willebroek. 1975.

Franse Revolutie    VAN AUTENBOER, E. De Franse Revolutie en het Gildenwezen, in: De Knaap,
nr.95 (1989),47;96 (1990), nr. 1 ,11-12; nr.98 (1990), 33-34; 99 (1990), 44-45.
Kolveniers    VAN AUTENBOER, E. Bijdrage tot de Geschiedenis der Kolveniersgilden in het Oude
Hertogdom Brabant, in: Taxandria, nr. XLIV-XLVI (1972-74), 3-79.

Mortsel STOCKMANS, J.B. Geschiedenis der gemeente Mortsel met aanhangsels over Edeghem,
Hove  Bouchout. Borsbeeck, Contich, Waerloos. Reeth en Aertselaer. Antwerpen, 1882. 

Schatten          Schatten der Vlaamse Schuttersgilden. Catalogus Antwerpen - Brussel, 1966-1967.
Schutters Antwerpen       VAN AUTENBOER, E. De schuttersgilden in de omgeving van Antwerpen, in: Jaarboek. Heemkring Ekeren, 3, 1985, 115-147.

Sint-Sebastiaan Leuven      VAN AUTENBOER, E. De Sint-Sebastiaansgilde van Leuven, hoofdgilde van Brabant, geeft caerten (1665-1736), in: Taxandria, nr. XLII-XLIII (1970-1971), 3-72.

Toestand 1834             ERNALSTEEN, J. Toestand der Schuttersgilden in de Provincie Antwerpen ten jare 1834.
Overdruk Oudheid Kunst, XX (1929) 89-123.

Vaandels Klein-Brabant VAN ESBROEK, CHR. Vaandels der handbooggilden van Klein-Brabant, in:
Jaarboek Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, XXl-XXII-XXIII (1987-88-89),
89-101.

2 RAA, GA Aartselaar, nrs.l48 en 149; Sint-Sebastiaan Leuven, nr.26I ; Schutters Antwerpen, 129; Mortsel, 136; toestand 1834,6; E. VAN AUTENBOER, Dorpsgilden van Brabant contra de Sint-Antoniusgilde van Neckerspoel (Mechelen) (1511-1515), in: Eigen Schoon & De Brabander, LXX (1987), 46-47.

3 RAA, GA Berchem nr.31; Berchem, 104-107; Schatten, p.l2, nrs.49,50,51 en 52; Sint-Sebastiaan Leuven,nr.90; Schutters Antwerpen, 129; roestand 1834, 6-7; Fotorepertorium, Kanton Berchem, 17; Sint-Hubertuskerk; Franse
revolutie, 1990, nr.4, 4-5.

4
SAM, Acten not. J. Thomas, 1736-37, ad 23 october en 16 november 1637; Toestand 1834, 26-27; Schatten, p.12-13,  nr.53 (met foto); E. VAN AUTENBOER, Uit de geschiedenis der schuttersgilden van Heffen en Blaasveld, in: Hand.Oudheidk. Kring Mechelen, LXXV (1971), 83-86 en Willbroekse Kronieken, afl. 1 , 10-11.

 

5
Mortsel, 136; Schutters Antwerpen, 130; Toestand 1834, 6.

6 ARB, Raad van Brabant, 750 (1624), 150-161 vo; Arch. Bisdom Antwerpen, BETEN, F. Geschiedenis van Boom (hs.);
Sint-Sebastiaan Leuven, nrs.63 en 279; Toestand 1834, 6-7; Fotorepertorium, Kanton Boom, Kerk O.-L.- Vrouwen St.- Rochus, 14-15 (beelden Sint-Ambrosius en Sint-Rochus, gepolychromeerd hout, 3de kw. 1ge e.); SEL,H., Proeve van historische mengelingen over 't Land van Boom. Leuven, 1873, 147-162; STEENACKERS E. Boom in het verleden. Lier, 1907,215 en 220; LAMOT,B. Hoe Boom groeide. Antwerpen, 1957,75-77 en 89; VANHEURCK, EM.H.Les drapelets de Pélerinage. Antwerpen, 1922, 54-56.

7 Sint-Sebastiaan Leuven, nrs.64 en 151; Toestand 1834, 26-27: MEES, J. Het Sint-Sebastiaansgild van Bornem, in: Eigen Schoon & De Brabander, XVII (1943), 434-442; Het Sint-Sebastiaansgild van Bornem, in: Heemkundig Jaarboek, X
(1975) Ver:. Voor Heemkunde in Klein-Brabant, 31-35.

8 DOM, E. & RESSELER, J. De Folklore van de Provincie Antwerpen. De schuttersgilden van Duffel, in: Ons Volksleven, XXXVIV (1933),50-72; KEERSMAECKERS, F. Ontspannings- en verenigingsleven (tot +/- 1800): de gilden, in:
Dansen en volksleven, uitg. inst. Voor Vl. Volkskunst, Schoten, 1992,2-5; VAN AUTENBOER, E. De Schutters-
wedstrijden der Brabantse Gilden (1300-1996). Turnhout, 1996, 171,192 en 193; Sint-Sebastiaan Leuven, nrs. 51,83 en 160; Toestand 1834, 26-27.

9 Mortsel, 136; Schutters Antwerpen, 132-133; Toestand 1834, 10,47; Kolveniers, 31 ; VAN PASSEN, R. Geschiedenis van Edegem. Edegem, 1974,956; id., Edegem 800 De Gilde viert 10 juni 1973. Edegem, 1973.

10 SAM, Handboog, II,I: Acten not. J. Claessens, 1754-55, ad 13 en 15 februari 1755; VAN AUTENBOER, E. Uit de geschiedenis der schuttersgilden van Heffen en Blaasveld, in: Hand. Oudheidk. Kring Mechelen, LXXV (1971) 84-85; Veiling Fr. Claes, Antwerpen, 1933, nr. 171; HUYS, P. Oude koningsbreuken en ander schutterszilver geveild, in:
Ons Heem,jrg. 51 (1997) afl.1-2, 56-57 (met foto).

11 Sint-Sebastiaan Leuven, nrs. 60 en 202; Toestand 1834, 26; Franse Revolutie, 1990, nr.3, 33.

12 Stadsarchief Antwerpen, Gemeentefeesten, MA 1099, nr. 14; Toestand 1834, 10; Schatten, 20, nr. 70; Franse Revolutie,
1990, afl. 4, 45; DE SCHEPPER, L. "Hemiksem. Het Gild van Sint Sebastiaan" in: Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore, IX (1946) 65-106; Bijen-gilden, 48.

13 Toestand 1834, 26-27; MEES, L. Geschiedenis de gemeente Hingene. Gent, 1894, 102-107 en 112-117; Vaandels Klein- Brabant, 94-95; Fotorepertorium Kanton Willebroek, Sint-Stefaan Hingene.

14 Mortsel, 136; Schutters Antwerpen, 135-136; Franse Revolutie, 1990, nr. 4, 45; KUYL, P.-D. Hoboken en het Wonder danig Kruisbeeld, Antwerpen, 1866,42-43; DIERCKX, M. Geschiedenis van Hoboken. Antwerpen, 1954, passim.

15 Mortsel, 136; Schutters Antwerpen, 137; Toestand 1834, 10-11; Fotorepertorium Kanton Kontich, Kerk Sint-Laurentius Hove,24.


16 Sint-Sebastiaan Leuven, nr15;Schutters Antwerpen,137-138;Bijengilden,50;VEULEMANS P.De gulde van S.Sebastiaen tot capelle inde hoegen schoet.Kapellen,1981;Franse Revoltie,1990,nr 1.11

17  Sint-Sebastiaan Leuven, nr55;Mortsel,136;Toestand 1834,8-9;Bijengilden,50;Kolveniers,40;VAN PASSEN,R Geschiedenis van Kontich,1964,50-51;Fotorepertorium Kanton Kontich,kerk Kontich,28

18 Toestand 1834,26-27; Vaandels Klein-Brabant, 97-98 (met afbeelding van de vlag).

19 Toestand 1834, 28; MERTENS,E. Schuttersgilde Sint-Sebastiaan uit Lippelo, in: Jaarboek, X (1975) Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, 59-67.

20 Toestand 1834, 28.

21 Mortsel, 136; Sint-Sebastiaan Leuven, nr. 61; Schutters Antwerpen, 140; Franse Revolutie, 45; Verslag 1834, 12; Fotorepertorium Kanton Berchem, Sint-Benedictuskerk Mortsel, 20; ADRIAENSEN, Bijdrage tot de Geschiedenis van de Sint-Ambrosiusgilde te Mortsel. Jubileum 1695-1995. Mortsel, 1996.

22 Arch. Bisdom Antwerpen, pastoor AC. Wouters, Geschiedenis van Niel, +/- 1900 (hs.); Sint-Sebastiaan Leuven, nrs. 98 en 296; Schutters Antwerpen, 140; Toestand 1834, 10-11; DE RAADT, J. Th. De heerlijkheden van het Land van Mechelen. Niel en zijne heeren, in: Dietsche Warande, NR, 2e jrg. (1889), 666-667; Bijengilden, 53; Fotorepertorium Kanton Boom, Kerk van O.-L.- Vrouw van Niel, 20; P.v.d.B., Bijdragen tot de geschiedenis van Niel, in: De Rupelbrug- Soldatenblad, 1969 (?),

23 Toestand 1834,28-29.

24 Toestand 1834,28-29.

25 RAA, GA Reet, DIS. 71 en 72;Rek. Sint-Sebastiaansgilde 1654, 1740 en 1741-1811; Toestand 1834, 14-15; Bijengilden, 33; VERMEULEN, L. De Sint-Sebastiaansgilde te Reet. Uitg. Heemkring "De Root", Reet, 1966.

26 Fotorepertorium Kanton Willebroek, O.-L.-Vrouwkerk Ruisbroek, 38; 
DE KEERSMAECKER, J.Sint-Sebastiaansgilde van Ruisbroek, in: Jaarboek, Vereniging voor Heemkunde Klein-Brabant, (1975) 78-88 (+ afbeelding beeld in kerk); PEET, J. De St.-Sebastiaansgilde van Ruisbroek, in: Vaartland, III (1975) 89-92.

27 Sint-Sebastiaan Leuven, ms. 36, 146,254; VAN OESBROEK, D. Rijmkroniek van Merchtem (1565). Uitg. M. Sacre, Merchtem, 1918,86-88; SEL. Mengelingen, 147; Toestand 1834,14-15; VAN AUTENBOER, E. De schutters- wedstrijden der Brabantse gilden (1300-1800). Turnhout, 1996, 303-304.

28 Mortsel, 136; Sint-Sebastiaan Leuven, ms. 95,254; Toestand 1834, 16-17; VAN OESBROECK, D. Rijmkroniek, 85-86; Schatten, 29-30, m. 113; Fotorepertorium, Kanton Boom, Kerk Sint-Pieter en Pauwel te Schelle, 20; Schutters Antwerpen, 141-142; DE RAADT & STOCKMANS, J.B. Geschiedenis der gemeente Schelle. Lier, z.d., 192-195; WACHTERS, L. De St.-Sebastiaansgilde, in Programmaboekje Gildefeest Schelle, 15 juli 1956; VAN AUTENBOER, E. De kaarten van de schuttersgilden van het Hertogdom Brabant (1300-1800), in: Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, XCVI A, I. Tilburg (1993) XLV; id. De schutterswedstrijden der Brabantse gilden (1300-1600),244.

29 Toestand 1834, 26-27; Fotorepertorium kanton Willebroek, kerk Sint-Amands, 41; GEER IS, J. De Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Amands, in: Eigen Schoon & De Brabander, LXIX (1986) 27-29; id, Uit de geschiedenis van de Koninklijke Gilde van Sint Sebastiaan (1529 tot heden; van Sint Amands, in: Jaarboek Klein Brabant,jrg. XXII-XXIII-XXIV (1987-1988-1989) 1-57.

30 Stadsarchief Turnhout, Nota kannunik J. Jansen volgens mededeling van de gemeentesecretaris,

31 SAM, Acten not. P. Croon, 1653-60, ad 14 juni 1660; StadsarchiefTurnhout, Nota kanunnik J. Jansen; Mortsel, 437.

32 Franse Revolutie, 1990, nr. 3,33; Toestand 1834,30-31; DE HERDT en MALAGT, Willebroek, van landbouwdorp tot een industriegemeente. 1982,28-37; DE DECKER, K., e.a., Het Broederschap oft Gulde van den Edelen Handtboghe S, Niclaes, in: Willebroekse Kronieken, 1984, afl. 1 ; VAN AUTENBOER, E. De kaarten van de schuttersgilden van het Hertogdom Brabant (1300-1800) I, LII-LIII.

33 Mortsel, 136; Sint-Sebastiaan Leuven, nrs. 71,140; Franse Revolutie, 1990, nr. 4,45; Toestand 1834, 18; Bijengilden, 59; PRIMS, FL Geschiedenis van Wilrijk. Wilrijk, z.j., 209-211 ; VAN PASSEN, R. Geschiedenis van Wilrijk. Wilrijk, 1982, 105-106.

34 Vaandels Klein-Brabant, 99-101 (met afbeelding).
                                                     

Iets meer over: "De Grote Baan"

Door René Beyst Heemkundige Kring Aartselaar

 

De geschiedenis leert ons dat in onzekere, woelige tijden meer middelen worden besteed aan de aanleg van verdedigingswallen of -grachten, versterkte forten, kanalen: kortom hindernis­sen, die een mogelijke vijand de inname van het territorium bemoeilijken. Het is pas in tijden van betrekkelijke vrede dat men gaat denken aan de uitbouw van het wegennet, hoe paradoxaal dit ook kan klinken, als men bedenkt dat ook de mobiliteit van legermateriaal en troepenbewe­gingen essentieel zijn in oorlogstijd.

De oudste verbinding tussen Antwerpen en Brussel/Leuven liep over Kontich/Mechelen, in de Middeleeuwen al een "Heerbaan" ("heer" te verstaan als "leger") genoemd, waaruit dan toch maar voortvloeit dat deze verbinding aanvankelijk een legerbaan was (een brede wagenweg voor het militaire vervoer), niet noodzakelijk verhard of gekasseid, maar gewoonlijk met een breedte van ongeveer 40 voet. In een tweede reeks namen wordt de weg echter gekarakteri­seerd als "de weg van de heer" (in "Herenstraet" of "Herenweg"), bevestigd in het feit dat hertog Jan II reeds in 1308 het tolgeld wegschonk aan Willem van Eekhoven, de toenmalige heer van Kontichbroek (later overgegaan op de heren van Boutersem) in ruil voor herstel en onderhoud. In het midden van de 17e E. (na de vrede van Munster van 1648) werd het gedeel­te tussen Antwerpen (via Berchem-Luythaegen) tot aan de lazernij in de Reep te Kontich gekasseid, terwijl vanaf 1706 het ganse trajekt van Antwerpen tot Mechelen een steenweg werd.(1)

Dit bij wijze van inleiding om aan te tonen dat de baan Antwerpen-Boom-Brussel piepjong te noemen is in historische kontekst ten overstaan van de oeroude heirbaan Antwerpen­Mechelen-Brussel.

De uitbreiding van het Brabantse wegennet tijdens de eerste decennia van de 18e E. onder het Oostenrijks bewind beperkte zich -naar Frans voorbeeld- in de aanleg van steenwegen in de periferie van belangrijke steden, wat een opmerkelijke verbetering betekende voor het verkeer en de aanvoer van goederen van buitengemeenten naar de stadskernen, maar tegelijkertijd toch ook gepaard ging met duurder wordende bareelgelden. De oorzaken van het niet verder uitbouwen van het wegennet rond Antwerpen is niet alleen te zoeken in geldgebrek, maar bovendien hadden de Oostenrijkers meer aandacht voor Oostende met zijn vrije doorvaart, dan voor Antwerpen met een gesloten Schelde.(2)

In de 18e E. was het niet de staat die zich financieel verantwoordelijk stelde voor de aanleg van interstedelijke steenwegen; enkel de coordinatie van projekten voorgelegd door provincies, steden en dorpen werd opgevolgd. Merkwaardig is wel dat de stad Antwerpen zelf maar weinig belangstelling schijnt gehad te hebben voor de aanleg van steenwegen. Het kapitaal dat uitgetrokken werd voor openbare werken, was verre van toereikend om te beantwoorden aan de groeiende nood aan verharde wegen. Door toedoen van de centrale regering werd hierin in de tweede helft van de 18e E. verandering gebracht: de gelden voor openbare werken werden verdubbeld en het budget voor wedden en bestuur werd met 1/4 verlaagd (3) (Nvdr.: "L'histoire se repète"...). 

Wat het plan voor de aanleg van de baan Boom-Antwerpen betreft, weigert de stad Antwerpen haar goedkeuring te geven aan het projekt in 1751, maar steunt het enkele jaren later in 1763, wanneer de stad het (landbouw)belang ervan inziet. De feitelijke initiatiefnemer tot het plan van aanleg van de baan Boom-Antwerpen was eigenaardig genoeg de scheepvaartorganisatie van het kanaal van Willebroek met haar zetel te Brussel, financieel sterk gesteund door de Brusselse magistratuur.(4) Oorspronkelijk had deze organisatie enkel haar eigen belangen op het oog met het streven naar een kortere, snellere verbinding tussen Antwerpen en Brussel, deels langs de waterweg via het kanaal van Willebroek en deels via de nieuw aan te leggen steenweg van Boom naar Antwerpen. Maar vermoedelijk heeft de scheepvaartorganisatie hulp moeten gaan zoeken bij een aantal kapitaalkrachtige grondbezitters, die financieel geïnteresseerd waren om het projekt mee te ondersteunen, want er verlopen zo'n tien á vijftien jaar vooraleer er werkelijk financieel schot in de zaak komt, of zat er nog een andere kink in de kabel?

De initiatiefnemers mochten leningen aangaan om hun project uit te voeren, maar vanaf 1750 werd het vooropgestelde bedrag voorafgaandelijk door de centrale regering goedgekeurd. Zo las ik in Het Handelsblad van Zon 14 en Maa 15/3/1897 volgende informatie: "...1750 - Dat jaar geven de negen Naties van Brussel toestemming tot het heffen eener som van 100.000 Gulden. om eenen kasseiweg te leggen van Boom tot aan Antwerpen- eenen afstand van 3 uren." De lening diende te gebeuren in zogenaamd "wisselgeld" of bankgeld (inbegrepen de bankkosten of de prijs van de rentebrieven) t.o.v. "courant geld" of baar geld (van hand tot hand overgaand). Mogelijk is deze eerste schatting ontoereikend geweest om het projekt op te starten; pas op 9 sept. 1763 wordt het oktrooi verleend. Omtrent diezelfde periode (omstreeks 1763/65) worden zeventig rentebrieven verkocht voor een totaal bedrag van 130.000 gulden wisselgeld aan kapitaalinbrengers.

Men zou vermoeden dat de geïnteresseerde kapitaalkrachtigen te vinden waren in het Boomse of in de dorpen van het gebied tussen de Rupel en Antwerpen, omdat dit initiatief bevorderlijk was voor de grondbewerking en uitbating van landerijen. Immers waren die dorpen (Boom, Reet, Schelle, Aartselaar, Wilrijk, en in mindere mate Niel en Hemiksem) verstoken gebleven van een goede verbinding met de stad. Niets is echter minder waar. De kredietverleners waren meestal afkomstig uit de invloedrijke kringen van Leuven, Brussel en omgeving en behoorden zowel tot de geestelijke(5) als tot de wereldlijke(6)standen.

Eénmaal de nieuwe weg in gebruik, liet men de gebruikers, die met wagens, karren, paarden en vee naar de markten van de stad trokken, tol betalen.

Het tarief bedroeg:

kar (tweewielig voertuig) met één paard: 2 stuivers

wagen (vierwielig voertuig) met twee paarden: 3 stuivers

paard "onder het zadel" (=rijpaard), muilezel of een ander lastdier:1 stuiver

hoornvee: 1 stuiver

schaap, kalf, varken: 1/4 stuiver

Op het trajekt Boom-Antwerpen waren drie barelen of draaibomen: te Boom, te Aartselaar en te Wilrijk.

De eerste jaren na de aanleg van de steenweg werden de bareelopbrengsten rechtstreeks geïnd en het loon van de ontvanger werd eenvoudigweg afgetrokken van de maandopbrengst. Na een tweetal jaren ging men over tot het verpachten van de tolposten voor een bepaalde periode (gewoonlijk enkele jaren). Voor de tolpost te Boom zien we dat er gedurende de eerste zes jaar rechtstreeks geïnd wordt -wat exceptioneel lang is-, vooraleer tot verpachting wordt overgegaan. Door het pachtsysteem werd het onmogelijk om de intensiteit van het verkeer op de diverse wegen exact te meten.(7) Toch levert een vergelijking van de pachtopbrengsten een -zij het niet al te nauwkeurig- tendentieus beeld op van de conjunktuur.

Zo blijkt dat de Boomsesteenweg minder druk bereden werd dan de Turnhoutsesteenweg (van Antwerpen via Deurne tot Schilde), die -met gelijke tarieven en evenveel barelen- zowat het driedubbele oplevert. Zelfs wanneer we rekening houden met zekere slordigheden of fraudu­leuze mistoestanden, blijft het verschil opvallend groot. Blijkbaar bleef men er te Boom en te Willebroek de voorkeur aan geven om via de bestaande waterwegen Antwerpen te bereiken. Idem voor goederen uit Brussel, die daardoor een tijdrovende en arbeidsintensieve overslag van schip op kar konden vermijden, en liever rechtstreeks naar Antwerpen zullen doorgevaren hebben.

Wat eveneens opvalt is de graad van toename van verkeer tussen Boom en Antwerpen. De Aartselaarse bareel ontvangt éénderde meer dan Boom, en Wilrijk -op haar beurt- weer éénderde meer dan Aartselaar. Hetzelfde verschijnsel vinden we terug op de Turnhoutsebaan, uiteraard eveneens richting Antwerpen. Dus toen al gold het thans zo welbekende principe: hoe dichter bij de stad, hoe drukker...! 

Het voorgaande laat al doorschemeren dat de Boomsesteenweg slecht scoort op het gebied van exploitatie. De totale uitgaven liepen op tot 152.061 gulden courant. Over een aanleglengte van 13,5 km (tot op het Kiel) komt dit neer op 11.300 gulden per aangelegde kilometer steenweg, wat voor die tijd lichtjes boven het gemiddelde van 11.000 gulden per km.zat. Maar ook na de ingebruikname bleven de kosten oplopen en werden de verliezen jaar na jaar groter. Aan de basis hiervan lagen enerzijds de onverwacht lage bareelinkomsten en anderzijds de zware kosten voor het inrichten van een veer- en diligencedienst. De combinatie veer-diligence was een noodzaak om de passagiers, komende van Brussel langs het kanaal van Willebroek, over de Rupel te varen, waardoor ze in de gelegenheid werden gesteld om hun weg naar Antwerpen voort te zetten over de nieuwe steenweg. Door deze verliezen kon de steenweg -in partikuliere handen- niet volledig afbetaald worden vóór het einde van het Oostenrijks regime. Toen de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk werden ingelijfd in 1795 gingen alle publieke wegen over naar het openbaar gezag (Franse Wet van 1790). Maar, vermits het onderhoud voor de staat een probleem bleef, werden de barelen behouden, doch de tolgelden werden voortaan geïnd ten voordele van de staat.(8)

In het Algemeen Rijksarchief en het Stadsarchief te Brussel zijn nog verschillende bronnen terug te vinden met inlichtingen betreffende onteinigingsprocedure en grondwaarde. Zo bestaan er lijsten, opgemaakt door de schepenen van het dorp waaronder de gronden ressorte­ren, die -in tabelvorm opgesteld- namen van de eigenaars en pachters, opp. van de grond en geschatte waarde vermelden. Tevens zijn er betalingslijsten van rentmeesters geldend als bewijsstuk voor de uitbetaling der schadeloosstellingen. Deze lijsten werden door de verkoper van de grond op de dag van de vereffening ondertekend en werden bewaard als betalingsbewijs in de rekeningen van aanleg samen met de andere rekeningen voor zand, stenen, en daglonen van werklieden. De waarde van landerijen en bosgronden lag in de streek ten zuiden van Antwerpen gemiddeld 30% hoger dan in de armere Antwerpse kempen met heidevegetatie en zandgronden. De hoogste schadeloosstellingen voor onteigening werden uitbetaald te Boom naar de Rupel toe, waar de nieuwe steenweg zich een weg baande vlak naast de dorpskom. De woondichtheid in combinatie met de moestuinen als intensieve grondbewerking verklaren deze hoge taxaties.(9)

Er zijn nog meerdere bronnen, dichter bij ons, die -fragmentarisch- nog wat nieuws leveren over onze grote baan. In ons vorig jaarboek (1995-1996) had onze penningmeester Joz. Verlinden de vermetele gedachte én de onverdroten ijver om het laatste manuscript van Kanunnik Emiel Steenackers, "Het Kasteel van Boom - Zijn bezitters", posthuum te publiceren bij wijze van eerbetoon. Dat deze publicatie- zoals Joz. Vertinden in zijn slotzin aanreikt- in het belang van de geschiedenis van Boom is geweest, wil ik graag bijtreden en aantonen door -hic et nunc- te refereren naar één van de aangeboden werknota's. In het achtste deel (blz. 129/ 132) handelt de auteur over Mevrouw M.J.T. de Camorra, Wwe Van Michiel Bosschaert (+07/07/1733), die door erfenis in het bezit komt van 's Heerenhof tot aan haar overlijden in 1774.

En ik citeer nu Emiel Steenackers, die in dit manuscript noteerde: "...de opbloei der nieuwe woonhuizen werd met een sneller tempo gevoeld na het aanleggen van den steenweg van Boom op Antwerpen in 1765. Vanaf den veerdam tot aan de Hoogstraat doortrok de nieuwe baan den hof van het kasteel, dat fel verminkt werd. Even voorbij het "kruis van den steen­weg" werd uit den Boomgaard of Warande een sterke brok in beslag genomen, en, hoogerop, werden volgende stukken land "geincorporeert op de cassyde op Antwerpen": het hoogveld, coppekenslaar, de driehoek, Baumansveld, de battelman, het mierseikbosch, de hertschom, de omloop en de groote schom. aan het onteigenen van den grond besteedde de stad Brussel de som van 21.894 gulden.(10). ".Emiel Steenackers reikt ons hier een reeks toponiemen aan die -op z'n minst tendele- zulten sneuvelen onder de hakbijl van de nieuwe steenweg op Antwerpen (de huidige Leopoldstraat en Antwerpsesteenweg) en weet ons te vertellen dat het hele grapje de stad Brussel bijna 22.000 gulden kostte, al is het niet duidelijk of deze som de onteigeningen dekt enkel op het grondgebied van Boom, of over de hele afstand van 13,5 km. tussen Boom en Antwerpen-Kiel.

Zeer recent vond ik nog meer informatie in verband met onteigeningen in de nieuwe te maken casseyde van Boom op Antwerpen. In het pas uitgegeven werk nr. 21 van de Geschiedkundige Kring Rumesta v.z.w., worden door auteur Christian Verstrepen en zijn redactieteam de akten van Notaris Mommen uit de periode 1758/1764 beschreven. Ik trof er liefst 16 akten aan betreffende onteigeningen in verband met de aanleg van de steenweg.(11)We overlopen ze even samen, en trachten het zo bondig mogelijk te houden.Als aankopers fungeren steeds op elke akte: ten behoeve van de stad Brussel...verkoopt aan jk. Theodorus Jan Laurentius Del Marmol en jk. Ferdinand Frans de Fierlant, dienende schepe­nen, en de heer Jan Baptist De Vits, raad der stad Brussel, gecommiteerd wegens dezelfde stad (resolutie der wethouders in date 24.9. I763)...

Het gros van deze akten (14 dossiers) wordt door notaris Mommen verleden op 16, 17, 18 en 19 januari 1764, met twee "nakomertjes" op 16/06/1674 en 06/09/1674.

Het eerste wat opvalt is dat elke akte vermeld "ten behoeve van de stad Brussel" en duidelijk ook door 2 schepenen en een raadslid dezer stad vertegenwoordigd is. De jongste akte van 06/09/1764 is anders opgesteld en reikt daardoor nog een detail méér aan:

De heer Jan Baptist De Wilmars, secretaris van Schelle, gehuwd met (+)juffr. Anna Isabella Kinnie, als erfgenaam van zijn vrouw, verkoopt voor 1103 g. wisselgeldten behoeve van de stad Brussel,een partij erve, groot samen 566 roeden, getaxeerd door de wethouders van Boom en te incorporeren in de nieuwe casseyde van Boom tot Antwerpen, en heeft die som ontvangen van heer Jan Baptist Pauwels, dienende rentmeester der voors. stadsschipvaart.

Hieruit blijkt m.i. duidelijk dat de aankoper (=de nieuwe eigenaar) der gronden de stad Brussel is, en niet een groep partikulieren, zoals Beatrix Baillieul meent wanneer ze stelt dat de scheepvaartorganisatie van het kanaal van Willebroek met haar zetel te Brussel en financieel sterk gesteund door de Brusselse magistraat, verantwoordelijk was voor de aanleg van de steenweg Antwerpen-Boom en dat de steenwegen (nog niet volledig afbetaald) in partikuliere handen bleven tot aan de inlijving bij Frankrijk met als gevolg nationalisatie. Ik ben van oordeel dat -net als bij de onteigeningen- de stad Brusselook zelf eigenaarwas van de nieuwe steenweg en te dien einde geld geleend had van vooral Brusselse partikulieren.Rentmeeester Pauwels van de voorseyde stadsschipvaart is naar mijn mening te verstaan als of vandaag te vergelijken met de kassier of ontvanger van de dienst der Zeehaven van de stad Brussel.

We mogen trouwens niet uit het oog verliezen dat "de oude vaert van Bruessel nae Wille­broeck" al geopend werd in oktober 1561; nadat de eerste spadesteek gegeven was op 16 juni 1550.(12) En reeds toen werd er door het Brusselse kanaalbestuur een dagelijkse veerdienst ingesteld, met een vloot van vijf comfortabele trekschuiten speciaal gebouwd voor het perso­nenvervoer, van Brussel naar Antwerpen en vice versa, met Willebroek als overstapplaats. Bovendien had de stad Brussel ook zelf het vaarreglement uitgevaardigd, en zal deze stad -na verloop van tijd- dit reglement nog regelmatig aanpassen aan de vooruitgang. Uit de genoteer­de reisgelden blijkt tevens dat er ook grotere trekschuiten voorzien waren om vanaf de sluis te Willebroek, via de Rupel en de Schelde naar Antwerpen te varen. Het Brusselse kanaalbestuur beheerde niet alleen het personenvervoer tussen Brussel en Willebroek, maar ook personenver­voer te water tussen Willebroek en andere steden als Antwerpen, Temse, Gent, Brugge, Oostende, en zelfs (om de twee weken een afvaart naar) Den Haag.(13)Deze openbare veerdien­sten werden onder bepaalde voorwaarden verpacht, om prominente passagiers, reisgoed en colli te vervoeren op vermelde trajekten. Deze pendeldiensten -met voor die tijd luxe­trekschuiten- waren niet risikoloos; zo trokken zij in de aanvangsperiode langs het kanaal rovers en ongure elementen aan, waartegen beschermingsmaatregelen dienden genomen te worden. Er zijn ook twee meldingen bekend van vergane trekschuiten, één bij een storm in 1658 en één door aanvaring in 1740. Dit gaf er aanleiding toe dat tal van passagiers met de veerboot de Rupel overstaken(14)naar Boom, om zich van daaruit verder naar Antwerpen te begeven per vigilante. Pas toen (na 1835) de eerste stoomtreinverbinding tussen Brussel en Antwerpen een feit werd, verloor het personenvervoer te water veel belangstelling.(15)

Ik meen voldoende argumenten te hebben aangebracht om te kunnen besluiten dat de steenweg van Boom tot Antwerpen -net als het kanaal van Willebroek- tot aan de Franse Revolutie in feite eigendom is geweest van de stad Brussel, hoe raar dit ook moge klinken. Dit verklaart tevens beter waarom er weinig of geen bekende kapitaalkrachtigen uit de Rupelstreek voorko­men op de lijst der kredietverleners, waarvan de portefeuille uitsluitend gevormd werd door rijken uit het Brusselse, maar tezelfdertijd toch in eigendom beheerd werd door de stad Brus­sel. 

Om nu terug te komen op de daarstraks genoemde stukken uit het notariaat Mommen; laten we de akten in verband met grondonteigeningen even van nabij bekijken dan zien we dat 4 ervan handelen over percelen gelegen te Aartselaar, 2 akten over percelen te Wilrijk, één over eigendom te Schelle, één over eigendom op het Hoogh Kiel buiten de Kronenburgse poort der stad Antwerpen, en 8 andere over percelen te Boom.

