Temperatuur 14-2-1961

Date: 1961-02-14

Midden februari is het zacht in het hele land : in Ukkel stijgt de maximumtemperatuur tot 18,2°C.

Temperatuur 14-2-1958

Date: 1958-02-14

De minima zijn merkwaardig voor de maand februari : de thermometer zakt niet onder 12,4°C in Zaventem.

Temperatuur 14-2-1940

Date: 1940-02-14

Na een kleine onderbreking aan het begin van de maand komt de winter terug. Vandaag noteren we minima van –13,2°C in Oostende, –15,6°C in Ukkel, –17,0°C in Forges (Chimay), –21,0°C in Leopoldsburg et op de Baraque Michel (Jalhay)...

Temperatuur 14-2-1929

Date: 1929-02-14

De ochtend van Sint Valentijn is ijzig. In Oostende zakt de temperatuur tot –19,0°C, dit is de laagste temperatuur van de eeuw aan de kust. Elders in het land zakken de minima tot –17,7°C in Ukkel, –20,9°C in Gembloers, –22,0°C op de Baraque Michel (Jalhay), –22,7°C in Wardin (Bastogne), –22,9°C in Leopoldsburg...

Het melaatsendorp en de lazernijkapel te Rumst

door Dr. Paul Van den Bril
(Document van 1956)
 


De Boomse Dokter Paul Van Den Bril bracht onderstaande lezing naar voor tijdens de Vlaamse Geneeskundige Dagen van 1956. Wij kregen de tekst overhandigd door zijn neef Dr. M. Cuypers. Met deze publicatie wensen wij een historisch document in de kijker te plaatsen.

Rumst ligt aan de baan Oude God - Mechelen. De aloude kapel van Lazernij paalt aan de nieuwe baan naar Duffel. Het is hier dat een melaatsofficier van Karel De Stoute, Vandercruyce, in 1460, de kapel bouwde met het ziekenhuis en de hutten. Een greep in Rumst verleden!


Rumst bezat een Romeinse burcht. Rond het kasteel ontdekte men onlaatst twee koperen muntstukken van keizer Trajanus, dragende het opschrift: IMP. COES. TRAIAN. AUG. 52.

Rond de 7de eeuw maakte Rumst en Boom deel uit van het uitgebreide land van Kontich en werd de streek door de H. Rumoldus aan de Abdij van Lobbes geschonken. Rond de 9de eeuw werd Rumst door de Noormannen verwoest. Sinds de 12de eeuw was Rumst bewoond door de Berthouden van Grimbergen, waarvan men zegde dat hij de heer was van: van Rumst met geweld al tot Antwerpen op der seelt.


In 1285 was het Philippe van Vianden en in 1290 werd Rumst een afzonderlijke heerlijkheid met Rumst, Heyndonck, Boom en Ruysbroek. In 1545 erfde Willem de Zwyger 't land van Rumst en verkocht het in 1559 voor 40.000 gulden. Karel van Baume splitste Rumst en verkocht Boom aan Joris Boschaert. In 1663 werd Boom afgescheiden van Rumst en van Terhagen op 21 dec. 1874.

De Kasteelheren van Rumst, behoorden steeds tot de hoogst adeldom van België. Het was dus te Rumst dat sinds 1500 al de melaatsen van het graafschap van Brabant geïnterneerd werden en verplicht waren van zich lid te maken van een Broederschap begiftigd van stau- ten gegeven door de priorin van terbanck en bekrachtigd door Keizer Karel.


De melaatsheid waarvan Hansen de baciel ontdekte woekerde reeds in Egypte en Indië, 1500 jaar voor Christus en was bekend bij de Araben en de Grieken. De melaatsheid werd binnengeloodst in onze streken door de Romeinen en merkelijk gepropageerd door de terugkerende Kruisvaders. Zelfs in de Leviticus XIII-de leest men: "Zoolang iemand melaats is en onrein zal hy alleen buiten de woonplaats huizen."


Wettelijk waren de leprozen steeds burgerlijk dood en men noemde in de middeleeuwen de melaatshospitalen : ladreries, proseries (vervorming van Lazarus, de arme duivel, waar St Lucas van spreekt.). Men kende de symptomen, het verlopen der ziekte; zij wisten dat hiertegen geen kruid gewassen was en dat iemand er lang aan lijden kon en onherroepelijk mismaakt zal worden, dat hij een arm of een been zal moeten missen, grote zweren kan krijgen die nooit genezen en soms zelf blind kan worden, voor de dood hem komt verlossen.

De melaatsen stierven niet altijd aan de melaatsheid zelf, maar aan andere bijkomende ziekten die het misvormde, gemartelde menselijke wrak bevrijdde van een leven van ontbering. Bij Lepra waren de ellende en armoede de gevolgen van de ziekte en niet de oorzaken, en het was nog een geluk dat de Lepra niet erfelijk was. Het is juist daarom dat de statuten van Terbank, aan Rumst geschonken (en die zo drastisch voorkomen) blijken eer van humanitaire opvattingen te getuigen: zo niet werden de Leprozen als paria's uitgestoten en kwamen van ellende om.


Wij zegden dus dat een melaatse, Vandecruyse Pieter, de Kapel bouwde in 1460, het leprozenhuis en de hutten. Op zondag voor O.L.Vrouw Hemelvaart moesten de Leprozen van Brabant hier samenkomen.Brabant omvatte toen Brussel, Leuven, Antwerpen en 's Hertogenbos. Zij waren verplicht deel uit te maken van het Broederschap, in de kapel van Lazernij, ter ere van O.L.Vrouw en de H. Lazarus opgericht. De begankenis bestaat sedert 450 jaren en de toeloop is tot heden toe merkwaardig gebleven.


Op 9 juni bezochten wij de kapel, waaraan ene pachthoeve gekoppeld is. Beide zijn op een open plein gelegen. Onwillekeurig tekent zich hier een treurig beeld af met hutten, waarin onmenselijke verlagende armoede huisde. Het oorspronkelijke koor en altaar bestaan nog; de kapel draagt een eigenaardig klokkentorentje, dat onlangs vernieuwd werd. In de kapel staat een groot Lazarusbeeld met een omvangrijke hoed en platte boorden.

De heilige heeft de benen omzwachteld en draagt ene vervangbare mantel. Het beeld is gepolychromeerd door een gelegenheidsschilder " du à la phantaisie d' un peinturlurage récent" zegt Tricot. Rechts hangt een houtschilderij van een kloosterzuster, toegeschreven aan Decraeyer (1584-1669) volgens Vanleemputten. Boven het altaar prijkt een schilderij van Engels' getekend maar waardeloos, alsook de grote schilderij links, Esther voorstellende knielende voor Assuerus. Verder zijn er nog kassen met oude beelden en ex-votes. Deze inhoud heeft geen bepaalde stijl en vertegenwoordigt werk van onbekende meesters. Naast de kapel staat een hoeve die door een poortje tot de kapel toegang geeft. Op de zolder een zeer oude Fresco "Het laatste Oordeel'" en is in volledig verval en is mogelijk het werk van een Leproos, zegt SEL. De hoeve is waarschijnlijk de plaats van het oude Leprozenhuis gebouwd door Vandercruys.



Hoe ontstond de Lazernijkapel met het Leprozenhuis te Rumst?
Het staat vast dat een leproos op een noodscheepje woonde voor Rumst in 1400 aan de Nethe(Sel) en een aalmoes vroeg aan de schippers die naar Mechelen opvaarden. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van de beruchte Lazarustol. De Heren van Rumst namen de tol over en de schippers betaalden eerst een myt en later een brabantse gulden. Na veel gekijf , de Mechelaars kwamen eens met wapengeweld Santvlietse schippers verlossen uit hun cel die de Lazarus-tol niet wilde betalen, kwam de Hertog van Bourgondië en de heer van Mechelen met de Heer van Rumst, Robrecht van Bar, Graaf van Soissons overeen om de beruchte Lazerustol af te schaffen mits' jaarlijks een pond fijn goud te betalen. Een eigenhandig schrijven van Keizer Karel, meldt dat een oudgediende van Karel de stoute, Vandercruyse door melaatsheid aangetast, te Rumst aanlandde en afgezonderd werd in een buitenwijk van Rumst, die thans nog de naam draagt van LAZERNIJ.


Volgens bewaarde gebleven oerkonden gaf Philips de Schone, vader van Keizer Karel aan Vandercruys de toelating om almoezen in te zamelen. In 1531 laat Keizer Karel een oorkonde verschijnen waarin hij de statuten van een broederschap goed- keurt. E.H.Bets publiceert die brief in de Analectes, volgens uittreksel van het dagboek van Terbank waar Rumst van afhing en waar een groot Leprozenhuis bestond. De abdij bestaat nog maar is een Home geworden "pour enfants débiles".

De oorspronkelijke brief van Keizer karel berustte lang te Rumst, maar is verdwenen in de Antwerpse Archieven. Ziehier de beruchte brief van 24 Aug. 1531 :

CAERLE, bij gratie Gods,Keyser aan allen diegenen die desen onsen brieff sullen sien saluyt : doen te weten dat wy ontfangen hebben die ootmoedige supplicatie van de dekens ende princpaele meesters gheordonneert totten reglemente ende houdenisse van broederschap van de arme siecke ende Lasorsche persoonen van de capelle ende godtshuyse in de parochie van Rumst, by Waelhem, gelegen in onsen lande van Brabant, soo wel voor hen, als voor ende in 'den naeme vande gemeyne broeders en zusters onderhoudende de voorscrevene broederschappe; ons houdende hoe dat over de 't seventich jaeren en de meer voor- screvende capelle ende gheedificeert is geweest byeenen Pieter de la Croix de welcke in synen leven heeft gedient zaliger memorien Kaerle van Boergonnien, onser outvader, dyen Godt benade in divorsche voyaggien, de welcke Pierre hier nae werde gheinfecteert ende besmet van de sieckte der laserye ende in synen tyde begonst heeft te doen maecken de voorscreve capelle ende godhuyse, om de welcke hem by wylen onsen seer lieven ende beminden Heere ende vader, den Coninck van castil- lien, weyns ziele Godt genadigh sy: geoctroyeerd ende verleent syn geweest brieven van te moghen haelen d' almoesen van de goede luyden tot proffyte der selver capelle.

Welcke capelle de voorcreve supplianten; mitsgaders de broeders en de susters, hebben volmaeckt ende habben daertoe geveught diverse anders huysen ende logisten voor de arme vant voorscreven broederschap, ende om 't onderhouden deser broe- derschap in eens seeckere regule; soo syn gestelt ende geordonnert vier dekens, te weten die sy t'elcken jaere met gemey- ne conventen sullen kiesen , de welcke seeckeren tyt geleden gecosen ende gemaeckt syn geweest, byeenen gemeynen accorde ende consente van de gemeyne broeders ende susters van de selffde broederschap, ende hebben gemaeckt seeckere statuiten ende ordonnantien in sulcn manieren ende soodie onderhouden worden in onsen lande van Vlaanderen, Zeelant ende in 't landt van Veerne. De welcke statuten ende ordonnatien de voorscrevene broeders en susters hebben geaccepteert ende aanveert, geapprobeert en de willichlyk bekent voor notaris en getuigen van den date XV-den vyffthiensten dach Augusto, en daar voor schepen van Rumpst ... ende des t' ooirconden hebben wy onsen zegel hier doen aanhangen, gegeven in onse stadt van Brussel den XXIIXI- ten dach van Augusto in 't jaer ons Heeren XV een en dertich.


Er bestond dus een broederschap met dekens aan het hoofd en zij vroegen aan Keizer Karel om een broederschap mogen op te richten voor de arme melaatsen van Lazernij en om almoesen mogen op te halen. Keizer Karel confirmeerde de bestaande statuten voor Notaris en getuigen alsook voor de schepen van Rumst en dit in het jaar 1531 (O.L.Hemelv.)
.
Philip de Tweede, zoon van Keizer Karel confirmeerde deze statuten op 4 dec. 1564. Wij vonden een kopij van deze oorkonde in de Pastorij van Rumst. Philippus de Vierde deed hetzelfde in 1623 en steeds stond er in vermeld "dat de leprozen zullen vergaderen op den dach van O.L.hemelvaart met alle siecke en Lazersche mensen van geheele landen van Brabant en zullen lezen een devote missen met diacre en subdiacre en des anderen dach vigilien"... Het was Philips de Vierde die ook de grote beschermer was van de beruchte kapel van O. L. Vrouw van Goeden Wil te Duffel. Wij vonden de namen van vier priesters uit Rumst die er fungeerden:
in 1571 E.H. Dillens
in 1572 Vandevloer
in 1602 K. Kneef
in 1602 Grégoire Boxti.

Verdacht men iemand van melaatsheid, moest hij verschijnen voor zijn gemeentebestuur. Fr. Demeyer schrijft in 1852 in de Analen van de Soc. de Willebroek:

"que partout les hommes de peine ou les Ribuauds (Ribal dypy- ners) étaient chargés de faire la découverte des lépreus, dès qu' ils avaient trouvé un, ils lui remettaient, des gants et lui enjoignaient de faire constater son était de lépreux à
l'hopital des lépreux".


In Brabant werd de aangehouden leproos naar Terbank - bij Leuven - gevoerd dat reeds in 1197 gesticht was door Hendrik de Eerste, graaf van Brabant. De Priorin van Terbank, Joanna van Schoonvoort, was bijgestaan door de drie oudste zusters en waarschijnlijk door een heelmeester. Een verdachte moest een nauwkeurige proef ondergaan. Eerst onderzocht men de aard der wonden, dan trokken zij enige haarpijlen uit het hoofd, uit den baard of wenkbrauwen en indien wortelen dier haarpijlen vleesachtig waren, dan werd dit aanzien als een waarachtig teken van melaatsheid.

Ten laatste staken zij een naald in den hals en de voetplanken en zoo de kranke deze operatie niet voelde, besloot men met zekerheid dat hij melaats was. De Priorin sprak het vonnis uit en de bedelaarstocht begon naar RUMST en onmiddellijk waren de leprozen ten dode opgeschreven. Zij werden in het Godshuis of in de hutten opgenomen.

Te Rumst moesten zij een grouwen mantel dragen met kap, een zwarten vilten hoed met een wit lederen boordsel bedekt, verder een gaanstok zonder punt met korte gaffel en de beruchte klep die men op 50 meters hoorde. Al die hieraan te kort kwam en zijn naam niet opgaf, verbeurde een gouden ridder, een ton bier en een pond was.


Al de leprozen van Brabant waren verplicht deel uit te maken van het broederschap van Lazernij. Het is misschien wel nuttig een woordje te gewagen over de ROEPKENS KAPEL te Kontich die dagtekent van 1490, daar stonden ook pesthuisjes bekend in de toponomie van Kontich als Lazernij of Lazerie waar zich de pestzieken of melaatsen van de gemeenschap moesten afzonderen maar in 't begin der XVII-de eeuw werden deze huisjes aan niet zieken verhuurd en de pestlijders uit die eeuw werden blijkbaar elders verzorgd o.a. te Rumst. (Van Passen).


Hoe leefden de Leprozen te Rumst?
Er bestond dus een broederschap te Rumst en de Priorin van Terbank gaf hare goedkeuring in 50 statuten dit bij akte van Notaris Vanranst uit Thienen van 13 aug. 1528 die zegt:

"De melaatsen die in Brabant, Henegouwen en de confinne zijn gezeten, gesticht en fondeert in der Capelle gestaan onder de parochie van Rumst des bisdoms Cameryck op der heirstrate van Antwerpen naar Mechelen" en bevat de eed van getrouwheid van de leprozen der gilde".
 
Keizer Karel bekrachtigt deze statuten in 1531. In de akte staan 91 melaatsen met naam en herkomst vermeld. In 1523 waren er 110. De valide melaatsen of de veldzieken met de kleppe moesten gaan bedelen. Op O.L.Vrouw Hemelvaart moesten zij de kerkelijke diensten bijwonen, bij overlijden moesten zij begraven worden op het leprozenkerkhof of nabij zijn hut en alles werd afgehaald voor de kapel.

Als broeders vochten: boete van een gouden ryder, een ton bier en een pond was. Dubbel boete bij vechtparty tegen gezonde mensen. Zij mochten niet reizen zonder toestemming van de Pastoor en moesten steeds overnachten in een Leprozenhuis.Al de leprozen moesten elkander huisvesten, mochten geen handel drijven of spreken met gezonde lui, niet pintelieren of dobbelen met niet aangetaste mensen. Zij mochten te Rumst bier halen bij de waard van het leprozenhuis.

Op vloeken stond een boete, zij moesten altijd bedelen in leprozenkledij en alles onder elkander verdelen. Gezonde mensen die leprozen lastig vielen konden vervolgd worden. Rumst werd bestuurd door vier dekens. De dekens werden jaarlijks herkozen gedurende de feesten van O.L.Vrouw Hemelvaart. zij deelden de boetes uit en stelden op hun beurt "BUSDRAGERS" aan, die de boeten moesten ontvangen. Als de dekens te strak optraden, konden de leprozen in beroep gaan bij de geestelijke overheid.

Wij ontdekten vier dekens in den Eedtboek van Lier, beginnende van 24 Mei 1617 en eindigde 1692:
Anthonis van de Eynde 5 Oct. 1656
Hendrick Mens. 20.7.1665
Cornelius Abts22 Juli 1684
Guillaume Huyghe16 Nov. 1692

De boeten werden verdeeld als volgt: twee vierden aan de Leprozen, één aan Terbank en aan de Dekens. Die niet betaalden, vlogen de cel in of werden verwezen tot een bedevaart. Elke melaatse kreeg 16 en half stuivers voor zijn onderhoud per week in Rumst. De verplichte bijeenkomst van al de Leprozen van het Graafschap Brabant te Rumst op O.L. Vrouw Hemelvaart was zeer vermaard, want zij aasden met veel ongeduld op de fameuse eetpartijen van Rumst. Zelfs Molanus , Professor van Theologie te Leuven schreef over deze leprozentrek van Rumst in 1565.

Hij schreef: Habent omnes leprosi Brabantiae in Rumpst apud Waelhem confraternitatem sub certis statutis, ubi leprosarium fundavit Petrus Vanden Crice, leprosus, qui, duci Carole in multis prefectionibus servivit. In die Assumptionis beatae Mariae conveniunt ad sacrum en prandium sequenti die ad sacrum defunctorum.


Na de mis greep een openluchtmaaltijd plaats, die gevolgd werd door feesten en brassen. Deze feesten kregen wel een Breugeliaanse tint en van de drankpartijen die er op volgden zegt Tricot: "étaient assez huisibles à la bonne tenué générale en les festivités annuelles de Rumst ou kermesse des lépreux étaient moins qu'édifientes".

De overste van Terbank - waarvan Rumst afhing - stond er tuk op van het algemeen melaatsencomplex te beheersen in Brabant wat Moeder-overste van Terzieken uit Antwerpen steeds betwistte. Gevolg: proces dat Prims uitvoerig bespreekt in zijn studie over Terzieken. De Antwerpse melaatsen waren verplicht naar Rumst te gaan op O.L. Vrouw Hemelvaart en zij deden dit zeer graag. In het verweer van Terzieken leest men "gemerkt dat 't selve maar soo gedient hebben om de breuken van de Dam met die van Rumst op te brengen met schossen'en brossen, met onbehoorlijke publiekheden die daarnae volgde." De Dam - de mannelijke afdeling van Terzieken - haalde de slag thuis en de Antwerpse leprozen moesten niet naar Rumst tot hun groot spijt. De Grote Raad van Brabant sprak het vonnis uit.


Niet-melaatsen konden zich lid maken van de gilde en betaalden een "blanc" en een pond was, dat doodschout of doodschuld heette, zo genoemd omdat men de leprozen aanzag als zedelijk gestorven.

De behandeling zult u vragen?
Weinig of niets, daar zij als ongeneesbaar aanzien werden. Men gaf baden, men liet bloed, men gaf kwik tot overvloedig speeksel, antimoniale produkten, afkooksel van houtsoorten, sweeten, sober eten en uitmergelen. Kardinaal D' Aragon deed in 1600 een reis door Vlaanderen en schrijft dat "a cause du beur re et du laitage dont on use beaucoup en Flandre et en Allemagne, ces pays abondent en lépreux". De overvoeding moet wel slecht aangeschreven geweest zijn.


Hoe eindigde het Melaatsendorp van Rumst?
Einde zestiende eeuw waren de geïnterneerde leprozen nog talrijk; maar rond 1660 was overal de melaatsheid merkbaar verminderd. De verplichte internering, verbod van het huwen en het aanscherpen van Dokters diagnostiek waren hier niet vreemd aan. In Mechelen waren in 1640 geen melaatsen meer.

Men interneerde zelfs gewone huidziekten en er bestond reeds een zekere plantrekkerij om van de voordelen van het broederschap te genieten. Officieel neemt men aan dat de melaatsheid in 1670 opgehouden had.

In 1600 werd de kapel fel geteisterd door de staatse troepen en in de Antwerpse archieven vonden wij nog een bewijs van de bedenkelijke toestand der kapel in 1626. Het Lazarusdorp is langzaam aan het kwijnen gegaan, maar de begankenis van Augustus is onverstoord blijven voortbestaan tot heden toe.

Rumst beschikte over de eigendommen door edelen geschonken van die tijd en wij lezen in een document van 1741, dat de Dekens toen nog de goederen met de kapel bestuurden. De Dekens richtten zich in 1741 tot de soevereine Raad van Brabant met een rekwest en hierin beklagen ze zich over Notaris J. Berckmans die in Juni van dat jaar beslag wilde leggen op de huur betaald voor de labeurland dat toebehoorde aan de kapel en op de opbrengst van de offer gedaan door de pelgrims. Deze aanslag ontneemt aan de Lazarussen hun "subsistentie" en doet de kapel in verval gaan, indien niet zonder verwijl herstellingen uitgevoerd worden.

De Fondaties gedaan aan de Kapel, kwamen van adellijke families en stonden onder de hoede van de Raede fiscaal van hare Majesteit. Daarom vroegen zij ootmoedig om bijstand. Het volgende document is onvolledig maar omvat de beslissingen van de Raad van Brabant. Het officieel fiscaal "inclineerde favorabelyk de bede en de supplicatie". De Dekens van Rumst wonnen het geding.

Verder zijn er nog getuigenissen van oude schippers die verklaren dat zij wisten sedert vele jaren dat de lazarussen het recht hadden een tol te heffen op de rivier de Nethe. De schippers van Mechelen bleven vrij, maar de anderen moesten de Lazarustol betalen.


Jozef de Tweede sloot in 1783 Terzieken en Terbank waarvan Rumst afhing. De kapel is nu eigendom der C.O.O. van Rumst geworden, waarschijnlijk na de inbeslagname door de Franse bezetter.

Op 12 Aug. zijn wij de begankenis gaan bijwonen te Lazernij. Een massa volk woonde om 10 ure de H. Mis bij, gezeten op het voorplan op banken, waar eens de Leprozen van het graafschap Brabant samen kwamen, gelijk het beschreven staat in de brieven van Keizer Karel, Philips de Tweede en de priorin, Joanna van Schoonvoort uit Terbank. Na de mis, zegening met de aloude relikwie van de H. Rochus, daar het nu een vermaarde begankenis geworden is voor huidziekten. Daarna vulden de bedevaartgangers hun flessen met gewijd water en verlieten de kapel langs de aanpalende hoeve, onder de fameuze fresco die aan het verdwijnen is.


De leprozenbraderij van 1531 is omgezet in een felle bezochte kermis, de molens draaiden reeds, en van einde en verre kwamen de kermisgangers op hun manier de begankenis inzetten.


N.B. Wij raadpleegden de volgende schrijvers: E.H. Sel die een merkwaardig boek schreef: Proeve van Historische Mengelingen over het 't Land van Rumst (1874). Kannunik Steenackers : Boom in het verleden.

Verder bijdragen van de E.H.Lamot, Buts, Nagels, Tricot, Van Schevensteen, Cornelissen, Demets, Slootmaekers, prims, De Wachter, waarvan de handschriften berusten in de stadsbibliotheek van Antwerpen en in de Archieven van Antwerpen.



 

Het hondefretterspad

Louis Somers
Ere-voorzitter Ten Boome


De Bomenaars worden in de volksmond "hondefretters" genoemd en daar zijn ze natuurlijk fier op. Hoe zulks gekomen is, herinneren er zich niet zoveel meer. Om deze geschiedenis op te frissen, besloot de geschiedkundige studiegroep "Ten Boome" in samenwerking met het Boomse Gemeentebestuur het "Hondefretterspad" te ontwerpen en in een mooi verzorgde brochure uit te geven. Als fietsroute vanuit Boom naar Grimbergen loopt het pad over een gedeelte van de traditionele weg, die de hondenopkopers af legden. De brochure bevat eveneens een samenvatting van het hondefrettersgebeuren en korte beschrijving van de plaatsen die men onderweg tegenkomt. De voorliggende tekst is echter de integrale versie van het opzoekwerk van Louis Somers.

Hondenkooi
 

1. HULDE AAN HET VOLK VAN DE RUPEL EN HET HUISDIER.

Onze herinneringen aan de periode 1940-1945 zijn deze van voedselschaarste, hamsteren, de zwarte markt en alle middelen die aangewend werden om per familie de monden open te houden.

Gelukkig dat kunsthoning en panharing regelmatig voorhanden waren en vele monden tijdig gevuld hebben ! Ook tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 maakte de voeding het grote probleem uit. De toen aangewende middelen om de bevolking aan mondvoorraad te helpen waren echter spitsvondig en spectaculair ! Hierdoor is onze gemeente Boom op een leuke wijze in de folklore gebracht.

Onze gemeente kende onder wereldoorlog 1 enkele groepen "sluwe durvers", die op één of andere wijze ontsnapt waren aan deportatie naar Duitsland, door o.a. actief lid te worden van de vrijwillige brandweer. In de wijk "achter 't gasthuis" of op de Schomme treffen wij van die stoere mannen, zoals Jef De Lathouwer en "Peer den Haring" (Buelens). Een nicht van Peer, Wiske Verhoeven, echtgenote van "Frans De Vlam". (Van Breedam) had nog twee broers Soo en Jul Verhoeven. Deze mannen gingen geregeld naar Mechelen en de Antwerpse vogelmarkt om honden te kopen.

Ook Noeveren bleef niet achter. Een ploeg, die regelmatig te voet naar Brussel ging om honden te kopen, wilde zo het tekort aan rundvlees oplossen! De geijkte weg naar Brussel vertrok via Klein-Willebroek en liep over het jaagpad van de boottrekkers langsheen het kanaal. In de grootstad kochten zij op de zondagmarkt honden op!

De begoede Brusselse burger was naargelang de oorlogsjaren vorderden niet meer in staat zijn dier te voeden en het werd aan onze "opkopers" van de hand gedaan. Zo luidt althans de historische versie. Of onze "opkopers" nu al die honden wel kochten, blijft toch de vraag. Af en toe zal er ook wel een hond hen tegen het lijf gelopen zijn en werd deze 'gratis' opgekocht.

Tot daar de mondelinge overleveringen die wij thuis te horen kregen. Ze werden zeer smakelijk verteld door vader Somers, die zichtbaar spijt had dat hij er nooit had kunnen bij zijn. Nonkel Soo Somers, de oudste van hun talrijk gezin, die behoorde wel tot de "sluwe durvers".Het gebeurde zelfs dat men tweemaal per week te voet naar Brussel ging, dus op één dag te voet heen en terug, dan moest men wel zijn man kunnen staan.

Op de terugweg waren er wel eens problemen. En hiervan hebben wij nu nog een levende getuigenis. Onze buurvrouw, Maria Cop-Ceuppens, J. Wautersplein 8, woonde als klein meisje aan het kanaal te Humbeek. Zij heeft meerdere malen gezien dat er een grote ploeg mannen met honden voorbij marcheerde, komende van Brussel in de richting van Willebroek. "En die ploeg mannen had een kruiwagen bij om de vermoeide honden, die door hun poten zakten op de kruiwagen te laden, om alzo de dieren thuis brengen." En 't gebeurde ook volgens de overlevering van onze moeder Sylvie Possemiers dat men vermoeide honden in de nek of over de schouders moest dragen. Dat was volgens haar zoals op het schilderij van "Het Lam Gods".

Elke thuiskomst van een ploeg hondenopkopers lokte telkens veel belangstelling bij de bevolking. Zij werden zelfs tegengewandeld tot Klein-Willebroek. Iedere "opkoper" had dan wel drie tot vier honden bij zich en volgens de overleveringen waren zij steeds met een talrijke ploeg om de mars langsheen het kanaal te ondernemen. De dag na de thuiskomst ondergingen alle honden hetzelfde lot. Men kon niet te lang wachten, want eten had men niet voor hen. Met de kop tussen de knieën van de slachter kreeg de hond een klop van "den houten hamer" op het voorhoofd en het kwaad was geschied.

Wanneer het gebeurde dat er zich eentje losrukte, dan was het wel een heel waagstuk om deze terug te pakken te krijgen, struggle for live! De geslachte dieren werden veelal in onze grootstad Antwerpen aan de man gebracht. Daar was vanzelfsprekend meer tekort aan levensmiddelen dan op den buiten. Ook de nabij gelegen stad Mechelen werd bevoorraad. De naam Mechelen is verwerkt in een volksliedje over de hondengeschiedenis.

Heel dit gebeuren geschiedde zonder toezicht. Men handelde in de grootste overtreding tegen de bestaande wet op de vleeskeuring. "Den Beenhouwersbond" verzocht in september 1916 om een keurdienst in te richten en deed een of officieel verzoek aan het Schepencollege op 4 september 1916. Er ontstond ook heel wat beroering vanwege hondenverenigingen van Hoboken en Antwerpen, zo vermeldt immers het verslag van het Schepencollege van 15 juli 1916.

Ook de stad Brussel maakte melding aan het Boomse gemeentebestuur"dat er alle zondagen op de hondenmarkt te Brussel oude trekhonden werden opgekocht door personen van Boom, en dat die honden dienden om afgemaakt te worden tot verbruik van levensmiddelen-voortbrengselen"! De bezettende overheid, die te Boom verbleef in de "Kommandantur", een herenhuis gelegen nabij het gemeentehuis in het nummer 68 (nu parking Superpost), was zo verstandig om van de nood een deugd te maken. Op 6 augustus 1917 werd het politiereglement op het slachten van honden in de gemeenteraad goedgekeurd.

In afwachting van de beslissing van de gemeenteraad was op 11 juni 1917 een hondenslachterij in werking getreden in de gebouwen van de paardenslachterij van Dhr. Miller. Opgericht in 1904 was deze, gezien de omstandigheden, niet meer in werking. Volgens het kadasterplan, afgedrukt in het boek "Van een Boom aan De Rupel", was de plaats van het gebouw in de Antwerpsestraat, 320 (thans verdwenen in de open tunnel), op 120 tot 140 m. afstand van de hoek van de 's Herenbaan in de richting van Antwerpen.

Volgens voornoemd politiereglement moest het slachten van honden uitsluitend daar gebeuren en nadat de dieren gekeurd waren op wormen. Het slachten geschiedde op Maandag. Nonkel Soo is er als de kippen bijgeweest om zijn "lieverdjes" te laten slachten. Zijn naam prijkt op het eerste blad van het register dat aangelegd werd in 1917 in uitvoering van bovenvermeld politiereglement. Elk familielid van nonkel Soo werd zeker bedacht met zijn rantsoen. En wie in 1917 zijn eerste tanden had, heeft er van geproefd. Daar zorgde vader Somers wel voor, die van grappen hield. Zo kreeg mijn broer als tweejarige zijn portie in de mond geduwd. Dit was natuurlijk tegen alle protesten van moeder in, want hondenvlees was taai en bitter en zo iets was niet voor jonge kinderen. In zijn eenvoudige helderziendheid voorspelde vader dat Boom met "de hondenopkopers" in de geschiedenis zou treden.

Het meest opmerkelijke van heel de Brusselse-Boomse hondengeschiedenis is, dat men te Antwerpen en ook te Mechelen het meest van al vlees heeft gegeten. Maar de Bomenaars hebben er de naam en de faam van "Hondefretters" aan overgehouden! Het volkslied: Boe Boe 't is van den hond. Hulde aan de zangkultuur.

Hendrik Conscience leerde zijn volk lezen. En Peter Benoit leerde zijn volk zingen. Maar de weg was lang die de betere zangkultuur moest afleggen vooraleer zij over de goede volksklasse heen, de arbeidende massa had bereikt. Tegen die tijd was de zangkultuur fel afgezwakt. Men gaat zoeken in de folklore van het arbeidersgezin, dat de lange werkweek met een korte zondag beleeft.