Voor Boom detailleren we -voor zover aangegeven- de situering der percelen:

  • 34,5 roeden uit een grotere plek, genaamd de Bovenste en de Benedenste moysytken bos, grenzend aan 0) de lei van prins De Gavre, Z) Guilliam Spillemaeckers en de Wwe tPeeter Spillemaeckers, W) Gillis Van Reeth, N) de beek.
  • 22 roeden uit een groter erve, groot 5 vierendelen, grenzend aan 1) Adriana De Bruyn en Peeter Van Steen, 2) Jan De Wachter, 3) Adriaan De Bruyn, 4) de prins De Gavre -36 roeden 1/4 erve uit een grotere partij, groot 1 bunder 47 roeden, genoemd de Vijf Vieren­delen, grenzend aan W) de dreve van de prins De Gavre
  • 5 1/4 roeden erve genomen uit een grotere partij erve te Boom (groot 185 roeden Boomse meetboek fol.71, nr. 77)
  • een erve met stallingen daarop staande, bewoond door Jan Struyf en de meier van het hof, verkocht door Frans Verhespen gehuwd met Elisabeth Lieckens
  • een erve en huis "het Schippeken", een deel van het huis "de Posthoornkens", tot tegen de erve "de Drij Leliën"

-een stuk erve genomen uit het hof van Vrouwe Maria Theresia de Camora, Wwe van 'Wichel Bosschaert, toebehorende aan het kasteel van Boom,

  • een erve, schuur en gedeelte van een stal van Frans Verhespen gehuwd met Elisabeth Liec­kens

Om de reeks te besluiten nog een bijzondere akte:

-ten behoeve van de stad brussel, eerste comparant en Gaspar De Bruyn gehuwd met Joanna Van kerkhoven, tweede comparant is onderling geconvenieerd dat:

de tweede comparant zal gehouden zijn achter tegen het huis, door hem bewoond, een stal voor 8 paarden te bouwen en een schuur, bekwaam tot het plaatsen van 3 koetsen diligentie ofte publieke voituren en een wagen. Hij zal ook boven dezelfde stal moeten maken een zoldering, bekwaam tot het leggen van haver en voeder voor de paarden, die wegens de stad Brussel gebruikt worden tot het transport der passagiers over hun te maken casseyde van Boom tot Antwerpen. Hij zal op dezelfde zolder moeten maken een slaapplaats voor knechten die vanwege de voors. stad zullen gestald worden.

De tweede comparant zal aan de eerste comparant het goed verhuren voor 9 jaar en 50 gulden 's jaars.

Opnieuw vinden wij een fameuze inbreng van de stad Brussel, die hier blijkt de diligencedienst in eigen handen te hebben, inclusief met paarden en knechten. Bovendien huurt de stad van Gaspar De Bruyn de nodige infrastructuur om paarden, knechten en koetsen in onder te brengen, naar alle waarschijnlijkheid op zijn eigendom gelegen in de bovenste en benedenste moysytken (?16) bos, voor een periode van 9 jaar. Twee perioden of 18 jaar later (in 1782) heeft de stad Brussel haar eigen herberg met afspanning onder de naam "de Schipvaart" neergepoot (in de huidige Leopoldstraat). Werd de huurceel opgezegd wegens onvoldoende service? Of wou de stad via een eigen uitbating van een afspanning meer inkomsten binnenha­len om de jaarlijkse verliezen trachten in te dijken?

 

In 1870 lees ik per toeval in de eerste jaargang van "L'Illustration Européenne", een nieuw geïllustreerd weekblad dat vanaf november 1870 wekelijks op zaterdag komt te verschijnen, het volgende: "La locomotion en 1789 - Il nous est tombé dernièrement dans les mains un tableau des départs et arrivées des voitures publiques belges, en 1789. Rien ne peut mieux donner une idée des immenses progrès accomplis, en .fait de locomotion dans noire siècle, grâce aux chemins de fer, que les chiffres que nous allons publier... La diligence de Bruxelles our Anvers artait tous les jours à neuf  heures de matin et arrivait à 41/2 heures de l'après­diner..."

In 1789 duurde het zodus bijna acht uur om per diligence van Brussel naar Antwerpen te reizen. We vermoeden echter dat hier het trajekt langs Mechelen bedoeld wordt, want er is geen sprake van een gecombineerd transport deels te water, en deels te land. Maar het week­blad heeft natuurlijk overschot van gelijk als het de immense vooruitgang van het vervoer per spoor probeert af te schilderen. Dit nieuwe transportmiddel wordt zo "onvoorstelbaar snel" ten overstaan van, de tot dan gebruikte transportmiddelen, dat begrippen als tijd en zich verplaatsen een andere dimensie gaan krijgen.

We laten thans de aanleg van de nieuwe casseyde van Boom tot Antwerpen even rusten en flaneren wat doorheen de tijd. Voorbij de Franse overheersing, tijdens dewelke "de grote baan" onder het centraal beheer van de nationale eigendommen kwam. Voorbij de Hollandse periode en voorbij de start van onze Belgische dynastie. Ondertussen werden ook de bareelrechten afgeschaft. Toen de aanleg van een spoorverbinding tussen Brussel en Antwerpen ter sprake kwam, werden er tevens pogingen ondernomen om de spoorweg van Antwerpen over Boom naar Brussel aan te leggen, maar men heeft via Mechelen gekozen o. a. omdat men liever een (spoor)brug over de Nete dan over de Rupel bouwde. Toch is er in 1836 ook al sprake van een brug voor landvervoer over de Rupel tussen Klein-Willebroek en Boom. Maar men durft nog geen al te grote kunstwerken in en op het water aan; de plannen worden opgeborgen. In 1845 horen we opnieuw van een verdaging in verband met de plannen voor een brug over de Rupel. In 1847 is het zover: de nationale regering keurt het projekt goed. Gezien de duurte van het bouwprojekt (uiteindelijk zullen de kosten oplopen tot een half miljoen fr.) wordt geopperd voor een tolbrug. Maar bij de eerste steenlegging, op 21 juli 1851, valt het feest samen met de autoriteiten letterlijk in het water: de houten tribune stortte krakend ineen onder de druk van al deze "gewichtige" heren, die er met een penibel slijkbad vanaf komen, en dit nog wel op een nationale feestdag! Voor Ir. Charles Tossijn werd 22/1/1853 evenwel een onvergetelijke dag: dan werd de eerste brug over de Rupel, die de naam kreeg "Pont Veuve Van Enschodt" ingehuldigd. Ze was 262 m. lang en 6,20 m. breed. Het draaiend gedeelte telde 46 meter. Het feestprogramma was indrukwekkend, de volkstoeloop massaal, de belangstelling koninklijk, het banket somptueus. De rekening bezorgde achteraf begrijpelijkerwijze nog wat gemeentelij­ke kopzorgen en veel heibel tussen Boom en Willebroek voor wat betrof ieders aandeel in de vereffening. De brug deed bijna 100 jaar dienst, niettegenstaande vele "mistige" aanvaringen, en een broertje erbij omstreeks 1912/1913, de "boulevard-brug" genoemd. In November 1945 werd de bovenbouw van de laatste tolbrug in ons land afgebroken. De allerlaatste restanten, vijf pijlers, verdwenen pas in 1966 uit het Rupelbeeld. Toch wist de werkgroep "Heemkunde­Geschiedenis-Leefmilieu" van de Gemeentelijke Culturele Raad van Willebroek afgelopen zomer in het Sashuis te Klein-Willebroek met een verzorgde en leerzame tentoonstelling over de "Wwe Van Enschodt - brug" aan te tonen dat lang niet alles verdwenen is, maar dat inte­gendeel heel wat bewaarde dokumenten nog pittige details kunnen blootgeven. Maar de steenweg, aangelegd in 1765/67, blijft natuurlijk verouderen en onderhoud vragen.

Bij het lezen van 100 jaar oude kranten en archiefstukken kwam ik de baan van Boom naar  Antwerpen, die ondertussen officieel een provinciale baan genoemd werd, opnieuw geregeld  tegen. En het zal U zeker niet verbazen dat meer dan 125 jaar na de aanleg, een jaarlijks herstel van deze steenweg zo goed als onontbeerlijk is. We lezen dan ook in provinciale archiefstukken(17) uit 1896, 1897, en 1898 het  volgende:

1896:-Werken voor het onderhoud der provinciale banen:

"Hermakingswerken provinciale baan op lot 1 Antwerpen-Boom fr. 10.799;89-" -Wielrijderswegen - Ziehier de opgave der berijdbare wegen aangelegd langsheen de provin­ciale banen:...

...Antwerpen-Boom (gedeeltelijke vernieuwing en herstelling) fr. 8.492‑

De hiernavermelde ontwerpen zullen binnen kort aanbesteed worden:...

...Bijvoeglijke uitgave(18) te doen voor de baan van Antwerpen naar Boom fr. 5.208

1897:-Werken voor het onderhoud der provinciale banen:

"Hermakingswerken der provinciebaan Antwerpen-Boom: 90.704,70 fr.

"Aanleggen van velowegen baan Antwerpen-Boom: 12.758,30 fr.

-Herbeplantingen werden aanbesteed volgens opgave van de prov. commissie van beplanting­en op de provinciale baan Antwerpen-Boom.

1898:-Werken voor het onderhoud der provinciale banen:

"Als hermakingswerken der provinciale banen, werd er uitbesteed:

Baan Ouden-God-Lier                  20.000,-

Baan Kiel-Rupel                         141.264,-

Baan Antwerpen-Boom               151.642,98

De beschikbare uitschotkasseien(19) dezer verbeteringswerken zullen ongeveer 191.000 stuks beloopen; zij werden aan de gemeenten verkocht voor fr.955. Inzake van velowegen, werd het laatste gedeelte uitgevoerd van den weg Antwerpen-Boom ten beloope van fr. 11.235.

Het Handelsblad van Zat. 3/4/1897 leert ons dat de Provincie Antwerpen de kosten van de werken in 1897 oorspronkelijk hoger geschat had, zoals blijkt uit de aanbesteding, die in vermeld blad werd afgedrukt:

"Provincie Antwerpen - Aanbesteding - De volgende werken van het ministerie van openbare werken worden aanbesteed op zat. 17/4/1897 in het Provinciaal Gouvernements Hotel:

-Verbeteringswerken aan de provinciale baan van Antwerpen naar Boom op het grondgebied van Aertselaer, Schelle, Reeth en Boom - Ge­schat: fr. 155.400‑

 -Verlengen van de rijbaan voor trapwielers op de provinciale baan van Antwerpen naar Boom, tot aan den inkoom dezer laatste gemeente -Geschat op fr. 14.100‑

-Verbreeden en verlengen van den steenweg van Edeghem naar Wilryck, langs de "dry Eiken" - Geschat op fr. 49.110-"

Zowel het bedrag, als de uitgestrektheid geven aan dat het om serieuze werken moet gegaan zijn, wat nogmaals bevestigd wordt in navolgend artikel uit "Het Handelsblad" van Woe 9/6/1897: "Bericht - De gouverneur der provincie maakt bekend dat, ten gevolge van belang­rijke verbeteringswerken, in uitvoering op de provinciale baan van Antwerpen naar Boom (grondgebied van Aertselaer, Schel, Reeth, Boom) het verkeer voor rijtuigen tot op 1 augusti aanstaande, uiterst moeilijk, zooniet onmogelijk zal zijn op het gedeelte dezer baan, begrepen tusschen de Struisbeek en den ijzerenweg te Boom. Het verkeer voor voetgangers en wielrijders zal verzekerd blijven. Het vervoer met rijtuigen tusschen Boom en Antwerpen zal kunnen geschieden langs de baan van het Kiel naar den Rupel."

Misschien voor alle duidelijkheid situeren dat "de Struisbeek" de grens vormt tussen de ge­meenten Aartselaar en Wilrijk, en dat "den ijzerenweg te Boom" bij de autochtonen nog bekend is als "aan den bareel", gelegen net voorbij "de tuinwijk" daar waar het Boomse Park uitloopt in een punt en waar destijds de spoorweg de baan Antwerpen-Brussel kruiste. Met de omleiding langs "de baan van het Kiel naar den Rupel." wordt de Provinciale steenweg langs Hemiksem en Schelle bedoeld. We leren er verder uit dat deze belangrijke verbeteringswerken aan de grote baan uitgevoerd werden tussen de grens van Wilrijk en Aartselaar enerzijds en Boom-bareel, of toen "de inkoom der gemeente" anderzijds. Tegelijkertijd werd het (nog niet zo lang) bestaande fietspad, dat aanvankelijk slechts tot Wilrijk reikte, verder aangelegd tot aan het binnenkomen van de gemeente Boom.

Wat de heraanplantingen betreft op de baan, wordt ons vermoeden dat het ging om het heraan­planten van bomen langsheen de baan bevestigd door volgend kort berichtje, dat verscheen in Het Handelsblad van Zon. 19 en Maa 20 Jan. 1896, en dat onomwonden vandalisme aan de kaak stelt: "Op den Boomschen Steenweg onder Aertselaer zijn zeer vele notenboomen, die langs de baan geplaatst staan, afgebroken. 't Is schand zulks in een beschaafd land te ontmoe­ten." De tijd dat ik met de tram vanuit Aartselaar naar Boom naar 't school ging (1952/1964) langs weiden met koeien en verspreid liggende boerderijen, is ondertussen ook al verworden tot geschiedenis. Aan café 'De Notelaer" aan de Bist te Aartselaar heb ik nog fameuze notebo­men weten staan. Zouden het "heraangeplante" exemplaren geweest zijn uit 1897 of waren ze misschien nog ouder? Oudere autochtonen, wier jeugd zich vóór de tweede wereldoorlog afspeelde, herinneren zich nog de rij notenbomen langs de baan.

Na het fietspad op het einde der 19e E., kwam er in het begin van de 20e E. aan de andere zijde een stoomtram bij, maar dat is weer een verhaal op zich. Na de tweede wereldoorlog, kwam er de verdubbeling, en spraken we van "d 'aa boan" en de "nief boan" . Ondertussen was, wat men in de volksmond " de grote baan" was gaan noemen, officieel gepromoveerd van provinciale baan tot Staatsbaan ibis: het lage nummer verraadt ook nu nog de belangrijk­heid van de verbindingsas Antwerpen/Brussel. De "kiekebakskes" van de stoomtram maakten plaats voor meer comfortabele tramrijtuigen op een geëlektrificeerd net, in de stad gekend onder de alleszeggende naam van "den boerentram" . Vanaf 1960 werd onze staatsbaan meer en meer ontsloten voor KMO-vestigingen, en alles raakte in een hogere versnelling. En we hebben voor de grote baan nog meer namen gekregen; de N177, de Al2... Maar we gingen zelf ook namen bedenken: de boulevard, de dodenweg... 

In de zestiger jaren duurde de tocht van Antwerpen naar Brussel bijna een uur; vooral de bruggen over de Rupel en het zeekanaal zorgden voor oponthoud. In 1971 lijkt de oplossing in zicht met de toewijzing van de bouw van de Rupeltunnel, geraamd op 1,560 miljard frank. Maar rust er een vloek op onze dodenbaan? De werken, die naar schatting 45 maanden of minder dan 4 jaar zouden aanslepen, duurden in werkelijkheid iets meer dan 10 jaar!! In december 1973 vernielde stormweer de bouwput, waterinsijpeling en zwerfkeien zorgden voor bijkomende vertraging. Toen minister Poma uiteindelijk de tunnel kon openen op 24 juni 1982 was de kostprijs gestegen tot iets meer dan 3 miljard frank.(20)

Inmiddels was ook de tramlijn al opgedoekt en vervangen door autobusdiensten, want er moest ruimte vrijkomen in iedere richting voor nogmaals een baan meer, wat het totaal op 8 rijvakken bracht. Ook de commerciële ontwikkeling aan de kant deed explosief haar best, zodat in de jaren tachtig het verkeer opnieuw aanzwol, al was de Rupeltunnel nog maar net geopend. Met het toenemend verkeer steeg ook het aantal dodelijke ongevallen, protest bleef niet uit: bij elk dodelijk ongeval werden akties georganiseerd om iedereen te sensibiliseren voor het groeiende probleem. Uiteindelijk werd beslist om de open sleuf van de Al2 verder door te trekken om zo het kruispunt van de Pierstraat, waar de meeste ongevallen gebeurden, weg te werken. In maart 1995 sloeg minister Kelchtermans een eerste paaltje in de grond om de werken op te starten. In de lente van volgend jaar zouden de werken volledig klaar zijn.

Maar ondertussen is er een nieuwe gigant uit de grond gerezen tussen de Pierstraat en de Bist: de Schelse woonboulevard zal thans naast andere bedrijven en samen met de omhoogkomende open sleuf de verkeersdruk op het kruispunt met de Bist mogelijkerwijze overdadig gaan belasten. Het gevolg kan men zich indenken: het kruispunt met de Bist in Aartselaar wordt wellicht het nieuwe "dodenkruispunt".

Zowel minister Baldewijns, als het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, willen van de Al2 een snelweg maken, wat betekent dat vroeg of laat de sleuf wordt doorgetrokken tot aan de viaduct van Wilrijk. Maar daar zijn kredieten voor nodig en de verlanglijst bij openbare werken is nog lang niet afgewerkt. Trouwens de insleuving van het kruispunt Pierstraat is momenteel nog aan de gang, dus een volgend Al2-projekt zal nog vele jaren moeten aanschuiven, wach­tend op de nodige kredieten.

Met andere woorden: de ombouw van de Al2 tot autosnelweg is niet meer voor deze eeuw. Toch zal het er wel eens ooit van komen. Bovendien broeien er aanvullend nog meer ideëen. Er zijn genoeg voorstanders te vinden om de expresweg door te trekken tot aan de Al2, zodat in Aartselaar en Reet plaatselijke sluipwegen naar de Al2 kunnen ontlast worden. Er is het plan van een tweede grote ring rond Antwerpen die verbinding zou geven aan de Al2 ter hoogte van de Struisbeek te Aartselaar. Ziet U het al zitten? Het spookbeeld dat binnen afzienbare tijd de driehoek Antwerpen-Mechelen-Brussel gaat uitgroeien tot één gigantische stad met mastodont-verkeersarmen, waarin de Al2 centraal komt te liggen als winkelboulevard én voornaamste noord-zuid distributie-as, dreigt helaas een verstikkende realiteit te worden. 


(1) - R. Van Passen, Geschiedenis van Kontich, Kontich 1964, blz. 666/675

(2)- Baillieul Beatrix, "De steenwegaanleg rond Antwerpen tijdens het Oostenrijks Bewind (1715-1794)" in Bijdragen tot de geschiedenis XIX, blz.102/105

   ((3) F. Blockmans, "De Stadsfinanciën" in Antwerpen in de XVIIIde eeuw. Instellingen - economie -cultuur, Genootschap voor Antwerpse geschiedenis, Antwerpen, 1952, blz 59

(4) Baillieul Beatrix, "De steenwegaanleg rond Antwerpen tijdens het Oostenrijks Bewind (1715-1794)" in Bijdragen tot de geschiedenis XIX, blz.106/108 

(5) met als voornaamste kerkelijke instellingen: Alexianen van Leuven en Brussel (9000 fl.), de parochie en het armenbestuur van de H. Catharinakerk van Brussel (5825 fl.), de kerk en het armenbestuur van Ukkel (2000 fl.), de overste van het Brusselse begijnhof (2300 fl.), H. Gudulakerk van Brussel (800 fl.)

(6) als voornaamste wereldlijke investeerders: de familie Wittert (10.800 fl.), J. De Beeckman du Vieusart (6000 fl.), Cath. Arssens rentenierster (6000 fl.), Familie Van Ophem (5600 fl.), Michel Van Essen bestuur­der (3000 fl.), Maria De Brunswijck Lunebourg (1200 fl.), Dekens van verschillende Brusselse ambachten (800 fl.)

(7) Baillieul Beatrix, "De steenwegaanleg rond Antwerpen tijdens het Oostenrijks Bewind (1715-1794)" in Bijdragen tot de geschiedenis XIX, blz.111/112

(8) Baillieul Beatrix, "De steenwegaanleg rond Antwerpen tijdens het Oostenrijks Bewind (1715-1794)" in Bijdragen tot de geschiedenis XIX, blz.115

(9) Baillieul Beatrix, "De steenwegaanleg rond Antwerpen tijdens het Oostenrijks Bewind (1715-1794)" in Bijdragen tot de geschiedenis XIX, blz.116/119

(10) Handschrift van Emiel Steenackers, Het Kasteel van Boom, posthuum in Jaarboek "Ten Boome" 1995­1996, blz. 131

(11) Christian Verstrepen, Notariaat J.F.Mommen - Notaris te Boom - Akten I 758-1 764, uitgave van Geschiedkundige Kring Rumesta, Rumst 1997, blz. 72/75 - 85 - 88.

12) Frans Verbraeck - De Willebroekse Vaart, Willebroek 1989 - blz. 5

(13) Frans Verbraeck - De Willebroekse Vaart, Willebroek 1989 - blz. 7

(14) Er lag toen nog geen brug over de Rupel; die komt er pas in 1853.

(15) Frans Verbraeck - De Willebroekse Vaart, Willebroek 1989 - blz. 7/8

(16) moysytken bos: schrijfwijze zou best nog eens kunnen gekontroleerd worden in originele akte

(17) Verslag over den Bestuurlijken Toestand der Provincie Antwerpen. 1896 (blz. 257 en 346) - 1897 (blz. 284 en 352) - 1898 (blz. 273)

(18) Bijvoeglijke uitgave: versta: bijkomende uitgaven

(19) Uitschotkasseien: de slechte kasseien, die afgezonderd werden van de goeie bij het uitbreken van de rijbaan, vandaar ook het gezegde: " 't is maar uitschot": het heeft niet veel meer te betekenen; het is maar afval (ook gezegd van aan lager wal geraakte mensen).

(20)Guy Delforge & Freddy Michiels, Hoe Staatsbaan 1 bis een snelweg en een winkelboulevard werd, in Promenade-Magazine van 23/3/1997, Eerste Jg nr.1

Aftelrijmpjes

Door Broeder Paulus (1)

Broeder van de Christelijke Scholen

Kinderspelen van Pieter Bruegel de Oude 1560

 Kinderspelen van Pieter Bruegel de Oude 1560 (foto: wikipedia

 

1-

  O.L. Heerke, mak in den hemel komen, `k Zal van mijn leven niet meer vloeken ? - djee, djee, djee !


2-spel

Piepenholleke, Muizeke, muizeke, waar zitte ?

Binnen, machier (Machiel?) !

Wat doede gij daar ?

Kakken en pissen en door alle gaatjes kruipen ! Zeg 't eens dak het hoor ? 

P. in mijn oor ! ("Kust nu mijn oor" = verwonderde uitroep)
 


3-aftellen

Wip ! Zei den hond, en den hond sprak Fransch.

Zwijgen, zei den boer, of ik breek u den hals.

Als gij mij den hals wilt breken,zal ik nooit geen Fransch meer spreken.


4-kunstje

Jan en Piet gingen samen naar 't riet

Piet was weg en Jan was weg,

Piet kwam trug en Jan kwam trug.


5-liedje

lk en onzen Dikken gingen samen korekens pikken.
Onzen Dikken viel in 't slijk
En al zijn korekes kwijt !


6-liedje

't Ga regenen, 't ga regenen, 't Ga regenen dat het giet,

En als 't er geene faro is, Dan drinken wij lambik !

't Ga regenen, 't ga regenen, het regent op onze kop

en als 't genoeg geregend heeft, dan houdt het stillekens op.


7-

Vliege, vliege, vleugeltjes,

En de pluimekes vliegen naar d' hemeltjes Van heramplamplam, van envosselam Vliege, vliege, vleugeltjes !


8-

Deezeke schudt zijn beddeken uit,

En hij laat de pluimekes vliegen,

Hier en daar , overal,

Tot bij de koeiekes in den stal.


9- 

Als dat kinneke

Duimeke ziet,

Dan zal dat kindeke Lachen.


10- spel

Wat groeit er in mijnen hof ?
- Ajuin !
Wat nog ?
- Peterselie !
Al die omziet, die krijgt hem niet, die krijgt hem niet,
Al die omziet, die krijgt hem niet !


11- aftellen

Un dun dik,
zeven elastiek (karnastiek) zeven karnaboemlala,
un duk dik
Ein dijn dik
zeven ellen stik
zeven ellen bomlala ein dun dik


12-gebarenlied 

Mijne man die vaart op zee, Mijne man die vaart op zee,
Op de mosselare zee (bis) Mijne man die vaart op zee;


- Wat doet hij op die zee ?
-Hij vangt daar eenen visch.


- Wat doet hij met dien visch ?
- Hij taart dat vel daar af.


- Wat doet hij met dat vel ?
- Hij maakt daar een zaksken van.
(Hij maakt daarvan een beurs).


- Wat doet hij met dat zaksken ? (die beurs)
- Hij steekt daarin zijn geld.


- Wat doet hij met dat geld?
- Hij koopt daarmee kinderen (een kind).

- Wat doet hij met die kinderen (dat kind) ?
- Hij stuurt die (het) naar school.


- Wat leren ze (leert het kind) in de school ?
- Zij leren (Het leert) den A B C.


A B C de hond gaat mee
De kat blijft thuis
Wip ! zei de muis in het vogelhuis !


13-gebarenrijm

Plek !

Ga naar de met!

Koopt en koei, 't is geen goei

Koop ne pens,

voor ne zieke mensch !

Kwens, kwens, kwens !


14-aftellen

Rommele, rommele in den pot,
Waar is klaas ? Waar is zot ?
Zot is in het stalleke,
Wat heeft hem daar verloren ?
Allebei zijn hooren

Wacht tot dat hem thuis komt
Hij zal er wat van hooren.
Kip kap !
Slaat de koei haren kop af
En leg hem in het heilig graf
Gij zijt er eerlijk en eerlijk van verlost af !

Pietje (n) hei gezei
wei dat er eerst of lest moet aan zijn ik of gij
of Jan daarbij
zeg het gij
drei en drei is tooverij.


15-lied

Gloriantje zo zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed

En het zonnetje scheen op z'n bolleke

Want hij kreeg geen parasolleken

't Parasolleke, da was gescheurd,

En het zonneke kwam er deur.


16-lied

Nieuwejarke zoete

Onse verke hei vier voeten

Vier voeten en eenen stert

Is dat dan geen duitje weerd ?


17-


Op eenen Nieuwjaarsavond, Dan sloeg den bakker z'n wijf Met eenen dikken klippel zodanig op haar lijf,

Het wijf kroop in den oven Den bakker achternaar
Ze waren zoo wit bestoven Op zaligen nieuwjaar

(Ze kropen in den oven
ze gingen patatten stoven)

De knippel wa nie breken Het wijf da wa nie spreken De knippel die brak En 't wijf da sprak
En alles was vergeten
 Op eenen Nieuwjaarsavond, Dan sloeg den bakker z'n wijf Met eenen dikken klippel zodanig op haar lijf,

Het wijf kroop in den oven Den bakker achternaar
Ze waren zoo wit bestoven Op zaligen nieuwjaar

(Ze kropen in den oven
ze gingen patatten stoven)

De knippel wa nie breken Het wijf da wa nie spreken De knippel die brak En 't wijf da sprak
En alles was vergeten.


18-spel

Schoentje lap lap, lap leeren (bis)
Schoentje lap lap, lap lap,
Schoentje lap, lap, lap, lap, lap.


19-spel

Een twee drij vier.
Boom is hier !
En hadde Boom hier niet geweest,
Dan was er geen plezier geweest!!


20-

Een twee drij
Den trein dee rijdt voorbij,
Met boeren en boerinnen en
Den Burgemeester bij.


 

 (1)  Jozef Peeters werd geboren te Boom op 18 juli 1903 als zoon van Jan Baptist Peeters en Maria Paulina Spanjaers. Hij overleed te Groot-Bijgaarden op 8 januari 1994. Hij trad in bij de Broeders der Christelijke Scholen op 7 september 1919 en deed professie op 2 augustus 1928. Als leraar-germanist was hij tewerkge­steld in het St-Amandusinstituut te Gent, in het St-Jozefinstituut en het St.-Thomasinstituut (regentaat) te Brussel. In zijn vrije tijd verzamelde hij als rasecht Bomenaar al wat met geschiedenis, taal en bijnamen der Bomenaars te maken had. Handschriften van al deze studies werden na zijn dood aan de familie overhandigd, want hij bewaarde dit alles op zijn werktafel.

Boom-in de krant-méér dan honderd jaar geleden

Voordracht door  René Beyst Heemkundige Kring Aartselaar

Iedere heemkundige weet en waardeert het gezegde dat er "in oude boeken veel wijsheid te vinden is". Maar niet alleen in oude boeken, ook in oude kranten vindt een heemkundige veel fait-divers, die het lezen (en het weten) waard zijn. Af en toe stuiten we zelfs op verhelderende details in enkele lijnen tekst van een dagblad. Het kan de ligging van een toponiem zijn, het kan de juiste woonplaats van een bepaald persoon zijn, het kan de exacte datum of beschrijving van een gebeurtenis zijn, waar we misschien al jarenlang achter zochten. Elke oude krant kan een onschatbare bron van informatie inhouden en is daarom voor ons belangrijk. Hoewel bibliothe­ken, musea en andere verzamelaars hun best hebben gedaan om te vergaren wat nog kon, is reeds onzeggelijk veel geschreven informatie (vooral van regionale aard) verloren gegaan als kachelaanmaak, als toiletpapier, als onderlegger bij talloze klusjes, of in het beste geval als "oud papier". Ook vandaag worden kranten nog te veel beschouwd als een wegwerpartikel, als het sprokkelhout uit het bos der "Grote Literatuur". Maar na het lezen van deze bijdrage treedt u waarschijnlijk onze mening bij dat oude kranten voor heemkundigen een zegen zijn omdat ze een stapel aan heemkundige gegevens bevatten. En mogelijk wordt de krant in de 21 ste eeuw een zeldzaamheid, want onze gazet dreigt zowel op commercieel vlak, als op het vlak van nieuwsgaring te worden verdrongen door meer moderne media als televisie en internet, die zowel regionaal als mondiaal snel en accuraat alle gezochte informatie zullen kunnen aanrei­ken.

Ik wil hier graag van de gelegenheid gebruik maken om u, lezer, te vragen of u soms nog oude exemplaren bezit van bijvoorbeeld de "Aankondiger van Boom", een blad dat vanaf 1849 meer dan 100 jaar lang verspreid werd en veel notariële aankondigingen en streeknieuws bevatte. Graag zou ik dergelijke kranten hun verdiende plaats willen zien krijgen in het archief van de Geschiedkundige Studiegroep "Ten Boome". Wilt U ze echt niet kwijt, sta ons dan tenminste toe om deze kranten eens te lezen en eventueel waardevolle teksten te kopiëren. Niet alleen de "Aankondiger van Boom" interesseert ons, maar ieder blad dat informatie aanreikt uit het leven in de Rupelstreek kan interessant zijn om lezen, zoals bijvoorbeeld het "Nieuws- en Aankondi­gingsblad voor de kantons Boom, Contich en Willebroeck" dat vanaf 1918 verspreid werd. Hebt U iets aan te bieden (oude ingebonden jaargangen bijvoorbeeld) of wil U oude kranten kwijt, kontakteer dan René Beyst (887 71 06) of Marcel Vereycken (888 17.68). Ondertussen bieden wij U een voorsmaakje aan van datgene wat René Beyst wist te (her)ontdekken over Boom in kranten die gelukkig wel bewaard bleven.

We beginnen onze reis door de krantenwereld juist 200 jaar geleden met de "Gazette van Antwerpen", gedrukt in de Lombardenvest te Antwerpen door Johannes Henricus Van Soest. Deze krant verscheen elke dinsdag en vrijdag en bracht in de Franse Tijd -naast wetten en besluiten uit Parijs, Brussel en Antwerpen- meestal oorlogscorrespondentie uit vreemde landen (via de Antwerpse haven) en notariële aankondigingen uit Antwerpen en omgeving.

 

GAZETTE VAN ANTWERPEN - Dins. 01/02/1797

Bekendmaeking - De centraele Administratie van het Departement der twee Nethen, maekt aen al en een iegelyk bekend, dat er in de Gemynte van Boom door verscheyde Persoonen, sommige gekleed in blauw Capoten, andere in groen, en greyze korte Vesten, eenen Diefstal begaen is, bestaende in de volgende aengewezene Effecten, te weten:

Eenen gouden ring, en dito paer Ooringen - Twaelf nieuwe Mans-hemdens aen de borst geteekend J.C. V.D.C., en andere C.R. - 250 Guldens in Keyzerlyke Croonen, 15 Neusdoeken van Syde en catoen, 3 Ringen en een Hert in goud, 5 Paeren zilvere Gespen, bestaende in dry paeren Schoengespen, en twee dito Broekgespen

Een stroymes - Eenen Klief-haemer - Een Beyl, en een groot vierkant Hout - Syde Neusdoeken van verscheyde couleuren - Witte Halsdassen, en verscheyde Servetten, geteekend met de letter P .V.C. in bleek rood, Kleederen, Vesten, en Broeken - 50 Guldens in Geld - 150 dito in gros Sous in eenen handdoek gebonden - 2000 dito in stukken van Sestien min een oord, Schellingen &c. - 10 Catoene Neusdoeken na de mode - 12 Vrouwe hemdens, geteekend A.T.V.D.C., en dry andere A.

Zy verzoekt de Borgers, en de Policiemeesters de Daeders, de Helpers, en mede Pligtigen van het Feyt te doen aenhouden, en te brengen voor het Peys-Geregt, als mede de Draegers der gestole Effecten.

Gedaen in de zitting van 9 Pluviose 5de jaer der Fransche Republiek, Wegens de centraele Administratie van't Departement der twee Nethen, Den SecretarisGenerael: AUBERT -Gezien de Vertaeling, Jean Solvyns, Administrateur.

GAZETTE VAN ANTWERPEN - Vry. 24/2/1797

Te Koop tot Boom in d'Hovinge van d'Heer Meeus: Eene groote partye bueke en doorne Plantsoen voor Haegen, met eene groote partye jonge Fruyt-boomen.

GAZETTE VAN ANTWERPEN - Vry. 23/6/1797

 Te koop uyt 'er hand: Een schoon welgelegen Huys met Stallinge, en Hof dienende actuelyk voor eene afspanninge, genaemd den Plaisanten hof tot Boom, bewoond door den Borger Grangé, waer van de huere uytgaet in Brumaire 6de jaer, (14 November 1797,) zig te adres­seren by den Notaris Mommen tot Boom.

GAZETTE VAN ANTWERPEN - Dins. 21/11/1797

Men zal op Donderdag 30 November 1797, ten 2 ueren namiddag, in de Herberge de Schyvaerd (  1  ) binnen de Gemynte van Boom, houden den 3 Zitdag tot publieke Verkooping en het geven van den Palmslag, van een schoon en welgelege Huys tegen d'Antwerpsche Cassyde binnen de voors. Gemynte, met verschyde hoven en benede Kamers, Stallinge, Porte cochere, Bascour, Schoonen Hof beplant met alle soorten van Fruytboomen, en andere toebehoorten, dienstig voor Kooplieden, Fabriqueurs, Aubergisten &c. Lest in huere gehouden by den borger Grangé Aubergist, alles volgens Conditien.

 
Tot zover de "Gazette van Antwerpen", waarvan ik totnogtoe enkel het jaar 1797 heb doorge­nomen.

(1)- de herberge de Schyvaerd: foutieve schrijfwijze voor de herberg "de Schipvaert", die de stad Brussel liet opbouwen in de huidige Leopoldstraat (Zie hierover ook Jaarboek "Ten Boome" 1995-1996. blz. 132)
 



We zetten onze reis verder met een kijkje in een typisch Antwerpse gazet verschenen vanaf 1844, het "Handelsblad van Antwerpen", een Vlaamsgezinde krant van katholieke strekking. Het is één van de oudste dagbladen uit de Antwerpse regio in de vorm zoals wij ook vandaag nog "onze gazet" kennen, oorspronkelijk begonnen door L.J. Vleeschouwer als Vlaamse tegenhanger voor "Le Précurseur", de Antwerpse liberale handelskrant in die tijd. In de Vlaam­se Beweging was de krant vooral actief vóór de eerste wereldoorlog, met als belangrijkste figuur Dr. Aug. Snieders, hoofdredacteur van 1849 tot 1900. In 1957 werd Het Handelsblad in de Standaard-groep opgenomen. Omstreeks het einde van de vorige eeuw beschikte Het Handelsblad over een zeer goede "bijzondere briefwisselaar" in Boom, die schreef over de Rupelgemeenten, in het bijzonder over Boom en Niel. Meer dan waarschijnlijk is de dagblad­correspondent te zoeken in het bestuur van het Boomse Davidsfonds of heeft hij met deze kring nauwe sympathiën. 

HANDELSBLAD Woe 4/11/1846

Benoemd bij K.B. tot kantonaal inspecteur der lagere scholen in de provincie Antwerpen: ...voor het kanton Contich: de heer Mannekens(2) (Laurentius Noel), hoofdonderwijzer te Hemixem.

Ook de reeds eerder geciteerde "Aankondiger van Boom" is met zijn eerste jaargang in 1848 eveneens bij de waardige oudere kranten te rekenen. We werpen even een blik in enkele bewaard gebleven nummers' uit 1857, 1869, en 1874.(
3)

 
(2)- Dit is dezelfde (Laurent) Mannekens, die stichter is van het pensionaat de "Mannekens-school" te Boom.

(3)- Bewaard in de Antwerpse stadsbibliotheek.


 

AANKONDIGER VAN BOOM - Zon. 20/12/1857 - Nr.51 - 9e Jg.

 

Openbare verkooping van schoone kanada, eiken en blekboomen, stronken, schaerhout, twist, spillen en droogen mutsaerd, wegens en op de goederen van Mynheer Kramp-Van Eupen, omtrent den Antwerpsche steenweg te Boom. ‑

 De Notaris Vermeulen, te Boom, zal aldaer, ter voormelde plaets, op Woensdag 23 December 1857, om 9 ure voornoen, publiek verkoopen:

I° -35 a40 zeer schoone kanada boomen, waeronder tot 2 meters dikte en van 12 a 14 m. lengte.

2° -30 gevylde eiken boomen van 1 m. dik en 8 m. lang

3° -2 koopen blekboomen, ieder van 30 stuks.

4° -eene groote party gevylde eiken stronken, dienstig voor steilen.

5° -onderscheidene koopen twist, spillen en spaenderen.

6° -eene groote party schaerhout in het bosch en in de dreven

7° -eindelijk 2000 droogen mutsaerd.

Het alles verdeeld in ruim 150 koopen.

Men zal zich vergaderen aen de woning van den boschwachter P. Demeyer, waer de konditiën zullen voorgelezen worden, om aldaer met de kanadas te beginnen, verders op langen tyd van betaling mits borgstelling.

Berigt -

F. Mampaey, in het Groot Schippershuis, in de Groenehofstraet te Boom, maekt bekend aen de heeren liefhebbers van den edelen Handboog, dat hy zyne strooije doelen gesteld heeft op zyne groote zael. Ook zyn er by hem te verkrygen allerbeste Monsche Kolen, aen eenen civieler prys.

Openbare verkooping van een nieuw en sterk huis, staende zeer wel ter nering te Boom.

De Notaris Mommen te Boom, zal publiek verkoopen, met winst van palmslag en verdieren: Een onlangs nieuw gebouwd huis, zynde eene herberg genaemd de Vaert van Loven, staende te Boom in de Kerkstraet, N° 18 2e, hebbende groote poort, groote estaminet-plaets, achter­kamer, kelder, 2 bovenkamers, zolder, achterkeuken en waschhuis met pomp, regenbak, hof en toebehoorten, bekend ten kadaster wyk B, N° 332a en 332b, groot 3 aren 30 cent.; regnoten­de: noord De Haspe, oost den Hof der Pastory, zuid den heer P.J. Steenackers en west de Straet. Ingemynd voor fr. 2860. - 75 verd.

Bewoond door Ed Van Rompa, jaer voor jaer, versschynende half Meert. Deze eigendom is door zyne uitgestrektheid en ligging zeer wel geschikt voor allen handel en bedryven.

Zittingen ‑

De eerste tot geven van palmslag en stellen van verdieren, zal plaets hebben, op Dynsdag 15 december 1857, en de tweede tot eindelyk verblyf op Dynsdag 22 der zelve maend, telkens te 5 ure 's avonds, ter herberge De Gulde Poort, by A. Van den Neucker, aen het gemeentehuis te Boom. Konditiën en titels berusten ter inzage der liefhebbers ter studie van gemelden Notaris Mom­men, alwaer men tusschen de zittingen verdieren kan stellen.

  


 

Zowel "De Rupelbode", als "De Polderbode", als "De Heidebloem" werden alle gedrukt bij de "Antwerpsche Drukkerij" in de Kloosterstraat 19, te Antwerpen, ingericht tot eene goedkoope verspreiding van Volkslezingen en Weekbladen (le Jg. in 1862). In Antwerpen zelf droeg deze katholieke krant haar best gekende naam: "De Volksstem". Vanaf 1/3/1868 verhuist de krant naar de St. Jorisvest 50. Een jaarabonnement kostte 6 fr. De krant verscheen tweemaal per week: op woensdag en op zaterdag. Voor zover ik kon ontdekken waren er waarschijnlijk geen inhoudelijke verschillen, en zal vermoedelijk enkel de "kop" van de krant gedrukt geweest zijn alnaargelang de regionale bestemming van de krant.

DE RUPELBODE - Zat. 26/1/1867 - blz.2

Benoemingen:

Niel: Burg.: H Lega, Schepenen: M C.Maes en J. C.Peeters Reeth: Burg.: P.J. Van den Ende, Schepene: C. Vloeberghs Waarloos: Schepene: P.J.Storms

Wilryck: Schepene Van Hecken

DE VOLKSSTEM - Zat. 10/8/1867 blz. 3

"Maandag 11. had er te Boom eene solidaire begrafenis plaats. De liberfarceurs van Antwer­pen en Mechelen hadden zeer voorzichtig geoordeeld van zich te onthouden; zij kennen de bevolking van Boom maar al te wel, en weten dat hunne maskeraderij daar geen bijval zoude vinden. Het lijk van de solidairen vreemdeling is dan met de grootste stilte naar het kerkhof gevoerd; een achttal vrienden alleen vormden de stoet, waaronder bijzonderlijk eenige professors van het pensionnaat van M Mannekens uitschenen.

Het wonderste dier zaak is, dat men dit lijk in den zoogezegden "verdoemden hoek" heeft begraven, daar nochtans het kerkhof van Boom niet gewijd is. Een bewijs te meer, dat het de christen kerkhoven alleen zijn welke men aanrandt in België; die der joden en protestanten worden geeerbiedigd, - in de ongewijde gemeentekerkhoven onderhoudt men de verdeeling en de gewijde christene kerkhoven alleen worden vernietigd, geschonden of onteerd. 0 gelijkheid en vrijheid!"

DE POLDERBODE - Zat 18/4/1868 blz.3

-Men schrijft ons uit Boom. Een onzer inboorlingen Auguste Guilmain was als zouaaf den H. Vader gaan verdedigen en sneuvelde na manhaftig gestreden te hebben te Mentana. Deze week kwam in Boom eene gouden eerdemedaille uit Rome aan bestemd om als gedenkstuk in de familie van Guilmain bewaard te worden; de roemrijk gesneuvelde was een wees die slechts eene zuster had, en deze is nog een minderjarig kind. Het geschenk van Zijne Heilig­heid is in de handen gegeven van den voogd die het zal bewaren tot de meerderjarigheid van Guilmain 's zuster. Dit zal voor het meisje een kostbare en heilige gedenkenis zijn. 

AANKONDIGER VAN BOOM - Zon. 14/11/1869 - Nr.46 - 21e Jg. Enkele korte advertenties:

Verandering van woning - Tobie LAMOT-LAURIKS heeft de eer het publiek te berichten, dat hij zijn KOOLMAGAZIJN heeft overgebracht van den Broeksdijk in de Blauwstraat, ten huize vroeger bewoond door J. Cop. Hij rekommandeert zich in ieders gunst, alsook voor den handel in Zemelen, Kortmeel, enz., zooals voorgaande.

EEN VIERJARIG PAARD,
dienstig voor twee handen,
te koop bij Eg. Spillemaeckers, steenbakker, Antwerpschen Steenweg, te Boom.

MEN VRAAGT
eenen bekwamen SMEDERSGAST en LEERJONGEN ,
bij F. AVERMAET, Smid, in den Hoek, te Boom.

Groote Partij nieuwe Winter-Coupons,
aan half geld, bij F. CARSAU-VEREYCKEN, te Boom.
Nog uit der hand te koop: Schoone engelsche Snijbank en Snuifmolens.

Bericht aan de landbouwers, bij C. VAN SAND, in de Duivenmarkt, te Boom, allerbeste Bordeaux-Vaten, kunnende dienen voor Vleesch- of Watervaten, aan eenen civielen prijs.

 


 

De volgende krant is opnieuw een Antwerpse krant: "De Koophandel", begonnen op 3 aug. 1862 als weekblad voor Handel, Nijverheid en Volksbelangen. Eén jaar later werd het een liberaal dagblad. Hoewel het doctrinair-liberaal van strekking was, met scherpe aanvallen tegen het klerikalisme en de Meetingpartij, was het anti-socialistisch en diende het de Vlaamse Beweging. Zo nam het in 1865 'De Grondwet" over, de liberale krant van Jan Van Rijswijck. Eind november 1897 verscheen "De Koophandel" voor het laatst en werd het hervormd tot "De Nieuwe Gazet".

DE KOOPHANDEL - Vrij 27/9/1872

Boom - De gouverneur der provincie brengt ter kennis dat de herstelling van de doortocht langs de brug van Boom, onderbroken tot 26 dezer, bij besluit van 31 augusti, verdaagd is geworden tot 5 october aanstaande. De dienst der voorbijgangers zal blijven geschieden langs het brugje, nevens de brug; die de rijtuigen, vee, enz. langs den overzetbak, nabij het Hellegat.

 

DE KOOPHANDEL - Zat 28/9/1872

Societeit Schelde en Rupel - Wilford MUYS en Co - Dagelijksche sneldienst gedurende de maand October, door de prachtige nieuwe stoombooten Wilford 2 en Wilford 3, voor passa­giers en koopwaren, tussen Antwerpen, Hemixem, Temsche en Boom.

Van Boom naar Antwerpen 7 en 9 u. voormiddag, 2 u. namiddag

Van Antwerpen naar Boom 11 u. voormiddag, 2u. namiddag

Van Temsche naar Antwerpen 7 u. voormiddag, lu. namiddag

Van Antwerpen naar Temsche 10 u. voormiddag, 4.30 u. namiddag

 Afwen te Antwerpen bij den heer Van Laerebeke, Café des Voyageur, Van Dyckkaai n° 9.


AANKONDIGER VAN BOOM - Zon. 24/05/1874 - Nr.21 - 26e Jg.

Volgens jaarlijksch gebruik - Openbare verkooping van goed en welgewassen Hooigras, in het Broek, te Boom

De Notaris Leclef, te Boom verblijvende, zal op Dijnsdag 26 Mei 1874, om 9 ure voornoen, openbaarlijk verkoopen:

Het goed en welgewassen Hooigras der Dijken en Schorren van het Broeck, te Boom. Op tijd van betaling en ingevolge de gewone conditiën.

Studiën van Notarissen Mommen te Boom en Cesar Peeters te Willebroeck.

Op den tweeden zitdag van het neringrijk Winkelhuis, gestaan in de Hoog- of Marktstraat, N° 29, te Boom, verdeeld in deze twee loten, is hetzelve ingemijnd als volgt:

 Lot I. -Woning, samengesteld gelijkvloers uit winkel, achterkeuken en waschhuis, met gemeen gemak en pomp, twee kelders en regenbak; op het verdiep twee kamers met ingemaakte kassen en zolder, ingemijnd 7500 fr. en 70 verdieren

 Lot 2. -Woning, hebbende gelijkvloers eene voor- en eene achterkamer, koer of opene plaats, pomp voor regen- en putwater, en gemak in't gemeen met lot 1, twee bovenkamers, zolder en kelder, ingemijnd 7000 fr. en 180 verdieren.

 De eindelijke toewijzing is bepaald op Donderdag aanstaande, 28 Mei, ten 3 ure namiddag, in het Hotel de la Cour de Bruxelles, bij d'heer J.B. Ceusters, op de Groote Markt, te Boom.

 


De Heemkundige Kring van Aartselaar bezit in haar archief één volledig exemplaar van de "Aankondiger van Boom". Naar alle waarschijnlijkheid is juist dit weekblad bewaard gebleven omdat er een verslag in voorkomt over de luisterrijke inhaling van burgemeester Gilliot. Dit nummer verscheen op zondag 25 oktober 1891. Er staat ongelooflijk veel informatie in over kermissen, cultuurleven, officiële berichten, fait-divers, notariële aankondigingen, advertenties, enz. uit Boom en omliggende, al betreft het hier maar één volledig nummer van amper 4 bladzijden. Omdat het ons te ver zou leiden om alle artikels met betrekking tot Boom over te nemen, beperken we ons hier tot de meest interessante.

 

AANKONDIGER VAN BOOM - Zondag 25/10/1891 - Nr.43 - 43ste Jg.

Koepokinenting - Het Gemeentebestuur van Boom maakt bekend dat de heer dokter Saunier alhier, toekomenden donderdag, ten 3 ure namiddag, kosteloos de pokken zal zetten, ter estaminet bij d'heer Edmond Van Geet, rechtover het gemeentehuis. De ouders gelieven dit in aandacht te nemen.

Symphoniemaatschappij "Kunst en Vermaak" van Boom

De eere- en spelende leden zijn dringend verzocht de repetitie en vergadering bij te wonen (op boet), heden Zondag, om 9ure 's morgens, in het lokaal van d'heer Karel Guilmin, in de Vrijheidstraat. - Het Bestuur.

Kampstrijd tusschen wielrijders - Het is heden zondag 25 october, dat de wedstrijd per vélocipède zal plaats hebben, uitgaande van Brussel, om langs Boom, Antwerpen Herenthals en Leuven rond, naar Brussel terug te keeren. De te doorlopen afstand is ongeveer 150 kilometers, welke, naar men denkt, door sommigen zal worden afgelegd in 8 a 9 uren, zoodat zij eene gemiddelde snelheid van 18 kilometers zullen moeten bereiken, iets wat niet overal mogelijk zal zijn. Immers, de weg langs de Wille­broeckse vaart is zeer moeilijk, zelfs gevaarlijk, daar men op verschillige plaatsen slingering­en moet maken tusschen het water en de boomen, en de wortels dezer laatsten daarenboven nog den grond ongelijk maken. De kampstrijd neemt aanvang ten 7 ure 's morgens, zoodat wij tusschen 8 en 9 uren de medekampers hier te Boom zullen zien doortrekken.

Benoeming - De heer Antoon Van Wouwe, vroeger hoofdonderwijzer der gemeenteschool te Noeveren en thans leeraar, ten voorloopigen titel in de Staatsmiddelbare School te Yperen, is door den gemeenteraad van Antwerpen, in dezes zitting van woensdag laatst, tot onderwijzer benoemd in eene gemeenteschool dezer stad. D 'heer Gustaaf Vereycken, beambte ten gemeentenhuize alhier, wilde verleden zondag namiddag, op den Antwerpschen Steenweg, op eene speelkar stappen om naar Aartselaar te rijden, doch deed bij ongeluk eenen misstap en viel achterover, met het gevolg dat het wiel der kar over het been reed, hetwelk gebroken werd Naar wij vernemen, is zijn toestand heden heel voldoende.

Studie van Mter Aug. Lamot, notaris te Boom

Op Woensdagen 11 en 18 November 1891, om 1 uur namiddag, op het Vredegerecht, te Boom, openbare verkooping van een schoon Winkelhuis met Hof in de Kerkstraat, Nr 57, te Boom, met uitweg langs de Putten, gekadastreerd wijk B, Nrs 3072/Bis en 3073/Bis deel, groot 310 vierkante meters; palende: de Kerkstraat, den eerweerden heer Van de Velde, Mijnheeren Verbeeck en Van Steen en den heer Alfons Van de Velde.

Van drie navolgende notariële aankondigingen uit (nog steeds) hetzelfde nr.43 van 25/10/1891 geef ik hieronder slechts flarden van de tekst weer (om niet te lang uit te weiden). Ik koos voornamelijk voor die tekstgedeelten waarin genealogische of toponymische informatie voor­komt. Verder is deze tekst hier en daar verlucht met kopijen van aankondigingen uit deze "Aankondiger van Boom".

Openbareverpachting van goede labeurlanden en het recht van jagen onder Boom en Reeth

De Notaris Oeyen, te Boom verblijvende, zal op Woensdag 28 October 1891; om 2 ure nanoen, ten gemeentenhuize, wegens St. Jan Baptist Gods-Gasthuis van Boom, openbaar verpachten:

Onder Boom

Een perceel land, gelegen in den Wolfshoek, zuidwaarts den ijzeren weg van Boom naar Antwerpen-Zuid, wijk A,...groot 50 aren 60 centiaren, verdeeld in 3 loten,...

Een perceel land, als voorgaande, noordwaarts den ijzeren weg, wijk A, ...groot 59 aren 70 centiaren, verdeeld in 3 loten...

Een perceel land, gelegen als voren, tegen Leeremansweg, wijk A, ...groot 29 aren.

Een perceel land, ter plaatse den Brand, wijk C, ...groot 35 aren 7o centiaren, verdeeld in 4 loten...

Onder Reeth

Een perceel land, gelegen te Reeth, ter plaatse De Vorst, ...groot 48 aren 60 centiaren, met kanten, grachten en wegenissen...

 
Openbare verkooping van 2 Steenfabrieken met Werkmanswoningen en Potaardelanden - 3 schoone renteniershuizen - eene brouwerij - 5 welgekalandeerde herbergen - en verscheidene Winkel-&Burgershuizen onder de gemeenten Boom en Niel.

 

De Notarissen Leclef, te Antwerpen, en Lamot, te Boom verblijvende, daartoe in recht be­noemd, zullen ten overstaan van den heer Vrederechter van het kanton Boom, op Dinsdagen 27 October en 3 November 1891, telkens ten 1 uur namiddag, ten Gemeentehuize te Boom, en met winst van I% premie, openbaarlijk te koop aanbieden, de volgende Goederen, te weten:

Een Steen-, Pan- en Plaveifabriek, tegen de rivier den Rupel, met Kil en Kaai, Stoompotaar­demolen, zeven Werkmanshuizen, Logiën en Droogplpaatsen, Potaardemolens, Beemd en Hofstede, in het geheel groot 3 hectaren 97 aren 40 centiaren.

Een Steen-, Pan- en Plaveifabriek, tegen de rivier den Rupel, hebbende als voorgaande Kil en Kaai, negen werkmanswoningen, ...groot 3 hectaren 68 aren 29centiaren,...

...allerbeste potaardeland en eene hofstede, nabij den steenweg van Antwerpen naar Boom, in het geheel groot 2 hectaren 20 aren 80 centiaren.

De welgekalandeerde herberg In den Rupel, in de Vrijheidstraat, groot 87 meters vierkant. Een neringrijke brouwerij, met herberg en burgerswoning, in de Tuyaertstraat, hebbende kuiperij, biermagazijn, stal en verdere afhankelijkheden, in't geheel groot 18 aren 35 cent... ...Gemeente Niel -

Eenen eigendom, op den steenweg van Niel naar Boom, bestaande uit de twee welgekalan­deerde herbergen Den Raren Vogel en Café Boulevard en drij werkmanswoningen, in het geheel groot 7 aren 60 centiaren,...

Openbare Verkooping van drij groote Steen- Pan- en Plaveifabrieken met werkmanswoningen en potaardelanden - 3 neringrijke herbergen - verscheidene winkel- en burgershuizen en hofsteden met labeurlanden onder de gemeenten Boom en Niel

De Notarissen Lecclef te Antwerpen, en Lamot, te Boom verblijvende, daartoe in recht benoemd, zullen...

...Eenen eigendom, bestaande uit de herberg de Steenschuit, een winkel- en een werkmans

De herberg het Hooghuis, op den steenweg van Boom naar Niel...

  huis, gelegen in den Noeverschen weg...

Eenen eigendom, bestaande uit drij werkmanswoningen met hoven, in den weg naar den Watermolen en den weg naar den steenweg...

De herberg het Bergsken, twee huizen met stalling en opene lucht, aan den Benedenweg, en vijf huizen met stalling en erf in de Noeversche straat...

Twee schoone hofsteden met woonhuizen, stallingen, schuren, labeurland en zeven huizen met stallingen en hoven, alsook acht perceelen allervoordeeligste bouwgrond, in de Laage Lei, samen groot 2 hectaren 82 aren 52 centiaren, vormende 13 koopen...

 En om met de "Aankondiger" te sluiten, we lazen nog twee bewaarde bladzijden (blz. 1 en 2) van het nr. 26 uit 1895 (zondag 30 juni 1895). Hier vonden we toch nog enkele Boomse bijzonderheden:

Hooge onderscheiding - M. Jan Van den Bril - de Richterich, provinciaal raadslid alhier, die sedert lang ridder der Leopoldsorde was, is door koninklijk besluit tot officier derzelfde orde verheven, als belooning der talrijke diensten sedert meer dan vijf-en-dertig jaar aan ons kanton en gemeente bewezen. Zoodra dit nieuws gekend was, werd aan vele woningen de vlag geheschen, en des avonds bracht de harmonie Rupelzonen, waarvan de nieuwe officier voorzitter is, hem eene schitte­rende serenade. De Club Boom-Velo had hem reeds in den vooravond een prachtigen bloem-ruiker aangeboden, en de Katholieke Jonge Wacht bracht vrijdag avond insgelijks eene serenade aan den achtbaren vereerde.


Bij koninklijk besluit is Mejuffrouw Detienne, voorlopige bestuurster der Staats-middelbare school voor meisjes alhier, definitief tot dit ambt benoemd.

Octaaf van Noeverenkermis - Heden zondag, ter gelegenheid der octaaf van Noeverenkermis, zullen de twee aldaar bestaande muziekmaatschappijen, lever en Volherding en Oude Fanfa­ren, er eenen uitstap doen en een bezoek brengen aan hunne wederzijdsche vrienden-herber­giers.

Kermis van Sinte Peeter - Zooals wij in ons vorig nummer reeds gemeld hebben, is de van ouds bekende kermis van Sinte Peeter, op verzoek van een aantal herbergiers aldaar, verscho­ven tot toekomenden zondag 7 en maandag 8 juli. Naar wij vernemen zal deze kermis ditmaal uiterst aantrekkelijk zijn.

Vijftigjarig huwelijk - De echtgenoten Joannes Annemans en Maria Duschek, wonende in de Advokaatstraat, nabij de kerkhofstraat alhier, hebben verleden dinsdag in huiselijken kring den vijftigsten verjaardag van hun huwelijk gevierd. De man is 77 en de vrouw 75 jaren oud. Ofschoon het feest geen openbaar karakter had was toch de gebuurte ferm bevlagd en werd aan het brave echtpaar door de buurvrouw een fraai geschenk overhandigd.

Koersen - De voetloopafdeeling der maatschappij Antwerp Cyclist Union, heeft tegen heden zondag eene koers ingericht van Antwerpen naar Boom en terug, ongeveer 35 kilometers. Het vertrek van Antwerpen heeft plaats om 3 ure, aan het Café du Robinet (Warande).

 
- M. Felix S., van Brussel, een der beste wielrijders op de baan, heeft gewed voor 6000 fr. tegen 3000, den weg van Brussel naar Antwerpen af te leggen in 1 uur 50 minuten. Deze afstand werd nog afgelegd in 1 uur 45 minuten door gewone rijders.

Het bestuur van de Katholieke Vereeniging van Boom verzoekt ons te plaatsen:


Lijsten voor de Gemeentekiezing

De kiezerslijsten moetende dienen voor de aanstaande gemeentekiezing van de maand No­vember, kunnen geraadpleegd worden in den Katholieken Kring, in het lokaal van den Kristen Volksbond, Kerkstraat, en op Noeveren, bij J. Marnef, lokaal der fanfaren leven en Volher­ding.
Al onze vrienden worden vriendelijk verzocht zoo spoedig mogelijk na te zien of zij ingeschre­ven zijn met het getal stemmen waartoe zij recht hebben(4) . Mits de noodige inlichtingen zal het bureel der kieswerking, zetelende in het lokaal Katholieken Kring, zich gelasten hun kiesrecht te verdedigen.

HANDELSBLAD 19-20/1/1896
In die krant wordt de eerstvolgende loting (op 28 jan e.k.) voor het kanton Boom aangekon­digd, met volgende informatie: Boom 171 lotelingen, Niel 59, Reeth 17, Rumpst 46, Schelle 23, Terhagen 31.

HET HANDELSBLAD - 1/1/1897
Koninklijk Besluit 21/ 12/ 1896 - Toelage van 492,88 fr. aan de Commissie tot beheer der burgerlijke godshuizen te Boom; voor verbeteringswerken in het godshuis van de H. Joannes­ Baptista.
-Veeverzekering - De Moniteur bevat de goedgekeurde standregelen der maatschappijen van onderlingen bijstand tegen sterfte op het vee: Boerenbond gevestigd te Rumpst (Antwerpen) en Verbroedering te St. Kath. Waver.

HET HANDELSBLAD - 10-11/1/1897
Buurtspoorweg Mechelen-Boom - Sedert enige tijd heeft de NMBS zich beziggehouden met opmetingen. De overeenkomsten met de aanpalende eigenaars zullen eerstdaags gesloten worden. Waarschijnlijk zullen de werken in 1898 beeindigd zijn.

(4)- "het getal stemmen waartoe zij recht hebben": men kende toen nog het systeem van "stemmenvereniging" waarbij aan sommigen méér dan één stem (4, 3, of 2 stemmen) werd toegekend, alnaargelang hun belastbaar inkomen, diploma's, ambten, eigendom of persoonsbelasting.


 

HET HANDELSBLAD - 4/3/1897

 Boom, 3 meert - De storm die sinds gisteren avond over onze gemeente woedt, heeft het vooral dezen middag, tusschen 1 en 2 ure, deerlijk van den weg gebracht. In alle straten liggen de dakpannen gestrooid, schouwen zijn neergeworpen, daken gansch vernield, zelfs is een huis in de Hospitaalstraat gedeeltelijk ingestort, zinken daken zijn losgerukt en wegge­waaid, in één woord, het is hier eene algemeene vernieling: elk huis heeft zijn aandeel, en glazenmakers, metsers en schaliedekkers vooral, zullen voor eenige dagen bezigheid vinden. In den afgeloopen nacht is ook een schipke in den Rupel gezonken, het werd zoo het schijnt door den wind omgerukt en liep zoo spoedig onder water, dat de bemanning zich maar met veel moeite redden kon.

Zoals verder bleek uit de krant, woedde deze storm over heel het land en richtte o.m. vernie­ling aan in de Kempen en te Antwerpen, Brussel, Oostende, Brugge, Luik, Bergen,... In dezelfde krant staat nog een artikel over Boom onder "sterfgevallen" en is gedateerd als "Boom 3 februari"!?Is dit een drukfout en moet dit 3 maart zijn? In elk geval dit is de tekst ervan:

Sterfgevallen - Het was gisteren een slechte dag voor onze gemeente. Wij hadden een aantal sterfgevallen te bestatigen; waaronder twee schielijke dooden. Een achtbaar beenhouwer, M. De Decker, die zich in de herberg bevond, en zich op het bal fel vermaakte, werd onverwachts onpasselijk en overleed schielijk, zoodat docter en priester te laat kwamen om hulp te bieden. Hij laat eene weduwe zonder kinderen achter.

HET HANDELSBLAD - DINS 16/3/1897

Kiezing voor den Goedemannenraad

Artikel i.v.m. de nakende verkiezingen voor deze raad: o.m. het "geval" Frans Bruers (zoon) schrijnwerker uit Boom. Voor de patroons kwam o.m. op: Lamot - De Pauw, brouwer en steenbakker te Contich, aftredend lid. Te uitvoerig.

HET HANDELSBLAD - Don 18/3/1897

De krant geeft een verslag van de redevoering van Dhr. Van Reeth in de kamer in antwoord op de aantijgingen van (volksvertegenw.-priester) Daens gedaan in de kamer in januari over de steenbakkers van Boom. Van Reeth verdedigt de sociale toestanden, de patroons, de werk-voorwaarden en de werkmanswoningen. Te lang om over te nemen.

HET HANDELSBLAD - Vrij 19/3/1897

Antwoord van Daens aan Van Reeth in de kamer betreffende de Boomse steenbakkerijen. Te uitvoerig.

 HET HANDELSBLAD - 17/3/1897

Koninklijk Besluit - Veeverzekering: Zijn bij K.B. aangenomen onderstaande maatschappijen: "Vrije Veeverzekering van Bouwer gevestigd aldaar "De Vereenigde landbouwers" gevestigd te Duffel "Veeveerzekering der Boerengilde" gev. te Boom (+enkele andere verenigingen uit Oost-Vlaanderen)

HET HANDELSBLAD - 10/3/1897

Landbouwerskrediet - Men weet dat minister De Bruyn de Staatslandbouwkundigen het verleden jaar had voorgehouden, in hunne voordrachten de buitenliê aan te zetten tot het vormen van vakvereenigingen, met het oog op de landbouwkredietkassen. M De Bruyn heeft deze ambtenaars nogmaals tot het verspreiden van dit stelsel aangezet, en den wensch te kennen gegeven, in elke gemeente eene kas van 't stelsel Raiffeissen te zien tot stand komen.