Een onbekende enkeling zong en beïnvloedde hierdoor de massa, die de zanglust overnam. Men zong uit geldingsdrang en manifesterend tegen de lange zware dagtaak. Men zong tijdens die korte zondagpauze, of tijdens de wijkkermis in de kroeg. En wat men zong, dat deed er niet toe! Maar men liet zich horen. Simpele straatliederen waaronder onder andere Boeboe 't is van den hond!

Hond eten is ouder dan de oorlogsperiode 1914-1918. Men deed dit in de Boomse eethuizen reeds lang voor 1900. Toen de eerste steenlegging plaatshad van de houten brug op 21 juli 1837 waren er journalisten aanwezig die in Boomse eethuizen hond gegeten hebben. Dit kon in de af spanning "De Scheepvaart" in de Leopoldstraat, gesloopt in 1994, en ook in café "Logement" dat gelegen was waar nu de viaduct ligt in de Kolonel Silvertopstraat!

Het liedje over hond eten bestond ook. Karel Hellemans, secretaris van een metaalvakbond, vertelde ons dat hij als zesjarige in 1912 Chareltje De Maeyer, broer van Réné de garde, het liedje over hond eten hoorde zingen.

Men mag onze mensen de waarde van de tekst niet ten kwade duiden! Hun levenswijze kan ons doen denken aan Breughel en de wijze waarop hij het boerenleven op zijn schilderijen voorstelde. De periode waarin onze ouders en of grootouders zijn opgegroeid, was die van de jeneverploeg. In het centrum van Boom aan de trappen van het viaduct over de Kolonel Silvertopstraat bevinden zich twee levensgrote honden, uit arduinsteen gebeiteld. Zij bewaken als het ware deze trappen, die leiden naar de Rupelbrug, die op 8 juli 1939 door koning Leopold III ingehuldigd werd.

Vanop de Rupelbrug overschouwde men eveneens het grootste baksteenproducerende gebied ter wereld. Begonnen te Hemiksem met de paters Bernardijnen in 1246, hield zij zevenhonderd jaar ambachtelijk stand, tot de elektronica in het begin van de jaren 1960 verandering bracht. Met zestig familiebedrijven in 1940 en tachtig schouwen van ringovens, die allen getooid waren met een sierlijke rookpluim, was dat ooit een garantie voor zesduizend arbeidsplaatsen.

Weetjes over Boomse brouwerijen-Bieren-Cafés

Gelegenheidsbrochure Open Monumentendag '94
door MARCEL VEREYCKEN

(oud-secretaris Ten Boome)

Op uitstappen met de vrienden hoort onafscheidbaar de zangstonde.
Telkens scheert het liedje van A. Preudhomme de hoogste toppen van de hit-parade.

"In de Brugse catechismus staat geschreven kort en goed
dat men spijzen al wie honger en wie dorst heeft laven moet.
Pintje klinken, pintje drinken Jongens wat een zaligheid
Wij doen mede aan het tweede werkje van barmhartigheid Schuimend
biertje, wat pleziertje bruine buik met witte kol
kom Marleentje, tap nog eentje, vul de glazen boordevol. "


Is het dan verwonderlijk dat ik, ter gelegenheid van Open Momumentendag 1994, even mijmer over de manier waarop vele nut standing Boomenaars, onze brouwers en cafébazen "de dorstigen laven" begrepen en gerealiseerd hebben. Want Boom was een dorp van eminente brouwers, stoere cafébazen en natuurlijk ook van stevige drinkers. Brouwen zat eeuwenlang de Boomenaars in 't bloed. In 1627 vinden wij reeds de Brouwerij Lieve Vrouwe "op den Amer, tegen de Steylse Kille" vermeld en even later ook de brouwerij " 's Graeven Amer". 'n Goede tweehonderd jaar later (1843) is het aantal brouwerijen opgelopen tot 17 eenheden, die terug te vinden zijn onder soms wel een gewijzigde benaming.

 1.  Brouwerij De Rolaf
 2.  Bier- en Azijnbrouwerij F. Eyckmans
 3.  Brouwerij De Boeck
 4.  Brouwerij Ch. Rijpens
 5.  Brouwerij J. Reyniers
 6.  Bier- en Azijnbrouwerij W. Van Reeth
 7.  Brouwerij J. Van Reeth
 8.  Brouwerij Huybrechts
 9.  Brouwerij J. Lamot
10. Bier- en Azijnbrouwerij F. Mertens
11. Brouwerij Ed. Lamot
12. Brouwerij F. Steenackers
13. Brouwerij A. Van den Bril
14. Brouwerij Lamot-Rijpens
15. Brouwerij R. Scheil.
16. Brouwerij Wwe. A. Sel
17. Brouwerij E. Reyniers
18. Brouwerij F. Maes
19. Brouwerij Gebr. De Wachter
20. Brouwerij G. Van Crombruggen
21. Brouwerij kinderen Maes
22. Brouwerij gebroeders Sel
23. Brouwerij J. Hubert
24. Brouwerij De Kepper

Wanneer onder druk van de omstandigheden op 30/1/1897 de brouwersbond van Boom en Omliggende Plaatsen wordt opgericht,vinden wij vele van deze brouwerijen terug als leden van den Bond. We kijken even de tekst in van de bijeenroeping van alle Heren Brouwers van Boom en 't verslag van deze vergadering.

Brouwersbond van Boom en Omliggende Plaatsen gesticht 30/1/1897.

Aan al de heren Brouwers van Boom, Wij verzoeken Ued. de vergadering te willen bijwonen op
maandag 1 februari om 7 uur 's avonds bij den heer S. Steenackers. Aanvaardt Mijnheer onze beste groeten,
Geteekend : G. Huybrechts Adolf Lamot, Louis Lamot.

 

Verslag der zitting van 1 februari 1897.

Mr. G.Huybrechts opent de zitting, na enige woorden van dank aan de Heeren Brouwers voor hun algemene opkomst doet hij het doel van de vergadering kennen.

Verschielige brouwers verkoopen te Boom sedert eenigen tijd het bier aan mindere prijzen namelijk de ton Faro aan 18 Franken en de ton Halve Gersten aan 12 Franken. Deze afslag welke weldra algemeen zou worden zoo wel voor de Burgerskalanten als voor de herbergiers zou de grootste verliezen aan de Brouwerij doen ondergaan.

Zijn de Heeren Brouwers van gedacht om aan de verminderde prijzen blijven te leveren? Eenparig is de vergadering van gevoelen deze fout nimmer te begaan en de oude prijs te houden zoowel voor verplichte als onverplichte kalanten.

Zijn er herbergiers welke zouden voortgaan zich te voorzien van bier aan mindere prijzen zoo zal men hunne namen bekend maken om hen aldus te dwingen hun bier van mindere kwaliteit af te slagen voor de verbruikers. Deze afslag welke niet minder als 2 centiem per halve lieter zou kunnen bedragen zou een vermindering van 6 Franken per ton Faro daarstellen tegen 2 Frank afslag per ton van wegens den Brouwer of een verlies van 4 Franken voor den Herbergier. Deze beweegreden bekend maken vindt men hoogst noodig en van allergrootst nut.

Een lid zegt dat sommige Brouwers voor een som van vijftig Franken tussenkomen in het te betalen recht voor den Genever.Dit gaat gelijk met een afslag van bier en is daarenboven af te keuren voor een Brouwer die aldus den verkoop van den Genever aanmoedigt Al de aanwezigen zijn het eens om te verklaren dat zulks niet meer mag geschieden van den oogenblik dat zooals nu dat men over een dezelfde prijs is overeengekomen.

De vergadering is van gevoelen dat het nodig is zoals de andere nijverheden doen een associatie van Brouwers te stichten,
alle soortige gevallen kunnen zich voordoen waarvoor eene algemene verstandhouding der Brouwers noodzakelijk is onder andere de
kwestie van den draf: deze dreigt een groote concurrent te krijgen in den Pulp.

Een voorlopige Commissie wordt gevormd bestaande uit de drie Heren
ondertekenaars der eerste bijeenroeping
Mr Gustaaf Huybrechts, voorzitter,
Mr Adolf Lamot en Mr. L.Lamot, secretaris.

 

Volgende brouwerijen sloten in 1897 aan als leden van de Brouwersbond van Boom en omliggende plaatsen.

BROUWERSBOND VAN BOOM EN OMLIGGENDE PLAATSEN. GESTICHT IN 1897

L E D E N L I J S T


          BOOM

  • HUYBRECHTS Gustave
    Tuyaertsstraat
  • LAMOT Louis
    Veerdam ( Kaai )
  • LAMOT Adolf
    Kerkstraat
  • VAN DEN BRIL Alfred
    Grote Markt
  • BRIAT Emiel
  • LAMOT Herman (later Jos. LAMOT)(Hubert)
  • STEENACKERS Albert
  • DE KEPPER-REYNIERS Emiel
    Vrijheidsstraat(nu Col. Silvertopstraat)
  • VAN REETH Casimir & Emiel
    Antwerpsestraat
  • MAES Henri
    Hoek
  • SEL Michel
    Vrijheidstraat
  • De BOECK Jules & Edmond
    Antwerpsestraat
  • VAN CROMBRUGGEN Gustave
    Kerkstraat
  • DE WACHTER Gebroeders
    Molenstraat

    NIEL
  • D'HOOGHE
  • MEVROUW LAMOT
  • DE SMEDT-LAMOT

    RUMST
  • VAN DEN WIJNGAERT
  • NAGELS
  • VERREPT

    TERHAGEN
     
  • DE BEUKELAER
  • LOUIS LANDUYDT-SOMERS
  • SWENDEN

     WAARLOOS
  • MAES GEBROEDERS
  • SPRUYT

    KONTICH
  • HUYBRECHTS
  • VAN BREEDAM

    HEFFEN
  • VERSCHUEREN

    EIKEVLIET
  • VAN HOOYMISSEN Désiré (later MOMROY)
  • VERSTRAETEN JAN
  • GENIETS

     

    BLAESVELT

  • VAN ROY ( VAN ROEY ?)
  • VAN DEN BOGAERT

    WILLEBROEK
  • MERTENS Emiel
  • LAMOT Désiré
  • VAN DEN BOGAERT
  • DE JONGHE Edgar
  • MINAZIO

    TISSELT
  • DE WIT

    BREENDONK
  • MOORTGAT

    ST.AMANDS
  • REYNIERS JOSEPH

    HINGENE
  • VAN KERCKHOVEN
  • ROELANDTS

    BORNEM
  • CAMMAERT

    LIEZELE
  • VAN ASSCHE

    AARTSELAAR
  • VAN BRANDT
  • DE BOECK
  • PAUWELS FRANCIS

    REET
  • DE MEULDER
  • PHARAZYN
  • DE WEERDT


    SCHELLE
  • SCHOESETTERS
  • WACHTERS


    HEMIKSEM
  • BOEY LOUIS
  • VAN CONINCKXLOOY
  • SEELDRAEYERS
  • VERBEECK
  • LES BRASSEURS REUNIS (soc.coop.)

    Vermeld zonder gemeente
     
  • SPRINGAEL April 1897
  • VLOEBERGHS 1923
  • CUYKENS 1/5/97
  • DE MEYER Leon 1/5/1897
  • VAN DER MEIR 5/6/1897

    De voorlopige Commissie, aangewezen op de vergadering van 1.02.1897 ,leverde flink werk en verkreeg op de algemene vergadering van 03.04.1897 de goedkeuring van het Reglement van den Brouwersbond van Boom en omliggende plaatsen. Het reglement, gedrukt bij de Drukkerij van E.J. Olbrechts, Hoogstraat 8 werd in boekvorm uitgegeven, bevatte 7 hoofdstukken, 28 artikelen en 10 wijzigingen.

 

Na 10 jaar werking van de bond werd volgend aktiviteitsverslag voorgelegd:

Boom, 1 Februari 1907
Verslag der werkzaamheden van den Bond gedurende de 10 jaren
periode van 1/2 1897 tot 1907.
----------------------------------------------------------
Mijnheeren,
Bij den aanvang van dit verslag, acht ik het mij als een ware plicht een welverdiende hulde te brengen aan de nagedachtenis van
de leden welke de onverbiddelijke dood heeft ontnomen gedurende ons tienjarig bestaan.

Wij hadden vooreerst in 1900 het verlies te betreuren van den Heer Emile Briat medestichter van onzen bond. Kortelings na den dood van den Heer Briat, in 1901 werden wij in den rouw gedompeld door het afsterven van den Heer D'Hooge van Niel,ondervoorzitter.

In 1903, werd den heer Van Brandt van Aertselaer, bestuurslid van onze Associatie, ons ontrukt.Het waren drie van onze getrouwste en beste leden. Na het vervullen van deze droeve plicht, gaan wij over tot het ontstaan van onzen bond.

Den 1° Februari 1897 over tien jaren dus, bijna dag op dag vergaderden voor de eerste maal de Boomsche Brouwers! Het was een algemeene jammernis van klachten: de eene confrater verkocht de ton faro aan 19 fr, de andere aan 18 fr, een derde had zelfs den prijs van 17,50 fr, toegestaan, de halve gersten werd verkocht tot aan 12 fr in plaats van 14 fr.

Op de vraag of men op deze noodlottigen weg ging voortgaan en de Brouwerij tot den ondergang veroordeelen werd eenparig besloten tot de oude prijzen terug te komen en dezelfde te handhaven. De Herbergiers zou men overtuigen dat hun belang was, bieren van goede hoedanigheid in te nemen, dat ten andere, het verkoop van bieren van mindere kwaliteit aan verminderde prijzen, ook een afslag voor den verbruiker zou veroorzaken, en ten laatste nog een verlies voor hun, zou daarstellen.

Het stichten van eene Brouwersassociatie werd dan ook beslist; het doel zou zijn: het standhouden der prijzen van het bier en de verdediging der algemeene en plaatselijke brouwersbelangen. De herbergiers zoowel als de Brouwers verstonden nog al wel hunne ware intresten!

Aangemoedigd door dezen uitslag, noodigden wij de confraters van den omtrek uit op eene Vergadering gehouden den 27 Februari 1897: de besluiten genomen door de Boomsche Brouwers werden bekrachtigd.

In zitting van 3 April, werd een bestendig bestuur gekozen en het reglement aangenomen,het getal leden beliep toen 27. De nieuwe maatschappij vergaderde in den beginne bijna maandelijks. Opsommen wat al nuttige instellingen en verbintenissen er tot stand kwamen zoude ons te ver brengen, vergenoegen wij ons met de voornaamste aan te stippen:

--De verbintenis aangegaan(door het teekenen van 2 wissels en blanc) geen bieren aan verminderde prijzen te leveren, op straf van eene boete van 100 franken.

--De inrichting van den Zwarten Boek voor het inschrijven der slechte betalers.

--De aankoop in het gemeen van hop en klaarsel.

--De verbintenis van geene bieren te leveren in elkaars verplichte herbergen op straf van boet.

--Het contract aangegaan met " La Continentale " en later met "La Caisse Patronale" voor de verzekering der werklieden en der rijtuigen.

--Het akkoord voor het geven der nieuwjaars.

--Het verdrag om den inhoud der tonnen te bepalen op 165 liters met 3 liters tolérance.

--De aanstelling van den heer Constant Rossaert voor het achterzoeken der slecht betalers.

--Het verwittigen der confraters door gedrukte postkaarten bij 't ontdekken van achtergebleven vaten.

--Den opstel en uitgaaf van een werkplaatsreglement.

--Den uitleg nopens de comptabiliteit der ledige vaten.

--In 1901 stemde de Bond zijne aansluiting bij de algemeene Brouwersvereeniging van Belgie en nam aldus een werkelijk deel aan al de groote vraagpunten welke de Belgische Brouwerij bezig hield: onze voorzitter den Heer Gustaaf Huybrechts werd als afgevaardigde bij de Algemeene Brouwersvereeniging aangeduid.

--De Brouwersbond hield eene bijzondere vergadering waar al de Brouwers van den omtrek uitgenoodigd waren tot de bestrijding van de inkomrechten op het mout, gerst en hop, een petitie werd verzonden en kennis werd er van gegeven den Heer Van Reeth, volksvertegenwoordiger van BOOM, den Heer Lefebre, volksvertegenwoordiger van Mechelen werd insgelijke aangesproken.

--Wij teekenden verzet tegen der glazen, den taks op de densiteit.

--Wij vroegen de uitbreiding der bevoegheid der rechters tot de handelszaken van min als 300 Fr waarde, en eindelijk stemden eene bijdrage voor de Huldebetooging Tack, voor de collectiviteit der Luiksche tentoonstelling en voor de opbeuring der Belgische Hopkweeking!

Op wetenschappelijk gebied bleef onze Vereeniging ook niet ten achter: acht conferencies werden er gegeven:
zoo hadden wij het genoegen den heer Van der Hullen, Bestuurder der Brouwersschool van Gent te hooren over de Verzekeringsmentaliteiten.
De Heer Siret, van Antwerpen sprak over de Elektriciteit.
De Heer Prosper Callebaut van Aalst over den Maïs.
De Heer Arthur Van Roost van Werchter over de Sucre Interverti.
De Heer De Smet, leeraar over: Het Brouwen.
De Heer Miserez, Staatslandbouwkundige, over de Belgische Hop.
De Heer Jacques Tonnaer, Brouwersingenieur over het gebruik aan het vergunningsrecht, de ijking nieuwe herbergen, het minimum van aan de Brouwersschool van Gent van den maïs.
De Heer Verfaillie, scheikundige der Brouwersvereeniging van Antwerpen over het Brouwen en het drijven van het bier.

Ten einde aan de vooruitgang van de Brouwerijwereld deel te nemen,richtte de Brouwersbond verschillende uitstappen in welke allen
een leerrijk doel hadden.
In 1899 deden wij een reisje naar Aalst-Hekelgem om de Aalstsche hopbeplanting te gaan bezichtigen,
in 1900 naar Aalst en het hopkwartier, ten einde een brouwsel met maïs vervaardigd te gaan bijwonen bij den heer Van der Schueren,en de hopstreek nogmaals te bezoeken.
In 1900 namen wij met onzen drapeau, in groot getal deel aan het Brouwerscongres Franco-Belge te Parijs. Talrijke vrienden (we waren wel samen met 30) vergezelden ons om de Wereldtentoonstelling te bezoeken.
In 1902 bezochten wij Kortrijk, Harelbeke, de bakermat van den Genialen Peter Benoit, Vlamertinghe, Yperen, Veurne en Oostende, het land
der Poperingsche hop, de brouwerijen Pollet, De Coninck en Dubois.

In 1903 gingen wij een brouwsel met den filterpresse gemaakt, bijwonen bij den heer Van den Schriek te Thienen, doorliepen de werkhuizen Gilain en reisden verders naar Luik en Seraing alwaar  wij een bezoek brachten aan de werken der aanstaande tentoonstelling, aan de Brouwerij Ortmans, en aan de werkhuizen Cockerill. Wij werden op bijzondere, gulhartige wijze, ontvangen door onze Luiksche Confraters !
In 1904 beantwoorden wij aan de uitnoodiging der Brouwersvereeniging van Gent om aldaar de Beurshop-tentoonstelling te komen bezichtigen, het werd ons ingsgelijks toegelaten de Brouwerijen American, Leclerq en Verhulst en de Brouwersschool af te zien. In 1905 namen wij met onzen Bond deel aan het Congres van Luik.
De Heer De Keersmaeker van Wolverthem ontving ons insgelijks dit jaar om zijne drijfkuipen te toonen en ter gelegenheid van onze jaarlijksche algemeen vergadering, brachten wij een bezoek aan de maïs en bloemmolens van den Heer Camille Rypens.
In 1906 woonden wij de Hopmarkt van Assche bij en bezochten de Brouwerij van den heer Dubois van Lebbeke. Het aangename werd zoomin als het nuttige in onzen bond verwaarloosd: de boog mag immers altijd niet gespannen staan!

Elk jaar werd gesloten met een banket waar de grootste vreugde maar ook de beste eensgezindheid heerschte en welk voorzeker bijdroeg tot de goede overeenkomst tusschen de Confraters.Gij komt te bestatigen, Mijnheeren, dat uwe Bestuur, gedurende dit tienjarig tijdstip niet onledig is gebleven: dit is te danken aan onzer ieverigen voorzitter, den Heer Gustaaf Huybrechts die zich altijd heeft beijverd om voor onzen bond nieuwe leden bij te werven en zoo veel nut en verzet mogelijk te verschaffen!

Trachten wij zijn voorbeeld te volgen, Mijnheeren, en ieder in het bijzonder te werken, opdat de eenige confraters die onzen bond verlaten hebben, of welke er nog geen deel van gemaakt hebben, weldra onze rangen komen vervoegen.Wij hebben ondervonden wat wij waren afgezonderd en wat wij kunnen vereenigd: elders ook zijn daar lessen uit te trekken. Ik las onlangs in eenige nota's door den heer Grosfils zoon, geschreven, over zijne omreis in Duitschland en Oostenrijk het volgende:

A Munich les grandes Brasseries qui se faisaient sur place, une concurrence néfaste, se sont syndiquées et ont admis un règlement qui A pur but d'abolir les principales concessions qu'ils faisaient à la clientèle. Bien leur en a pris, car les bénéfices qu'ils en ont retirés sont importants et la clientèle continue à leur rester fidèle.

A Vienne, eest comme en Belgique, 1'entente fait complètement défaut: malgré les droits de fabrication élevés, tous les brasseurs se disputent la clientèle à coups de billets de mille florins et par 1'octroi de concessions sur concessions. On me cite deux Brasseries qui font le même bénéfice aves une production Tune de 200.000 hectos, l'autre avec une de 80.000 hectos. La moyenne de l'argent prêté A la clientèle s'éleve A Vienne A 10 p. c. du prix de vente de la bière, aussi les plaintes sont-elles générales.

Hadden wij over tien jaren ons niet vereenigd, het verlies door onze nijverheid geleden zou onberekenbaar zijn! Voor de toekomst, Mijnheeren, vergeten wij nooit de waarheid van onzen schoone Vader landsche leuze: Eendracht maakt macht!
Louis Lamot.

De bond ijverde verder, tot nut van 't algemeen der Brouwerijen. Maar grootheid en verval beloeren elkaar. Met het stilaan verdwijnen van de brouwerijen, verminderde ook zijn belang. Hij stierf dan ook een stille dood. Van alle deze boomse brouwerijen kunnen wij spijtig genoeg de geschiedenis nog niet maken. Van twee bekende brouwerijen echter serveren wij u volgend relaas.De heer Etienne Maes komt als eerste aan de beurt. Hij doet zijn verhaal van de brouwerij " Het Anker ".

BROUWERIJ " HET ANKER ".
------------------------
Etienne MAES


De familie Maes was eigenaar van een kleine steenbakkerij zoals er in de streek tientallen bestonden. Veel nieuwbouw was er niet en anderzijds werd er getracht de bestaande bedrijven te vergroten.De familie zag echter meer heil in een brouwerij dan in een steenbakkerij en zo startte "het Anker" omstreeks 1870. Met materiaal van de eigen steenfabriek werden café's en de brouwerij opgetrokken in de Hoek aan de Spillemaeckerslei of zoals in de volksmond de "Fleskeslei". Vader en 3 zonen (Florent-Arthur en Henri) runden de zaak. Een andere broer (Charles) ging zijn eigen weg.

Er waren toen te Boom 14 brouwerijen, ieder met zijn eigen biersoort. Wel bestonden er afspraken wat de verkoopprijs betrof.Tijdens de Eerste Wereldoorlog draaide alleen " Het Anker" als grootste brouwerij van Boom. De anderen hadden hun koperen ketels moeten inleveren aan de bezetter zodat zij om beurt een brouwsel kwamen stoken. Toen de mouterij afbrandde, had Henri zich reeds uit de zaak teruggetrokken en wanneer in 1928 ook Florent overleed, bleef alleen Arthur met de weduwe van Florent nog over. Er werd toen een overeenkomst gesloten met de Anderlechtse brouwerij " IMPERIAL" waar de zoon van Arthur als chemist werkzaam was. Exki-pils-Peerdje ( Horse Ale) - stout en scotch werd daarvan betrokken.

Limonade, met de bekende bierglazen knikkers, werd tot voor de Tweede Wereldoorlog aangemaakt.Een nieuwe wet op de gezondheid zou ook hieraan een einde maken. De gewitkalkte en geteerde muren moesten alle met steentjes worden bezet en voor een limonadefabrikatie was deze investering te groot.

Tot 1970 draaide het bierstekersbedrijf. Toen werden (behalve de brouwerij) alle eigendommen overgemaakt aan de toenmalige brouwerij Lamot, (De Rolaf). Het Anker werd afgebroken en de grond verkocht aan de scheepsbouwer de heer Eduard Vennekens. Een gedeelte tegen de Rupel en een stuk tegen de scheepswerf was vroeger reeds verkocht aan de heer De Wachter die de werf ook wenste te vergroten. Bij de afbraak stelde men vast dat de dakgebinten en de dwarsbalken (40 x 40 x 800) met houten kallen waren aan elkaar gezet. De grote Boomse pannen droegen nog de stempel MS (Maes-Spillemaeckers). Het materiaal werd verkocht en 15 fermettes met 100-jarige steen werden hiermee opgetrokken.

Als tweede in de rij, komt de brouwerij " Lamot ltd".
We laten Dhr. Hubert Laureyssens, Directeur op rust, aan 't woord.

BROUWERIJ LAMOT ltd.
Hubert LAUREYSSENS.

De brouwersfamilie Lamot heeft meer dan waarschijnlijk haar roots te Willebroek. Noch Jan Lamot, noch zijn zoon Henri noch zijn kleinzoons Henri en Guillaume werden in Boom geboren. De achterkleinzoon Petrus echter werd op 16.7.1715 te Boom geboren, huwde op 15.10.1747 met Maria Catharina Hellemans, woonde Rue du Jardin Vert n°1 (au Veerdam), waarvan hij eigenaar was zowel als van het café De Rolaf. Hij stierf te Boom in 1796.

Petrus Lamot had 3 kinderen : Gulielmus, Petrus Jacobus en Jan Baptist. Petrus Jacobus, geboren te Boom op 4.12.1758, van beroep caféuitbater, daarna brouwer, was eigenaar van café de Rolaf, met aanpalende huizen en terreinen. Hij is het die in 1801/1802 de brouwerij bouwde. Hij overleed op 3.10.1810.

Zijn broer Jan Baptist (°17.5.1761) kocht van de kinderen en erfgenamen van Petrus Jacobus de brouwerij de Rolaf over. De oudste zoon Joannes Baptist ( uit het 2e huwelijk van zijn vader met Caroline Van Schooten) werd de volgende brouwer van De Rolaf, terwijl zijn oudste broer Minard Richard samen met zijn kozijn Jean Charles Lamot de brouwerij De Kroon kochten in 1855.

Hun jongste zuster Joanna Constance (°19.8.1828) werd de volgende eigenares van De Rolaf. Zij huwde op 10.9.1864 met Gullielmus Eduard Lamot, haar kozijn. Uit dit huwelijk werden Louis Lamot (13.12.1867) en Richard Lamot ( de latere pastoor van Waarloos) geboren.

Louis Lamot, die huwde met Em. Van den Bril, had 6 kinderen waarvan Mr. Julien en Mr. Willy de meest bekende waren op de brouwerij. Mr. Willy specialiseerde zich in het aankopen van de hop en was bijzonder knap in het determineren van de luculine hoeveelheid in de hopbellen. Hij lag ook aan de basis van 't gebruik van Kentse hop in Lamot-bier.

Het is algemeen geweten dat de brouwerij zowel putwater als rivierwater gebruikte voor haar brouwsels.Dit was ten andere vermeld in het brouwselboek. Zo staat in dit brouwselboek, brouwsel n°253 van woensdag 10.12.1913 ingeschreven door meester Brouwer Frans Lodewijckx, als laatste brouwsel waarin rivierwater werd gebruikt.

Frans Lodewijckx bleef tot bij zijn pensioen in 1930 meester-brouwer bij Lamot. Deze jonge Bomenaar volgde op raad van Mr. Lamot de brouwerijschool te Gent. In alle eenvoud drukte hij zijn kennis als volgt uit:
Met veel goed, veel goed maken, kan iedereen.
Maar met weinig goed, veel goed maken, dat is de kunst."

Frans Lodewijckx was niet alleen meester-brouwer. In zijn vrije tijd ontpopte hij zich tot een gewaardeerd kunstschilder.Bekend waren vooral zijn muurschilderingen zowel in zijn huis (Antwerpsestraat) als bij zijn schoonzus, (toevr. Lodewijckx-De Wit) Spijtig genoeg werden deze bij verbouwingswerken vernield.

Van zijn hand is ook een schilderij die het volledig brouwerij complex voorstelt. Herberg, brouwerij en meesterwoning, geschilderd tussen 1907-1913. Deze schilderij kreeg na het overlijden van Mr Willy op 20.4.1992 een ereplaats in de woning van zijn oudste zoon Jean-Louis Lamot te Lasne.

Na het pensioen van Frans Lodewijckx werd Louis Van Gompel meester-brouwer te Boom. 'n Pittig detail uit de carrière van Louis was het feit dat hij uitgerekend op 1 mei 1930 zijn eerste brouwsel stookte met als gevolg dat hij niet kon opstappen in de 1 meistoet.

Geschiedenis van Lamot Ltd.
Louis Lamot, die op dat ogenblik reeds een associatie had met de Brasserie de La Couronne en de Brasserie de La Plaine stichtte in 1927 met zetel te Londen " Lamot Ltd ". De hoofdzetel zal tot 1932 in Londen blijven.Louis Lamot stichtte "Lamot Ltd" te Londen zonder de meerderheid der aandelen te bezitten. Deze meerderheid was in handen van Engelse kapitalisten en kleinere beleggers. Door toedoen van bankdirecteur Camille Verheyden werden stuk voor stuk aandelen aangekocht op de Engelse beurs. In 1932 kon Louis Lamot de hoofdzetel van Lamot Ltd naar Mechelen overbrengen.
Na zijn overlijden in 1943 ging stilaan de verstandhouding tussen zijn kinderen verslechteren: zij waren jaloers op elkaar omwille van 't feit dat de een meer aandelen bezat dan de andere. Op 3/9/1970 kocht Bass Charrington, een Engelse groep, de totaliteit der aandelen van de kinderen Lamot op en werd de grote baas. In januari 1971 werd het laatste brouwsel te Boom gestookt.

Na Bass Charrington ging de brouwerij over in handen van de brouwerij Piedboeuf, die op haar beurt opgeslorpt werd door de gigant Interbrew.

Fondation Louis Lamot.
Uit eerbied voor zijn vader Louis Lamot schreef Mr. Willy Lamot in zijn testament een bedrag van 20.000.000 Bfr. in voor de oprichting van " La Fondation Louis Lamot". De statuten van deze Fondation verschenen in het Belgisch Staatsblad van 28.01.1993 onder de rubriek verenigingen zonder winstoogmerk.
Akte n°977 (SC-18.435)

Brouwerij Lamot

Brouwerij Lamot
Afbeelding: Postkaartenarchief gemeente Boom


DE KERKHOFSTRAAT

Brouwen is goed, maar er moet ook gedronken worden. Als er nu één straat is in Boom die de eer gehad heeft het meest aantal café's op haar straatlengte te hebben geherbergd dan is dat wel de Kerkhofstraat.(om de mensen te troosten). Niet minder dan 34 drankgelegenheden maakten dat de Kerkhofstraat de "pole position" innam.Wie herinnert zich nog die 34? Mevrouw Celine Van Aken kon de ganse serie nog te voorschijn toveren. We vertrekken aan de Varkensmarkt en rekenen dus 't café van de Raeymaecker niet mee.


Kerkhofstraat 
Kerkhofstraat
Afbeelding: Postkaartenarchief gemeente Boom

1. Café Centrum (Duivenbond)
2. Miel De Saeger
3. Staaf Lamoen
4. Jeng van de Rotte ( Eyckmans)
5. Jef Kennes (Doelschutters) In de Wip ?
6. Mil Van de Gillaö
7. De Witte Van Leuven ( In den Duivenbond)
8. Zwart Liezeke
9. Van der Donck
10. Witte Thys
11. De Fremmer
12. Lotje
13. Van Camp - Pe Van De Juge
14. Linneke Fordel
15. Tille de Rotte (De Wit) Zwarte Tille
16. De Wilde Man
17. De Matié
18. Tille De Blaer
19. Roos De Ritser
20. Witje Lemmens
21. Leon Van Aken
22. Rikske De Mandy
23. Manke Frans
24. Anna Van den Boest ( De Herdt)
25. Segers
26. Finneke Van den Berling
27. Staf Snoekske
28. Tille van Dyck
29. Schele De Wit.
30. De Rosse Garde
31. Frans de Bruyn
32. Jaak De Kette
33. Jan van Kontje
34. In de 34e

Waar is den ouderen fierheid heengevaren ?