HET HANDELSBLAD - Don 1/4/1897

Brand - Gisteren avond rond 101/2 ure, blaasden de hoornen onzer pompierkorpsen door gansch de gemeente het alarm. De schuur van M J.B. Aerts, hovenier op den Krekelenberg, stond in vlam. Langs alle kanten zag men de pompiers toesnellen en de spuiten van het dorp en van het gehucht Noeveren, kwamen spoedig en bijna te gelijkertijd ter plaatse. Langs achter en voren aangevat, werd het vuur spoedig overmeesterd, en men kon de aanpalende woningen geheel bevrijden. Het was de eerste maal datonze nieuwe pompierskorpsen eenen brand hadden te bestrijden, en zij hebben gisteren bewezen volkomen op de hoogte hunner taak te zijn.

HET HANDELSBLAD - Zat 3/4/1897

Diefstal te Niel - Boom, 3 april - Gedurende de afgeloopen nacht heeft er te Niel, bij den gekenden vlaamschen volksredenaar M d'Hooge-Bellemans, provincieraadslid, een stout­moedige diefstal plaats gehad. De dieven, langs den hof in de keuken gekomen zijnde, hebben het bureel bereikt, waar zij den secretaire openbraken en er eene ronde som geld, alsook eenige acties, uit stolen. De bewoners van het huis hoorden rond halfdrie gerucht. Door het gedruisch, dat zij bij het opstaan maakten, zijn ongetwijfeld de dieven op de vlucht gegaan.

Zie i.v.m. M. d'Hooge-Bellemans ook het artikel in "Het Handelsblad" van Maa. 25/10/1897.

HANDELSBLAD - Dins 11/5/1897 (Het navolgend verslag is slechts tendele overgenomen)

Boom - Vaandelfeest -

"...inhuldiging van het vaandel van de zangmaatschappij "De Vlaamsche Zonen". Dit vaandel behoorde vroeger aan den "Kring der Katholieke Bekwaamheidskiezers", die een der bloeiendste was van gansch het land......Om 2 ure begaf de maatschappij "De Vlaamsche Zonen" voorafgegaan van de harmonie "Jonge Wacht" zich naar de woning van M Jos. Van den Bril, eerevoorzitter,..."

HANDELSBLAD - Dins 18/5/1897

Koninklijk Besluit - Postgebouw - De onteigeningen voor het maken van een postgebouw te Boom, zijn van openbaar nut verklaard.

HANDELSBLAD - Vrij 21/5/1897

Brevetten van uitvinding zijn verleend aan M. Dua, van Antwerpen, voor een nieuw stelsel voor het bouwen van kaaimuren en tunnels, genaamd "stelsel-Dua"; M Verbeek-Sel. van Boom. voor een nieuw stelsel van plaveienen M Vanderlinden, van Hemixem, I° voor nieuwe stelsels van aanwijzer der waterhoogte in stoomketels; 2° nieuw stelsel van kraan 3° nieuw stelsel van zelfwerkende smeerder voor stoommachienen.

HANDELSBLAD - Dins 1/6/1897

Nieuws uit Boom - Bijzondere briefwisseling van het Handelsblad - Boom, 31 mei

Stoomtram Boom-Mechelen-Duffel-Lier.

-Het plan van uitvoering dier lijn en bevattende de afbakening der werken en het plan van perceelen, komt aan de verschillende gemeentebesturen, actionnarissen der lijn, gezonden te worden, om de formaliteiten van het commodo et incommodo onderzoek te ondergaan, voor wat de te doene onteigeningen aangaat.Na deze pleegvormen ondergaan te hebben, zal een koninklijk besluit de te verrichten onteigeningen van openbaar nut verklaren, en zal er tot dezelve in der minne of door het gerecht worden overgegaan. Wij mogen ons dus eerlang aan 't begin der werken verwachten.

Aanbesteding - Op 11 juni aanstaande, ten 11 ure, zal er door het schepencollege worden overgegaan tot de openbare aanbesteding voor het maken van eenen bornput met pomp in de Boschstraat. De inwoners der straat, geheel in het hoogste gedeelte der gemeente, tusschen langs weerszijden uitgebakken gronden gelegen, zaten het grootste gedeelte van het jaar zonder drinkwater en zullen niet weinig met dit werk in hun schik zijn.

HET HANDELSBLAD - Dins 8/6/1897

Landbouw - Landbouwverzekering en maatschappijen van Veekweek.
Het ministerie heeft in de zitting van vrijdag openlijk en uitdrukkelijk verklaard dat alle veeverzekeringsmaatschappijen zullen geholpen worden door toelagen, en dat ze daartoe, zelfs binnen het jaar, bijzondere kredieten zal vragen.

HET HANDELSBLAD - Woe 9/6/1897

Bericht - De gouverneur der provincie maakt bekend dat, ten gevolge van belangrijke verbe­teringswerken, in uitvoering op de provinciale baan van Antwerpen naar Boom (grondgebied van Aertselaer, Schel, Reeth, Boom) het verkeer voor rijtuigen tot op 1 augusti aanstaande, uiterst moeilijk, zooniet onmogelijk zal zijn op het gedeelte dezer baan, begrepen tusschen de Struisbeek en den ijzerenweg te Boom. Het verkeer voor voetgangers en wielrijders zal verzekerd blijven. Het vervoer met rijtuigen tusschen Boom en Antwerpen zal kunnen geschieden langs de baan van het Kiel naar den Rupel.

HET HANDELSBLAD - Vrij 25/6/1897

Nieuws uit Boom en omtrek - Boom 25 juni - Onweer

Gisteren avond, rond 7 ure, is een hevig onweer boven de streek Niel, Schelle, Hemixem losgebroken. Het regende zoo geweldig, dat verscheidene huizen vol water liepen. Tusschen de regenvlagen vielen hagelbollen groot als marbollen, die vele ruiten scheurden. Veel graangewas ligt omver.

HET HANDELSBLAD - Zat 26/6/97 - blz.4 (Notariële Verkopingen)

Drie pachthoeven, labeur- en potaardelanden en bouwgronden onder Boom, Aartselaar, Contich

  1. Boom - pachthoeve tegen de Boschstraat en ter plaatse "Bommenberg" tegen de beek, groot 2 ha, 42 a (koopen 1 t/m 15)
  2. Aertselaer - 3 percelen labeurland, ter plaatse "De Cleystraat" tegen de Beek, in het geheel groot 1 ha 47 a en 50 cta (koopen 16 t/m 18)
  3. Contich - Pachthoeve en labeurlanden, in de Pierstraat, ter plaatse "Den Oever" en Pannebosschen en tegen de Keizershoeksteenweg verscheidene massas uitmakende en in het geheel groot 6 ha, 50 a, 92 cta (koopen 19 t/m 31).

HET HANDELSBLAD Zon 27 en Maa 28/6/1897 - blz. 1 Hevig onweer - Grote Schae - Brand en overstrooming

Een onweer van zeven uur

Te Antwerpen.

Een onweer dat zeven volle uren duurde, heeft gedurende den nacht van zaterdag op zondag, de bewoners van stad en dorp in hunne nachtrust gestoord.....Ten half 11 begon het te regenen, steeds harder en harder, terwijl het steeds heviger bliksemde, steeds verveerlijker donderde...
...Hoeveel huizen en kelders overstroomd zijn is onzeggelijk...
...Zeven volle uren, zegden wij, duurde het onweer; rond 10 ure begonnen, donderde en regende het ten 5 ure 's morgends nog voort.

Op den buiten.

...Overal rond de stad stonden de velden, de wegen, de dorpsstraten onder water... Bedroevend was het om na te zien hoe de bewoners der dorpen langshenen de Nethen rond Lier, Waver, met opgeschorste kleeren, met stokken tastend naar de wegen, zich ter kerke moesten begeven. Hier en daar moesten zij hunne vrouwen over de diepten dragen, wat aan het geheel wel eenigszins een pittoresk voorkomen gaf doch bij verder nadenken toch bedroe­vend mag heeten. Immers, al dat water beteekent: bedorven graanoogst, overstroomde huizen en stallen, verloren aardappeloogst.

De spoorwegdienst werd onderbroken op den tak Contich-West en Reeth. Het water stond zo hoog op de baan, dat het de vuren der locomotieven uitdoofde, en men het rijden der treinen moest opschorsen...

...Nog nooit zeggen de bewoners dier streek heeft men hier zooveel water gezien...

Contich, 27 juni

...Aan het Bautersem-hof staat de steenweg naar de Ooststatie gansch onder water. Een landbouwer uit de buurt heeft het goed gedacht opgevat, een overzetdienst in te richten. Met kar en peerd brengt hij, mits eene kleine schadeloosstelling, het volk van de eene droge plaats naar de andere...

...Op het oogenblik dat deze regels geschreven worden, zondag 5 ure namiddag, woedt er nogmaals een hevig onweer over de gemeente. De regen valt met plassen neder.

Boom, 27 juni

Een droevig nieuws verspreidde zich dezen morgend in de gemeente: de dijk der gemeente­molenbeek was doorgebroken en al de steenfabrieken tusschen de Groote Markt en de statie gelegen, waren onder water geloopen...

...Sinds gisterenavond 9 ure, tot heden morgend 4 ure, woedde een hevig onweder boven onze gemeente en de regen stortte aanhoudend bij beken neer, zoodat dezen morgend, omstreeks 4 ure de molenbeek, die de waters der velden, tusschen Contich en Boom naar den Rupel afleidt, het overtollige water niet meer kon verzetten. In de gemeente, onder den Antwerp­schen Steenweg, loopt gemelde beek door eenen tunnel, die onmogelijk het aanstroomende water doorgang kon verleenen. Weldra stonden de gelagen rechts van den steenweg geheel onder water. De steenhangars, de ovens, de pannenlogiën, enz. stroomden onder, en 't duurde weinig of al de koopwaar welke te droogen stond, doorweekte en stortte gansch in elkander in de watermassa. In eenen omzien bedroeg hier de schaê vele duizenden en waren de steenbak­kerijen van vrouw wed. Cop en van M. Th. Michiels, om zoo te zeggen ganssch ten onder gebracht...

...Omstreeks 41/2 ure brak de dijk der molenbeek door, en al de gelagen, langsheen de Vrij­heidstraat, stroomden onder, tot op eene hoogte van meer dan eene meter. De steengammen, 't is te zeggen de steenen die in lagen op elkander getast staan om te droogen, stortten in het water, de pannenblokken vielen omver, en alles wat gedurende de laatste weken was gemaakt en nog niet gebakken, was in eenen oogwenk vernietigd…

...Een aantal huizen op de fabrieken gelegen, staan tot aan de vensters onder water en de bewoners zijn er in der haast met hetgeen zij konden, moeten vluchten. De doorbraak van den dijk maakt eene opening van minstens tien meters en herstellen viel er niet aan. Het water, thans in de fabrieken staande, zal er bij middel van stoomtuigen moeten uitgepompt worden en honderden werklieden zullen voor geruimen tijd zonder werk zijn.

Schelle, 28 juni

Weinige menschen hebben ooit een zoo hevig onweer gezien als in den nacht van zaterdag op zondag woedde over de streek...
...Op de gelagen is veel steen, die te droogen lag om dan gebakken te worden, onbruikbaar gemaakt door den regen. De bliksem is gevallen op het karkot van Joseph Van Dyck, schepe­ne te Schelle...
...Ik verneem dat de donder insgelijks op de glasblazerij viel. Uit de Wullebeek (Schelle beek) te Niel, zijn met het onweer van zaterdag nacht, drie groote boomen gaan drijven naar den Rupel. Op eene andere plaats is een schol weggespoeld.

HET HANDELSBLAD - Zat.3/7/1897

Redding - Toen de steengelagen onder Boom teenemaal onder water geschoten waren, had er op de steenbakkerij van M. Leo Van den Bril een feit plaats dat dient vermeld te worden. Een kind viel van den dijk in het water en verkeerde in levensgevaar. M Leo Van den Bril dit ziende, aarzelde niet en sprong gansch gekleed in het water en redde het kind bij gevaar van zijn leven.

HET HANDELSBLAD - Woe 14/7/1897

Nieuws uit Boom - Guldensporenslag - De verjaring van den Guldensporenslag werd hier plechtig herdacht door de maatschappij de "Vlaamsche Zonen". Van zondag morgend reeds wapperde aan het lokaal de nationale vlag en gisteren avond waren al de vensters versierd, met transparanten en was de voorgevel prachtig verlicht. In de benedenzaal, niet al te groot, werd met opene vensters een concert van vlaamsche koren uitgevoerd, terwijl honderden toehoorders op de straat voor het lokaal, hadden post gevat.M Lodewijk Smets gaf eene voordracht over onze helden van 1302 en werd herhaaldelijk toegejuicht. Het feest door de "Vlaamsche Zonen" gegeven, genoot kortom veel bijval, en zal die jonge maatschappij met iever en moed vervullen tegen toekomende jaar.

Verleden zondag heeft de nationale vlag ook gansch den dag gewapperd aan het gemeente­huis.

Arbeid en deugd - Deze bloeiende maatschappij van onderlingen bijstand telt tegenwoordig 750 leden en verzekerd daarbij den geneeskundigen dienst voor 500 kinderen. Schoone uitslag, na nauwelijks negen jaren bestaan, en die alle eer doet aan de ieverige bestuursleden. In dezelfde uitgave staat nog vermeld dat het parket "afstapt" te Boom op zoek naar het bewijs van een misdaad: "...op den onbebouwden grond in de Tuyaertstraat, tusschen de middelbare meisjesschool en de woning van M Malfait. Men heeft echter niets gevonden..."
 

 

HET HANDELSBLAD - Maa 19/7/1897

Boom - Democraten - De christen democraten hielden hier heden morgend in het "Zwitsersch koffiehuis" eene meeting, waarop M Daens, volksvertegenwoordiger, het woord voerde. 't Waren de gewone Antwerpsche sprekers die hem vergezelden en een gemengd publiek, nieuwsgierig om pastoor Daens te zien, dat de zaal vulde. Wij bemerkten er liberalen, socia­listen, democraten, katholieken, werklieden, bazen, zoo van alles wat! In den namiddag zijn de democraten naar Niel getrokken, waar er ook meeting werd gehou­den.

HET HANDELSBLAD - Zon/Maa 1 en 2/8/1897

Sport - Cycling - De baankoers van 100 kilometers

Een massa cyclisten en voetgangers bevonden zich gisteren in den Ouden-God, om den strijd van deze koers te volgen. Een lot van 34 rijders vertrokken te 9u48. Onmiddellijk daarna vertrokken 24 touristen.

-Het goede weer heeft gisteren duizenden menschen te been gebracht. Kermis met velo-koers te Wilijk, velo-koers aan den Ouden-God. over Boom en Lier, kermis te Borgerhout, kermis op St. Anneke, waar, volgens de overzetkaartjes 15.500 Sinjoors naartoe zijn geweest... ...talrijk waren die, welke wij gisteren avond met vermoeide beenen naar huis zagen slenteren.

HET HANDELSBLAD - 6/8/1897

Boom - Ter gelegenheid van de kermis zullen er groote velofeesten ingericht worden door den Club Boom-Velo, met geldelijke ondersteuning van het gemeentebestuur; 225 fr. prijzen. De koersen zullen plaats hebben als volgt:

Maandag 16 augusti, ten 4 ure namiddag - Baankoers, uitsluitelijk voor boomsche liefheb­bers, ong. 7 km. Prijzen: 30,25,20,15 en 10 fr..

Zondag 22 augusti, ten 3 ure namiddag - Baankoers op gewonen weg, voor alle liefhebbers. Afstand: 11 kin. Prijzen: 50,35,25,20,15 en 10 fr., of kunststukken van gelijke weerde.

De inschrijving heeft plaats in het lokaal der Club "In de Gulden Poort" bij M. Ch. Verhey­den, Kerkstraat, tot 3 ure.

HET HANDELSBLAD - Zon/Maa 8-9/8/1897

Boom - Kermis - Op zondag a.s. en volgende dagen, wordt hier de groote kermis gevierd. Een aantal aantrekkelijkheden, zullen voorzeker de inwoners der naburige dorpen naar Boom lokken. Wij noemen o.a. een aantal prijskampen voor verschillige spelen: concerten, ringste­ken op rijtuigen, vuurwerk en bijzonder onze groote velokoersen, die reeds drie jaren vervolgens zoo veel volk lokten!(5)

(5)- "reeds drie jaren": dus nu voor de vierde keer, wat betekent dat deze velokoersen voor de eerste keer in 1894 werden georganiseerd. Uit een vroeger kranteartikel (zie "Aankondiger" van 30/6/1895) krijgen wij bevestiging dat zij reeds in juni 1895 bestaan (aanbieden van bloemruiker aan prov. raadslid Jan Van den Bril). In de "Aankondiger" uit oktober 1891 staan al twee (Boomse) advertenties over: "Vélocipédes" te weten Louis Clement, met een werkhuis voor reparatie in het ijzermagazijn te Boom, en Benoit Frateur - Roofthooft, in de Bassinstraat nabij de groote brug van Klein-Willebroeck, met een magazijn van vélo­cipèden "van alle soorten en alle prijzen met één jaar waarborg". Ook deze gelastte zich met herstellingen. Eén der vroegste wielerclubs in de prov. was de "Antwerp Bycicle Club" opgericht in 1882. Ik vermoed dat de "Club Boom-Velo" zal opgericht zijn tussen 1885 en 1893.


 HET HANDELSBLAD - Dins 10 en Woe 11/8/1897 - Blz.1

Opschorsing - Wij hebben gemeld dat de eerw. h. Daens, volksvertegenwoordiger van Aalst, door Z. Hoogw. den bisschop van Gent voor eene maand is opgeschorst, wegens het houden van meetings in de herbergen, te Boom en in het omliggende. Aan de brusselsche bladen, die dit nieuws hebben meegedeeld, heeft de eerw. h. Daens den volgenden brief gezonden:

"Aalst, 9 augusti 1897. - Mijnheer de bestuurder,

Daar mijn Bisschop niet goed gevonden heeft de kerkelijke straf -opschorsing voor eene maand- waarmede Hij mij getroffen heeft, openbaar te maken, zou ik deze brief in stilte gedragen hebben. De openbaarheid welke gij eraan geeft verplicht mij te spreken. Maandag, 25 juli, vernam ik uit het Bisdom, bij aanbevolen brief dat ik voor eene maand was opge­schorst. De brief gaf hoegenaamd geene beweegredenen op. Ik schreef aanstonds om de reden van deze tuchtstraf te kennen.

Men antwoordde mij dat de bisschop mij zou verwachten op woensdag , 4 augusti, om 111/2 ure.

Op het gestelde uur begaf ik mij naar het bisdom en vernam er, uit den mond van Z. Hoogw. dat ik met een maand opschorsing gestraft was om, in strijd met zijn verbod, voor de steen-bakkers van Boom het woord gevoerd te hebben in herbergen. Dergelijk verbod werd mij gedaan, drie jaren geleden, gedurende de kiesstrijd te Aalst. Ik werd alsdan gewaarschuwd dat ik geene meetings meer mocht houden in herbergen, omdat, zoals men aan Mgr. den bisschop schreef het wel gebeurde te spreken in "slecht befaamde" herbergen.

Ik meende dat dit verbod, drie jaren geleden gedaan in de hevigheid van den kiesstrijd, vervallen was, aangezien er in mijn bisdom regelmatig vergaderingen van politieke landbouw- en andere bonden plaats hebben, welke de priesters bijwonen en waar zij spreken als het hun belieft, en deze openbare vergaderingen of meetings zeer dikwijls in herbergen plaats hebben.

Ik ook heb, sedert twee jaren, herhaaldelijk in herbergen gesproken, voor de werkmanspensi­oenen. Ik meende, daarenboven, dat dit verbod beperkt was tot mijn bisdom.
Als voorzitter van het christen syndicaat der brusselsche steenbakkers heb ik regelmatig tot hen gesproken in hun lokaal, belendende aan eene herberg Nooit, gedurende twee jaren, heeft men mij dienaangaande, de minste opmerking gemaakt.

Tot voorzitter gekozen van het syndikaat der steenbakkers van Boom, moest ik wel tot hen spreken en waar kon ik tot hen spreken tenzij in hunne vergaderzalen?

Ziedaar dus, Mijnheer, de reden waarom ik met de opschorsing getroffen ben.

Tot hiertoe heeft mij nog niemand het grondwettelijk recht ontnomen, dat aan elken volksver­tegenwoordiger wordt toegekend door artikel 32 der Belgische Grondwet.

Ik groet u hartelijk, A. Daens, volksvertegenwoordiger."

Het spijt ons, zegt het "Fondsenblad", te moeten opmerken dat deze brief den schijn heeft eener beknibbeling van den maatregel door Z. Hoogw. den bisschop van Gent tegen den eerw. h. Daens genomen - beknibbeling welke het ons niet past te weerleggen, aangezien de maatre­gels der geestelijke overheid noch aan ons oordeel, noch aan dat van het publiek onderwor­pen zijn. Evenzoo heeft de geestelijke overheid, in het geestelijk bestuur der priesters, geene rekening te houden van de rechten welke hun, hetzij als volksvertegenwoordiger, hetzij als burger, door de grondwet worden toegekend.

HET HANDELSBLAD - Zat 14/8/1897

Tentoonstelling te Temsche - Wij raden eenieder aan de tentoonstelling van meer dan honderd schilderijen en bouwkundige tekeningen te bezoeken, welke de kunst- en letterkring "Eendracht" houdt te Temse, in de lokalen "het Hollandsch Hof" en "het Gulden Hoofd" van 29 aug. tot 13 sept.

De tentoongestelde werken zijn allen van leden des krings, o.a. van Frans De Bruyn (Schelle), Hubert Coeck (Niel), Achille Storms (Antw.), Philippe Felicien (Beveren), Leon Van Beirs (Boom),Gustaaf Deckers (Schelle), Jul. Longerstaey (Temsche), Van Eyck (St. Nicolaas), Octave Van Herp (Willebroeck), Louis Janssens en Ernest Lamot (Boom).
Wij twijfelen geen oogenblik of vele personen uit de omliggende gemeenten en steden zullen de tentoonstelling gaan bezichtigen. Een reisje per stoomboot of trein is zoo lief en gemakke­lijk.

HET HANDELSBLAD - Don 2/9/1897

Tentoonstelling van Eendracht (Te Temsche) - ...De voorzitter Lodewijk Scheltjens hield eene schoone redevoering, die op aanvraag van verscheidene aanwezigen, gedrukt zal worden... ...De tentoonstelling van Temsche is een triomf voor den kring "Eendracht". Alle bezoekers drukken er hunne tevredenheid over uit, o.a. Camille Steenackers, provincieraadslid te Schelle.

HET HANDELSBLAD - Zon 29 en Maa 30/8/1897

Nieuws uit Boom - Zondag 29 aug.- Sinds gisteren voormiddag is hier het 2e bataljon karabiniers in schuilkantonnement ingekwartierd....(6)
Buiten het 2e bataljon is ons ook eene compagnie gewapende cyclisten toegekomen uit Brussel. Deze compagnie telt
94 man en staat onder bevel van kapt. Hildebrand. Zij zijn in gewoon kantonnement bij de burgers. Vandaag deden
zij een uitstapje op de velobaan van Antwerpen tot aan den Notelaer. Het grootste gedeelte der cyclisten zijn leergasten die nog maar zeer onlangs hun rijwiel hebben gekregen;
niettemin gaan de bewegingen flinkweg op commando. Naar het schijnt komen dinsdag en woensdag een aantal infanterietroepen naar Boom, doch het gemeentebestuur heeft daarvan, naar men mij verzekert, nog geen officieel bericht ontvangen.

(6)- Dit naar aanleiding van grootscheepse militaire maneuvers toen "krijgsbewegingen" genoemd.

 

Maa 30 Aug.- Défilé op de Meir - Deze morgend had het door ons aangekondigde defilé der troepen van het 2e legerkorps der krijgsbewegingen op de Meir plaats....
...De gewapende cyclisten onder bevel van kapt. Hildebrand, lokten de algemene nieuwsgie­righeid op.

HET HANDELSBLAD - Dins 31/8/1897 - blz.1

Groote krijgsbewegingen - Boom, 30 aug.- ...Dezen morgend zijn onze karabiniers-cyclisten naar Antwerpen vertrokken om deel te nemen aan de groote revue. Zij kwamen ten I uur te Boom terug en betrokken hunne gewone logementen. Morgen reeds zeer vroeg zullen al de karabinierss ons verlaten en rechtstreeks gaan tot Assche, waar zij morgen avond vernachten. Tussen Boom en Niel, ter plaatse genaamd "Hellegat", zal er morgen voormiddag door de genie een brug over de Rupel worden gelegd en het grootste gedeelte der 2e legerafdeeling zal daar de rivier oversteken...

Boom, 31 aug.- ...De ruiterij en de wielrijderscompagnie verzekerde den dienst van verken­ning in de richting van Assche. Generaal Rahier nam rond 10 ure plaats met zijnen staf aan 't gemeentehuis. Kort nadien had het defilé der regimenten plaats, die van Antwerpen kwamen langs den Boomschensteenweg...

...Het gemeentebestuur van Willebroeck werd gisteren avond verwittigd dat het heden avond 4300 man te vernachten zou krijgen. De overtocht der troepen aan het Hellegat, over de pontonbrug, was oprecht schitterend De troepen, die van Antwerpen kwamen langs den St. Bernardschen steenweg, zagen er frisch en opgewekt uit.

HET HANDELSBLAD - Woe 1/9/1897

Nieuws uit Boom - (Boom 31 Aug.) - Begrafenis - Vandaag had te Boom de begrafenis plaats van M. Jules Vermeulen, steenbakker en gewezen liberale schepen onzer gemeente. Tusschen een aantal aanwezigen van aanzien, bemerkten wij M; Lambrechts, gewezen arrondissements­commissaris en M Van Ryswyck, burgemeester van Antwerpen.

HET HANDELSBLAD - Don 23/9/1897

In een (lang) artikel over een stemming in de "Belgische Volksbond" (ongeveer 80.000 leden) i.v.m. met een keuze vóór of tegen een afscheuring tussen de katholieken en de christen-democraten (van pastoor Daens e.a.) blijkt dat 111 stemmen tegen de afscheuring waren, en dat er slechts 2 stemmen vóór de afscheuring waren. Tevens leert dit artikel ons dat de "Kris-ten Volksbond van Boom" over 2 stemmen beschikt, wat betekent dat zij tussen de 500 tot 1000 leden vertegenwoordigden.


HET HANDELSBLAD - Zat 25/9/1897

Sterfgevallen - Dezen morgend overleed te Boom, in den ouderdom van 81 jaren, de geachte dokter De Maeyer, die daar sedert 54 jaren het ambt van geneesheer uitoefent. M. De Maeyer was sedert 1854 lid van het gasthuisbestuur en gemeenteraadslid vanaf 1865 tot 1876. Hij was gedecoreerd met het burgerkruis van le klas en ridder van de Leopoldsorde.


HET HANDELSBLAD - Zon/Maa 24 en 25/10/1897

Boom - Davidsfonds - M D 'Hooghe-Bellemans van Niel, schepen en prov. raadslid, is benoemd tot voorzitter van het Davidsfonds. 't Is een weerdige opvolger van M Jan Hole-mans, thans vrederechter in uwe stad(7) en die het Davidsfonds hier hielp stichten(8) en tot een hooger graad van bloei en vooruitgang wist te brengen. Het bestuur kon, dunkt ons, geenen beteren keus doen. Voortaan zal het Davidsfonds van Boom beurtelings avondfeesten inrich­ten in al de gemeenten van het kanton(9). Dit zal zeker een goed middel van propaganda zijn en die maatregel zal vele nieuwe leden doen aanwinnen.

HET HANDELSBLAD - Woe 27/10/1897

Boom - Tooneelnieuws - De Moniteur deelt voor geheel het land de zalen en maatschappijen mee, die erkend zijn als schouwburgen en regelmatig ingerichte tooneelgroepen. Die van Boom zijn: zalen: "Groot Schippershuis, Rubenszaal, Katholieke Kring en Werkmanshuis". Maatschappijen: "De Vriendenkring, De Dageraad, lever en Volharding, Oefening baart Kunst".

HET HANDELSBLAD - Zon/Maa 5 en 6/12/1897

Nieuws uit Boom - Gemeenteraad - In zitting van gisteren avond heeft de gemeenteraad den zeer eerw. heer Beten, pastoor-deken, benoemd tot bestuurslid van het gasthuis, in vervanging van M dokter De Maeyer, overleden. Het mandaat van M Gustaaf Verelst werd voor eenen termijn van vijf jaren vernieuwd In dezelfde zitting werd M Louis Van Camp, voorzitter van het bureel van weldadigheid, herbenoemd in hoedanigheid van armmeester.

(7)- in uwe stad: dit is de taal van de correspondent uit Boom aan het Handelsblad van Antwerpen: dus Dhr. Holemans blijkt thans tot vrederechter te Antwerpen benoemd te zijn.

(8)- hier hielp stichten: hier is -om dezelfde reden als hierboven- te Boom; hielp stichten:hij is dus blijkbaar een "medestichter" maar nog niet "dé stichter"? In dat geval blijkt J. Holemans volgens de briefschrijver een "hogere" status te hebben en was hij geliefder of intelligenter dan de stichter, want Jan Holemans wist het Davidsfonds tot een hogere graad van bloei en vooruitgang te brengen.

(9) - Wat volgens latere kranteberichten ook effectief gebeurt.

HET HANDELSBLAD - Zat 11/12/1897

Nieuws uit Boom - Gemeenteraad - Gisteren vergaderde onze gemeenteraad en stemde achtereenvolgens de begrootingen voor 1898 voor het gasthuis, het armbestuur en de ge­meente.In de loop der zitting was er spraak over het stelsel van verlichting dat te Boom zal worden toegepast, wanneer het kontrakt met de gaz, dat binnen een viertal jaren ten einde loopt, zal moeten vernieuwd of veranderd worden. Het schepencollege verklaarde zich van nu af aan reeds met die zaak te zullen bezig houden en overal inlichtingen ten zullen inwinnen om onze schoone gemeente bij het begin der 20e E. eene puike verlichting te bezorgen.

HET HANDELSBLAD - Zon/Maa 19 en 20/1897

Nieuws uit Boom - Xaverianen - Vandaag is het feest in ons bloeiend werkmansgenootschap der Xaverianen met zijn 1000 leden. Heden morgend plechtigheid in de kerk en dezen avond feest in den Katholieken Kring. Het schoone drame "Simon Turchi" wordt vandaag opge­voerd voor de vrouwelijke huisgenooten der leden, met Kerstmis voor de leden zelf, en zondag aanstaande voor het publiek

Davidsfonds - In den loop der week hield het Davidsfonds eene bestuursvergadering te Boom, om te samen met afgeveerdigden van het gemeentebestuur, het eeuwfeest te bespreken van Onze Boeren, die op het einde der vorige eeuw, ook hier te Boom, zoo dapper streden voor het behoud van eigen heerd en eigen geloof

Een nieuwe, vergadering is belegd tegen donderdag aanstaande, ten einde alsdan een be­paald komiteit samen te stellen, gelast met het opmaken van een feestprogram en de uitvoe­ring van hetzelve te verzekeren.

Feest - Op 19 januari zal het Davidsfonds een feest inrichten dat om zoo te zeggen zal dienen als voorbereiding tot de groote feestviering van de Boerenkrijg. Dit groote geschiedkundig feit zal er op worden besproken door M. Jan De Block van Puurs.

Bewust eindigen we deze tocht doorheen oude kranten juist honderd jaar geleden, op de vooravond van "de grote feestviering van de Boerenkrijg". Toekomend jaar -in 1998- zal het 200 jaar geleden zijn dat onze priesters en boeren vochten voor "outer en heerd". Honderd jaar geleden werd te Hasselt (o.m. onder impuls van het Davidsfonds) een monument opgericht voor de herdenking van de Boerenkrijg. Onnodig te herhalen dat in de Rupelstreek en in Klein-Brabant een bloedig stuk geschiedenis werd gemaakt tijdens deze opstand. Velerlei initiatieven, die nu reeds gepland zijn, zullen volgend jaar n.a.v. dit tweede millennium doorgang vinden op de meest diverse plaatsen en momenten. Ook de geschiedkundige studiegroep "Ten Boome" zal haar duit in het zakje doen.