Het Kanaal van Willebroek

Lezing op 25/04/95
door Hans Rombaut


Het is tijdens deze lezing niet de bedoeling om voor de zoveelste maal de historische gegevens over het kanaal van Willebroek, beter bekend als "De Vaart ", op een rijtje te zetten. In een kort overzichtje vindt u reeds alles in nummer IV,l van "Het Wiel", met eraan  verbonden een unieke reeks foto's van alle sluizen en bruggen. Deze zogenaamde "kunstwerken" werden in het jaar 1899 door fotograaf Louvois vereeuwigd. Over deze foto's  moet ik toch nog een bijzonderheid kwijt: de opnamen zijn gemaakt op een moment dat de originele sluizen, gebouwd tussen 1550 en 1560, nog in functie waren. Daarom hebben we bij gaand telkens een tekening van de betreffende sluis gepubliceerd uit de 17de eeuw. De gelijkenissen zijn frappant. In de loop van deze eeuw zijn alle sluizen vervangen, zodat nog 2 van de 5 hindernissen overblijven. Dit heeft de binnenscheepvaart een flinke tijdswinst opgeleverd, wat niet heeft verhinderd dat deze transporttak vandaag de dag zeer noodlijdend is. Ik vind dat transporteurs en distributeurs eens een grondige analyse moeten maken van de overlast die ze onze landelijke verkeersinfrastructuur aandoen.

Waarom groef men dit kanaal?
Maar blijven wij bij de geschiedenis van het kanaal. Zoals gezegd, wordt het geen gewone lezing vandaag. Het is de bedoeling eens na te gaan hoe het zo ver is kunnen komen dat op een zeker ogenblik de stad Brussel het nodig vond een eigen waterweg naar de Rupel aan te leggen, terwijl er eigenlijk toch al de Zenne was. Toen ik klein was vertelde de onderwijzer in het derde leerjaar mij dat die Zenne te smal, te ondiep en te bochtig was voor de gewone binnenschepen. Hij had gelijk, want er heeft zelfs tot enkele decennia geleden een speciaal type "kempenaartje" bestaan, dat korter was zodat het de bochten van de Zenne kon nemen. Dit scheepstype mat nog geen 100 ton en was dus vrij vroeg niet concurrentieel genoeg meer. 

Het is zeer lang mijn mening geweest dat de "Vaart" een creatie was uit de 19de eeuw. Het was dan ook tegen een innerlijke logica in dat ik jaren later vernam dat het sas van Klein-Willebroek met het sluiswachtershuis, origineel 16de-eeuws was. Vaart en Zenne bestonden dus eeuwenlang naast elkaar. De aanleg van de vaart was al gebeurd in een tijd dat het argument van de grotere scheepstypes niet speelde. De karvelen van Columbus, de toenmalige zeeschepen, waren zeker niet groter dan onze rivierbootjes . Akkoord, hun diepe kiel maakte hen zeewaardig en verhinderde misschien hun verdere tocht op de rivieren van ons platteland.

Karveel
Karveel
Afbeelding: Wikipedia

Maar de "Vaart" maakte van Brussel nog geen zeehaven? Toch wel, vertelde men in de humaniora! Grote schepen bevoorraadden via Willebroek de industrie van Brussel-Noord. Al gauw bleek dat het zeekanaal pas was aangelegd in het begin van de 20ste-eeuw met de grotere sluis van Wintam. Neen, er zat iets anders achter, maar niemand kon zeggen wat. Hoe langer je er rationeel over dacht, hoe contradictorischer het werd. Wat konden die bochten van de Zenne immers maken: van Leie, Schelde en Dender had men er al zoveel rechtgetrokken!

Pas aan de universiteit kreeg ik de sleutel aangereikt. En dan nog totaal onverwacht. In de cursus van Middelnederlands maakte ik kennis met een "historisch lied", genaamd "De Kloekmoedigheid der Mechelaars". Het was een spotdicht op de Brusselaars, geschreven door een onbekend dichter, na een militair conflict tussen Mechelen en Brussel, maar waar ook andere Brabantse steden bij betrokken waren. Het bleek dat Mechelen niet zomaar een Brabantse stad was, maar een aparte heerlijkheid, die afhing van de prinsbisschoppen van Luik. Reeds in een oorkonde van Otto II uit het jaar 980 wordt bevestigd dat Mechelen, naast Hoei, Fosses, Lobbes en Tongeren, "cum onmibus rebus et hominibus ad ea pertinentibus, ... in manu episcopi singulariter consistant" .

In een oorkonde van 1006 vernemen we dat een groot gebied tussen de twee Netes en de Demer, van Mechelen tot Heist, aan de Luikse prinsbisschop behoorde. Op zich was dit niet zo van belang. Maar in de 12de en 13de eeuw groeide Mechelen uit tot één van de belangrijkste economische centra binnen het Brabantse territorium. Er was een intense handel met Engeland en Duitsland op basis van invoer van wol en uitvoer van laken. In de 13de eeuw, vooral vanaf 1231 met Floris Berthout, maar nog meer onder Walter Berthout de Grote, die in dienst van de hertog van Brabant zal sneuvelen in de slag woeringen (1288), uitgerekend tegen de bisschop van Luik en diens bondgenoten, geraakte die speciale heerlijkheid in handen van de machtige aristocratische familie der Berthouts. De aanvankelijke leenhulde aan de prinsbisschop deden ze niet meer en gaandeweg gaven zij zichzelf de titel van voogd en heer van Mechelen. Hierdoor werd het "onafhanklijke" Mechelen onttrokken aan het beheersniveau van de territoriale vorstendommen en kreeg Mechelen een particulier statuut dat het behield tot de intrede van de Bourgondiërs. Deze Berthouts werden gesteund in hun streven naar een onafhankelijk Mechelen t.o.v. Luik door de Brabantse hertogen, die maar al te goed wisten welke strategische positie de stad innam in het waterwegennet . In oostelijke en zuidelijke richting bereikte men via de Demer de steden Aarschot, Diest, Tienen, Zoutleeuw, Hasselt en Zichem, via de Dijle Leuven en Waver, via de Zenne Brussel, via de Nete Lier en Herentals en in westelijke richting via de Rupel en Schelde Antwerpen, Dendermonde, Aalst, Ninove, Gent, Oudenaarde, Doornik, Valenciennes, Kortrijk, Ath, Lessives, Leuze, Ronse, Harelbeke, Menen, Wervik, Komen en vele andere steden.

Toen Lodewijk van Male in 1357 als graaf van Vlaanderen de oorlog won tegen Jan 111, hertog van Brabant werd Mechelen als een aparte entiteit ingeschakeld in de Bourgondische vorstendommen, die later bekend werden als de 17 provinciën. Mechelen was daar dus één van, naast en op gelijke voet met het hertogdom Brabant. Vanaf de tweede helft van de 14de eeuw belandde de basisindustrie van Vlaanderen en Brabant in een zware crisis. Overal kwijnde de lakenindustrie en -handel door de grote conflicten tussen Frankrijk en Engeland tijdens de 100-jarige oorlog. Vlaanderen koos de zijde van Engeland. Brabant en Mechelen profiteerden daar in eerste instantie van. Toen echter Vlaanderen en Mechelen door het huwelijk van Margareta Van Male met Filips de Stoute ingeschakeld werden in de Bourgondische staten, deelde Mechelen in de neergang van de economische tendens in Vlaanderen.

Lodewijk van Male
Lodewijk Van Male
Afbeelding: Wikipedia

De "andere " Brabantse steden en vooral Brussel konden tegen die crisis nog enkele decennia weerstand bieden. Toen ook werden plotseling de aloude tollen van Mechelen met grote nauwgezetheid toegepast, omdat de stad zo het verlies trachtte goed te maken dat zij leed voornamelijk in het voordeel van Brussel. Juridisch had Mechelen immers sinds jaar en dag het recht tot het heffen van tol verkregen. Bovendien wordt ook Brabant opgenomen als één der Bourgondische vorstendommen, waardoor het economosche conflict aansleept en evolueert tot een loutere ruzie tussen steden, met als inzet zeer particuliere belangen. Het was voor de genoemde steden, maar vooral voor de groeicentra Brussel en Antwerpen onduldbaar dat hun schepen bij het binnenkomen van Mechelen moesten overslagen naar Mechelse schepen, dat er tol moest betaald worden en dat bovendien de koopwaren eerst nog op de Mechelse markt moesten te koop aangeboden worden. Het beste deel verdween aldus voor ze op de plaats van bestemming arriveerden.

Uiteindelijk werd het conflict zo ver op de spits gedreven dat Antwerpen en Brussel in 1431 Mechelen belegerden. Antwerpen blokkeerde het Wiel (= de monding van de Rupel in de Schelde) en Brussel de Zenne. De respectievelijke stadslegers verhinderden de bevoorrading van Mechelen, zodat een werkelijke uitputtingsslag volgde. In de hoek gedreven moet het Mechelse leger een uitbraak gedaan hebben en het Brusselse garnizoen achtervolgd hebben tot Ruisbroek alwaar een bloedige slag werd geleverd.

Uiteindelijk vond het conflict een diplomatische afwikkeling. In 1473 wordt Mechelen zetel van het Hoogste Gerechtshof van de Nederlanden, de Grote Raad, en wordt het landelijk bestuur, eerst onder Margareta van York, later onder Margareta Van Oostenrijk, te Mechelen gevestigd. Rond dezelfde periode kreeg Brussel het octrooi om een eigen waterweg naar de Rupel te graven, zodat zij Mechelen kon ontwijken. Toch duurde het nog tot 1551 - wellicht omdat het centrale bestuur zich uiteindelijk te Brussel vestigde en Mechelen bleef weerstreven - vooraleer de eerste spadesteek gegeven werd. Dan gaat alles zeer snel: in 1561, reeds na 10 jaar, werd de Vaart geopend, tegelijkertijd met twee dokken binnen de Brusselse omwalling. In de 17de eeuw zullen daar nog 3 dokken bijkomen. Aan het verst binnenwaarts gelegen dok werd de vismarkt gevestigd. Het is aan deze bevrijdende realisatie -de Vaart - te danken dat culinair Brussel zich tot vandaag nog optrekt als maritieme stad, onder meer aan het aanbod van voornamelijk visgerechten, die eeuwenlang via Schelde en Rupel, langs Klein-Willebroek en de vaart op minder dan 2 dagreizen vers konden aangevoerd worden. Is het schijn of werkelijkheid? Of zouden de Brusselaars juist daarom Kiekefretters genoemd worden?
Vredesbrug Willebroek
De Vredesbrug te Willebroek
Afbeelding: Wikipedia

KLOECKMOEDIGHEID DER MECHELAARS (anno 1432)

1. Ghy heeren van Bruesele, wy makens u vroet, Dat ghy u harnas ane doet,
Ende sprinct uyt uwer muyten :
U soudeniers die scijnen verwoet,
Dich en willen op ons niet ruyten.
2. Den scamelen dorplieden ghy verbiet
dat sy ons tetene brengen iet,
Al willen wy wel betalen.
Ghy scijnt ons vrient, ghy en sijghes niet: wy sullent noch self comen halen.
3. Die van Antwerpen laghen ooc stange
Int wiel, op dwater, herde lange.
Die Mechelers en mochtender niet comen: Maer sint dat wy ons bargien hadden
En hebben wy niemant vernomen.
4. Wij trocken eens met snicken uyt.
Opt water hoorden wy groot gheluyt
Van Gielis Sanders knechten:
"Her hoeresoons! ghy Mechelse ruyt!
Wy willen teghen u vechten!"
5. Willeken backhijs dat vernam;
Peter de Vorster, die sprac gram:
"Set ons aen dlant gheringhe
God weet wy en sullen geen hoerensoens sijn! En laetter geen verdinghen!"
6. Wy sloeghen de riemen in den plaseh;
Wy royden aen, wy waren ras;
Te lande wy gheraecten.
Doe dit dander ghewaerscout was,
Thuyswart sy haer maecten.
7. Wy en hadden ooc geenen waer, Wy terden op ende liepen neer.
"Slaet doot!" waest, dat wy riepen,
Dander scoten ute haer pansers daer,
Se datse te soerder liepen.
8. Pansers,boghen, groot ende smal,
Twas ons gherief : wy nament al,
Ende droeghent en die scepen.
Doen wy te mechelen binnen quamen al, Gheraet, wat wy begrepen!
9. Wy cochten laken, bey mans ende vrou;
Elc dede een tabbart maken blau;
Grau waren haer pallueren;
Blijfter by stont op de mau:
God laetser in verducren!
10. Tgeviel op Sente Berbelen dach,
Dat onse reyse te Ruysbroec lach:
Daer mocht men wonder merken.
De Brusseleers men vlieden zach;
Sy liepen op der kerken.
11. Daer was te male een groot gheloop;
Daer viel er velen over hoop
Eer sy daer binnen conden,
Sy hadden de pycken in haren cop,
Vele doode, ende vele ghewonden.
12. Daer was te male een groot ghecry.
Buyten riepen sy: "Blijfter by!
"Laetse hier inne verbroeyen.
"Ghy Brusselers, ghy soudeniers, fy!
"Hoe es u nu te moeye,"
13. Doe liepen die Mechelaer ende ron,
Tot dat men eerlanc den kerchof won.
Sy riepen luyde, al sonder merren :
"Her, vier! her, stroy! Dat bolweerc willen wi berren!"
14. Men luydde stoem met haesten groot,
Sy lieten weten haren noot;
Ontset dat sy begeeren;
Maer dbolwere was terstont al vier,
Sy en constens niet gheweren.
15. De dach verginc, de nacht guam aen,
Wy moesten tstormen laten staen;
Die scutters achterhielden:
Het was op davontuere ghedaen,
Oft sy noch scermutsen wilden.
16. Neensy niet: sy waren vro
Ende blijde, dat hen verginc alsoo;
De nacht hiel hen daer leven;
Want hadde de dach iet langher gheduert,
Sy waren daer alle bleven.
17. In beyder sijden bleefer doot,
(Godt help ien sielen uter noot!)
Voert sieken ende ghewonden,
Die voor trecht ghestorven sijn bloot,
Die worden salich vonden!
Amen.


C.C. Van de Graft Middelned. Historieliederen bl. 73-78.

Diamanten

Lezing op 14/02/95
door LEO BACKELJAU 


Geachte Burgemeester,
Waarde prominenten, Eerwaarde Heren, Dames en Heren,
Het is mij een groot genoegen u hier enkele woordjes te kunnen vertellen over diamanten en edelstenen. De meeste mensen hebben er wel al van gehoord en toch blijft het voor velen een mysterie, een ondoorgrondelijk iets. Want al deze zaken behoren tot de dode natuur, het rijk der gesteenten en mineralen. Ze bieden ons een weelde van kleuren en vormen, glans en schittering. Het zijn kleinoden, gevormd bij de schepping der aarde, een geschenk van God.

Wat zou echter de mensen in de ban hebben gebracht van deze stenen? Wat zou de primitieve mensen gedreven hebben om wit schitterende of helder gekleurde steentjes te dragen? Misschien de zucht naar verfraaiing van het lichaam of een duister geloof in de onbegrijpbare krachten der natuur? We kunnen er slechts naar gissen, maar om hun magische eigenschappen behoren de edelstenen tot de kostbaarste bezittingen van de mens. Duizenden jaren geloofden de mensen in de toverkracht van zekere stenen en wie waagt niet alles, wanneer hij zich beschermd voelt door een amulet of talisman tegen de toorn der goden.

Hoofdstuk I: De geschiedenis van de diamant 
De geschiedenis van de diamant begint met zijn ontstaan, maar daarvan weten wij in feite niets. Wij weten ook niet wanneer de eerste diamant gevonden werd, maar wel waar, want met zekerheid komen de eerst gevonden diamanten uit India. Betrouwbare gegevens hierover vinden wij in twee bronnen, waarvan wij de ene nauwkeurig in de tijd kunnen situeren, de andere echter niet.

Reeds in de oudheid wordt diamant vernoemd als het hardste, het mooiste en het meest duurzame van alle edelstenen. In het boek Exodus vinden wij een citaat waarin geschreven staat: "Twaalf edelstenen sierden de borstplaat van de Hoge Priester, waaronder één schitterende diamant de edelste van alle was." Ook elders in de bijbel is er sprake van diamanten, bijvoorbeeld in het boek Ezechiël (par.28,13): "Gij waart in Eden, Gods hof, het aards paradijs. Alle kostelijk gesteente was uw deksel en een geschenk van God. Sardonix, topazen en diamanten, turkooizen, jaspis, saffieren, robijnen, smaragden, granaten en tot bekroning van Gods geschenk goud in overvloed". In de Hybrotaal wordt het woord "sjamir" gebruikt voor diamant, in het modern Hebreeuws spreekt men van "jahalom". Dit woord werd in de oude tijden gebruikt om alle harde stenen aan te duiden. Evenzo gebruikten de oude Grieken het woord" Adanas" voor diamant, maar het was echter korund, nu in de nieuwe versie bekend onder de naam van paparadjadiamant met een hardheid van 9.5 (hardheid van diamant 10). Daarom begrijpen we ook zeer goed de woorden van Plinius: "Diamant is de kostbaarste, niet alleen van de edelstenen, maar ook van alle dingen ter wereld".
 

Plinius

Plinius
Afbeelding: Wikipedia


 

Oorspronkelijk en zeker tot in de l8de eeuw kwamen alle stenen uit India. Men sprak toen van een diamantroute, die ging van de Indus tot Tripoli over Carthago tot Rome en zo tot in onze streken, waar de kooplieden er fabelachtige prijzen voor afdwongen. Zo vertelde men: "Een diamant is de steen der koningen, doch niet eens alle koningen bezitten hem." De weg die deze karavanen volgden was dikwijls zeer lastig en gevaarlijk vanwege de struikrovers, die zich overal ophielden en op rijke buit belust waren. Heden worden er diamanten gevonden in Afrika, Rusland en Zuid-Amerika, doch 95% van de wereldproductie komt voort uit Zuid-Afrika, Zaïre en Australië.

In vroegere eeuwen werd er wel onderscheid gemaakt tussen edelstenen en half-edelstenen, doch dit onderscheid is zuiver kunstmatig. Half-edelstenen bestaan niet, er is wel een merkwaardig verschil in kwaliteit en prijs. De kostbaarste zijn goudgele madera topaze, donkerrode spinel, korenbloemblauwe saffier, duivenbloedrode robijn, violetblauwe heldere amethist, diepgroene smaragd en primus inter pares diamant. Bij diamant is het zijn magische kracht die zijn waarde bepaalt. Plinius zei dat de hardheid van diamant wonderbaar en bovennatuurlijk is: hij overwint het woedende vuur.

Nu kunnen aantrekking en afstoting tussen de dingen in de natuur - die de Grieken 'sympathia en antipathia' noemen - in geen element beter waargenomen worden dan in diamant. Deze onoverwinnelijke delfstof, waartegen noch vuur, noch staal - de twee sterkste en machtigste scheppingen van de natuur - bestand zijn, is gedoemd overwonnen te worden door het bloed van een bok, het enige waardoor het kan verbrijzeld worden. Zorg er echter voor dat de diamant gedompeld wordt in bokkebloed vers uit het lichaam van het dier, voordat het koud geworden is. Zelfs wanneer dit gebeurt, moet je de diamant nog vele slagen geven met de hamer op een aanbeeld en opletten dat hamer en aanbeeld niet bezwijken.

Ik persoonlijk zou graag willen weten wie voor het eerst een diamant in bokkebloed dompelde of liever door welk toeval hij dit ontdekte. Wat mag de mens ertoe verleid hebben zulk uitzonderlijk experiment uit te voeren en dan nog met een bok, één van de vuilste dieren in heel de wereld. Ik moet deze uitvinding toeschrijven aan de macht en de goedheid van de goden.

Diamant heeft de eigenschap de schadelijke uitwerking van gif tegen te gaan, begoochelingen te verdrijven die de mensen tot waanzin brengen en ijdele angsten te verjagen die de geest verstoren. De steen die zo zeldzaam is dat slechts koningen en niet eens alle koningen hem bezitten, heeft magische krachten. Ongetwijfeld zijn het Indische kooplieden die verantwoordelijk zijn voor een dergelijk geloof, want zij brachten de stenen naar Rome en bedongen er fabelachtige prij zen voor. Doch met de verspreiding van het christelijk geloof werd de magische kracht van diamant steeds minder en minder en tenslotte tot het rijk der fabelen verwezen.

Diamant is zuiver gekristalliseerde koolstof, dezelfde koolstof die het voornaamste bestanddeel is van steenkool en ook van grafiet, waarvan potloden gemaakt worden. Diamant ontstaat slechts alleen bij zeer hoge temperaturen. Miljoenen jaren geleden moet het ontstaan zijn bij vulkanische uitbarstingen. Want tot vandaag vindt men diamanten enkel in vulkaanpijpen van een bepaalde steensoort, genaamd kimberliet of blauwe grond. Men kan ze ook vinden in rivierbeddingen, waar ze terecht gekomen zijn door de erosie, die de vulkaan afsleet en zo de diamanten meevoerde.

Kimberliet
Kimberliet
Afbeelding: Wikipedia

Waar men ook ter wereld diamanten vindt, moeten honderden tonnen zand verzet worden om één gram diamant te vinden. Bijvoorbeeld in Kimberley (Zuid-Afrika) bestaat nog steeds de 'Big Hole' of het grote gat. Het is het grootste gat door mensenhanden gegraven. In de 19de eeuw zocht men er naar diamanten. De afmetingen van het gat zijn 463 m diameter en 1.097 m diepte. Momenteel is het geklasseerd tot nationaal monument ter herinnering aan de diamantzoekers van weleer.

De laatste jaren wordt diamant volledig mechanisch ontgonnen en van de mijn rechtstreeks naar Londen verstuurd, waar de grootste diamantbeurs ter wereld voor ruwe diamant gevestigd is. In Londen worden de stenen gesorteerd en verkocht aan de verschillende diamantcentra ter wereld en voornamelijk aan België, waar Antwerpen nog altijd de grootste afnemer is. Antwerpen heeft de meeste slijpers, die de stenen zo nauwkeurig mogelijk bewerken. Dat is niet altijd zo geweest, want de eerste vermeldingen.van slijpers komen voor in India, dus bij de bron. Verder moet men wachten tot de jaren 1373 om nog enig spoor van diamantslijpers te vinden.

De eerste vermelding van een diamantpolijsterij was in de Duitse stad Nurenberg in 1373. Omstreeks deze tijd moet er te Parijs ook één zijn geweest, vermits er sprake van is tijdens het opmaken van de inventaris van de Hertog van Anjou. Op het einde van de 17de eeuw vermeldde Parijs 75 diamantslijpers, de meeste waren Joden en Protestanten. In de 17de eeuw werd ook het briljantslijpen uitgevonden door de Italiaan Vincenso Perruzzi, wat echter op het einde van diezelfde eeuw verbeterd werd door de beroemde Franse staatsman Kardinaal Mazarin. Ook vermeldt een Parijs' boek nog een zekere Louis de Berquem, meester diamantslijper, die in de 15de eeuw de stenen sleep met poeder van dezelfde stenen op een draaiende schijf, die met een rad voortbewogen en met de hand in werking werd gesteld. Dit laatste was meestal het werk van de vrouwen, zoals we kunnen bewonderen op oude prenten of gravures.

Kardinaal Mazarin

Kardinaal Mazarin
Afbeelding: Wikipedia


De oudste vermelding op ons grondgebied dateert van 1483. In de Broederschap van O.-L.-Vrouw van Loven wordt een Wouter Pauwels, diamantslijper van deze stad, vermeld. De eerste vermelding te Antwerpen vinden we in de kerkregisters . Deze vermelden een zekere' Notelaert Lieven, diamantslijpere geboren te Gent en woonachtig achter St. Andrieskerke tot Antwerpen in het jaar onzes Heren 1534'.

Vanaf het einde van de 15de eeuw werd er te Antwerpen op grote schaal handel gedreven in diamanten en edelstenen. Reeds in die tijd werden de mensen verwittigd op te passen voor de vervalsingen, die in omloop waren. Een weinig later werd er ook een Gildebroederschap opgericht binnen' t Antwerpen in 1577. Bij een eerste melding van de broederschap meldde ze 30 tot 40 arbeiders. Zij zonden een request tot de magistraat van de stad met het verzoek onder. hen een natie met deken op te richten, zulks ten voordele van de koopmanschap, van de edellieden - kopers der diamant - en tot glorie van de stad. Groeperingen van zo'n ambachtswezen waren toen algemeen gekend. De gewenste ordonantie bleef echter vijf jaar achterwege en pas op 25 oktober 1582 werd het ambacht der diamant- en robijnsnijders voor goed opgericht.

De inleiding op de ordonantie van 1582 leert ons dat het ambacht werd opgericht om de handel te begunstigen. De 39 artikelen beschrijven verder de aard en de bevoegdheid van de vereniging, vooral tegenover de leden. Het bepaalt ook wanneer de regeerders zullen gekozen worden en hun betrekkingen met de magistraat van de stad. Verder spreekt men over de verplichte inschrijving, de gezellen en de meesters en de proef, die te leveren is om als vrijmeester te kunnen werken en opgeschreven te worden. Het ambacht telde ongeveer 40 tot 50 leden in 1621 en als patroons werden St.-Pieter en Pauwel aangegeven. Op hun feestdag zou er ieder jaar een H. Mis worden opgedragen ter bevordering van gunstige tij den ten voordele van de diamant - en robijnsnijders werkzaam binnen 't Antwerpen. Een van de oudste stukken die ons in handen viel, is de aanvraag of indiening om als leerjongen te worden opgenomen: Jo Agneette wed. van wijlen Hans Wijnants heeft den 29 april in 't jaer 1586 haar zoon Jaspar Wijnants besteed tot Artus Donks, diamantslijpere voor vijf jaer mits betalende het eerste jaer 7 ponden Vlaems en de drie andere jaeren 40 guldens 's jaers en het laatste jaer niets meer.

Dus hebben wij hier meteen het eerste leercontract van een leerling-diamantslijper te Antwerpen. Rond de jaren 1620 telde men te Antwerpen 164 vrijmeesters, er waren er ook enkele in Mechelen en Brussel, doch allen afkomstig van Antwerpen. Met de sluiting van de Schelde ging ook de diamantnijverheid in Antwerpen achteruit. Volgens de legende zou de Antwerpenaar Peter Goes het ambacht overgebracht hebben naar Amsterdam, tot groot nadeel van onze stad. Na enkele jaren ondervond men dat hier zeer goed. Vandaag de dag wordt nog steeds diamant geslepen in Amsterdam. Er zijn ongeveer vijftien bedrijven in werking.

Antwerpen kwam enkele jaren nadien echter de crisis terug te boven en is tot vandaag een grote diamantstad. In 1663 kocht de natie, ondanks de crisistijd, een huis in de Korte Clarenstraat ten behoeve van het ambacht. Om aan de nodige gelden te geraken waren heel wat bewerkingen nodig. Het huis werd 'Het Vosken' genoemd. Er waren ook regelmatig geschillen met de oude kleerkopers. Deze verkochten op de Vrijdagmarkt ook diamanten en juwelen, voortkomend uit nalatenschappen. Zo was er in 1606 een proces tussen de deken van de diamantbewerkers en de deken van de oude kleerkopers. Het vervolg hiervan is niet gekend. Ook in de 18de eeuw waren er nog regelmatig processen tussen beide gilden. Zo is er een proces gekend van 1788, dat in 1793 nog steeds niet beëindigd was.

De algemene toestand was anders eerder naar de gunstige kant in deze eeuw. Ja, zelfs zo goed dat er allerlei feesten en plechtigheden plaatsgrepen, zoals bals. Op deze bals of op H. missen moesten telkens de dekens aanwezig zijn, anders kregen zij geldboetes. Deze feesten hadden voor 1800 steeds plaats in 'Het Schermerhuis '. De grootste kosten bedroegen het geld voor de muzikanten en het breken van de glazen. Naar het schijnt kon er in deze eeuw niet gedronken worden zonder glazen te breken. Zo bestaat er een rekening van 1793 die meldt: "Te betalen 5 gebroken glazen en 10 potten Lovens. aardewerken bierkruiken". Zelfs in de besloten tijd van 1799 gingen deze feesten door, alsook de zielemissen van de overleden gildenbroeders, ondanks het overheidsverbod.

In het jaar 1844 vierden zij hun voorzitter Johannes Franciscus Govaerts ter gelegenheid van zijn vijftigjarig lidmaatschap. Er werd voor hem een vers samengesteld waarin hij vergeleken werd met Lodewijk van Berquem, de zogezegde uitvinder van' het diamantslijpen. Hier volgt de tekst:

Berquem Govaerts
te Brugge 1478 te Antwerpen 1844
Jubelgalm aan den achtbaren heer J. Fr. Govaerts Als vijftigjarig lid en vijf en twintig jaren hoofdman der Diamantslijpersgilde van Antwerpen, gevierd in het jaar onzes Here den 29 dag van juni 1844 op het feest van de H.H. Petrus en Paulus, patroonsheilige der gildebroederschap.
Een wonder vreemd geval brengt ons vandaag te samen,
en komt ons blijde ziel tot ware vreugde pramen.
Geheel de slijpersgilde, de snijders eveneens,
zijn allen aangedaan, het is iets ongemeens.
En dat men zelden ziet, Govaerts om zijn wandel,
en zijn rechtzinnigheid en onbesproken handel... enz.


Diamantslijpen buiten de stad Antwerpen

De jaren 1840-1850 waren bijzonder gunstige jaren. Er werd geld verdiend als slijk door patroons en arbeiders. Men kraaide echter te vroeg victorie, want er kwam crisis in het vak. Gelukkig niet voor lang, want tijdens de oorlog van 1870 bloeide het vak opnieuw. Het is tijdens deze periode dat er ook diamantslijperijen op de buiten ontstonden, voornamelijk te Boom en Willebroek. Ook de confrerie of broederschap kreeg andere benamingen en de hoofdman werd nu voorzitter genoemd en zijn trawanten secretaris en schatbewaarder.

Diamantslijpen te Boom en Willebroek

Ongeveer in de tweede helft van de 19de eeuw begon men te Boom met diamantslijpen. Omstreeks de jaren 1900 was het aldaar een zeer bloeiende en gevestigde nijverheid. Ons grondgebied telde dan zowat dertig grote en kleine slijperijen, waarvan diamantslijperij 'Den Engel' de eerste en grootste was.

Den Engel

Den Engel
Afbeelding: Van de Oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck


Zij was gelegen op de hoek van de Kerkstraat en de Boomse Grote Markt, de latere danszaal van Gust Kade (nu ASLK). Momenteel is er geen enkele slijperij meer in werking in Boom. Het merendeel van de fabrieken zijn nu nog te Antwerpen gevestigd.

Ook te Willebroek is er ooit een diamantslijperij geweest. In 1913 werd het huis in de Kerkstraat, palend aan veearts Van Passe en vlak tegenover de herberg "bij de sette" , aangekocht door Victor Leo Backeljau, diamantfabrikant van beroep. Hij bouwde weldra een slijperij in de hof van de woning. Backeljau was leerling geweest bij meester-diamantslijper Jan Lodewijcks in de Molenstraat te Boom. Eens gevestigd te Willebroek was hij eigen werkrnaker, wat wil zeggen dat hij werkte met zijn arbeiders aan zelf gekochte stenen, die hij geslepen verkocht op de beurs te Antwerpen. De beurs was toen gevestigd op de Quinten Metsijslei en niet zoals nu in de Pelikaanstraat . De werkzaamheden te Willebroek waren nog datzelfde jaar van wal gestoken en als energie werd reeds electriciteit aangewend. Het was één van de eerste van het land, want de meeste fabrieken werden toen nog voortbewogen door stoom of gas. Patroon Backeljau had hier te Willebroek tien werklieden in dienst, doch schone liedjes duren niet lang. Er dreeg gevaar, donkere onweerswolken verschenen aan de horizon en ons land werd overweldigd door de Duitsers. Hiermee hielden alle activiteiten volledig op om nooit meer te Willebroek hervat te worden. Na de oorlog herbegon de fabrikatie in Boom, alwaar zij stand hield tot 1964. Nu is de diamantslijperij Backeljau omgevormd tot een fabriek voor kinder- en keukenmeubelen.