 

Het kasteel van Boom-zijn bezitters

Door Emiel Steenackers  

 

Inleiding door Jos Verlinden Penningmeester "Ten Boome"

  In de herdruk van het werk van Kanunnik Emiel STEENACKERS, Boom in het Verleden, die door bemiddeling van onze kring, Ten Boome, is tot stand gekomen, geeft onze secretaris, M. VEREYCKEN, niet enkel de bio-, maar ook de bibliografie van deze verdienstelijke Bomenaar weer. Die lijst van zijn gepubliceerde boeken en artikels, alsook van de manuscripten beslaat bijna acht bladzijden van ons boek. Het manuscript dat we hierna publiceren staat op die lijst niet vermeld, waarschijnlijk omdat het zijn laatste werk is geweest. De schrijver verwijst erin nog naar de afbraak van het huis Klinkamersbeek in de toenmalige Vrijheidstraat voor de werken van de autostrade Brussel - Antwerpen in 1938, jaar waarin hij op de 2de Kerstdag is overleden.

Na de dood van de auteur is zijn laatste manuscript, ongeveer 165 op 215 mm, waarschijnlijk in het bezit gekomen van het vrije bibliotheekwezen van Boom, waar het werd ingebonden onder band met goudopdruk E.STEENACKERS KASTEEL VAN BOOM (BEZITTERS). Een klein steekkaartje in het boek laat vermoeden dat het via "de boekerij van de Bosstraat" (stempel: Parochie: Ste Catharina) terecht kwam in de bibliotheek van Rerum Novarum aan de Groenhofstraat (catalogusnummer:B 26; titel:Kasteel van Boom door Em.steenackers, handschrift).

Bij de vereffening van de bibliotheek moet het in handen gekomen zijn van René BAL, Antwerpschestraat, 192, Boom, zoals blijkt uit een stempel op het schutblad en verscheidene pagina's. Die zou het intensief gebruikt hebben voor het opmaken van zijn Toponymische Kaart van Boom A° 1721. Nadien werd het aan het Museum geschonken - verschillende aantekeningen verwijzen naar Ludo Vandewyngaert, de conservator ervan- om zo terecht te komen in het gemeentelijk archief van Boom.

We zijn zeker dat B.Lamot, de auteur van Hoe Boom groeide, dit handschrift heeft geconsulteerd; een aan hem in 1955 gerichte briefkaart dient als bladwijzer, en hij haalt letterlijke passages uit het handschrift aan zonder het te vermelden (vb. p.125 Joris Boschart bekleedde... ..)

In feite is dit handschrift een verzameling van werknota's over de eigenaars van het voornaamste huis van Boom,zowel vóór als na het ontstaan der heerlijkheid in de 17de eeuw.
In twaalf hoofdstukken beschouwt de schrijver zijn onderwerp in al zijn facetten,zodat herhaling onvermijdelijk is. De geconsulteerde testamenten vat hij niet samen maar kopiëert ze in extenso.
Om het belang voor de geschiedenis van Boom en om een gewetensvol en bekwaam geschiedschrijver te eren, geven we hier de integrale tekst van dit belangrijke manuscript.
De gegevens ervan werden door ons niet op hun juistheid geverifiëerd.

december 1995-januari 1996.
Ten Boome
Joz.Verlinden,penningmeester 

kasteel van Boom


EERSTE DEEL

 

p.1

Het Kasteel van Boom

In de XIII° eeuw,wellicht zelfs op het einde der XII°, was Boom een zelfstandige parochie, voorzien van eigen kerk, toegewijd aan Onze Lieve Vrouw.

Vroeg ook, doch we weten niet wannneer, kwam in het bekoorlijk gelegen oord, op den Rupeloever, op de plaats waar zich het koor der huidige kerk verheft, een kasteel tot stand. Heerlijk was het uitzicht op den breeden en machtigen stroom en op zijn weelderig belommerd dal, en, allenthalve, boden dichte bos-schen de hofgasten verzet en jachtgelegenheid.

De eerste eigenaars van het hof worden nergens opgegeven. Merken wij nochtans aan dat zekere leengoederenn zooals het bosch het Doorlicht, onafgebroken aan den kasteelheer toebe­hooren, en telkenmaal samen met het hof van bezitter verande­ren. Het is dan te vermoeden dat de vroegere bezitters dezer leengoederen, die ons beter bekend zijn, tevens eigenaars zijn van het kasteel.

Wij zetten dan ook de lijst der kasteelheeren met de namen dezer laatsten in.

p.2

van der Heyden

Een vrij gegoede familie, met name van der Heyden, behoort tot de geschiedenis van Boom in de XIV° eeuw. Luidens het Ooorkon­denboek der abdij van Sint Bernaarts aan de Schelde, verkoopt Gillis van der Heyden in 1345 aan de abdij een rente van vier gulden bezet op weiland te Boom gelegen (1).

Toenmaals ook verheft Gillis van der Heyden, zoon van Jan, drie bunder land te Boom gelegen. Jan van der Heyden, overle­den bij den aanvang der XV° eeuw, was in het bezit van het bosch het Doorlicht en van het leen de Hooge Hulst, beide te Boom gelegen. Zijn dochter, Berbele van der Heyden, verkoopt het Doorlicht aan Gillis Sanders: "Gielios Sanders houdt te leene anderhalf bunder bosch geheeten doorlicht dat hy gecocht heeft tegens Berbele van der Heyden filia Jans, gelegen steyl­derbosch aen d'een syde ende sheerenstraete aen d'ander syde." (2)

(1) Obituarium Monasterii Loci Sancti Bernardi, (in potlood bijgeschreven 3 sept.)
(2) Rijksarchief.Spoelberg,Reg.18

p.3

Sanders

De aanzienlijke familie Sanders vestigde zich te Schelle in de tweede helft der XIII° eeuw, verspreidde zich over de streek en speelde een rol in de meeste gebeurtenissen van den tijd.(1)

Gillis Sanders, bezitter van het hof van Vaarlaareike, van het hof van Hemiksem en van het Doorlicht, was een twistzuchtig man. Uit de rekening van den markgraaf van het Land van Rijen vernemen we dat hij in 1410, met eenige gezellen, den schout van Rumst, Jacob van der Deelt, om het leven bracht. Hij huwde Catharina van Santhoven, nam zijn verblijf te Antwerpen en stichtte er een kroostrijk en gegoed gezin. Den 18 Juni 1417 legde hij poorterseed af. Zijn zoon, Cornelis Sanders, bewoonde het kasteel Kleidael en erfde de goederen zijns vaders.
Voor tot nog toe onbekende feiten werd deze Cornelis onthoofd, en zijn verbeurdverklaard bezit door Filip den Goede aan Antonis, bastaard van Brabant, ridder, opgedragen.

(1) de Raadt J.-Th. en Stockmans J.-B.,Geschiedenis der Ge­meente Schelle, bl.72 en vlg.

p.4

Antonis van Brabant

Antonis van Brabant, ridder, kamerheer van den hertog van Bourgondië en Brabant, heer van Hemiksem en van Kruibeek, bewoonde een jachtslot te Hemiksem en nam bedrijvig deel aan het openbaar leven.

Hij overleed te Hemiksem den len November 1498 en werd in de parochiekerk begraven onder een rijk praalgraf, dat bewaard is gebleven. De reden waarom Antonis de bezittingen van den tragisch omgekomen Cornelis Sanders voor hem ontving, blijft geheimzinnig. Antonis verhief den 11 Juni 1459 de heerlijkheid van Vaarlaareike voor het Leenhof van Brabant: "Heer Antho­nys,Bastart van Brabant, XI Juni anno M.CCCC.LIX. by giften hem by mynen genedigen Heere gedaen, ende by doode wylen Cornelis Sandersn houdt die Veulaereyke,enz. (1)

(Schrijver) P.Génard wijst het verbeurdverklaren en het over­dragen der goederen van Cornelis Sanders toe aan Filip van Sint-Pol, hertog van Brabant en Limburg ( ). Doch deze laatste overleed in 1430, toen Gielis Sanders in het bezit dezer goederen was. Waarschijnlijk wordt hier bedoeld Lodewijk van Luxemburg, graaf van Sint-Pol, echtgenoot van Joanna van Bar, vrouw van Rumst (1450-1462).

(1) Zelfde werk,bl.82,noot 3 ( ) Noot 5

p.5

Het Doorlicht geraakte insgelijks in handen van Antonis. Daar het binnen het Land van Rumpst gelegen was, behoorde het , bij verbeurte, aan den heer dezer heerlijkheid. Lodewijk van Luxemburg, graaf van Sint-Pol, (in potlood bijgevoegd: heer v. R.)schonk het leen aan Antonis.
In 1462 verkocht deze laatste het Doorlicht aan Jan de Boc.


p.6

de Boc

Luidens een verder aangehaald citaat, was Jan de Boc inwoner van Antwerpen (1). Hij had een zoon, met naam Michiel de Boc, die priester werd en de Boomsche goederen van zijn vader erfde. Wij vernemen uit een andere bron dat een kapelaan van Onze Lieve Vrouwkerk te Antwerpen, genaamd Michiel de Boc, in 1493, samen met Adriaan de Boc, in deze kerk een kapelrij stichtte ter eere van den heiligen Adrianus (2). Best mogelijk gaat het hier over Michiel de Boc, zoon van Jan. Jan de Boc was in het bezit van het kasteel van Boom. Of hij het hof oprichtte, weten wij niet. Vaste gegevens ontbreken ons daartoe. Trouwens, het Leenboek der XV° eeuw, waarop we steunen, is onvolledig. Later zou zijn zoon Michiel het kasteel verkoopen.

(1) Opvallend is volgend grafschrift in St. Romboutskerk te Mechelen, dagteekenend uit het jaar 1471: "Hier leyt begraven den Edelen Heer Jan de Bock die sterf op den XIIII dach van October an° XIIII°LXXI".

(2) L.Theunissen, Lijst der kapelrijen bestaande ten jare 1619 in de kerk van O.L.Vrouw te Antwerpen in Bijdragen tot de Geschiedenis enz. 1902, bl.305.


p.7

Wij zijn beter ingelicht over andere aanwervingen van Boomsche goederen door Jan de Boc.

Eenigen tijd voor den aankoop van het Doorlicht, op 12 Novem­ber 1458, kocht hij een keurgoed aan bestaande uit huis en hof met (een stuk) land achter het huis gelegen, en daarenboven "meer andere goederen liggende inde prochie van Boome".
Deze aankoop vinden wij aangestipt in een uittreksel uit een keur-boek van 1427.

Het keurboek dat we ,jammer genoeg, niet ontdekt hebben, draagt als opschrift: Originelen Ceurboeck van Rumpst,Boome ende Heyndonc gemaeckt ten jaere 1427 door den heere Gouzy rentmeester inde landen van Rumpst.
Bedoeld uittreksel, n.218 fol.16 berust in het gemeentearchief en luidt als volgt:

[in potlood:A] "Willem Jans van der doot van Heinen Paridaens een core (1) van huse ende hove neven Gilles Possemiers gele­gen ende van eenen stuc lants achter t'huys ende t'hoff gele­gen

"Desen coere draeght nutertyt Michiel de Boc fs Jans ende dat bi coope dat Jan de Booc tvoors. Michiels vader heeft gecocht tvoors. goet jegens Aert Jans fs Willems voors. mitsgaders meer andere goederen liggende inde prochie van Boeme ende ontfinc de voors. Michiel de voors. coere den XII dach van November int jaer XIIII LVIII, present de schoutete ende schepenen van Rumpst, te weten Wouter Possemiers ende Willem vanderstraeten,schoenmaeker(2)".


(1) coer = keur,keurgoed

(2) Spoelberg,Carton 12.

 
p.8

[In potlood:B] In 1462 volgt de boven vermelde aankoop van het Doorlicht, dat verheven werd den 2 April 1462: "Dit voors. leen heeft ontfaen Jan de Boc den hen dach in April anno LXII by coope tegens heer Anthonis van Brabant bastaert, ende dit by giften dat mijn heere de Grave van Simpol (1) gegeven heeft tanderen tyden heer Anthonisseb voors. "Nu,heer Michiel de Boc priester by verstervenisse van synen vader (2)".

(1) Simpol (sic)

(2) R18
 

p.9

[In potlood: C] Den 25 Januari 1463 verheft Jan de Boc zes dagwand land, gelegen te Boom, bij koop verkregen tegen Jef­frouw Margriet Commers:

"Jan de Boc draeght te leene van mynen heere van Rumpst (VI) dachwant lants gelegen te Boome rontomme in tsyne ende metter eender seyde commende aen tsheerenstraete,dwelck hy heeft vercregen tegens Jouff. Margriete Commers den XXV dach in lauwe (1) anno LXIII" - "Nu heer Michiel de Boc prister by verstervenisse (2)".

(1) Lauwe = Januari

(2) Sp 18
 

p.10

[In potlood: D] Jan de Boc koopt andere goederen aan, voortko­mend van Catharina van Immerseeln gravin van Bokhoven, vrouw van Wommelgem, ter Hameiden, Kessel, enz. vrouw van het Laat-hof van Immerseel te Boom, gemalin van Wynand van Rode, heer van Wynandsrode, in het Land van Valkenburg:

"Jouffrouwe Cathelyne van Ymerseele Jansdochter houdt t'eenen vollen leene een stuck lants geheeten de lange schrieck, houdende ontrent vijf vierendeel luttel min of meer, liggende aen mijn sheeren bosch van Rumpst aen d'een seyde ende Gheert Reckemast aen d'ander seyde commende metter eender seyde aen sheeren straete.

"Item noch een stuck lants geheeten Diericxputte, houdende ontrent onderhalf bunder, liggende ommegaens nevens mijns sheeren bosch van Rumpst.

"Item noch twee stucken lants, d'een geheeten d'bergvelt houdende ontrent II bunder, ende d'ander geheeten tcortstraet­ken, liggende beyde d'een nevens d'andere, houdende ontrent een bunder liggende met beyden seyden aen sheere straete.

"Item noch een veldeken houdende ontrent III vierendeel lig­gende neven sheerenstraete aen d'een seyde, ende Jan de Dycke­re in d'ander seyde, commende metten eynde aen Heynrick Scheelkens lant." 


p.11
 

"Tenet Jan de Boc,woondt tot Antwerpen, by coope. "Nu heer Michiel de Boc Janssoone (1)".

Al waren deze goederen over verschillende wijken der gemeente verspreid, doch komt (oorspronkelijk:kwam) alzoo, buiten het hof zelf, een domein tot stand dat er aan kleven zal [oor­spronkelijk:zou] tot aan de stichting der heerlijkheid Boom.

(1) Spoelberg,Reg-18. - In het Meetboek van 1721 komen drie posten voor betrekkelijk het Schriek: Wijk Vlietmanshoek, n.127 "Item een stuck land genaemt het Schriek, comp(eteer)t aen de We De Wachter, groot twee hondert eenendertig roede” 
N.129. Item een stuck land genaemt het Schriek, comp(eteer)t aen Merten Block, groot twee hondert twee en zestig roede. Modo Jan Block met consoorten by erffenisse.
N.128. Item een hofstede genaemt (het Schriek) comp(eteer)t aen Merten Block, groot vier hondert roede. Modo Jan Block met consoorten by erffenisse".


p.12

van Heukelom

Michiel de Boc verkocht zijn Boomsch bezit aan Jan van Heuke­lom. Volgende goederen werden door den nieuwen eigenaar verhe­ven: het leengoed opgegeven onder letter A; het Doorlicht (B), 7 April 1487 (1488?); de zes dagwand (C), 6 April 1487; de voormalige leenen van Catharina van Immerseel (D), 8 April 1488 (1). Jan van Heukelom kwam ook in het bezit van een stuk land, een half bunder groot, geheeten Kalvaerdeken of Kalve­raerdeken. In 1618 werd het verheven door Peter vander Vliet: "Peeter vander Vliet, Gilissone, over Joos de Winne, over heer Gysbrecht van Bronchorst, over mijnheer Geremyne van Bever, over Jan van Hoeckelom, van een half bunder lants, geheeten kalfvaerdeken, den voors. Bronchorst aen twee syden, gelegen aent brantgat, denzelven vander Vliet met zijn leengoet ter derder, Anthonis Selleslach ter vierder syden, belast volgens tvoorg. cheynsboeck, f.71,art ultimo, ende f 72 art.1°, chyns V d. Lovens, pacht 1 1/2 menken evene (2)".

(1) Sp. R 18

(2) Sp. R 12 f 22


p.13

Jan van Heukelom was gehuwd met Catharina van Oosten. Twee hunner kinderen, Michiel en Cornelis, kwamen beurtelings in het bezit der Boomsche goederen van Jan van Heukelom.
In Nederland bestaan toenmaals familiën met name van Heukelom en van Oosten. "Er zijn vier geslachten van dien naam be­kend,schrijft A.Vorstermans van Oyen, namelijk 1° van Heuke­lom, jongere linie van het huis van Arkel; (1)
 

(1) Maria van Immerseel, dochter van Filip (+1551), heer van Immerseel,Wommelgem,enz. borggraaf van Aalst, twaalfde heer van het Laathof van Immerseel te Boom, en van Maria van den Dale, vrouw van Wilderen, was gehuwd, eerste huwelijk, met Otto van Arkel, heer van Heukelom. Het wapen van dit geslacht was volgens J.B.RIETSTAP, Armorial général,  2e uitgave: "van Heukelom-Hollande: d'argent á deux fasces bretessées et contre bretessées de gueules, accompagnées d'un lambel d'azur. Cimier: un vol aux armes de l'écu, sans le lambel, ou une tête et col de cygne d'azur becquée de gueules entre un vol aux armes de l'écu sans lambel, ou une tête de bélier d'argent, couronnée d'or, accornée d'azuré.


p.14

2° van Heukelom gewoonlijk geschreven van Hoeclom, welke hun stamslot niet ver van Arnhem hebben, zijnde een oud adelijk (sic) Geldersch geslacht; 3° het nijmeegsche patricisch ge­slacht van Heukelom; en 4° het geslacht van Heukelom oorspron­kelijk uit Goch (1)".
De familie van Oosten schijnt herkomstig te zijn uit Delft (2).

(1) AA. VORSTERMAN VAN OYEN,Stam en Wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familien,Bd II, Groningen, bl.55. - Zie ook Nederlandsch Patriciaat onder redactie van D.G. van Espen, Bd.IV. - D.G. VAN ESPEN,De Wapenheraut, jaar 1913,'s Gravenha­ge, bl. 345 en vlg. - Wapens: de gueules au cheval passant d'argent. Helmstuk: le cheval de l'écu naissant. Zie ook J.-B. Rietstap, Armorial Général, 2e uitgave: van Heukelom- Gueldre: d'argent à trois pais d'azur au chef du ter, chargé de 7 billettes couchées de gueulesz. Cimier: un vol aux armes de l'écu.

(2) Annuaire généalogique des Pays-Bas,D.I,1874 bl. 185-190. Wapen: Ecartelé, au Ier: d'or á la fleur de néflier de gueu­les; au 2. d'argent au lion de sable armé et lampassé de gueules; au 3e: d'or á 3 fasces de gueles, au chef d'or chargé de 2 fers de moulin de gueules; au 4e: d'argent à trois pais de sable au chef d'argent de 2 roses de sable. - Jan van Oosten werd geboren te Delft omstreeks 1595; zijn zoon Jan ,omstreeks 1560; Geeraart van Oosten,overleed te Delft in 1655; zijn dochter,Margareta, huwde Jan Hensbroeck.
 

p.15

Jan van Heukelom was eigenaar van het kasteel van Boom en komt in deze hoedanigheid voor in de verder aangehaalde verheffing van het hof door Frans Sandelin in 1618. Na het afsterven van Jan van Heukelom verhief zijn zoon Mi­chiel van Heukelom den 3 Februari 1528 de vaderlijke Boomsche goederen "tot behoef van hem, syne broeders ende susters ende van de ghene die van henlieden daerinne gerecht mogen wesen (1)". Cornelis Kinckenborg was bezetman. Michiel van Heukelom overleed in 1534. Den 20 September in dit jaar verhief zijn broer Cornelis van heukelom bedoelde goede­ren: "Den XX° september anno XXXIIII soo heeft Cornelis van Huekelom Janssone ontfaen tvoors. volle leen by der doot Michiel van Huekelom, ende dat in bruederleycken ende suster­leycken rechte (2)".

(1) Spoelberg, Reg.18. (2) Ibid.
 

p.16

Willem Calvaert of Caluwaert

In het jaar 1535 verkochten Catharina van Osten, weduwe van Jan van Heukelom, en dezes erfgenamen het hof en hun Boomsche bezitingen aan Willem Calvaert of Caluaert, koopman in zijden laken.

De nieuwe eigenaar verhief zijn leenen op 30 October 1535, het Doorlicht, de zes dagwand, de goederen voortkomend van Catha­rina van Immerseel enz. Deze laatste verheffing luidt als volgt: "Den xxx° octobris anno XXXV soo heeft Willem vanden Eynde als gemachticht ende procuratie hebbend van Jouffe Cathelyne van Osten, weduwe wijlen Jan van Heukelom, ende eenige erfgenaemen vanden selven Jannen ghenomineert inde selve procuratie, gederft ende opgedraeghen in stadthouders vanden leene handen tot behoef van Willem Calvaert ende syne naecomelinghen tvoors. volle leen dwelck hy heeft ontfaen (1)". In deze vanhet Doorlicht wordt aan den naam Willem Caluwaert dezes beroep toegevoegd "coopman van seyde laken".

Willem Calvaert of Caluwaert was gehuwd met Anna de Bevere.

(1) R.18
 

p.17

recto blanco

op verso: afbeelding van het wapenschild van Caluwaert-de Bevere met volgende tekst:

[als titel] Predikheeren Glasraam [volgt de tekening]

Messire Jean

..ves Calvaert

..lier seigneur de

...rmaten,Hoboken etca

et D........ harine

helm....n.. e..

le......... 664

(Handschrift van Melckebeke).


p.18

De bestaande stamboomen der familie Calvaert gezeid de Sassig­ny beginnen met Willem Calvaert en Anna de Bevere (1).
Luidens de kwartieren op een grafzerk dezer familie in St.-­Janskerk te Mechelen voerde Anna de Bevere volgend wapen: de gueules au chevron d'argent accompagné au canton dextre d'une étoile à six rais du même (2).
Het wapen der familie Calvart (open ruimte) bevond zich in een glasraam in de predikheerenkerk te Mechelen (3). Het stond insgelijks in de glazen der kartuizerkerk te Lier, toen dit gebouw in 1782 werd gesloten (4).

(1) de Herckenrode, Nobilaire des Pays-Bas, bl.438

(2) Grafschriften der Provincie Antwerpen, VIII, bl. 438

(3) aanteekening van den heer van Melckebeke

(4) T.Bergman,Geschied. van Lier, bl. 368,n.1


p.19

In het handboek Erfrenten en chynsen voor de kercke van Boom in 1552 staan Willem Caluwaert volgende cijnzen aangeschreven: "In de hoochstrate "Item Gwilheam Caluwaert van syne huyse ende hove aent kerck­hof 1/2 mottoen  "Item Gwilheam Caluwaert van synen huyse ende hove metten toebehoorten gelegen aent kerchof III sc.br.(1)". Willem Caluwaert sticht in de kerk van Boom een wekelijkse mis, begiftigd met een rente van negen stuiver zes denier en zestien mijten, bezet op zijn huis aan 't kerkhof nabij de kerk gelegen. (2)

(1) Kerkarchief

(2) Rolle


 p.20

de Bevere

Het hof en vermelde goederen werden tien jaar later door Willem Calvart verkocht aan Germanus de Bevere (van Beveren), advokaat, waarschijnlijk verwant met Anna de Bevere,Willem's gemalin.
Germanus de Bevere verhief (verheft) zijn goederen den 29 December 1545 voor het leenhof van Rumpst. Hij verkocht (ver­koopt) in 1549 zijn Boomsche goederen aan Gijsbrecht van Bronckhortst, heer van Schoten (1).

(1) Spoelberg,Reg.18.

NOTA'S

[Tussen folio 10 en 11 werden twee blaadjes ingebonden met de tekst, die we hierna weergeven.]

 

A. [in handschrift:)

 Henri Clerci chapelain des saints Josse et Daniel á Saint-Rombaut, 1512 Elenchus antiquus beneficiorum

B. [In machineschrift:]

van HEUKELOM

J.B. Rietstap. ARMORIAL GENERAL, 2e édit. Van heukelom - Gueldre: d'argent á trois pais d'azur; au chef du Ier, chargé de 7 billettes couchées de gueules. Cimier : un vol aux armes de l'écu.

van Heukelom - Hollande : d'argent á deux fasces bretessées et contre bretessées de gueules, accompagnées d'un lambel d'azur. Cimier: un vol aux armes de l'écu, sans lambel ou une tête et col de cygne d'azur becquée de gueules entre un vol aux armes de l'écu sans lambel ou une tête de bélier d'argentn couronnée d'or, accornée d'azur.

van Heukelom: de gueules au cheval passant d'argent. Cimier: le cheval de l'écu naissant. La généalogie de cette famille se trouve dans:Nederlandsche Patriciaat onder redactie van D.G.van Epen, tome IV. -De Wapenheraut, année 1913, s'Gravenhage, p.345 sqq. (par G.van Epen). -AA. Vorsterman van Oyen. Stam en Wapenboek van Aanrienlijke (sic) Nederlandsche familien,t.II,Groningen, p.55.

On lit dans ce dernier ouvrage: " Er zijn vier geslachten van dien naam bekend namelijk 1°/ van Heukelom, jongere linie van het huis van Arkel (il s'agit de ceux qui portent les fasces bretessées); welke haar naam ontleende aan het kasteel Heuke­lom nabij Gorichem; 2°/ van Heukelom gewoonlijk geschreven van Hoeclum, welke hun stam slot niet ver van Arnhem hebben, zijnde een oud adelijk Geldersch geslacht; 3°/ het nijmeegsche patricisch geslacht van Heukelom; en 4°/ het geslacht van Heukelom oorspronkelijk uit Goch waarvan het geslachtslijst volgt.

  • 'auteur croit qu'elle tire son nom de Heukelom rn Limbourg. Voici le début de sa filiation.
  • Théodore van Heukelom, demeurant á Goch, ép. Marg. Sel­tjens, native de Goch, fille de Pierre, dont:
  • Gaspard ép. Aleyde Schroders, dont:
  • Henri ép. Jenneke Hol "hij ging in 1615 van de Roomsche Catholieken tot de Doopsgezinden....

van OOSTEN

Annuaire généalogique des Pays-Bas, t.I,1874, pp.185-190.

van OOSTEN: Ecartelé, au Ier: d'or à la fleur de néflier de gueules; au 2. d'argent au lion de sable, armé et lampassé de gueules; au 3e: d'or á 3 fasces de gueules, au chef d'or chargé de 2 fers de moulin de gueules; au 4e: d'argent à trois  pals de sable, au chef d'argent chargé de 2 roses de sable.

Voici le début de cette généalogie.

  1. Jean van Oosten, né à Delft vers 1535, eut:
  2. Jean "                      1560, eut:

1/Gérard, qui suit; 2/Herman van Oosten dit Blommesteyn; 3/ et 4/ deux fils aux Indes.

  1. Gérard, né á Delft +1635, ép. Elisabeth van den Berg.

[Tussen folio 13 en 14 volgende bijgevoegde nota:] In 1725 was Jan van Oosten schepen van Boom.

[Tussen p.19 en 20 plakt een briefje met een afbeelding van het boomse schepenzegel uit 1645 met de gedrukte tekst eron­der: LIGNUM HABET SPEM (JOB.XIV,7)]

[De achterzijde draagt de gedrukte tekst: IMPRIMATUR MECHLINI­AE,16 Decembris 1921 J.THYS,can.,lib.cens.]

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.


 

 

 


De Gilden

Door E.H. Sel 1
In de vroegste tijden wanneer de leenheeren bijna onophoudelijk in oorlog waren, maakten de leenmannen geheel hun krijgsmacht uit. Deze waren tot dien dienst verplicht uit kracht aan de hulde, die zij aan hun meester verplicht waren.  

Doch, benevens die gedwongen soldaten, waren er, op veel plaatsen, gildebroeders, die den kruisboog of den handboog, voor wapen droegen, en desnoods, als vrijwilligers, met den heer ten strijde trokken. Buiten oorlogstijd vormden zij een soort van burgerwacht, gelast om de algemeene veiligheid en de rust te bewaren.

Later, op 't einde van de 15de eeuw, toen de vorsten bezoldigde troepen tot hun dienst beginnen te nemen, verloren de schuttersgilden allengskens2 het oorspronkelijk doel, waartoe zij tot stand gekomen waren; maar zij bleven toch met hun verworven voorrechten bestaan, alleenlijk om zich op wip-en doelschietingen te vermaken, en met uitgelegde gelden, op gezette dagen, eens vroolijk te teren.

Zulk een genootschap bestond al vroeg te Rumst: inderdaad, tijdens de 15de en de 16de eeuw, waren de volksfeesten, gekend onder de naam van landjuweelen, op de dorpen in vollen gang: dit waren als zoveel als nationale prijsschietingen, die de gilden van verschillende plaatsen zich onderling gaven. Op zulk een landjuweel, dat te Merchtem, den tweeden sinksendag van het jaar 1549, geopend werd, waren de kampende gilden zoo talrijk, dat de schieting acht dagen duurde.

Nu, de schutters van Rumst behaalden er den eersten prijs, en daar het de gewoonte was dat de overwinnaars de medekampende gilden, tegen het volgend jaar, op een schuttersfeest uitnoodigden, zoo werd er in 1550 een landjuweel gehouden te Rumst, waar ditmaal de hoogste prijs gewonnen werd door de gilde van Meerhout(die prijs bestond doorgaans uit vijf zilveren tellooren).

Dergelijke genootschappen bestonden er ook twee te Boom, namelijk de oude en de jonge gilde. In welk jaar zij beiden tot stand gekomen zijn is tot heden tot nog toe onbekend. Wij zijn bijna zeker dal de charters(of kaarten, gelijk men ze noemde)waarbij de gilden van Boom door de Oppergilde van Leuven, wettig zijn ingericht geworden, nog bestaan, 't is onze schuld niet dat wij die niet konden bekomen

Evenwel mag men met zekerheid zeggen dat de oude bestaan heeft vóór de jonge, dit blijkt immers genoeg uit de benaming van oud en jong.

Overigens is het nog zeker dat zij alle twee, ten jare 1629, reeds bestonden. Inderdaad, de oudste der drie registers toebehoorend tot de oude gilde, en ons door Mr.Frans Rens ter hand gesteld, begint met de jaarrekening van 1629, en aangezien er in dienzelfden register geen gewag gemaakt wordt, noch van de instelling, noch van het reglement der oude gilde, zoo mag men vermoeden dat dit genootschap vóór 1629 bestaan heeft, en dat oude registers het oorspronkelijk reglement en vroegere rekeningen bevattend, verloren geraakt zijn.  

Wat nu de jonge gilde betreft, zij moet insgelijks voor dit tijdstip in wezen geweest zijn, vermits gemelde rekening(1629) spreekt van den ouden handboog en dat men niet noodig had dit bijvoeglijk naamwoord te gebruiken, indien de jonge niet bestaan had. Rekeninghe, bewijs ende religua die midts dezen is doende Gillis Selderslagh als deken geweest hebbende van edelen ouden hantboghe van S.Sebastiaan inde prochie van Onser­Lieve-Vrouwen namloosen Boom ...inden jare sesthienhondert ende neghenentwintich.

Het oudste document dat wij bezitten over de jonge gilde, dagteekent slechts van 1685, en is onderteekend als volgt:

Gilliam Spillemaeckers hooftman;Andries Vandenbril coninck;Adriaen Van Camp deken;Jas­per Vandenberghe alfferus van de jonge gilde;

Peeter Maes,Andries Spillemaeckers,Jan Coeckelbergh,Anthony Somers,Michiel Somers,Gillis Van Put,Gillis Van Reeth,allen gemeyne gillebroeders.    

In de dorpen bestond oudstijds het gebruik den vogel te schieten op een lange speer, die uit den toren of door het dak der kerk uitgestoken was. Dit heette men den papegaai schieten. En 't is wel mogelijk, dat dit gebruik of liever misbruik, hier ook bestaan heeft; want in de rekening van 1629 treft men o.a. deze aantekening aan: betaelt aen Elisabeth Lemmens datter vertert is dat de gilde haeren papegaey geschoeten heeft 10 guld 5 st. noch betaelt aen Geert Van Reeth voer een half thon bier als wij den papegaey schoeten, 4 guld. 2 st. Dit misbruik moest in 1721, op vele parochiën nog bestaan; want dit jaar hebben de landde­kens van het aartsbisdom van Mechelen een smeekschrift aan het hof van Brabant ingediend, ten einde de afschaffing ervan te bekomen, en den 21 oktober 1721 verscheen een decreet van den soevereinen raad, waardoor soortgelijke oefeningen voortaan streng verboden werden. Doch wij haasten ons te zeggen dat, ingeval dergelijke gewoonte ook te Boom zou bestaan hebben, zij daar echter lang vóór 1721 buiten gebruik gevallen is: immers de rekening van 1633 meldt dat in dit jaar een schietplein in voege gekomen is, op zeker stuk land.  

Dit land strekte zich uit van aan de huidige groote markt, tot aan de middelbare school, langs­heen de kerkstraat en de hospitaalstraat van de kerk. Men leest daar: betaelt aan cant te graven op kerckenvelt om te maken schutters hoof, daar voor 3 guld. 10 stuyvers; noch betaalt aan een paar spoeren voer den pastoor omdat hij consent3 droech van schutters hoof op velt te maecken 1 guld. 4 st.

Die plaats, aldus met kanten omzet, heeft langen tijd voor de wipschieting gediend, zonder dat daar ooit een bestendige wip gestaan heeft, want tot in 1686 wordt er jaarlijks een uitgave in rekening gebracht "voer het graeven van den put ende stellen van den boom om den voeghel te schieten. 't Is slechts in 1687 geweest, wanneer het schuttershof overgebracht geworden was naar een oud uitgebakken gelaag, genaamd de Elzen(thans het achterste gedeelte van den hof van Onze-Lieve-Vrouw presentatie), dat een vaste wip tot stand gekomen is, en dit op de gemeene kosten van de oude en jonge gilde.  

1687.-Betaelt aan dekens en de hooftman van de jonge gilde, betaelende voor het stellen ende maecken van de wip, dus hier de helf 25 guld.

1779: Betaelt aan Jan Baptist Pauwels hooftman van de jonge gilde de somme van 39 guldens voor de hellicht4 van de nief wip; item 17 stuivers aen Francis Delaet voor de wip naer de helsen te voeren. (registers der oude gilde)  

Op 12 juni 1685, werd voor den notaris Ceulemans, binnen de vrijheid van Rumst verblijven­de, een act gepasseerd, waardoor zekere Willem Spillemaeckers, die de eigenaar was van de elzen, aan de jonge gilde de eeuwigdurende toelating gaf om het schuttershof aldaar te vestigen, op last van de gildebroeders, na zijn afsterven, jaarlijks een mis van requiem zouden laten zingen voor hem en zijn huisvrouw Anna Hallemans.

In dezen akt werd ook besproken dat de oude gilde dezelfde rechten genieten kon, indien zij zich met de jonge wilde verstaan om gezamenlijk de lasten te dragen. Ongetwijfeld is deze schikking aanvaard geworden, vermits de oude gilde sedert toen tot over vijftig jaar(1823)in de onkosten gekomen is, die voor het maken of onderhouden der wip en voor het zingen van het jaargetijde te doen waren.

Het schuttershof dan, voor de beide gilden , is in de elzen gevestigd geweest sedert 1685 alwaar het is blijven bestaan tot in 1829. Dit jaar werd hun, door de toenmaligen eigenaar, verboden van den vogel daar nog te komen schieten.

De leden der jonge gilde steunden op den akt van 12 juni 1685(zie afbeelding), waarvan zij gedurende honderdveertig jaar, de voorrechten genoten en de lasten ononderbroken volbracht hadden, wilden tegen dit verbod in proces gaan.

Te dien einde gingen eenige van hen naar Mechelen, bij advokaat Verhaghen, om raad; en deze gaf voor advies dat de gildebroeders niet wettig bevoegd waren eenig tegen den eigenaar in te spannen, om reden dat sedert 1796 alle wereldlijke genootschappen afgeschaft waren, en derhalve dat de eischen gedaan in den naam van een societeit, die door den staat zelf vernie­tigd was, in het recht niet konden ontvangbaar verklaard worden.  

Hierdoor zagen ze af van elk verder rechtsgevolg, en voerden hun wip over naar den bleik van Nagels, waar nu de middelbare school gebouwd is. Hier is de wip eenigen tijd blijven bestaan, tot zij eindelijk omtrent veertig jaar geleden(ca 1830), overgebracht is geworden achter het huis van Peeter Jan Hellemans op den Antwerpschen steenweg.

Gelijk de beide gilden hun schuttershof in gemeenschap bezaten, zoo hadden zij ook in de kerk een gemeene kapel, die toegewijd was aan St-Sebastiaan, en waarvan zij te samen het onderhoud bekostigden. Dit blijkt uit de volgende aanteekeningen, welke men in de registers der oude gilde aantreft:

17 augustus 1672 is in de vergaedering van den heere hooftman, keyser, coninck ende dekens en de gemeyne gillebroeders geresolveert dat alle de boete en de incoomgelt sal gereserveert worden tot het opmaecken van den niven outar5 voor St-Sebastiaan.

1681: betaelt aan Dominicus Van Breedam ende Mattijs Dillewijns voor vacasie om te gaan naar Antwerpen om te bezien den outaer.

1682: betaelt aan den schilder die St-Sebastiaan op de schilderij heeft geschilderd, 18 guldens, item voor het brengen van de schilderij 6 stuivers.

1690 (en later): betaelt aen mijnheer pastoor ende coster over de mis van Gilliam Spillemaeckers voor de plaets van de wip, 1 gulden.

1740: betaelt aen Hieronimus Covent voer het maecken van den nieuwen outaer 112 gulden, en voor het schilderen 6 gulden, voer de hellicht.

1753: betaelt aan Jan Baptist Van Onckelen over het leveren van steen ende plavey tot het maecken van den taefel voor den outaer van St-Sebastiaan voor de hellicht 13 1/2 stuivers; item betaelt aan Michiel Frans Parijs over leveringhe van berde6 gedient hebbende tot het maecken van eenen nieuwen trei ofte trap voor den outaer van St-Sebastiaen voor de hellicht 4 gulden 18 stuyvers; item betaelt aan Joseph Van Aken tot het maecken van denzelve trap, voor de hellicht 4 guld. 7 st.

1766: betaelt aen den heer pastoor de hellicht van de nif outeperriom7 van St-Sebastiaens oulhaer 12 gulden enz...

Was er een plechtigheid of een feestje in het dorp, de twee gilden, met de trommel voorop, maakten doorgaans deel van den stoet.

Zoo zien wij hen vanouds de processiën vergezellen; den bisschop, wanneer hij kwam vormen, en den heer van 't hof, bij den aanvang van zijn gebied, tot op de uiterste palen van het dorp te gemoet gaan, om ze te verwelkomen; insgelijks den nieuwgekozen hoofdman met praalwagens en een fraai gemaakt schipken, van uit het huis naar de teerzaal inhalen.

Tot deze processiën waren al de leden van de beide gilden, op zware geldstraf gehouden. De hoofdman en de twee dekens droegen ieder een staf met zilveren top, de koning prijkte met een zilveren breuk8, en met een zilveren vogel, de alferus9 zwaaide een kostbaar vaandel, de gemeene gillebroeders der oude gilde droegen een boog en die der jonge een pijl met bloemen versierd. Het beeld van St-Sebastiaan werd omgedragen door de vier jongste leden.

Op drie verschillende tijdvakken van het jaar werd er twee dagen achtereenvolgens geteerd, te weten den tweeden en den derden sinksendag; den zestienden en zeventienden augustus en op den feestdag der hun beschermheiligen, 20 en 21 januari.

Op deze vergaderingen werd soms een kluchtige kerel ontboden, om door snakerijen en koddige streken de gildebroeders met hun vrouwen 's avonds wat te verzetten; zoo vindt men b.v. in de rekening van 1687: betaelt aan den boffon ofte sot 12 stuyvers. De voornaamste feestdag nochtans voor de gilden, was de jaarlijksche schieting van den koningsvogel, die op den tweeden sinksendag plaats greep. Te dien gelegenheid kwamen al de leden 's morgens op de gildekamer bijeen, en trokken stoetsgewijs, met trommel en vaan naar het schietplein.

 Wie den vogel afschoot, werd als koning voor dit jaar uitgeroepen, en in volle vreugde naar de kerk geleid, alwaar onmiddellijk het lof gezongen werd. Van de kerk ging de stoet naar de zaal, en hier dronk men eens vrolijk op de gezondheid van den nieuwen koning. Als het gebeurde dat dezelfde persoon drie jaar achtereenvolgens den koningsvogel afschoot, dan werd hij als keizer uitgeroepen, en bleef zijn leven lang, met dien eeretitel, vrij van alle gelag. Dit is het geval geweest voor Peeter Lemmens, Jacob De Bruyn, Wouter Verheyden, Peeter Verheyden, Peeter Verhaegen, en Willem Van Onckelen, die den eerenaam van keizer verworven hebben; de eerste in 1659, de tweede in 1697, de derde in 1739, de vierde in 1744, en de laatste in 1792.(in de jaren 1630, 1631, 1632, 1634, 1635 en 1636 zijn alle feestver­gaderingen geschorst geweest, om de pest, die toen hier en in de naburige dorpen schrikkelijk gewoed heeft)

De muziek, welke de gilden op hun kosten in de processiën deden spelen, bestond uit één vedelaar of vioolspeler en één trommelaar. Zoo leest men jaarlijks in de oudste rekeningen: betaelt aan twee spellen eene feyselaer en eenen tamboer voer het spelen in de processie van H. Sacramentsdag en alf oogst 3 gulden.

De gewoonte van zoiets onnoozels in de processiën te hebben was schier algemeen op de buitendorpen. Voegen wij hier nog aan toe dat de alferus zijn vaandel met een zekere behen­digheid links en rechts rondzwaaide, en wij zullen ons een denkbeeld vormen van de eenvou­digheid onzer voorouders.

Maar andere tijden andere zeden; later begonnen soortgelijke vergezellingen als ontstichtend beschouwd te worden, en op 13 juni 1718, op verzoek der geestelijke overheid, verscheen eenbesluit van den soevereinen raad verbiedend voortaen in de processiën te verschijnen met trommels, vendels, fusiecken en andere diergelijcke instrumenten, op pene van 25 gulden amende bij iedereen te misbeuren voor elke controversie.

De gilden bestonden uit één hoofdman die bij meerderheid van stemmen voor zijn leven gekozen werd; uit twee dekens, een ouderdeken en een jongerdeken, die jaarlijks vervangen werden en gelast waren de rekening te maken van hun dienstjaar; uit een alferus of vaandeldra­ger; uit één koning die dit jaar den vogel afgeschoten had, en eindelijk uit een zeker aantal gildebroeders, allen van de bijzonderste ingezetenen.

Alvorens tot lid der gilde aanvaard te worden, moest men den eed van getrouwheid afleggen in handen van den deken op volgende wijze: Ick N. belove ende sweere als guldebroeder van den ouden eedelen hantboghe van S.Sebastiaen binnen de parochie van Boom, de hoofdman, coninck, dekens ende gemeyne guldebroeders van selve gulde altijd te sijn goet ende ghetrouw ende de ordonantie der selve galde als nu ghemaeckt ofte naemaels bij advijse van hoofdman, coninck, ende dekens te maecken, te onderhouden in al haere punten ende clausen ende in alles te doen ghelijck een guldebroeder schuldigh ende gehouden is te doen, soo helpt mij Godt ende alle sijne heylighe.

Het ambt van alferus of vaandeldrager werd onder de gildebroeders, bij verpachting, uitgege­ven, doorgaans voor een som van 80 gulden, ééns te betalen. De alferus met zijn vrouw waren hun leven lang vrij van alle gelag.

In den loop van 1796, vierde jaar der Republiek, werden de gilden, te gelijk met alle ander verouderde instellingen van dien aard, in het land afgeschaft. Doch in 1802 zijn zij te Boom heropgericht; maar thans(1873)hebben zij opgehouden te bestaan. De laatste rekening der oude gilde dagteekent van 1845.

Naamlijst van de personen, die eenig eereambt bekleed hebben in de oude gilde, daar onze voorouders het zich tot een groote eer achtten deel uit te maken van de gilde.(de doop-en familienamen werden hier letterlijk overgeschreven gelijk zij in de registers zijn opgeteekend.)

Naamlijst der hoofdmannen
--------------------------------­---- 

Geeraert Hallemans

1636 tot 1663

George Bosschart

1664 tot 1678

Andries Pirioens

1679 tot 1680

Gillis De Jonghe

1681 tot 1692

Adriaan Vandenvliet

1693 tot 1702

Willem Boschart

1703 tot 1718

Michiel Bosschart

1719 tot 1732

L. De Swert

1733 tot 1743

Lopez De Gradin1744 tot 1750
Carl J. Simon1751 tot 1769
J.E.De Beckers1770 tot 1801
Jan Baptist Sel1802 tot 1819
Pet. J.Spillemaeckers1820 tot 1845

 

naamlijst der alferussen(vaandeldragers)

--------------------------------------------­

Merten Braeckmans

1640

tot

1646

Jan Hallemans

1647

tot

1678

Adriaen Suyens

1679

tot

1716

Simon Verhavert

1717

tot

1733

Guilliam Steenackers

1734

tot

1749

Carolus Deheldt

1750

tot

1759

William de Wachter

1760

tot

1784

Michiel Struyf

1785

tot

1826

Frans De Wachter

1827

tot

1845


naamlijst der dekens met hun dienstjaar

---------------------------------------­

Gillis Seldeslach 1629, Jan Hallemans 1632, Jan Boelpaep 1633, Andries Beeckmans 1636, Jan Somers 1639, Jan Van Denvliet 1640, Jan Pirioens 1641, Jaques Van Denbossche 1642, Geeraedt De Bruyn 1643, Andries Pirioens 1644, Gillis Seldeslach 1645, Jaques De Bruyn 1646, Antony Van Denbogaert 1647, Andries Beeckmans 1649, Peeter De Bruyn 1650, Hendrick Verthommen 1652, Jan Van Denvliet 1653, Peeter Coveliers 1654, Jan Van Onckelen 1657, Adriaen Van Denvliet 1658, Jan Pirioens 1659, Cornelis Boelpaep 1660, Jan Hallemans 1661, Hendrick Verthom­men 1662, Jaques Verheyden 1663, Andries Pirioens 1664, Peeter Franchois 1665, Peeter Lemmens 1666, Peeter Coveliers 1668, Jaques De Bruyn 1669, Daneel Verbrugghen 1670, Adriaen De Bruyn 1671, Gillis De Jonghe 1672, Jan Seldeslach 1675, Gillis Beeckmans 1677, Gilliam Nuyens 1678, Gilliam Dillewyns 1679, Dominicus van Breedam 1680, Jan Coveliers 1681, Ghysbrecht Van Bulck 1682, Peeter Roels 1683, Andries Pirioens 1684, Adriaen Coeckelbergh 1685, Francois Addiers 1686, Gilliam Selleslach 1687, Sillis Klamendt 1689, Michiel De Bruyn 1690, Joos Verha­vert 1691, Jan Boelpap 1692, Mathys Dillewyns 1693, Peeter Crauwaerts 1694, Martinus Verhaegen 1695, Gillis Selleslach 1696, Jan Clement 1697, Adriaen De Bruyn 1698, Augustyn Putte­mans 1699, Franchoys Peeters 1700, Peeter Peeters 1701, Gilli­am Van Nonckelen 1702, Geeraert De Bruyn 1703, Guilliam Van Onckelen 1704, Jacobus Seldeslach 1705, Gilliam Apers 1706, Guilliam Van Denvliet 1707, Jan Van Onckelen 1708, Cornelis koeveliers 1709, Cornelis Huygelen 1710, Gommer Van Bulck 1711, Christoffel Van Zeebroeck 1712, Pelipus Apels 1713, Peeter Miers 1714, Jan Pierions 1715, Andris Beckmans 1716, Jan Boelpaep 1717, Gilliam Roels 1718, Peeter Verreycken 1719,Jacobus Roels 1720, Peeter Scholiers 1721, Jan Verheyden 1722, Gillis Selleslachs 1723, Gilliam Lamot 1724, Peeter De Bruyn 1725, Adriaen Bal 1726, Gillis Clement 1727, Jan Puttemans 1728, Merks Mampaey 1729, Peeter De Bruyn filius Petri 1730, Adriaen Van Denvliet 1731, Michiel Parys 1732, Philupus Apers 1733, Rochus De Wachter 1734, Gillis Costermans 1735, Peeter Verhaegen 1736, Jan Steenackers 1737, Wouter Verheyden 1738, Jan Van Denvliet 1739, Michiel Selleslagh 1740, Jaques van Linden 1741, Gillis De Budt 1742, Gillis Van Bulck 1743, Martinis Van Denbriel 1744, Adriaen Miers 1755, Adriaen De Bruyn 1746, Addrejaen Mampaey 1747, Jan Baptist Van Onckelen 1748, Gilliam Lauwers 1749, Guiliam De Wachter sone Rochi 1752, Gillis Van Derauweraet 1753, Michiel Pierions 1754, Francis De Bruyn 1755, Francus De Bruyn 1756, Guilliam van Onckelen 1757, Anthoon Beeckmans 1758, Peeter Verdonck 1759, Jan De Wachter 1760, Jan De Cuyper 1763, Jan Bal 1764, Peeter Clement 1765, Gilliam Vertonghen 1766, Francus De Laet 1767, Lauwerys De Proft 1768, Jan De Bruyn 1769, Gillis Struyf 1770, Gillis Selleslaghs 1771, Jacobus Van Berendonckx 1772, Jacobus De Wachter 1773, Philippus Bridts 1774, Gilliam Steenackers 1775, Andries Verrrept 1776, Jan Baptist Verheyden 1777, Jan Baptist Cop 1778, Geeraert Mampaey 1780, Bruno Spillemaeckers 1781, Peeter Spillemaeckers 1782, Jacobus Van Hoeck 1783, Peeter Verheyden 1784, Antonis De Wachter 1785, Gielus Kelder­mans 1786, Francois Spillemaeckers 1787, Gilius Assselbergh 1788, P.Lauwers 1789, Frans De Backer 1790, Peeter Joos 1791, Cornelius Kop 1792, Jacobus van Bulck 1793, Cornelius Reyniers 1794, Joannes Pierions 1795, Gillis Van Der Auwera 1796, Adriaen Van Nuffel 1802, Joannes B.Reyniers 1803, Jan Baptista Van onckelen 1804, Franciscus Mampaey 1805, A.Hendrickx 1806, Andries Van Bulck 1807, A.Van Reeth 1808, Michiel Mampaey 1809, Peeter Voorspoels 1810, Guiliam Bal 1811, Jan Roelands 1812, Judocus Forceville 1813, Jacobus Van Onckelen 1814, Peeter Jan Van Denbogaert 1815, Jacobus Van Onckelen 1816, Guilielmus Roels 1817,E.De Wachter 1818, Jan Baptist Maes 1819, J.B.De Wachter 1820, Cornelis Stenakkers 1821, Jan Baptista Janssens 1822, Joannis Baetens 1823, Francus Briedts 1824, Peeter Struyf 1825, Jan Baptist Selleslaghs 1826, Fran­ciscus De Pooter 1827, Peeter Vertommen 1829, Peeter Ceuppers 1833, Petrus Vinck 1841.



1) Sel. "Proeve van Historische Mengelingen over `t Land van Rumst en in het bijzonder over de Heerlijkheid van Boom". Leuven, 1873. Blz. 147 en volgenden.

2) langzamerhand

3) stemde toe

4) hellicht = helft

5) outar = altaar

6) hout of planken

7) wimpel of vaan van een kostbare stof

8) een om de hals gedragen ketting met, meestal zilveren, platen, ook wel brook genaamd.

9) vaandeldrager


 

Victor De Meyere

Voordracht door Prof Dr. S. Top K.U.Leuven

Verwelkoming door Karin Blommaert Bestuurslid Ten Boome 

Goedenavond, dames en heren.

Ik ben blij u vanavond te mogen verwelkomen op de voordrachtavond van Ten Boome, die zal handelen over Victor De Meyere. Daarnaast ben ik ook erg trots u vanavond één van mijn Leuvense professoren te mogen voorstellen: Prof Dr. Stefaan Top.  

In de licenties Moderne Geschiedenis kregen wij de kans via enkele keuzevakken nader kennis te maken met aangrenzende onderzoeksterreinen en deelaspecten van de "Grote Geschiede­nis". Ik moet u bekennen dat het vak "Volkskunde" van prof Top heel wat geïnteresseerden had. Wat daarvan de oorzaak was, hebben we niet wetenschappelijk onderzocht, maar het feit dat er veldwerk aan te pas kwam, leek velen wel aan te spreken ! Ikzelf ging hier in Boom op zoek naar echtparen die hun 50-jarig jubileum gevierd hadden, om zo de specifieke volksge­bruiken hieromtrent te ontdekken.

 Maar dit even ter zijde. Prof Dr. Top werd geboren in het West-Vlaamse Langemark in 1941. Na zijn Grieks-Latijnse humaniora studeerde hij Germaanse Filologie aan de Leuvense univer­siteit. In 1974 doctoreerde hij met een proefschrift over de Bende van Bakelandt. Naast zijn onderwijsopdracht als hoofddocent aan de K.U.Leuven, verricht Prof Top onderzoek op het terrein van het volkslied, het volksverhaal, de feestcultuur, zeden en gebruiken en de volksge­neeskunde. Dat Prof Top in de volkskunde een eminent figuur is, mag blijken uit zijn drukke activiteiten als voorzitter en redacteur van verschillende verenigingen en tijdschriften. Zo is hij voorzitter van de Kommission fur Volksdichtung van de Société Internationale d'Ethnologie et de Folklore, van de stuurgroep Volkskunde van Belgisch - en Nederlands Limburg, van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen vzw en co-voorzitter van de Werkgroep Volkscul­tuur van het Algemeen Nederlands Verbond. Hij is hoofdredacteur van het tijdschrift Volks­kunde, redacteur van het tijdschrift De Brabantse Folklore en Geschiedenis en van het jaarboek Ethnologia Flandrica, hij is eveneens eindredacteur van de volkskundige almanak, `t Beertje. Prof Dr. Top is tevens lid van het Dagelijks Bestuur van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde.

Ten Boome heeft Prof Dr. Top vanavond uitgenodigd om ons wat meer te komen vertellen over de Vlaamse schrijver en volkskundige Victor De Meyere, die op 13 april 1873 in Boom werd geboren en in 1938 overleed te Antwerpen. Voor het vervolg van dit levensverhaal geef ik graag het woord aan de professor.


Victor De Meyere (1873-1938): literator en volkskundige 

Lezing door prof. Dr. Stefaan Top 

Inleiding

Victor De Meyere is een bijzonder boeiende figuur, omdat hij op twee verschillende terreinen van
de humane wetenschappen zeer bedrijvig is geweest en niet onbelangrijke sporen heeft achtergelaten.

Dit overzicht van zijn werk is niet exhaustief bedoeld; we willen alleen enkele interessante accenten leggen op zijn wijd vertakte bezigheden als creatieve kunstenaar en vooral als gedreven volkskundige.

Enkele biografische gegevens

Op 13 april 1873 zag Victor De Meyere in Boom het levenslicht als derde kind van het gezin Honoré Frans De Meyere, geboren Gentenaar en politiecommissaris in Boom, en Maria Louisa Verhaegen, geboren in Wuustwezel. Naar verluidt, kende moeder De Meyere heel veel oude liederen en verhaaltjes, zodat het geenszins verwondert dat de zoon daardoor gefascineerd werd en later aan die orale overleveringen bijzondere aandacht zou besteden.

Na zijn schooltijd in Boom gaat de jonge De Meyere naar het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, waar hij de "begeesterende" Pol De Mont als leraar ontmoet. Victor voltooit zijn middelbare studies niet, maar legt met succes examen af van kandidaat-deurwaarder. Hij komt zo terecht op de griffie van het Antwerpse gerechtshof De jonge De Meyere blijft echter contact zoeken met het rebelse en onconformistische kunstenaarsmilieu in de metropool, zodat al vlug blijkt dat voor hem geen carrière is weggelegd in gerechtelijke kringen. Dank zij een tip van Emmanuel De Bom wordt hij vanaf 1900 bediende op het stadhuis. Als stadsambtenaar brengt hij het tot bureeloverste van de stedelijke gezondheidsdienst. In 1936 gaat hij met pensioen. Twee jaar later sterft hij onverwacht aan een hartkwaal op 27 december 1938 in zijn woning, Lange Lozanastraat 148 te Antwerpen. Zijn moeder (mondelinge overleveringen), Pol De Mont (literatuur en volkskunde) en Emmanuel De Bom (stadsdienst) zijn de drie personages die niet alleen zijn leven maar ook zijn levenswerk in hoge mate hebben bepaald.

Victor De Meyere als literator

Pol De Mont brengt de geïnteresseerde en begaafde jonge De Meyere in contact met de binnen- en buitenlandse poëzie en stimuleert hem tot dichten. Als twintigjarige debuteert De Meyere in het tweede nummer van de eerste jaargang (1893) van het gerenommeerde en toonaangevende literaire tijdschrift Van Nu en Straks. In 1894 publiceert hij zijn eerste dichtbundel Verzen. Er volgen nog bundels in 1903 (Avondgaarde) en 1904 (Het Dorp). DeMeyeres poëzie wordt evenwel niet zeer gewaardeerd. Bovendien wordt hij beschuldigd van plagiaat, zodat de dichter in hem roemloos tenondergaat en vanaf 1904 zwijgt. Deze teleurgang houdt misschien ook verband met de mislukking van zijn eerste huwelijk in het begin van 1900 (in 1895 had hij 1. Thijs uit Willebroek getrouwd).

Na de publicatie van een romantisch drama in verzen (1899) vindt De Meyere echt zijn literaire draai wanneer hij novellen begint te schrijven (vanaf 1904) en hij enkele jaren later met streekromans zoals De Roode Schavak (1909), Nonkel Daan (1922) en vooral De Beemdvliegen (1930) de literaire wereld verbaast.

Het is hier niet de bedoeling alle literaire werken de revue te laten passeren, wel de hoofdkarakteristieken ervan te belichten. Dat Victor De Meyere nooit zijn geboortestreek heeft vergeten, blijkt vooral uit zijn proza, waarin het krioelt van allusies op het Rupelgebied. Herkenbare plaatsnamen (Boom, Niel, Ruisbroek, Wintam) en populaire figuren bevolken zijn verhalen, die ook alle bol staan van allerlei gegevens uit het dagelijks leven. De volkscultuur in al haar facetten scoort zeer hoog bij de prozaïst De Meyere, die herhaaldelijk aandacht besteedt aan uitingen van volksdevotie, volks- en bijgeloof, volksgeneeskunde, volksgebruiken rond de levenscyclus, enzovoort. Deze hechte en ondubbelzinnige verbondenheid met volk en land heeft wellicht een te grote impact gehad op zijn creativiteit, zodat zijn verhalen meer uitmunten door hun documentaire waarde dan door hun literaire kwaliteiten. Hoe dan ook valt het op dat Victor De Meyere een doorgewinterd volkskundige is met literaire aspiraties, die geen heil ziet in "L'art pour l'art". Integendeel, zijn literaire werk wil hij bewust en met opzet een sociale en maatschappelijke dimensie geven.

Naast het zuiver literaire werk als poëet, dramaturg en prozaïst heeft V. De Meyere ook zijn medewerking verleend aan andere literaire projecten zoals Prudens Van Duyse, Gedichten, verzameld en ingeleid door Victor De Meyere (Aalst-Bussum 1907, 2 vol.) en Ecrevisse, De Bokkenrijders in het Land van Valkenberg. Ingeleid door Victor De Meyere (Antwerpen 1910).

Victor De Meyere als volkskundige

Het ziet ernaar uit dat V. De Meyere vanaf 1900 de weg naar de volkskunde definitief heeft gevonden. Op dat moment waren in Antwerpen enkele Franstaligen al jaren zeer actief bezig met het verzamelen van interessante objecten uit de materiële volkscultuur. Twee onder hen waren de Franstalige dichter-advocaat Max Elskamp en de advocaat Edmond De Bruyn, die samen met Emile Van Heurck, Laurent Fierens, Paul Buschmann sr., Pol De Mont en anderen behoorden tot de vriendenkring "Conservatoire de la Tradition Populaire" ook wel "Vereniging tot bewaring der Vlaamsche volksoverleveringen" genoemd.

Deze vereniging had in 1903 haar medewerking verleend aan een succesvolle volkskundige tentoonstelling georganiseerd in het Brusselse justitiepaleis. Het was hun doel deze verzameling van volkskundige voorwerpen permanent tentoon te stellen in Antwerpen. De stadsambtenaar De Meyere slaagt erin de stad, in het bijzonder Burgemeester Jan Van Rijswijck en Schepen voor Schone Kunsten Frans Van Kuyck, over de streep te trekken, zodat op 18 augustus 1907 tijdens de Gemeentefeesten, het "Museum voor Folklore" in de Heilige Geeststraat voor het publiek toegankelijk wordt gesteld. Meteen is dit het oudste volkskundig museum in Vlaanderen. Edmond De Bruyn (verzamelaar van het eerste uur en collega van Max Elskamp) werd de eerste conservator en Victor De Meyere adjunct­secretaris (Georges Serigiers was eerste secretaris). Pas op 7 augustus 1933 wordt V. De Meyere benoemd tot conservator van het Antwerps volkskundemuseum.

Terwijl De Meyere nog zeer actief is als literator - zijn eerste novellenbundel Uit mijn Land verschijnt in 1904 en zijn laatste tevens bekendste roman De Beemdvliegen in 1930 - verdiept hij zich in de studie van de volkscultuur. Een eerste belangrijk resultaat daarvan is zijn boek De Volkswoning en hare versiering. Folkloristische studie, die verschijnt in 1912 als veertiende jaarboek van De Scalden in Antwerpen.

In de inleiding breekt De Meyere een lans voor de "folklore" als "de wetenschap die ons inlicht over het weten van een volk" (blz. 9). Hij gaat heftig tekeer tegen de dilettanten -hij bedoelt hier de verzamelaars - die eigenlijk niet weten en beseffen waarmee ze bezig zijn en zowel groen als dor materiaal bijeenbrengen. Welnu hun activiteiten schaden de "folklore", die niets te maken heeft met "factoren van hoogere beschaving" maar met "het nederig-levende, primitief-denkende volk, het volk dat nog van weinige individualiteiten doordrongen is, het volk waarin het Volksdom zich het best weerspiegelt" (blz. 9), Duidelijk geïnspireerd door de sociologie, met name zijn professor Guillaume De Greef, deelt De Meyere de "folklore" in in zeven grote onderverdelingen: liefde en familieleven, bestaan, schoonheidszin, geloof, wetenschappen, rechtsleven en bestuur, maatschap­pelijk leven (blz. 11-14). Deze opdeling is voor die tijd weliswaar nieuw, maar beslist ook vatbaar voor ernstige discussie. In het kader van een artikel over "De Vlaamsche Folklore" in het Jaarboek van de Vlaamsche Toeristenbond 1927 heeft V. De Meyere deze indeling herhaald (blz. 205-207).

De eigenlijke studie - het boek is in feite eerder een accurate beschrijving van wat de auteur in en rond een volkse woning observeert - bevat drie naar kwantiteit ongelijke delen: de huiskamer (blz. 15-61), de slaapkamer (blz. 63-67) en de tuin (blz. 69-75). Deze indeling biedt De Meyere de kans te schrijven over onder meer meubilair, keramiek, diverse soorten prentkunst, gereedschap, planten en bloemen en hun volksgeneeskundige en andere kwaliteiten. Deze hoe dan ook interessante publicatie is een soort descriptieve en af en toe interpreterende in­ventaris van allerlei voorwerpen die zich toen in het Antwerpse "Museum voor Folklore" bevinden en die men, zo suggereert de auteur, in (elke) volkswoning in Vlaanderen weer kan vinden. We betwijfelen of dit wel zo is, want "volkswoningen" waren toen zeker ook heel verschillend ingericht, tenminste als men rekening houdt met de geografische setting en de sociale status van de bewoners, hun beroepsleven, de samenstelling van het gezin en andere relevante factoren. Van deze mogelijke differentiëring is helaas geen spoor te bespeuren...

Al is kritiek op de aanpak van het boek en of de definiëring van de "folklore" door de auteur gegrond, toch moet erkend worden dat Victor De Meyere met deze publicatie totaal nieuwe paden in de Vlaamse volkscultuur bewandelt. Dit werk, hoe onvolkomen ook, is een eerste aanzet en

beslist innoverend, want het verruimt het volkskundig perspectief gevoelig. Het is immers de eerste keer dat in Vlaanderen volle aandacht wordt besteed aan diverse facetten van de materiële cultuur uit het dagelijks leven. Tevens levert V. DeMeyere met dit boek het bewijs dat hij de collectie van het Antwerpse "Museum voor Folklore" door en door kent en dat hij de geïnteresseerden op het belang van dit verzamelde materiaal wil wijzen. Vermoedelijk wil hij de verzamelaars ook betrouwbaar leesvoer aanreiken, opdat ze voortaan met wat meer kennis van zaken hun hobby zouden kunnen bedrijven.