DIAMANTSLIJPERIJEN TE BOOM 
A. De Paep & A. De Jonghe Antwerpsestraat
Victor Backeljaubegonnen 1920 - gestopt 1966
David Frans Mampeay
Keppens & Van Camp
Sander Hellemans
Gustaaf Hellemans
Karel Mees
Emile Simonis  laatste gewerkt 1/11/74
Karel Koopman
Mariette Van de Mosselaar
Isidoor Leens
Gustaaf De Wachter
Jan Lodewijcks - later Karel Somers
Lambrechts
Karel Raes - A. Beulens
Lodewijk de Pine
Laurikx Molenstraat
Kamiel Verlinden
Eduard Wolschaers
Herman Coenaerts Brandstraat ???
Spiessens Steenbakkerijstraat
Van Crombruggen Kerkstraat
Den Engel (Bij Gust Kadé)
Decomles en Trey
Gustaaf Cop
Jozef Verstappen
Claes Molenstraat
Eduard Verbruggen
Pulteaux Eduard

Zoals we reeds weten, is diamant het hardste van alle gekende delfstoffen. Er bestaat geen enkele steen of metaal die bij machte is er krassen of schrammen op te geven. Diamant kan men splijten volgens een vaste was, hiermede wordt de richting bedoeld volgens dewelke de steen gegroeid is. Deze was is van zeer grote betekenis voor de fabrikatie van de steen. De zaag en slijpwassen staan rechthoekig op de splijtwas, deze laatste is alleen van belang voor de kliever. Bij zeer schone en regelmatige stenen bemerkt de vakman ogenblikkelijk de was, maar bij stenen die onregelmatig gegroeid zijn of naadstenen of stenen die met twee en drie aan elkaar gegroeid zijn, is dat heel wat anders. Men moet dan dikwijls zoeken hoe de wassen lopen en hoe men moet beginnen de steen te bewerken of te klieven. In de oudste tijden werd er alleen maar geslepen of gepolijst op de vlakken die door de natuur zelf geschapen waren.

De eerste mens die geprobeerd heeft de steen aan zijn wil te onderwerpen, was vast en zeker Lodewijk van Berquem. Hij gelukte daarin maar gedeeltelijk, want diamant geeft zich niet zomaar gewonnen. Zelfs tot het begin van onze eeuw werd er maar op los geslepen. Het resul taat was dat na de Eerste Wereldoorlog duizenden karaten diamant moesten herslepen worden of ze waren gewoon niet meer verkoopbaar. Nu zoekt men ze terug op als antiquiteit. De methode van van Berquem paste zich echter wel aan. De snijder wrijft .een diamant tegen een diamant om de steen het gewenste model te geven en de slijper en zager brengen wel degelijk diamantpoeder op hun schijf of zaag anders kunnen ze de steen niet bewerken. Diamant slijpt men alleen met diamant.

 

HOOFDSTUK II: DE FABRIKATIE


Tot ongeveer 1900 werden de diamanten alleen gekloven, gesneden en geslepen. Juist na de eeuwwisseling kwam er een nieuwe methode opgang: het zagen. Diamanten die voorheen niet konden gekloven worden, moest men slijpen tot het gewenste model en dat was soms zeer schadelijk. Met het zagen maakte men nu van één diamant twee en dat op de meest voordelige wijze. Deze nieuwe uitvinding bracht meer werk met zich mee, maar ook meer geld voor de patroon.
Alle bewerkingen die diamanten ondergaan, komen echter op hetzelfde neer: zo weinig mogelijk van de steen afnemen en hem zo groot mogelijk houden. Want diamant is een te dure grondstof om er de gek mee te houden.
 

Het klieven
Diamant splijt zoals sommige houtsoorten in een enkele richting, kliefwas genoemd. Het klieven heeft tot doel van een grote onzuivere steen verschillende kleine zuivere stenen te maken. De te klieven steen wordt bij middel van speciale cement op een houten stokje geplaatst. Deze stok past juist in een gat, dat in een blokje hout gemaakt is en dat zich juist voor de klieversbak bevindt. In de steen, die moet gekloven worden, is eerst met een ander vlijmscherpe punt van een diamant een kerf of groef gemaakt. Hierin kan de kliever zijn mes plaatsen. Met zijn houten hamer en met een forse slag wordt de steen in twee stukken gespleten, zoals een wig in een stuk hout. Natuurlijk is een grote vakkennis vereist aangaande de wassen, want een verkeerde berekening of een verkeerde hamerslag doet de steen niet in twee splijten, maar kan hem helemaal verbrijzelen in ontelbare kleine stukken, die dan waardeloos zijn.


Het zagen
De zaagschijf is een legering van speciaal brons. Ze heeft ongeveer zeven centimeter diameter en is een tiende millimeter dik. De rand van de zaag wordt met een speciaal werktuig bestreken, dat van diamantpoeder is voorzien, er op gebracht met olie. Oorspronkelijk diende de zaag om kleine puntjes weg te halen, die anders door de snijder weggenomen werden. Doordat de techniek verfijnde, kon men hele stenen doorzagen.

Dit was ook een hele vooruitgang om naar onzuiverheden te werken. Een steen die bijvoorbeeld zwarte greinen in het hart had, kon nu zo worden gezaagd dat men ze eruit kon slijpen. Voorheen bleven die midden in de steen. Alvorens de stenen gezaagd worden, worden ze met Oostindische inkt getekend om nauwkeurig de zaaglijn te volgen. Daarna worden ze met gips in een koperen zaagdopje versteld. Het zagen vergt soms veel tijd, zeker bij grote stenen. Daarom kan deze arbeider over een groot aantal machines beschikken, wat juist het tegenovergestelde is van de snijder of slijper.

Het snijden 
Het snijden van diamant gebeurt door twee stenen tegen elkaar te wrijven met de bedoeling al het overbodige weg te nemen en ze hun model te geven. De ene diamant noemt men de opzetter, de andere de meesnijder. Als men spreekt van model, dan zijn het ronde, peervormige of spiralen, markiezen genoemd. Vroeger werden de stenen met de hand gemaakt tussen twee houten stokj es, nu gebeurt het echter op de snijmachine. Hierdoor zijn de stenen ook beter rond.
De snijmachine werd uitgevonden door de Antwerpenaar Leyten. Na deze uitvinding verdween de handmethode volledig, want op de machine gaat het veel beter en sneller. De snijder heeft geen rekening te houden met de wassen, hij kan wrijven in alle richtingen. Het gezegde van de slijper is dat ze bij hen altijd lopen. De stenen worden versteld in cement van schellak en carborandum, op koperen doppen, waarvan de ene op de machine en de andere in de hand. Zij worden dan zo tegen elkaar gewreven tot het te bekomen resultaat bereikt wordt. Het poeder of afval valt in een zift en wordt gebruikt door de slijper om de schijf in te smeren.

Het verstellen
Verstellen gebeurde alleen vroeger, nu gaat alles mechanisch. Het verstellen had tot doel de stenen in de soldeerdop te plaatsen voor de slijper. Men had ongeveer 7 tot 8 slijpers voor een versteller op de fabriek. Om de 57 facetten aan de steen te slijpen, moest hij 18 maal versteld worden. De soldeerdop had de vorm van een eikel en moest warm gemaakt worden op een gasfornuis. Dat moest op de juiste warmtegraad gebeuren, want anders smolt de soldeer. De moderne methode gaat veel sneller vooruit. Wanneer de steentjes goed lopen, kan men er druk op zetten, wat vroeger niet kon, want dan zakten ze weg in de soldeer. Deze bewerking is zoals gezegd helemaal verdwenen en behoort nu tot de folklore van het diamantvak.

Het slijpen 
Het eigenlijke slijpen van de diamanten bestaat uit twee bewerkingen: het kruiswerken en het briljanderen. Het eerste is het model geven, het tweede de afmaak of de duurzame schittering aan de steen geven. Wanneer hij gebriljandeerd is, is de steen verkoopsklaar en gaat hij naar de beurs om verhandeld te worden. Vandaar komt hij in de handen van juweliers, die hem in juwelen plaatsen. De kruiswerker slijpt de vier hoeken van boven, de vier hoeken van onder en de tafel. Dus te samen slijpt hij 9 grote facetten. De briljandeur slijpt echter veel meer: hij maakt van boven 4 bezelen, nogmaals gebroken door 8 sterren en 16 halven; van onder maakt hij 4 paviljoenen en 16 halven. Vroeger sleep hij soms nog 17 van onder op de punt van de steen "kollet" genoemd. Dit is echter geen mode meer en wordt nog slechts bij vlakke stenen toegepast. Dus de briljandeur slijpt in totaal 48 facetten. Alles te samen zijn dit 57 facetten. De slijper moet op één zaak goed letten: wanneer het slijpvlak groot genoeg is, moet hij het goed polijsten, in vaktermen "afzoeten" genoemd, en dit om een duurzame glans te bekomen.


Het schijvenschuren 
Dit is het zwaarste werk van heel het vak en vraagt de grootste lichamelijke inspanningen. Het werk van de schijvenschuurder heeft niets te maken met het model van de steen. Hij heeft tot taak de afgewerkte schijven terug glad te schuren. Wanneer de slijper op zijn schijf werkt, komen er groeven in, die de schijvenschuurder er terug moet uitwerken. Hij gebruikt hiervoor een amarilsteen waarmee hij na langdurig wrijven een duurzaam resultaat bekomt. Wanneer de eerste bewerking gedaan is, begint hij voor een tweede maal. Dit gebeurt met de "Godlandsteen ", die veel zachter is en de poriën van de schijf dicht. Eén ding moet de schuurder goed in het oog houden en dat is dat hij de schijf goed vlak houdt, anders is ze onbeslijpbaar. Dan volgt natuurlijk de nodige kommentaar van de slijpers, dat kunt ge u voorstellen! Vroeger gebeurde deze bewerking volledig met de hand, nu gebeurt ze echter ook mechanisch. Tot zover dan de fabricatie. U weet nu al een en ander over het verloop van de ruwe diamant tot een schitterend juweel.

Hoofdstuk III: Diamanten en juwelen door de eeuwen heen. 

Juwelen blijken zo oud als de mensheid zelve. De magische kracht van fonkelende stenen en glanzende parels, geplaatst in goud en zilver en bewerkt tot zeldzame juwelen, hebben altijd macht en grootheid van de vorsten hier op aarde bevestigd. Filips de Goede van Boergondië legde de grondslag voor de eenheid van de Nederlanden. Hij slaagde er onder meer in door de stichting van de orde van het Gulden Vlies. In 1430 wist hij te Brugge de adel rondom zich te groeperen en alzo een sterke eenheid te smeden. Zo werd ook voor de Ridders van het Gulden Vlies het ordeteken hun standjuweel.

Vorsten en machthebbers plunderden de schatkisten om met dat geld de mooiste edelstenen te verwerven. Beroemde diamanten, robijnen, smaragden en saffieren vonden er hun plaats. Men denkt maar aan de grote Wittelsbachersdiamant van de voorvaderen van koningin Elisabeth. De steen bevond zich eertijds in de schatkamer van de Habsburgers, die hem na de Tweede Wereldoorlog zo plots te Antwerpen lieten opduiken, waar hij openbaar op de beurs werd geveild.

Wittelsbachdiamant

 Wittelsbachdiamant
Afbeelding: The Drawn Cutlass

Eén der beroemste goudsmeden aller tijden was de Florentijn Benvenuto Cellini, die omstreeks 1500 tot 1571 leefde. Hij werkte voornamelijk voor keizer Karel V en voor paus Paulus Farnèse, van wie hij zeer voorname opdrachten kreeg. Hij plaatste onder andere edelstenen en diamanten in mijters, tiara's en heilige vaten, die nu nog steeds te bewonderen zijn in het Vaticaans museum. In het Vlaanderen van de 18de en het begin van de 19de eeuw was voornamelijk het Vlaamse kruis op de borst of de harthanger zeer in trek. Dat was vooral te wijten aan de grote devotie tot O.-L.- Vrouw. Zij werden dan ook voornamelijk geschonken op moederdag of het feest van O. -L. -Vrouw Hemelvaart. Het juweel was als volgt voorgesteld: drie delen zijn gescheiden en bengelen vrij bij het dragen.

 Benvenuto Cellini
Benvenuto Cellini
Afbeelding: Wikipedia


Een opengewerkte rozelaar boven een gouden diadeemband en met email getooide madeliefjes vormden de bekroning. Hieraan is een krans van rozenslijpsel met opengewerkt takwerk, waarvan de bloemknopjes versierd zijn met smaragden. Centraal midden in de krans prijkt het Heilig Hart van Maria, het is het mooiste en de grootste van alle diamanten. Het bevindt zich in een loshangend dopje dat bij de minste beweging een grootse schittering uitstraalt. De slijpvorm van de diamant was een hartvormige volle Antwerpse roos en het geheel was gevat in goud en zilver. Het verheerlijkte de pracht en de luister van onze Vlaamse kooplieden en patriciërs. Zo ontstond tevens een Vlaams juweel dat grote vakkennis en traditie in zich verenigde.

Het is heden nog een zeer op prijs gesteld juweel en moeilijk te vinden.Kroonjuwelen werden echter gedragen door de machtigsten der aarde. Het was niet zo zeer ze te bezitten of het geld dat ze waard waren, maar veeleer een teken van macht, roem en adeldom. Het is daarom ook dat de meest zeldzame en dure edelstenen een plaats vonden in kronen en scepters van keizers en koningen. De Zuid-Afrikaanse regering schonk destijds de grootste tot op heden gevonden diamant (de cullinan) van 3.420 karaat of 620 gram aan koning Edward VIII van Engeland. De steen werd gekloven en bewerkt in negen stuks, waarvan de grootste ongeveer 500 karaat bedroeg en het zwaard van de koning sierde. De andere stenen werden in de kroon geplaatst. Dezelfde geschiedenis onderging de Koh-I-Noor of Lichtrots. Het is de meest beruchte diamant ter wereld. Hij troonde in volle glorie op het hoofd van de koningin-moeder bij de kroning van koningin Elisabeth II.

En dan nu de drie beroemdste kronen ter wereld. Dit zijn de kronen van koning Christiaan IV van Denemarken, de tsarenkroon van Peter de Grote en de Franse kroon van Lodewijk XV. De Deense kroon werd gesmeed door een Duitse juwelier uit Augsburg. Deze is geheel in goud, versierd met parels en veelkleurig email en bezet met een fortuin aan grote diamanten. Hij is dagelijks te bezichtigen in het slot te Rozenborg.Wij vervolgen met de kroon van Peter I, bij genaamd de Grote Meester van alle Russen (1682). Deze vorst was zeer vooruitstrevend en kunstminnend. Zijn kroon in massief goud is een prachtstuk, bezet met talrijke zeldzame smaragden, granaten en diamanten. Zijn huidige verblijfplaats is het museum van het Kremlin in Moskou.

Tot besluit een woordje over de Franse kroon van 1722. Hij werd ontworpen door de gebroeders Duflos. Het bovenstuk van de Franse lelie bevat de Sancy, één van de zeldzaamste diamanten ter wereld in kleur en zuiverheid. In het front plaatsten zij een andere enorme en waardevolle diamant, genaamd regent. Naar aloud gebruik werden de stenen na de kroningsplechtigheden vervangen door getrouwe kopieën. De echte stenen werden veilig opgeborgen in de koninklijke kluis. U kunt de edelstenen nu gaan bewonderen in het Louvre te Parijs.
 

Kroon Louis XV

Kroon Louis XV
Afbeelding: Museum Louvre

Een tweede zeer beroemde goudsmid was de Russische edelsmid Carl Fabergé (1846-1920). Zijn atelier genoot wereldfaam en zijn meest beroemde werken zijn de gouden paaseieren bezet met diamanten. Zij waren eigendom van de Russische keizerlijke familie en dienden tot speelgoed van de keizerlijke kinderen. In zijn atelier werkten reeds in de jaren 1880 ongeveer 700 werklieden. Fabergé stierf in 1920 te Lausanne, waarheen hij gevlucht was omwille van de bloedige Bolsjewistische revolutie van 1917, die een einde maakte aan het keizerlijke gezag. Het was Salvatore Dali, die terug de kunstenaars begon te betrekken bij juwelen (Milaan, 1954) . Tussen zijn surrealistische juweelontwerpen is 'het oog van de tijd' het meest beroemd. Kunstschilders en beeldhouwers van vandaag ontwerpen opnieuw juwelen, waaronder 'de vredesduif' van George Bragne als bijzonderste wordt aanzien.

Hoofdstuk IV: Diamant in nijverheid en industrie 
Industriediamanten zijn stenen die ongeschikt geacht worden om te schitteren en te pronken. Daarom worden zij gebruikt om het zwaarste werk te verrichten. Tot nog toe is diamant het hardste van alle gekende dingen. Carborandum of wolframcarbide worden met gediamanteerde werktuigen bewerkt. Het klinkt u misschien heel onwaarschijnlijk in de oren, maar zonder diamanten hadden er nooit computers, supersonische vliegtuigen of electronica bestaan. Het is zelfs volledig onmogelijk bij benadering een overzicht te geven van de duizenden toepassingen van diamant in de moderne techniek en wetenschap.