In 1920 treedt V. DeMeyere toe tot de redactie van het tijdschrift Volkskunde, waaraan hij reeds sedert 1912 geregeld meewerkt: een huldebijdrage over Alfons De Cock naar aanleiding van het verschijnen van diens Natuurverklarende sprookjes ( zie Volkskunde 23(1912) 47-55); in samenwerking met Leo Verkein publiceert V. De Meyere over "Volkshumor en volksgeest" en "Vlaamsche moppen' (Volkskunde 23 (1912) 127-141; 24 (1913) 61-66, 119-123, 25 (1914) 172­176, 187-192); een artikel over "Het Foklore-Museum te Antwerpen' (Volkskunde 25 (1914) (66­81) en een boekrecensie (Volkskunde 24 (1913) 40). Met redacteur Alfons De Cock lijkt V. DeMeyere goed op te kunnen schieten, want in de jaargang 1912 van Volkskunde complimenteren ze elkaar (cfr. supra en blz. 165-166: lovende bespreking van De Meyeres Volkswoning door A. DeCock). Vanaf De afleveringen 4 -5 -6 van de jaargang 34 (1929) voert V. DeMeyere de redactie en het beheer van Volkskunde. Niet te verwonderen dat dit tijdschrift voor hem een uitzonderlijk platform is om de eerste resultaten van zijn wetenschappelijk werk uitvoerig mee te delen. Vanaf jaargang 41 (1937) deelt hij, helaas voor een zeer korte tijd, de redactie met professor Jan de Vries uit Leiden.

Een totaal nieuw geluid brengt V. De Meyere met zijn verrassende vierdelige sprookjes­verzameling De Vlaamsche vertelselschat, die van 1925 tot 1933 in boekvorm verschijnt bij De Sikkel in Antwerpen. Voordien waren de meeste van deze teksten gepubliceerd in Volkskunde 27 (1922) - 38 (1933) en in een zestal afzonderlijke boekdeeltjes (1926-1927). In de inleiding tot deze 489 sprookjes, die alle subgenres vertegenwoordigen (namelijk dieren-, novelle- en wondersprookjes, verklarende en legendarische sprookjes, grappige vertelsels, verhalen over de gefopte duivel, overgangsvormen sage-sprookje), bericht de auteur over de genese van deze merkwaardige verzameling: hij heeft vroeger verhalen gekregen van seminaristen­vrienden van Pol De Mont en Albrecht Rodenbach; vertellers hebben hem sommige verhalen bezorgd, en zelf is V. De Meyere actief gaan optekenen. De belangstelling voor het volksverhaal is er gekomen door kennis te maken met de verzamelingen van het duo Pol De Mont-Alfons De Cock. Aandacht voor de verteller en zijn vertelstijl heet De Meyere ontdekt bij het lezen van werken van de gewaardeerde Franse volkskundige Paul Sébillot, een monument in de geschiedenis van de "ethnologie Francaise", vooral van de Bretoense volkscultuur. De Vlaamse vertelselschat van Victor De Meyere heeft nationaal en internationaal een voorbeeldfunctie en dit om volgende redenen. Vooreerst toont V. De Meyere veel belangstelling voor de verteller en de manier waarop hij/zij met het verhaalgoed omgaat.

Vandaar vermeldt hij geregeld de sekse, het beroep en de leeftijd van zijn informanten, wat in die tijd vrij uitzonderlijk is. In elke bundel zijn vele bladzijden wetenschappelijke aantekeningen voorzien. Zij bevatten verwijzingen naar Vlaamse en internationale varianten, die De Meyere kent dank zij de publicaties van Antti Aarne, Bolte-Polivka en vooral van Maurits De Meyer, die in 1921 voor het eerst het Vlaamse sprookjesmateriaal volgens de internationale criteria heeft gerepertorieerd: het betreft Les contes populairen de la Flandre. Aperçu général de l'étude du conte populaire en Flandre et catalogue de toutes les variantes flamandes de contes populaires d'après le catalogue des contes types par A. Aarne (FFC N:o 3), Helsinki 1921 (FF Communications N:o 37). Iedereen is het dan ook eens om te stellen dat De Vlaamsche vertelselschat de beste sprookjesverzameling is die in ons land tot stand is gekomen en dit zowel omwille van de uitzonderlijke inhoud als omwille van de wetenschappelijke kwaliteiten.

Als zijn sprookjesproject afgewerkt is, keert V. De Meyere terug naar zijn eerste liefde, namelijk de materiële volkscultuur. In 1934 publiceert hij zijn opus magnum Vlaamsche volkskunst. Meubelen, plateelwerk en porselein, ijzer-, koper- en tinwerk, glaswerk, vlechtwerk, schilderkunst, snij-, boetseer- en beeldhouwwerk, volksprenten, godsdienstige huisversieringen, knipwerk, huiselijke werken, juweelen, snuisterijen (Antwerpen, De Sikkel, 332 blz., ill.). De ondertitel maakt duidelijk dat de auteur zijn onderzoeksdomein zeer ruim opvat en dat hij als het ware een deel van het Antwerpse volkskundemuseum de revue laat passeren in dertien hoofdstukken. Dit boek is rijkelijk geïllustreerd en bevat honderden buitentekstillustraties, waarvan vijf met de hand gekleurde volksprenten (originele houtsneden). Het is dus zonder meer een bibliofiele uitgave, die vandaag de dag wegens de hoge drukkosten onbetaalbaar is geworden. Merken we op dat de inhoud van dit werk ook vroeger reeds verschenen was in Volkskunde 26 (1920-21) - 3 5 (1930) en dat er eveneens in 1934 een Franstalige editie onder de titel L 'art populaire flamand op de markt is gebracht (Antwerpen, Brussel).

Merkwaardig eens te meer is de inleiding (blz. 9-25), waarin wij V. De Meyere als wetenschapper beter leren kennen en vooral zijn ideeën over de volkskunst, die volgens hem veel te lang als een assepoester werd beschouwd. Figuren als de Provençaal Frédéric Mistral en de Frans-schrijvende dichter Max Elskamp hebben de waarde van de volkskunst al vroeg onderkend en liggen aan de basis van belangrijke museale projecten in Arles en Antwerpen. Ondertussen is de internationale belangstelling voor de volkskunst toegenomen. De Meyere verwijst hierbij naar de gunstige invloed van de Volkerenbond, die o.m. een paar internationale congressen over volkskunst mogelijk heeft gemaakt (Praag 1928; Antwerpen-Luik-Brussel 1930). Het valt op, aldus De Meyere, dat de term volkskunst nogal vaak verschillend wordt geïnterpreteerd en gewaardeerd, vooral als het gaat om de eigentijdse volkskunst en haar revival. Het blijkt dat tussen wetenschappers en ambtenaren op internationaal en nationaal niveau grote verwarring rond het begrip volkskunst heerst, en daarvan geeft De Meyere een paar markante voorbeelden (blz. 12­16).

Zelfs in eigen land circuleren tegenstrijdige meningen: Albert Marinus vs. De Meyere (blz. 16­18), ook al omdat sommigen (Marinus) spreken van Belgische, en anderen (De Meyere) van Vlaamse of Waalse volkskunst (blz. 18). Hoewel delicaat en moeilijk waagt De Meyere zich toch aan een definitie op bladzijde 19. Verder treedt hij Max Elskamps visie bij dat volkskunst steeds in verband te brengen is met esthetisch gevoel (blz. 20), wat o.m. door Duitse vaklui ontkend wordt. Ook weidt de auteur nog uit over het ontstaan en de ontwikkeling van het fenomeen volkskunst, die hij in verband brengt met de primitieve mens (blz. 21-23). Tenslotte vermeldt hij nog een paar typische kenmerken van bepaalde Vlaamse volkskunstuitingen, die hij graag beperkt zag binnen de contouren van de plastische kunsten. Maar ook daarover blijkt er geen consensus te bestaan (blz. 24-25)...Door de veelheid en heterogeniteit van de behandelde materie - dertien totaal verschillende onderwerpen komen aan bod - kan de auteur niet in detail treden of het thema grondig uitwerken.


Het komt er dus op neer dat V. De Meyere een soort algemene inleiding tot de Vlaamse volkskunst heeft geschreven, waarbij hij de lezer uitnodigt en aanspoort tot verdere observatie en onderzoek. Op zich is dit werk dus niet af, maar het biedt wel een stevig overzicht van de rijkdom van de Vlaamse volkskunst, die hier voor de eerste maal in haar volle glorie wordt gepresenteerd. In 1938 verschijnt bij dezelfde uitgever Inleiding tot de Vlaamsche volkskunst. De titel misleidt, want dit werk is noch nieuw noch een aanvulling. Het is qua tekst een gereduceerde versie (51 blz.) van de eerste uitgave, voorzien van de honderden illustraties, die ook reeds in 1934 afgedrukt waren. Ook de inleiding is duchtig ingekort en bevat geen nieuwe elementen. Volledigheidshalve vermelden we nog een publicatie in boekvorm met volkskundige inhoud, namelijk Het Boek der Rabauwen en Naaktridders. Bijdragen tot de studie van het volksleven der 16e en 17e eeuwen. Het ontstond in samenwerking van V. DeMeyere met Lode Baekelmans en werd in 1914 in Antwerpen uitgegeven.

In feite bestaat dit boek uit verschillende oude teksten, door het duo De Meyere - Baekelmans opnieuw onder de aandacht gebracht. Het eerste is Der Fielen, Rabauwen, oft der S'chalcken Vocabulaer, gedrukt te Antwerpen bij "Jan de Laet in die Rape" in het jaar 1563. In een woord vooraf delen de auteurs mee dat er van dit werkje maar twee exemplaren bekend zijn: het ene bevindt zich in de bibliotheek van het "Folklore-Muzeum" van Antwerpen, het andere wordt bewaard in de bibliotheek van " `s Rijks Hoogeschool van Gent". Het werk zelf bevat vier delen: een woordenlijst, "der schalcken vocabulaer", een soort geheimtaal, die de bedelaars en andere marginalen bezigen (blz. 9-15); voorbeelden van bedrog (blz. 17-49); verhalen die over bedelaars en ander onguur volk worden verteld (blz. 50-57); raadgevingen om zich te beschermen tegen deze bedriegers (blz. 58-70). Kluchtige Calliope, uylbeldende, den Aert, Eyghenschappen, ende manieren der Arme Bedelaeren, bestaende in verscheyde manieren van eyschen, Antwerpen "by Jacob van Ghelen op d'Eyer-marckt/ in den Voghel-Heyn", Anno 1651, vormt het tweede stuk, telt 47 bladzijden met illustraties en is "vooral belangrijk om den handel en wandel van het bedelaarsgild hier te Antwerpen na te gaan in het midden der zeventiende eeuw" (blz. 81 van het "Naschrift"). Een derde luik wordt ingenomen door Liederen van fielten, rabauwen en schamele liefde-gezellen (zonder vermelding van uitgever en jaartal; 42 blz.). Dat deel telt negentien liedteksten o.m. over bedelaars, feestvierders en liedzangers. Over de herkomst van deze liederen berichten de auteurs op bladzijde 82 van het "Naschrift", dat verder nog heel wat achtergrondinformatie en taalkundige toelichting levert met betrekking tot de heruitgegeven teksten.

Niet in boekvorm uitgegeven, maar wel in Volkskunde gepubliceerd is zijn geïllustreerde bijdrage over "De Tooverij in Vlaanderen" (Volkskunde 34 (1929) 87-128). Hij heeft het hier over het profiel van de heksen en de tovenaars, over bezweringsformules, anti-tovermiddelen en kaartlegsters. De auteur vermeldt op blz. 108-109 de lijst van voorwerpen die bij heksenmeesters werden gekocht en in het Antwerps museum voor volkskunde bewaard worden.

Omdat V. De Meyere in Oostduinkerke een villa bezat, nl. "De Fuchsia", verbleef hij geregeld aan de kust. Als doorgewinterd volkskundige heeft hij daar ook opzoekingen gedaan. De resultaten van dit enquêtewerk heeft hij gepubliceerd in verscheidene afleveringen van Volkskunde 40 (1935­36) - 42 (1938) onder de titel "De folklore van de Vlaamsche kust". Eens te meer blijkt hieruit dat De Meyere een bijzondere aandacht heeft voor het irrationele denken en handelen van ijslandvaarders en kustbewoners, die geloven in voortekens, maritieme spoken, hekserij en witte magie van pastoor Lootens.

Waardering van de literator-volkskundige Victor De Meyere

 - Victor De Meyere werd voorzitter van de sectie Volkskunde van het derde Vlaams Filologencongres (1920), het eerste na de oorlog 1914-18. Het was toen ook de eerste keer dat er een zelfstandige sectie Volkskunde was.

- De sectie Volkskunde van het 20ste Vlaams Filologencongres te Antwerpen (7-9 april 1953) stond in het teken van de herdenking van Victor De Meyere en Maurits Sabbe.

 -Met zijn Vlaamsche Volkskunst (1934) heeft V. DeMeyere in 1937 de provinciale prijs voor monografie gewonnen (Antwerpen).

 - Sinds 1925 was V. De Meyere lid van het Provinciaal Comiteit voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen (Antwerpen).

 In 1929 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren te Leiden. In 1937 werd V. De Meyere lid van de Nationale Commissie voor Folklore. Hij was tevens lid van de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen.

 - Het gemeentebestuur van Boom heeft op 5 januari 1941 in samenwerking met het kunstgezelschap RUGO en de plaatselijke Academie voor Schone Kunsten een grote Victor De Meyere-herdenking op touw gezet in de feestzaal van de gemeentelijke jongensschool aan de Hospitaalstraat. Er was een tentoonstelling gewijd aan het literair en volkskundig werk van de gevierde. Lode Baekelmans heeft een lezing gehouden en Gaby Struyf heeft gedichten van V. De Meyere voorgedragen. Er was ook een getekend portret van De Meyere te bezichtigen, gemaakt door Georges Vercruysse. Op die dag heeft burgemeester Frans Holders plechtig meegedeeld dat er in Boom een Victor De Meyere-straat zou komen (zie Het Laatste Nieuws ? januari en De Dag ?januari 1941),

 - In 1944 heeft Jozef Van Overstraeten een VTB-brochure gemaakt rond het Victor De Meyere­wandelpad.

 - Op zondag 26 juni 1955 vond op voorstel van Maurits Van Coppenolle in Oostduinkerke een officiële huldiging Victor De Meyere plaats. Bij die gelegenheid was er een academische zitting, werden twee reuzen Ko en Liza gedoopt (een geschenk van mevrouw De Meyere) en werd de Victor De Meyere-laan ingehuldigd. Om dit feestelijk gebeuren te vereeuwigen heeft de Brugse kunstschilder en volkskundige Guillaume Michiels een speciaal gelegenheidsvaantje ontworpen. Enkele exemplaren heeft mevrouw De Meyere zelf ingekleurd.

 - Op 13 april 1973 vond op het kerkhof in Boom een Victor De Meyere-herdenking plaats (zie Het Laatste Nieuws en Gazet van Antwerpen van 16 april, La libre Belgique van 24 mei 1973).

- Van 19 tot en met 21 mei 1973 heeft het gemeentebestuur en de Cultuurraad van Boom in de zaal "Germinal" een dubbele tentoonstelling georganiseerd: het was honderd jaar geleden dat V. De Meyere in Boom was geboren; de Boomse kunstenaars werden eveneens in het daglicht gezet (zie Volksgazet van 17 mei en Gazet van Antwerpen van 21 mei 1973).*

Ondertussen heeft het KADOC in Leuven in 1996 vrij onverwacht de nalatenschap van V. De Meyere verworven. Ons is de opdracht toevertrouwd om dit archief, bestaande uit correspondentie, verslagen, manuscripten van artikels en boeken die al dan niet gepubliceerd zijn, documentatie enz. te repertoriëren. We hopen met dit puzzelwerk in 1998 klaar te zijn, zodat de zestigste verjaardag van Victor De Meyeres overlijden waardig herdacht kan worden. Deze opmerkelijke figuur verdient dat dubbel en dik!

 Lijst van geraadpleegde bijdragen en werken:

Bijnens, B., `Victor De Meyere in Oostduinkerke', in Bachten de Kupe 23 (1981) 55-56
 

De Keyser, P., `Victor De Meyere (Boom, 13 April 1873 - Antwerpen, 27 December 193 8)', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1950-1951, Leiden 1952, 157-162 (dit in memoriam behelst een onvolledige bibliografie en een lijst van vertaalde werken)

De Meyer, M., `In Memoriam Victor De Meyere 1873-1938', in Volkskunde 43 (1940-41) 52-55, foto Foncke, R., `Toespraak gehouden op de Victor De Meyere-hulde te Oostduinkerke, op zondag 26 juni 1957', in Jaarboek Nationale Commissie voor Folklore 8 (1955) 6-18

Francus, M., Victor De Meyere als Dichter-Romancier, Boom 1948

Giraldo, W., `De Victor De Meyere-hulde te Oostduinkerke', in `t Beertje 1956, 42-49, ill.,
zie ook idem in Volkskunde 56 (1955) 117-118

Marivoet, M. -L., Victor De Meyere. Literaire evolutie, Leuven, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1972

Peeters, K. C., `Bij het eeuwfeest van Victor De Meyere', in Volkskunde 74 (1973) 106­109

Roelin, J., Victor De Meyere als folklorist, Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1945

Top, S `Onverwachte en verrassende aanwinst. Hert fonds Victor De Meyere', in KADOC Nieuwsbrief 1995-1996: 5 (juli), 6-7, foto van der Linden, R., `Meyere, Victor de, letterkundige en volkskundige', in Nationaal

Biografisch Woordenboek, deel 11. Brussel 1985, kol. 493-496 Verkein, L., `Hoe Victor De Meyere tot de folklore kwam en zijn intrede deed in Volkskunde', in Volkskunde 50 (1949) 34-37

BIBLIOGRAFIE VICTOR DE MEYERE

Verzen (1894)

Gunlaug en Helga (1899)
De avondgaarde (1904)
Het dorp (1904)
Uit mijn land (1904)

Un romancier flamand: Cyriel Buysse (1904) Langs den stroom (1906) De giertij (z.j.)

De roode schavak (z.j.)

De volkswoning en hare versiering (1912)

Het boek der rabauwen en naaktridders (1914; m. l. Baekelmans)

De gekke hoeve (1919)

Nonkel Daan (1922)
De razernij (1922)

De beemdvliegen (1930)

De Vlaamsche volkskunst (1934) Vlaamsche vertelschat (4 dln. 1925-1934)

BIOGRAFIE

 M. de Meyer. In memoriam (Volkskunde 1940, p.52-55).

Foncke, R. E de Meyere (Jaarboek Nationale Commissie voor Folklore 1955, p.6-18).

 BEZIT IN DE VLAAMSE BIBLIOTHEKEN'

  1) Gemeentelijke Openbare Bibliotheek van Boom

 Langs den stroom (oude spelling)

De Vlaamsche volkskunst (1934) + de heruitgave: Inleiding tot de Vlaamsche Volkskunst (1938)
Vlaamse Volksprenten. Antwerpen, Volkskunde, 1937. (met een geschreven opdracht van de schrijver)

Labber-de-zwie. Amsterdam, P.N. Van Kampen & zoon; Antwerpen, Standaard uitg., 1978. (inhoud: Labber-de-zwie. De Molen. De Vlaamse legende van Maria de Bedrukte.­Nonkel Daan als koster)

 2) Elders in de openbare bibliotheek

 De roode schavak

Hoofdstedelijke Openbare Bibliotheek Brussel Centrale Openbare  Bibliotheek Hasselt

Gedichten van Prudens van Duyse: 2: uit de nagelaten gedichten door Prudens van Duyse, samengesteld door Victor De Meyere. Aalst: De Seyn-Verhoutstraete, (s. d.) Centrale Openbare Bibliotheek Hasselt Centrale Openbare Bibliotheek Gent

De wereld volgens het sprookje: een interpretatie van de ruimtelijke elementen in sprookjes
opgetekend door Victor De meyere / door Sabine Fransen en Victor De Meyere. 1995. In: Volkskunde. Jrg. 96(1995), nr.1, p.20-47. Centrale Openbare Bibliotheek Brugge.

Met dank aan de heer Fl. Franssen, hoofdbibliothecaris van de Gemeentelijke Openbare Bibliotheek van Boom.

Het Victor De Meyere-Pad

Inleiding door Joz. Verlinden Ten Boome    

Victor De Meyere
Victor De Meyere (foto: FAB)

Het mooie plein, vlak voor de Provinciale Technische School, waaraan slechts na de Tweede Wereldoorlog huizen werden gebouwd, herinnert ons aan één van de grootste telgen uit BOOM, Victor de Meyere.

Ter gelegenheid van een viering te BOOM van die dorpsgenoot, die schrijver en volkskundige was, heeft in het jaar 1944 de Vlaamsche Toeristenbond van toen een Victor de Meyere­wandelpad geopend, dat van Antwerpen over Boom naar Mechelen liep. Uit de inleiding van de brochure, die het wandelpad beschrijft, vernemen we dat de samensteller, de heer Jozef van Overstraeten, de medewerking heeft verkregen van verschillende personen uit onze gemeente. Worden aldus vernoemd: de Z.E.H van Heertum, pastoor-stichter van de parochie het H.Hart, ingenieur Demey, bestuurder der Provinciale Technische School. Hij bedankt ook het bestuur van de Molens Rypens te Boom. Een speciale vermelding krijgen E.H. Benoit Lamot en de heren Constant Gillié en Gaston Moorkens, resp. leraar en letterkundige.  

Het wandelpad, waarvan we hierna de beschrijving geven zoals ze door J. van Overstraeten werd gepubliceerd, kan natuurlijk niet meer in zijn oorspronkelijke staat gevolgd worden. Er is intussen zoveel aan het wegennet veranderd.
En wie gaat er nu nog te voet van Antwerpen over Boom naar Mechelen?

Toch leek het ons interessant genoeg om de beschrijving ervan te laten afdrukken in het jaarboek van Ten Boome.

We geven enkel de tekst, die handelt over het tracé Antwerpen-Boom-Mechelen. De terugtocht (p.22-31) wordt ook beschreven. Maar dit laatste is slechts het eerste verhaal van achter naar voren.

De nummers in de tekst verwijzen naar de Nadere beschrijving van gemeenten en merkwaardigheden op het Victor de Meyerepad (p.32-82).

Als Bibliografie over Victor de Meyere geeft J. van Overstraeten de volgende werkjes op (p.84):

 Emile van Heurck. - L'oeuvre des folkloristyes anversois (1914).

August Vermeylen. - Over leuzen en Victor de Meyere. In "Vlaanderen",April 1907, en in "Beschouwingen, Een nieuwe reeks verzamelde opstellen,",1939. Lode Zielens. - Victor de Meyere. In "De Stad", 13.1.1933.

Emmanuel De Bom. - "In Memoriam". In de "Nieuwe Rotterdamsche Courant", 30.12.1938. Karel Peeters. - Victor de Meyere. In "De Morgenpost" 7.1.1939.

Maurits de Meyer. - In het jaarboek 1939 der Nationale Commissie voor Folklore en in "Nieuw Vlaanderen",7.1.1939.

 V.T.B.-WANDELGIDSEN bezorgd door Jozef van Overstraeten Victor de Meyerepad.

Te voet van ANTWERPEN (Wilrijk) over Boom naar MECHELEN 1944 VLAAMSCHE TOERISTENBOND, Antwerpen.

(p. 11)

Wegbeschrijving van het Victor de Meyerepad

 ANTWERPEN-BOOM-MECHELEN

Vertrekpunt Tram 5 (Groenplaats) of 17 (Centraal station) brengen ons van uit het centrum van Antwerpen op ongeveer een half uur aan het station van Wilrijk. We stappen af aan de voorlaatste halte (Heistraat), nemen links de Heistraat en bereiken, voorbij den bewaakten spooroverweg, 2 à 300 meter verder, de Bist van Wilrijk, waar ons wandelpad begint (1).

Afstanden :

 

Wilrijk (Bist) - Aartselaar (kerk)

7,5 Km

Aartselaar (kerk) - Boom (station)

6,­

Boom (station) - Terhagen

5,­

Terhagen - Rumst (Nete)

4,5

Rumst (Nete) - Walem-brug

2,5

Walem-brug -Kasteel Emmaüs

4,­

Kasteel Emmaüs - Mechelen (Groote Markt)

5,5

 

Totaal           35,- Km

 

 Van Wilrijk tot Aartselaar.

Op de Bist, het bronzen standbeeld van pater Constant de Deken (2). In het midden van het met platanen beplante plein, een niet-onaardige arduinen pomp. Aan de zuidzijde, het gemeentehuis.

Linksaf de Sint-Bavostraat in. Vooraan rechts in deze straat en gedeeltelijk uitgevend op de Bist, het domein leperman (4). De overzijde der straat wordt ingenomen door kleine burgerhuizen schijnbaar zonder orde neergezet, wat schilderachtig aandoet.

(p.12)

Aan een kromming van dezen verkeersweg krijgt men de Sint-Baafskerk in 't oog (3). Aan deze kerk gaan wij rechtsaf het park van Wilrijk, het vroegere domein Steytelinck in (5), dat door een dreef, de Kerkelei, van het domein leperman gescheiden is.

Aan den achterkant van het park (dus aan de zijde, gericht naar fort 6 der Antwerpsche vesting), in den rechterhoek, is een uitgang. Daar het laantje volgen, dat ons brengt recht tegenover het fort, waar de weg links en rechts om het fort heenbuigt en daarachter weersamenkomt. Wij nemen links en volgen aldus de Kerkeveldstraat tot aan den Edegemschensteenweg (straatnaamborden in 't oog houden), dien we rechts inslaan. We houden aldus steeds fort 6 aan onze rechterhand tot waar de Edegemschesteenweg (ons pad) zich naar links van het fort afwendt (aan het straatnaambord "Fort VI straat"). (*) Bijna onmiddellijk daarna voert onze Edegemschesteenweg (die niet geplaveid is) over de Kleine Struisbeek. Links eenige woningen met daarachter nogal belangrijke serren en hovenierderijen; rechts weiden en velden. Knoestige wilgen (13) in het landschap. Van deze boomsoort zullen we vele exemplaren langs ons pad te zien krijgen.

Aan den kasseiweg, die ons pad kruist, ter plaatse waar twee bomen en een houten electriciteitspaal als wachters in driehoek opgesteld staan, stappen we links, in de richting van het spoor Antwerpen-Zuid - Mechelen. Den weg langs het spoor naar het viaduct volgen, doch dit niet oversteken, maar rechtuit afdalen naar den weg, die, rechts, verder slingert door de velden. Aan het viaduct, links gezicht op de torens van Edegem (op welks grondgebied we ons hier bevinden) en nog meer links de schouw der Gevaertfabrieken (met reservoirkraag) te Mortsel.

(*) Schuinlinks, achter ons, in de verte de grijze gevels van het groot modern Sint­-Augustinusgasthuis.

   

(p. 13)

In het voorbijgaan bemerken wij nu rechts de ong. 80 jaar oude hofstede Groeningen en nog verder rechts een andere schilderachtige hoeve. Nog verder langs de Edegemsche beek, die wij oversteken, de hoeve Vuile Plas. Weldra stappen we een mooie eikendreef in, die ons voert naar den steenweg Kontich-Hemiksem. Links gezicht op Kontich (op welks grondgebied we ons hier bevinden) en rechts vóór ons het domein met kasteel Groeningenhof (6). Steenweg oversteken; dreef in langs het voornoemd kasteel en over de Mandoersche beek, die den vijver van het kasteel voedt. (Deze beek wordt verderop Grote Struisbeek genoemd, vloeit langs het kasteel Kleidal te Aartselaar en mondt onder den naam van Vliet in de Schelde uit). In de nabijheid rechts, zij-ingang van het domein, met puik uitzicht op het kasteel. Verder rechtuit; nu rechts de eerste (eiken)dreef in. Zodoende hebben wij steeds het Groeningenhof aan onze rechterhand en kunnen wij het bezien van uit verschillende hoeken. Aan het einde dezer dreef links afslaan (canadapopulieren), en dan den tweeden weg rechts nemen om, nauwelijks honderd meter verder, aan een hoekhuis (woning), weer linksaf te draaien. Dezen veldweg volgen tot aan de eerste dreef rechts (beuken), die wij nu ingaan. Wij hebben nu het domein en kasteel Solhof (7) aan onze linkerhand. Rechts hoeve de Roode Maar. De dreef ten einde, linksaf voorbij den hoofdgevel van het kasteel en nu steeds rechtuit (-deze weg heet Baron van Ertbornstraat-) tot op het Laar, de dorpsplaats van Aartselaar (8). Aan het einde der Baron van Ertbornstraat, een weinig achterin rechts, het oude Wolfaartshof, thans pastorij (8).

Te Aartselaar elektrische tram 53 naar Reet en Rumst en, op den Boomschensteenweg (ong. 1 Km van het Laar), de el. buurttrams van uit Antwerpen naar Boom (lijn 50 door­

(p.14)

streept), Rumst (lijn 50) en Mechelen (lijn 52). In vredestijd, autobussen Antwerpen-Boom.

Van Aartselaar tot Boom.

We verlaten het Laar achter het koor der kerk, waar we de Kapellestraat (steenweg naar Reet) inslaan. Een 500 m. verder, rechts, de O.L.Vrouwkapel (9). Weldra passeren we de kleine gecementeerde Sint-Leonarduskapel (10), aan de splitsing der steenwegen naar Schelle en Reet. Linksaf, steeds de tramlijn volgen. Links de mooie houten molen van Aartselaar (11). Voorbij de oude herberg "De bonte Koe" (aan onze rechterhand) verlaten we steenweg en tramlijn en nemen , naast het huis nr 57, rechts een veldweg, die ons over een onbewaakten overweg brengt.

(Wie de tramlijn blijft volgen, bereikt 500 m. verder het station van Reet (12) op de spoorlijn Antwerpen-Kontich-Boom-Dendermonde).

Voorbij den onbewaakten overweg rechtuit langs de schuur van een hoeve. Aan het uiteinde dezer schuur rechtsaf en dan maar steeds rechtuit, ook aan de huizen nrs 43 en 41. Hier eenige meter voorbij, schuinlinks, want de weg met de wilgen (13) leidt rechtsaf naar den spoorweg terug. Voorbij een hoeve (links) en een nieuwe bakstenen woning (links) genummerd 47. Nog rechtuit en vast langs de haag van een volgende hoeve gaan. Aan den hoek van dit eigendom rechtsaf Het pad buigt een 100 m. verder linksaf Vele bomen in het landschap, uitsluitend kanadapopulieren(14).

Ons pad geeft uit op een brede asscheweg, die we links opstappen. Een 200 m. verder hebben we links het complex der slecht gerestaureerde Predicheerenhoeven. Hier rechtsaf beekje volgen, langs een pyloon der elektrische hoogspanningsgeleiding. We komen uit op den stillen steenweg Reet-Niel, dien we cruisen om langs den noorderingang het gemeentepark van Boom (15) in te gaan.

 (p.15)

In het park dadelijk het rechterbruggetje overstappen en dan linksaf steeds maar de beek en de vijvers volgen.

Eindelijk bereiken we de hekpoort van het park. Hier vlakbij, rechts, een kleine tunnel. Hier kan men even, onder het spoor Antwerpen-Boom door, een blik werpen in de moderne kerk van het H.Hart (17), Daarna keere men op zijn stappen terug.

We gaan linksaf over het bruggetje tot buiten het park. Links eindigt een beukenlaan. In de verte watertoren. Nu rechtsaf, voorbij de Provinciale Technische school (16). Even vóór den monumentalen ingang van den Franschen tuin aan onze rechterhand hebben we links de Victor de Meyerestraat (in aanbouw). We stappen verder door tot aan den overweg. Hier tramhalte der el. buurtspoorlijnen van Antwerpen naar Boom (lijn 50 doorstreept), Rumst (lijn 50) en Mechelen (lijn 52).

Nu volgen we een eind de Antwerpschestraat - in nummer 108 werd de Meyere geboren - en daarna de Frans de Schutterlaan (nieuwe breede rijks- en autosnelweg Brussel-Antwerpen) tot op de brug (18), waar we een prachtig uitzicht hebben op de Rupel (19): oostwaarts zien we de oude brug (20), die Boom verbindt met Klein-Willebroek en, in de verte, tot Terhagen toe, de indrukwekkende reeks rookende schoorsteenen der steenbakkerijen; westwaarts ontwaren we de spoorwegbrug, scheepstimmerwerven en fabrieken tot Niel toe; aan de overzijde, frischgroene weiden en beemden.

Keeren we een 50 meter terug en dalen we de trap af Door de Vrijheidsstraat bereiken we dan dadelijk de Grote Markt met de kerk (21). Autobussen naar Niel-Schelle-Hemixem­Schoonselhof en naar Willebroek-Mechelen. Te Boom (22) spoorverbinding naar Antwerpen (over Schelle of over Kontich-dorp), naar Dendermonde over Puurs en naar Mechelen over Willebroek.  

(p 16)

 Van Boom tot Rumst.

 We verlaten de Grote Markt van Boom naast de kerk, door de Groenehofstraat. Nu rechts, naast het huis nr 27, aardeweg inslaan; deze brengt ons aan de Rupelkade en de zeehaven. Linksaf de kade volgen in de richting van de oude brug. Aan onze linkerhand, brouwerij Lamot, standbeeld der gesneuvelden 1914-1918 en bloemmolens Rypens (23). Vlak bij de brug linksaf (20), langs de gebouwen van den molen. Aan den steenweg naar de brug, schuinrechts, aan het huis nr 21, de Bassinstraat (geen straatnaambord) in. Deze straat daalt lichtjes, voert over een kil (smalle brug enkel voor voetgangers en fietsers) en leidt langs de fabriek Fémont & Verhoeven (baggerwerk en kranenbouw) aan onze linkerhand en scheepstimmerwerven aan onze rechterhand.

Hier komt de wandelaar in de wijk, genaamd Vlietmanshoek. Hij zal zooveel mogelijk den loop van het water volgen, daar er op sommige plaatsen van een weg heelemaal niets te zien zal zijn. Tevens dient de aandacht er op gevestigd dat men hier midden in de fabrieksbedrijvigheid kuiert; dus opgelet voor treintjes, wagonnetjes, paarden enz.

Allereerst komt men langs de ovens, schoorsteenen en droogloodsen van de "Compagnie Industrielle du Rupel" (24).Let tijdens de wandeling ook op de lage, vaak ongezonde arbeiderskrotten, die kriskras tusschen de fabrieken verspreid liggen. Bij den schoorsteen, gemerkt met de letters C.I.R., rechtsaf tot bij de Rupel. Gezicht op Klein-Willebroek (25) met sashuis. Daarna keert men terug tot den weg. Eens voorbij de gebouwen der firma De Roeck, smallen steenweg volgen. Daar waar de weg linksaf zwenkt rechts afslaan, zandweg nemen langs kleine kil. Verder langs de steenbakkerijen Van Herck. Het kan gebeuren dat de opslagplaatsen bij den waterkant hier vol steen staan.

 (p.17)

Dan doet de wandelaar best af en toe tot bij de rivier te gaan om een mooi uitzicht op de streek te hebben.

De zandweg zwenkt linksaf achter een twee meter hoogen muur. In de verte, tamelijk in de hoogte, de gemeentescholen van het gehucht Hoek. Wederom rechtsaf, langs oud tot woonhuis ingericht scheepje met den veelzeggenden naam "Red u zelf'. Langs enkele huisjes in de richting van het water, tot voorbij een paar muurtjes 70 cm hoog. Linksaf, langs de steenbakkerij Verbist en Verstrepen en enkele oude tamelijk grote woonhuizen. Hier even tot bij het water. Prachtig uitzicht op de Rupel en den Heindonkschen dijk. In de verte, links, het kasteel van Heindonk. Merk hier vooral het kontrast tusschen linker- en rechteroever.

Zandweg volgen, die opnieuw tusschen enkele huizen kronkelt (geplaveid ter hoogte van het magazijn Leemans, nr142, kolenhandel). (Hier kan men den steenweg volgen tot aan Kapelstraat en Boschstraat, alwaar tramhalte voor Boom en Antwerpen of voor Mechelen.) Rechtuit, tusschen twee hooge en gedeeltelijk overdekte muren. Langs een kil; steeds aardeweg volgen midden de volle fabrieksbedrijvigheid.

Eens aan de fabrieken Landuydt kan men linksaf zandweg volgen, die uitkomt te Terhagen­Molleveld (tramhalte). Wij volgen echter de kil, gaan langs de kademuren tot vlak bij de rivier. Hier prachtig uitzicht op Boom met de oude brug. Steeds de Rupel volgen. De wandelaar zal 

een plaatje zien "Verboden doorgang, uitgang langs het gelaag". Men late zich daardoor niet afschrikken en wandele rustig verder langs de rivier. Op het einde van den kademuur een dijk beklimmen. Wie nu rechtstreeks naar Rumst wenscht te wandelen, kan dezen dijk volgen. (In de verte vóór ons de kerktoren van Rumst). Wij slaan echter het eerste smalle wegeltje (op ± 200 m.) linksaf in, loopen langs een kanadabosch (links) en tusschen weiden (staan vaak onder
(p.18)
water) en komen te Terhagen in de Kerkstraat uit (26). Tram naar Boom en Antwerpen of naar Rumst en Mechelen.

Nu rechtsaf Aan de bocht van den straatweg, eersten breeden asscheweg links (tusschen twee huizen in, waarvan dat van links een behangerswinkel) nemen, plein oversteken en den steenweg naar Eikerveld opstappen.

Deze steenweg stijgt geleidelijk. Links en rechts interessant panorama (opdelven en bewerken van klei). Op dezen weg speelt Tony Heidekens, folkloristisch verhaal "Zwarte Wieze" zich af, voorkomend in den roman "Andere Wegen". Zijn van hieruit goed zichtbaar: St-Rombouts en Hanswijk te Mechelen, benevens gerechtshof Brussel en andere torens. Ongeveer 100 m. voorbij enkele van den weg staande arbeiderskrotten, rechtsaf, veldwegeltje volgen. Bij ijzeren pomp eveneens rechtsaf (*)

Nu tot op het einde dezen aardeweg volgen en wel tot aan het laatste (witte) huis, dat we weldra alleenstaand aan onze rechterhand ontwaren (op het gelijkstraats twee vensters met luiken).

Hier schuinlinks zandweg (soort fietspad) volgen; den eersten weg uiterst links, die naar enkele hoeven leidt, laten we dus links liggen. Steeds rechtuit tot op den steenweg (met tramlijn 54 Rumst-Reet-Aartselaar). Hier linksaf. Bij de hoeve, ong. 100 m. verder, steenweg rechts inslaan. Nu weer eersten steenweg rechts afdalen tot hij een huizenrij. Daartegenover een grachtje (links); dit volgen langs een achttal nieuwe huizen. Dan tramriggels (lijn Antwerpen­Mechelen) oversteken en tusschen de huizen door zandweg nemen tot vlak bij de Nete (28). We zijn hier te Rumst (27).

 (*)Wie aan de pomp linksaf neemt, kan de moderne St-Katharinakerk van het gehucht Boschstraat (Boom) bezoeken: parochie sinds 1914,gebouwd 1939, arch. J. Schaerlaeken, eiken kruisweg door Herman De Cuyper.

(p.19)

(Te Rumst tram 52 naar Mechelen of naar Boom en Antwerpen en tram 50 naar Boom en Antwerpen. Om het buurtspoorstation te bereiken, tramlijn volgen, ong. 500 m. onder betonnen viadukt eener steenbakkerij door.)

 Van Rumst tot Walem.

 Aan de Nete slaan we linksaf en volgen de rivier dus stroomop langs de bocht naar rechts, tot waar we over de monding van een grachtje stappen. Nu verlaten we den rivieroever en volgen schuinlinks den langen pijlrechten weg vóór ons. Vooraan links het verwaarloosd domein met kasteel Tiburs (29), omgeven door water.

Onze rechte weg geeft uit op den steenweg Antwerpen-Mechelen, aan de herberg "In 't Sportpaleis". Hier rechtsaf Een 200 m. verder, links, de Lazaruskapel (30) (sleutel in de daarnaast gelegen hoeve).

We volgen nog steeds den rijksweg en passeeren links de gebouwen der Antwerpsche Waterwerken (31). Nu de brug over de Nete, de "Walembrug" over. (32) We zijn te Walem (33) (34).

(Te Walem tram 52 naar Antwerpen via Boom, of naar Mechelen. Op 3,5 Km. van hier, station Sint-Katelijne-Waver op electr. spoor Brussel-Mechelen-Antwerpen.)

Van Walem tot Mechelen.

 Voorbij de Walem-brug de eerste straat rechts, de Battenbroekstraat inslaan. Over de Molenvliet (de oude Roelofsbrug) voert zij in de vrije aarde van Battenbroek (35). Mooie populieren (populus pyramidalis) bezoomen den weg. Aan het kapelletje van O.L. Vrouw van Goeden Raad (1911-1936) rechtsaf, langs de oude herberg met verweerd uithangbord "In 't Sneppeken" en dan linksaf de dreef in, die leidt naar het kasteel Battenbroek. (*)

(*)

Fietsers doen hier best halven draai te maken en aan het kapelletje van O.L.V. de Mechelschestraat te volgen tot aan het kasteel Emmaüs (H.Hartkapelletje).

 (p.20)

We gaan linksaf voor het kasteel, volgen de omwallingsgracht en stappen

door een vierrijige kanadadreef naar den voet van een hoogen dijk. Beklimmen we even dien dijk, we zien de Oude Dijle, (vierhonderd meter verder ligt het Zennegat) (36).

Op halve hoogte van den Dijledijk ligt links een verhoogde weg door de beemden, tusschen een dubbele rij kanada's We gaan recht op het spuitorentje vóór ons af . De verhoogde weg slingert eerst door het broek en daarna door een bosch. Zoo bereiken we een machtigen beuk aan welks voet een afsluitboom. We gaan omheen den afsluitboom en nemen links den dijk tusschen struikgewas en eiken.

We bereiken een afhankelijkheid van het domein met kasteel Emmaüs (37) en slaan hier linksaf de dreef in, die langs de gracht en het kasteel voert. Aan het einde der dreef, rechtsaf. Vijftig meter verder een kruisbaan; hier rechtsaf We volgen nu de oude Antwerpsche baan. (Aan onze linkerhand, in de verte, het fort van Walem met fleschvormig gedenkteeken.) Aan het volgend kruispunt, rechts een pijlrechten grintweg nemen, die in beukendreef overgaat en ons brengt aan het kasteel Schaliehof (rozeroomkleurig gebouw). Hiervóór rechtsaf en de haag, die het domein omsluit, naar links volgend, stappen we in de richting van een afgezonderde hofstede met hofgracht. We gaan het erf niet op, doch volgen rechtsaf naast een beekje een veldwegel, die naar de Vrouwenvliet leidt.

Langs een stortplaats bereiken we de brug over deze vliet. Voorbij de brug rechtuit (de baan zwaait linksaf) een karspoor met voetwegel volgen, die ons door een moesveld naar de oude versterkte en omwalde hoeve "Blauwe Steen" leidt. Hiervóór linksaf, aan het huis nr 252 (links) belanden we terug op de Oude Antwerpsche baan, die we rechtuit volgen door het gehucht Hoebergen-Galgenberg. Aan het 

(p.21)

einde buigt onze weg linksaf en we komen uit op den rijksweg Antwerpen-Mechelen (met tramlijn). Rechtsaf, langs het stadion van Racing Club Mechelen (38). Tramlijn volgen. Rechts de Provinciale Vroedvrouwenschool (huis nr 117).

We treden het stadscentrum van Mechelen binnen (St-Katelijnestraat) over het afleidingskanaal der Dijle. Wat verder, links, op een pleintje, de St-Katelijnekerk (39). Nog verder, rechts, het handelshuis "In den Vijgeboom", met houten gevel. Langs St-Romboutstoren belanden

Rondrit door de Rupelstreek

door Jos Verlinden Penningmeester "Ten Boome"

Luchtfoto FAB03758

Luchtfoto Boom (FAB 03758)

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Christelijke Mutualiteit richtte Ziekenzorg van het verbond Boom voor zijn leden op zaterdag de 21ste oktober 1995 een rondrit door de Rupelstreek in. Onze penningmeester schreef voor die rondrit (twee maal twee bussen) een pretentieloze tekst, die voor de zieken gemakkelijk leesbaar zou zijn. Wij publiceren hem hierna zoals hij geschreven werd (met een tweetal kleine verbeteringen)

Niel is één van de drie oudste gemeenten van de Rupelstreek.
Voor de stichting van Boom in de 17de eeuw en Terhagen in de 19de eeuw grensde het aan de nog oudere monding-gemeenten Rumst (Zenne in de Dijle en Dijle en Nete in de Rupel) en Schelle (Rupel en Vliet in de Schelde).
Hoewel Niel tot het kanton Boom behoort, is in het verleden het kontakt met die gemeente niet bijster groot geweest, enkele kinderen van gegoede huize gingen er naar het College of naar de rijke nonnen (Presentatie). Later heeft de Provinciale Technische School (PTS) ook ettelijke Nielse vaklui gevormd. Niel was tot voor de Tweede-Wereldoorlog vooral gekend om zijn cementfabriek, die de oorzaak was van het vele witte en ongezonde stof op de daken. De fabrieksgebouwen, die op de plaats van het oude fort De Sterre waren opgetrokken, werden gekocht door de Firma Coeck uit Schelle, die betonprodukten vervaardigt. Niel is ook voor ons de bakermat geweest van de kristelijke sociale organisatie in de Rupelstreek.

De kerk van Niel is een geklasseerd gerestaureerd gebouw. Voor de kerk loopt de oude dreef naar het kasteel, dat nu een verzorgingsinstelling voor bejaarden huisvest en dat daarvoor een kliniek met materniteit was.
Wie oplettend de hoofdingang van de kerk bekijkt, bemerkt op de stijlen rond de deur het jaartal 1773, jaar waarin de kerk werd hernieuwd en hersteld. Op de balk boven de deur staan de voor ons mysterieuze letters AHAVR. In feite zijn dit de initialen of beginletters van de naam van de laatste abdis van Rozendaal. Die abdij lag te Walem achter de kerk en behoorde tot de order der Cisterciënzerinnen of de Zusters Bernardijnen. Ze stond onder het geestelijk toezicht van de abt van Hemiksem. Hij moest zorgen voor de dagelijkse diensten en het bedienen van de sacramenten. Hij benoemde daarom een plaatselijke aalmoezenier, die altijd een pater uit de abdij van Hemiksem was.

Die vijf kleine lettertjes hebben toch een geschiedkundige betekenis. Zij leren ons dat de abdij van Rozendaal "dominus" of heer van de kerk van Niel was; dus de eigenaar. Dat de kerkgemeenschap of parochie van Niel, wat in feite het hele dorp was, derhalve ieder jaar het tiende deel van de landopbrengst aan de abdij moest afstaan. En dat in theorie de abdij (niet de bisschop) ook het benoemingsrecht van de pastoor had in overleg met de kanselarij van het bisdom.
Omdat de kerkeigenaar kon beschikken over een deel van de opbrengst van het dorp, was hij ook verplicht in te staan voor onderhoud van de kerk en de pastorij. De abdij van Rozendaal heeft hier haar taak zeer voorbeeldig volbracht. Over de kerk staat het huidige gemeentehuis, dat voor de dertiger jaren het huis van de plaatselijke brouwer was. Recent werd het uitgebreid om de nielse bevolking nog beter te kunnen dienen. De pui van het gemeentehuis leent zich uitstekend voor het maken van foto's bij allerlei ontvangsten, huwelijken of jubilea.

Schelle,- het dorp aan de schelde,- is vooral bekend om zijn scheve kerktoren en zijn electriciteitscentrale. De drie bakstenen schoorstenen van de centrale, -na de zestiger jaren zijn er twee betonnen bijgekomen,- priemen boven de ontelbare pylonen uit. De centrale werd gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1930 te Antwerpen en is lange tijd één van de modernste en grootste van West-Europa geweest.
Maar schone liedjes duren niet lang.
De fabriek, die nu van Electrabel afhangt, is nog altijd bekend onder de naam van "den Escaut", wat afgeleid is van de oorspronkelijke naam société d'Electricité de l'Escaut of afgekort SEE.
Rond die fabriek werd door de Société Immobiliaire du Laer een cité (natuurlijk alles in het frans) opgericht met woningen de direktie en het personeel. Reeds voor de Tweede-Wereldoorlog werd de oude Tolhuisstraat gebetonneerd en verscheen aan die straat de franse fabriek van Air Liquide, die in Deurne had gestaan. De oprichting van die industrieën was de aanleiding tot het stichten van de nieuwe parochie van de Mikman, waarvan het fraaie kerkje (architekt Van Ravensteyn) van op de Provinciale steenweg kan bewonderd worden.

Wat de oppervlakte betreft is de gemeente Schelle voor de fusie-operatie de grootste Rupelgemeente. Tot voor de industriële revolutie, - een geleerd woord om het ontstaan van de nijverheid en de fabrieken aan te duiden,- was ze ook de rijkste gemeente met het grootste bevolkingsgetal.Dit blijkt nog duidelijk uit het prachtig barok-interieur van hoofdkerk, die onlangs is gerestaureerd en waarover een geïllustreerd werkje werd uitgegeven door de kerkfabriek. Een bezoek aan die kerk is aan te raden.
Ze bezit naast een enig altaar buitengewoon fraaie houten biechtstoelen, een eenvoudig sober koorgestoelte met vier knappe beeldjes, die de kardinale deugden voorstellen. Onder de verschillende merkwaardige schilderijen is zeker "De Marteling van Sint-Sebastiaan" van de hand van Antoon van Dijck het vermelden waard.

Buiten haar scheve maar slanke toren met het prachtige grafzerkje van het kind Nicolaas Suys bezit die kerk de eigenaardigheid van niet in het midden van het dorp maar vlak op de grens van Schelle en Hemiksem te staan.
Zo mooi het interieur is, zo lelijk is het schip van buiten. In 1844 liet pastoor Bals, waarvan het graf nog altijd te zien is onder het gerestaureerde kruisbeeld aan de buitenzijde van het koor, het fraaie middenschip met twee dakkapellen ombouwen tot de huidige boerenschuur.

Aan de overzijde van de kerk bemerken we een goed bewaarde herenwoning uit de vorige eeuw. Het was toen de enige apotheek van Schelle. Nu omgebouwd tot openbare bibliotheek.
Bijna onzichtbaar rijden we over de Vliet, - vroeger een belangrijke waterloop - Hemiksem binnen, waar we nog een klein stukje muur van de watermolen bemerken en links en rechts wat sporen ontwaren van de vroegere ceramiekfabriek van Gilliot, in de streek gekend als de "zuute dood".

Het prachtstuk van de gemeente is ongetwijfeld de aloude Sint- Bernaardsabdij.
Gesticht in de helft van de 13de eeuw door een abt en twaalf monniken,- we denken aan Kristus en de Apostelen,- vergezeld van een paar lekebroeders (de stichtingsakte vermeldt ook de lastdieren; "cum asinis" "met de ezels") is zij uitgegroeid tot de grootste algemeen nederlandse abdij van die tijd, waar plaats was voor een groot aantal kloosterlingen. Van hieruit zou de steennijverheid van de Rupelstreek geactiveerd zijn geweest. Gedurende de troebelen van de Spaanse Tijd is de abdij, ook de kerk van Schelle, verwoest geworden door de Beeldenstormers. Nadien is ze terug opgebouwd geworden; de meeste gebouwen die er nu nog staan dateren uit die periode.

Gedurende de Franse Revolutie werd de abdij opgeheven, de kerk vernield, de paters verdreven. De monnikengemeenschap heeft zich later in de abdij te Bornem gevestigd. Het heemkundig Museum van Hemiksem, op heemkundig gebied één van de beste van het land, heeft hier samen met het Roelandtsmuseum zijn intrek genomen. Roelandts was de tekenaar van de ceramiekfabriek van Hemiksem, die de faïenceversieringen ontwierp. Vele van zijn werken zijn in de oude abdij ten toongesteld. Het altaar van de O.L.V.-kerk in de Saunierlei te Hemiksem, dat met ceramiektegels werd opgebouwd, is ook van zijn hand.

We steken de spoorweg over. Hier heeft de NMBS een spiksplinter nieuw station laten bouwen, -zoals te Niel,- om het nadien niet te laten functioneren. In het kader van een reorganisatie werd het gesupprimeerd!
Even voorbij dit station zien we het sportcomplex van de gemeente en wat verder het verzorgingstehuis van het OCMW.
We bevinden ons op het Kerkeneind; de overkant van de Vliet is reeds gemeente Aartselaar. Dit straatgedeelte dankt zijn naam aan het feit dat de eerste kerk van Hemiksem hier heeft gestaan.

Een andere ongekende merkwaardigheid van de gemeente Hemiksem is de watertoren van architekt Magniette. Waar de andere watertorens wegens de noodzakelijkheid logge vatkonstrukties zijn op een "stokje" of pilaar, heeft hier de bouwmeester de kans gezien om een slanke toren, en laat ons dit onderlijnen, in baksteen, de materie van de streek, op te richten. Hij behoort tot de mooiste van het land en zou mogen geklasseerd worden.
Het kasteel Cleydael aan de vliet heeft een rijke geschiedenis. Eens woonde hier de muntmeester van het hertogdom Brabant. Het is volledig omwaterd en bezit nog zijn versterkte torens. Het gehele domein is nu in handen van buitenlanders, die er een golfterrein op uitbaten. In de onmiddellijke nabijheid van dit kasteel en sportdomein ligt aan dezelfde Vliet een verbrandingsoven.

Aartselaar is voor velen een voorstad van Antwerpen; de riante villa's en de residentiële woningen schijnen dit te onderlijnen. Ook de functie van het vroegere kasteel, het Solhof in het parkje gelegen; blijkt dit te beamen; het werd omgebouwd tot een heus hotel.
De gemeente beschikt dan ook over inrichtingen met stedelijke allure. We stellen dit vast als we de Kleistraat indraaien en links van ons het gemeentelijk sportcentrum zien met zwemdok. Hier worden regelmatig sportmanifestaties van enige betekenis georganiseerd. Het zwembad staat bekend om zijn chloor-vrij zwemwater. Als contrast staat rechts van de baan nog een oude schuur die de last van een grote klimop te torsen.(Aartselaar beschikt ook over een degelijk ingericht Cultureel Centrum. )

We zetten de reis verder en wenden ons naar het dorp van die gemeente. Op het laar, dit is het plein rond de bezoekwaardige Sint-Leonarduskerk, staat een oude pomp met zuil, die door velen als de vroegere schandpaal wordt gezien. Achter wat groen verscholen bemerken we ook het oude gemeentehuis met zijn gekleurde luikjes (de "blaffeturen"). Tegen de muur van de kerk de grote pronkgraven van de plaatselijk adel; de van Ertborn"s. Ertborn is een Schelse plaatsnaam.
We passeren voor de tweede keer de molen van Aartselaar, die als privé-bezit toch een geklasseerd monument is. De windmolens, een wonder van technisch vernuft; zouden van vlaamse oorsprong zijn. Ze verschijnen in onze streek rond het begin en de eerste helft van de 13de eeuwen gaan dan de oudere watermolens vervangen. De eerste molens waren "banmolens'" : dit zijn molens waarop de plaatselijke bevolking verplicht was haar graan te laten malen; want de heer bezat het "regaal van de wind". Er waren vroeger windmolens te Schelle, overgeplaatst naar Niel, Rumst, Reet en Boom.

We rijden in de richting van Reet en zien voor de expresweg aan onze linker kant het begin van de Kontichse Pierstraat (ook een straat van Aartselaar en vroeger ook van Schelle).
Dit zou in ons gewest de oudste baan zijn, die wij bij naam kennen. Er bestaat een dubbele verklaring voor die naam, ofwel
komt hij van het latijnse via petrata (besteende weg of kassei) ofwel van poerstraat, wat in feite zandstraat is.
Rechts hebben we de verdwenen halte van eveneens verdwenen spoorlijn Boom-Kontich, en die iedereen kende onder de naam van Reet-Statie. We zongen vroeger op de wijze van Te Lourdes op de Bergen het volgende liedje:
Te Reet aan de staasse
daar stond ne blekken tram
ge moestter aan daave
tot aan de makadam.
Daavee, daavee
of anders redde gao nie mee
. (2x)

Langs een groot gebouw op onze rechterkant - het oude Hof van tricht,- rijden we in de richting van de Reetse dorpskom.
Dit domein werd door de Gasthuiszuster van Boom verworven, die het toentertijd hebben uitgebouwd: eerst als een bejaardeninstelling en nadien tot materniteit en kliniek. Nu wordt het terug als bejaardenhome ingericht: weliswaar door een andere instantie.
De toren van de kerk van het "heilig" Reet, waar volgens het oud gezegde in de Rupelstreek, "er nooit geen weer is", staat nog in de steigers voor een doorgedreven restauratie. De kerk is toegewijd aan de heilige Magdalena, die men hier wegens het feit dat het met de kermis op haar feestdag altijd zou rege nen, wel eens verwisselt met Sint-Margriet de "piskous".
Op het kerkhof rond de kerk van Reet zijn de vorige eeuw heel wat Bomenaren begraven. Toen het huidige kerkhof in de Kerkhofstraat,- de Boomestraat,- in dienst werd genomen, weigerde het liberale (anti-klerikale) gemeentebestuur de grond te laten wijden. Wie toen te Boom als dode in gewijde aarde wilde rusten, moest voor eeuwig naar Reet gaan wonen (en natuurlijk er geld voor hebben!)

Langs het kasteel van Laar, op de linker zijde, dalen we, in de letterlijke betekenis van het woord, af naar de zeer oude gemeente Rumst. Hier ontmoeten we één van de mooiste plaatsen van de Rupelstreek.
In een prachtig panorama overschouwen we hierin de Hollebeekstraat niet enkel de uitgebaggerde steenputten met gezicht op de kerken van Rumst, Terhagen en Boom maar ontwaren bij helder weer heel wat gebouwen uit de streek tussen Rupel, Mechelen en Brussel, met het Atomium als blikvanger. Rechts van ons bemerken we het kerkje van de Bosstraat en de Bosstraatlei. Tussen die lei en de Hollebeek lag ter hoogte van Terhagen "den batterdo" (van het franse battre d'eau?)

Rumst het drie rivierenland (samenvloeiing van Nete en Dijle in de Rupel- rechtover het Zennegat, was vroeger een zeer voornaam dorp. Het was de zetel van het Land van Rumst, dat zich uitstrekte langs de beide oevers van het "Scelt", zoals de Rupel door de eenvoudige mensen alhier tot aan de Tweede wereldoorlog werd genoemd. Tot de jurisdictie van Rumst behoorde de huidige gemeente Boom, die maar pas in de 17de eeuw onafhankelijk werd en maar pas bij de Franse Revolutie hoofdplaats van het kanton werd. (Men spreekt van hovaardig Boom!)
Recente opgravingen op het Molenveld en de Steenberg hebben aangetoond dat Rumst een romeinse nederzetting is geweest; waarschijnlijk een fortificatie of kamp. Vroegere vondsten zouden verwijzen naar de aanwezigheid van de romeinse vloot.

Op de markt kunnen we het oude Drossaard-huis bewonderen, het oude kasteel is verdwenen. Rumst bezit een degelijk georganiseerd en wetenschappelijk verantwoord steenmuseum "Het Geleeg"", aan de steenfabriek van Swenden gelegen.
Terhagen, dat een tijdje een zelfstandige gemeente is geweest, behoorde eertijds, zoals nu, bij de gemeente Rumst.
Als de kunst de originele uitdrukking is van de diepste gevoelens, dan bezit Terhagen een prachtig openbaar kunstwerk. Op de schoorsteen van de steenfabriek vlakbij het sportcentrum, De Klamp, - wie weet nog wat dat woord betekent en vanwaar het komt? - staat in grote witte letters geschreven: "Pascal ik hou van jou"~. Persoonlijk vind ik dat dit monument zou moeten geklasseerd worden.

De gemeente bewaart nog enkele fraaie patriciërswoningen van de vroegere steenbakkers, in tegenstelling tot de lage huisjes van de steenbakkers gasten. Wanneer we langs onze linkerzijde een groot plein vol wagens bemerken, dan rijden we voorbij de plaats waar vroeger het kantorengebouw van de steenbakkerij Landuyt stond. Zij was in de Rupelstreek de eerste steenfabriek die uitgebaat werd door een commerciële maatschappij, een naamloze vennootschap, waarvan de aandelen ter beurze van Antwerpen werden genoteerd. We slaan rechts af en we stijgen naar de Bosstraat, de eerste bij-parochie van Boom. Ze werd na de Eerste Wereldoorlog gesticht door pastoor Seeldrayers, een man uit Hemiksem, die later voor het gewone volk de onvergetelijke deken van Boom is geworden.
De hoogte van de Bosstraat is de voortzetting van de Vosberg te Rumst, die over Reet verder loopt naar het "stekkesbos" of de Spelten van Schelle en de hoogte van Hemiksem, om haar sporen nog na te laten in het Waasland (o.a. Temse en steendorp ) .
Die hoogte, die men de cuesta van Boom of de karn van de Rupel heet, is voor een groot gedeelte afgegraven door de steennijverheid. Archeologisch is zij van groot belang, maar dat is vroeger niet onderkend geworden, zodat heel wat is verloren gegaan en wij een streek zonder geschiedenis zijn.

Langs de Dirkputstraat en de Schomme komen we in de oude Boomestraat of huidige Kerkhofstraat van Boom. Waar de kleidelvers niet enkel de helling van de cuesta hebben weggevreten, maar ook diepe putten hebben gegraven. Zo passeren we hier de put M, die onder het ministerschap van een ex-Bomenaar Jos De Saegher , werd opgespoten en waarop nu een nieuwe wijk wordt opgericht. Het gemeentebestuur van Boom is zo intelligent geweest om de benaming van de straten hier niet te gaan zoeken in de bloemen- of bomenwereld. Het herstelde de oude veldnamen, die zo voor het nageslacht worden bewaard.

Het merkwaardige van die kleiputten was, dat zij met elkaar door bruggen onder de straten waren verbonden met de ovens aan de oever van de Rupel. Langs de Rupel kan gemakkelijk per schip de brandstof, kolen, worden aangevoerd en het afgewerkte produkt, de steen, verscheept naar zijn bestemming. Een kleiput werd aanvankelijk door de gemeente Boom aangekocht als recreatiegebied. Hij werd door het Provinciebestuur van Antwerpen overgenomen en uitgebouwd tot het domein "De Schorre". De oude "machienkamer", waarin de steen machinaal werd geperst, van het geleeg Van Herck staat er nog te midden in en doet dienst als taverne, sport- en ontvangstruimte.
Wij rijden langs het Boomse bejaardentehuis, bestuurd door het OCMW, met links op de aangespoten kleiput enkele aangepaste huisjes voor ouderlingen, eveneens afhankelijk van het OCMW. We mogen niet vergeten dat vroeger aan dit oude gasthuis, geleid door de Gasthuiszusters van Boom, een grote kapel was gebouwd; de torenklok herinnert daar nog aan. De aalmoezenier bezat een fraaie woning, die eveneens afgebroken werd.

De Varkensmarkt te Boom kent iedereen, alhoewel dit tot voor een jaar geen officiële benaming was. Op geregelde tijdstippen kwamen hier de veekoopmannen hun grote platte manden met biggen uitstallen om ze zo aan de man te brengen. Daar was vroeger ook de grote tramhalte van de lijn Mechelen-Rumst- Boom-Antwerpen. Ik heb nog de tijd gekend dat de stoomtram nog reed en zijn marchandise kwam zetten op het zijspoor dat achter " Sintanne-kapel" lag, die toen nog de Kapelstraat vernauwde.
We zegden reeds dat Boom een betrekkelijk jonge gemeente is, die haar betekenis te danken heeft aan de Fransen en die na de onafhankelijkheid van België een agentschap heeft gekregen van de Nationale Bank van België met discontokantoor. Het was gevestigd in de Tuyaertstraat, daar waar het Boomse museum is geweest (Intussen jammer genoeg ook verdwenen. Hoe kan de streek geschiedenis maken?) Als de bus over de sleuf van de A12 rijdt, vlak voor de tunnel onder de Rupel en het kanaal of de vaart naar Brussel, zou ze wat langzamer moeten rijden om u de gelegenheid te geven nog eens een prachtig panorama te laten aanschouwen. Bij vloed of hoog water ziet u hier een stukje Rupel op zijn mooist.

Noeveren (ten oever) en Hellegat worden nog beheerst door de industrie. Hellegat met zijn fraaie kerk - wie noemde ze ooit de kathedraal van de Rupelstreek? - is zeer oud. Het hing vroeger af van de abdij van Grimbergen. Er was een veer of overzet, die druk werd benut.
Hellegat ontleent zijn naam aan de monding (gat) van de Hellebeek aan de overkant van de Rupel. Het gaf zijn naam aan een speelfilm.
Te Hellegat heeft men de verlaten kleiputten omgetoverd tot een natuurreservaat, dat zijn naam kreeg van de oude paardestal, die er nog staat en kan bezocht worden.
We arriveren op de plaats waar de tocht begon. We reisden letterlijk door berg en dal, door hoog en laag. Het moge aangenaam geweest zijn voor u.
Weet ge hoeveel watertorens we voorbij gereden zijn?
Als ge een gros deelt door het tiende van het aantal graden van een rechte hoek, dan bekomt ge het vierkant van het getal dat we zoeken en dat we al vernoemd hebben.
Voor wie dit te moeilijk blijkt, die zoeke het in mijn familienaam (het aantal klinkers is gelijk aan dit getal).

 

Inhoud syndiceren

 

Het is: donderdag 21 augustus 2014, 18:01