In Indië was de techniek van het graveren met diamant al ver voor het begin van onze jaartelling bekend. Ook in China had men die mogelijkheid al uitgevonden. Er is een oud Chinees manuscript, het boek van de meester Lie of "Lie Tjen" van 100 voor Christus, waarin een aantekening is opgenomen over het graveren met een ruitvormige punt, gemaakt van diamant. De pen zou door de handelaars zijn meegebracht uit Rome. Uit alles blijkt dat de Chinezen en Indiërs als naaste buren goede handelsbetrekkingen onderhielden, zowel vele eeuwen voor onze jaartelling als daarna. Het eerste werktuig waarin de diamant gebruikt werd, was de glassnijder.

Glassnijder
Glassnijder
Afbeelding: Wikipedia


Deze werd later ook gebruikt om vazen en glazen ter versiering te slijpen of te graveren. Een ander voorbeeld: electriciteit is ondenkbaar zonder draad. Draad wordt getrokken door zogenoemde trekstenen, in feite matrijzen met een steeds kleinere diameter, waarvan de laatste de verlangde diameter van de draad heeft. Hiervoor wordt diamant genomen van uitgelezen kwaliteit, zeer zuiver gekristalliseerd, zonder scheuren of barsten van 0,2 tot 10 karaat.

Wat nog vreemder klinkt, is dat de mens eerder zijn instrumenten op de maan wist te brengen dan in zijn eigen aardmantel. Dit was alleen mogelijk door de diamant. Raketten ontwikkelen een zeer hoge wrijvingswarmte, waardoor zelfs de hardste metaallegeringen smelten. Een bemand ruimtevaartuig mag echter niet smelten en dat gebeurt ook niet dankzij de buitengewoon harde vuurvaste keramiek waaruit de neuskegel gemaakt is. Het voert de warmte uitstekend af wanneer het volmaakt glad en aërodynamisch bewerkt is. Dit is alleen mogelijk met diamantwerktuigen. Ik zou nog tal van andere mogelijkheden kunnen aanhalen, die de uitzonderlijke waarde van diamant aantonen. Het is niet alleen een ijdel siermiddel, maar het kan in deze wereld niet gemist worden als werktuig. Het is zelfs uniek in onze wereld van mechanisatie en modernisatie.

Hoofdstuk V: Folklore rondom het diamantbedrijf
Hetgeen ik u hier ga vertellen, is datgene wat mijn grootvader mij vertelde, toen ik een jongen van 15 jaar was. Mijn grootvader was en bleef een uitstekend verteller. Het verhaal situeert zich in de tijd dat de diamantbewerkers onder geen beste mouw aangeschreven stonden. Je merkt het in de volgende tekst van een spotliedje, dat destijds door alle kermisorgels werd afgedraaid:

Slijperkens, slijperkens allemaal, Die hebben het heel royaal,
Als ge er mee vrijdt,
Zijt ge rap uw bloemeke kwijt.

En het tweede spotliedje ten teken van welstand en grof geld
verdienen, luidt als volgt:

En de meid, van achter de vest,
Die lag om halvertien nog in heure nest,
o, wat is zij lui geweest, die meid van aan de vest.


Het diamantbedrijf is steeds anders geweest dan de andere bedrijven. Zij hebben hoogten en laagten gekend, maar in goede tijden hebben zij steeds rijkelijk van het leven en het geld genoten. Daarom deden vele sprookjes de ronde, doch ieder die ogen in zijn hoofd had, kon zien dat er verschillende armoezaaiers onder hen waren.

Maar het grote geld verdienen kon toch helemaal geen sprookje zijn, want er werd wel eens kwistig met het geld omgesprongen en groot vertier gemaakt. Dat zou je van een gewoon werkmansloon van die periode niet kunnen bekostigd hebben. Toch moest er een brok waarheid in gelegen hebben in dat geld verdienen en zeker voor diegene met vlugge en vaardige handen. Sommige snijders en klievers gingen zaterdags met een aardige dot geld naar huis. Potters en duitenklievers vond men in hun rangen niet, dat waren eerder zeldzame exemplaren. Vandaar dat ongewone en ongebondene. Zij die mee van de volle teug konden genieten waren de mannen die de toon aangaven van de onheiligheid, de wallebakkerij en het lichtekooien gemoes.

En grootvader vertelde verder, want de herinnering ligt me nog vers in het geheugen. Het was op een vredige maandagmorgen. De meeste mensen waren aan het werk, de vrouwen zorgden voor het eten. De kinderen hadden vrij af op school, daarom was de straatjeugd buiten goed vertegenwoordigd. Eensklaps klonk er een eigenaardig muziek in ieders oren. Het was niet de muziek van een fanfare of militaire kapel. 't Was meer het lawaai van potten en pannen en tegen elkaar gegooide ketels, met daarbij nog enkele schrille kreten. Het werd steeds harder en wilder, naarmate het dichterbij kwam en uiteindelijk was het buiten alle maat en elke regel. Moest Bachus alzo met zuiplappen en hoeren een zegetocht door de stad hebben ingezet. In een ommezien stond de hele straat buiten te klappeien en werd er aan geen eten koken meer gedacht. Het was echter Bachus niet, maar wel een bende diamantslijpers. Zij reden per open 'calèche' de stad af en deden alzo al de kapelletjes van de processieweg aan.

Het was de maandagmorgen-ziekte die ze in het hoofd hadden gekregen. Ze waren ongeveer meteen twintigtal personen en drie rijtuigen. Ze hadden blauwe kielen met witte knopen en een hoge zijden hoed op het hoofd, in de mond stak een dikke havanna. Als een gonzende zwerm raasden ze voort, de koetsier aanmanend voor ieder kabardoesken halt te houden. Op de bok naast de koetsier zat een slijper in het wilde weg op een instrument te blazen. Zo gezegd zo gedaan, voor ieder bordeeltje werd halt gehouden en iets als een serenade ten beste gegeven. Daarna gingen ze naar binnen. Was er een knappe meid in huis, dan bleven ze een stonde langer, was de bazin ook een toffe griet, dan bleven ze nog een wijle langer en dronken ze nog een dikkop jenever meer.

En zo trokken ze steeds maar verder, straat in straat uit, bordeel in bordeel uit. Steeds trouw gevolgd door de prille straatjeugd en de plichtverzuimende huismoeders. Deze hadden de kookpot in de steek gelaten en dachten niet meer aan eten klaarmaken. Ja, zoals deze optocht er een was, waren er in het diamantvak vele. Daarom werd er wel eens misprijzend over de slijpers gesproken door de anderen. Zij moesten zich immers doodsloven om het mes in het brood te houden, in plaats van op zwier te gaan. Ja, de slijpers waren echte pierewaaiers, wijvenzotten en nachtbrakers, die het bij kwezels en pilarenbijters dikwijls lelijk te verdieren hadden. Wie in de biechtstoel dierf zeggen dat hij slijper was, had veel kans geen absolutie te krijgen.

En wanneer grootvader over al deze zaken uit zijn jeugd vertelde, wist hij van geen ophouden en bemerkte men een gulle glimlach op zijn gelaat. Het deed hem werkelijk deugd... en hij zuchtte dan: "Ja, zo waren ze !!". Het waren nieuw opgekomen baronnen. Ze aten de beste spijzen, dronken wijn bij hun eten en rookten de beste sigaren. Zelfs de welgestelde man kon een gevoel van afgunst niet onderdrukken bij de gedachte aan deze mensen, die letterlijk leefden als God in Frankrijk. Je moet nu niet denken dat iedere diamantslijper met grijze haren een tot inkeer gekomen zondaar is en nu leeft als een Franciscaner monnik. In die dagen leefden ze nog uit de hoorn des overvloeds, maar stilaan raakten de mijnen uitgeput en de krisis kwam in het vak. Wat moesten ze nu beginnen? Velen waren reeds zonder werk en geld hadden ze niet, want dat was vertierelierd met de straatmadelieven van Antwerpen en Boom. Sociale voordelen bestonden er nog niet, en werklozensteun nog minder.

Nu kraaiden ze heel wat minder dan 'Victorie', want velen onder hen moesten een brood gaan vragen in het genootschap van de H.Vincentius a Paulo. Dit ging in de volksmassa als een lopend vuurtje rond. Ogenblikkelijk waren er gelegenheidsdichters om de miserie van de slijpers te bezingen: "De weelde is voorbij, nu gaan ze hunne pere zien". Met vastenavond werd er door jong en oud het volgende schampliedje gezongen en afgezaagd door de dreunende orgels bij "Toontje van de Platte en Jan de Kerre":
Meskes betrouwt de slijpers niet,
ze lopen allen zonder werk,
het slijpen is ermee gedaan,
nu zullen ze naar 't gelaag moeten gaan, maar op het gelaag kunnen ze niet werken, ze zeggen dat is alleen voor de sterken,
in kruiwagen vallen ze dood,
ge kunt ze vangen met een stukse brood,
in den blouwen put vallen ze plat,
ge kunt ze vangen met een stuk chokolat ...!


Nadien evolueerde de toestand terug normaal en konden de slijpers hun werk wederom hervatten. Gelukkig zijn deze geschiedenissen reeds lang voorbij, diamantslijpers zijn mensen zoals andere arbeiders. Nu zijn zij misschien de nederigsten, want zij genieten veel minder voordelen dan andere arbeiders. Dus zijn de rollen praktisch omgekeerd in vergelijking met vroeger.
Heel dat stukje romantiek van hierboven behoort volledig tot de folklore. . . !


  
                                                                                Afbeelding

Boomse straatnamen

Onze voorzitter Louis Somers hield deze lezing over de Boomse straatnamen op de eerste voordrachtavond van het voorbije werkjaar, die plaatsvond in het kader van de Culturele Maand van de gemeente Boom. Toen wij onze voorzitter eens polsten naar zijn voorliefde voor geschiedenis, verwees hij spontaan naar zijn grootvader, die hem als kind altijd vertelde over de Berthouts van Grimbergen en het boek van Kan. Steenackers. De betrachting van onze voorzitter is de geschiedenis zo dicht mogelijk bij de mensen te brengen. Hij is steeds op zoek naar een Booms tintje in onze vaderlandse geschiedenis. De vikingen en romeinen kwamen immers ook langs onze streek! Tijdens zijn jarenlange ervaring als technisch leraar probeerde hij op eenzelfde manier zijn leerlingen, die niet altijd zo goed konden leren, te boeien. L. Somers maakte een selectie van de Boomse straatnamen, waarin een persoonsnaam voorkomt. Naast de biografische gegevens, zal hij enigzins uitwijden over de ontstaansgeschiedenis van het koninkrijk België. Tijdens deze periode leefden en werkten onze eerste Boomse burgemeesters. Het knipoogje naar de Bomenaars van toen mag niet ontbreken!

Wat er vooraf ging aan onze eerste Belgisch-Boomse burgemeester.
De wordingsgeschiedenis van onze Belgische onafhankelijkheid heeft een Booms tintje 1 Op het Europees Congres van Wenen, dat acht maand in beslag nam (van 30 oktober 1814 tot 9 juni 1815), werd de kaart van Europa herschikt. England, Pruisen, Rusland en Oostenrijk waren de verbondenen tegen Frankrijk. Zij verlangden een bufferstaat om Frankrijks oorlogszucht en gebiedsroof af te remmen. Daarom werden de Nederlanden weer samengevoegd. Dit maakte een einde aan de scheiding tussen Noord en Zuid, die geschiedde na de 80-jarig oorlog tussen de Spaanse koning Filips II en de "Noord-Nederlandse" vrijheidsstrijders onder leiding van Willem van Oranje Nassau, die begon in 1568. Zo werd Brussel in 1815 hoofdstad van de samengevoegde Nederlanden met als monarch koning Willem I van Nassau. Een goede week na het Congres van Wenen, op 16 juni 1815, ging Frankrijk met Napoleon voor de tweede maal ten onder in Waterloo! Na Napoleon begon koning Willem I met vele goede bedoelingen te regeren over de Nederlanden. Maar zeer snel veroorzaakte hij een smeulende revolutie! Op 15 september 1819 verscheen een taalbesluit om de vernederlandsing van de staatsadministratie door te voeren in het Vlaamse landsgedeelte . De aristocratie en de ambtenaren waren in het Frans geschoold onder het beleid van Napoleon. Deze mensen behoorden tot die generatie die sprak van "citoyens, liberté, fraternité en égalité".Op 1 januari 1823 moest de vernederlandsing ingaan. De verantwoordelijke minister Maanen hield er aan het besluit strikt door te voeren! Wie zich niet had aangepast werd naar Wallonië overgeplaatst. Koning Willem bevorderde in het Zuiden de handel en nijverheid en dacht aan de waterwegen. Zijn eigen Hollanders gaven hem het verwijt dat hij meer voor het Zuiden deed dan voor het Noorden!En zo begon reeds in 1826 de aanleg van het kanaal van Brussel naar Charleroi en de kolen van de Borinage gleden vanaf 1832 over het watervlak van het kanaal langs het omstreden sas van Klein- Willebroek naar de steenbakkerijen van de Rupelstreek. Maar de smeulende revolte was door niets te temperen en uiteindelijk explodeerde zij. Op 25 augustus 1830, feestdag van de koning, werd in de Muntschouwburg te Brussel "La muette de Portici" (De stomme van Portici) opgevoerd, waarin nogal wat nationalistische liederen voorkwamen! 

Bij de aanhef van het lied: "Amour sacré de la patrie, tu nous rendras la liberté!" (nu de Marseillaise), liep een groep heetgebakerde nationalisten naar buiten. Zij staken de staatsdrukkerij in brand en het huis van de gehate minister Maanen. De volgende dag kwam het volk in beweging. In die periode was er ook heel wat werkloosheid door de mechanisatie in de fabrieken. Bovendien was door de slechte oogst de broodprijs verdubbeld. Het volk vernielde machines en plunderde winkels. De politie greep niet in. De burgers stelden een burgerwacht in om hun have en goed te beschermen, dit geschiedde onder baron Van der Linden d' Hoogvorst . De Franse vlag was reeds op het stadshuis gehesen, maar werd snel vervangen door de Brabantse-Henegouwse kleuren: zwart - geel - rood!!


Ook in Luik, Verviers, Hoei en Namen hadden er woelingen plaats en had de burgerwacht de verdediging van de orde op zich genomen. Eind augustus was alles weer rustig! Op 1 september kwam op aanvraag van de Brusselse notabelen de oudste zoon van de koning, prins Willem met zijn staf en onder bescherming van de burgerwacht zich van de toestand vergewissen. Hij zag de barricaden in de straten! Op 3 september dachten enige notabelen aan een splitsing tussen Noord en Zuid onder dezelfde dynastie. Dit idee was gebaseerd op een voorstel van Gendebien, weer iemand die weldra tot het Voorlopig Bewind zou behoren. Op 8 september werd een Commissie van Openbare Veiligheid opgericht met Gendebien, Van de Weyer en Felix de Merode . Op 12 september zingt men voor het eerst in de Muntschouwburg de Brabançonne, die zopas was gecomponeerd.De ophitsing groeide. In de bierhuizen zong men reeds de Marseillaise, maar ook die nieuwe Brabançonne. Op 15 september stichtten vooruitstrevenden onder stuwing van de Luikenaar Rogier een Reunion Centrale, die een revolutionair centrum werd. De anarchie nam zienderogen toe. En in heel die gevaarlijke warboel bevond zich bij de Burgerwacht een Brussels-Booms zakenman!


Op 20 september maakte het gepeupel zich meester van het stadhuis, ontwapende de Burgerwacht en ontbond de Commissie van Openbare Veiligheid. De leiders namen de vlucht naar Valencienes op veilige Franse bodem. In Brussel heerste chaos, de revolutie scheen verloren. Prins Frederik, tweede zoon van koning Willem, kwam met een leger van 10.000 man om orde op zake te stellen. Baron d' Hoogvorst zetelde alleen op het stadhuis en hoopte op een voordelige capitulatie. De barricaden waren bijna verlaten. Op 23 september rukte het leger in de morgen Brussel binnen langs de Schaarbeeksepoort en de Leuvensepoort. Intussen werden andere koninklijke troepen bij de Lakense- en Vlaamsepoort opgehouden. Bij het horen van geschut doken langs alle zijden vrijwilligers op. Het werd een romantische strijd van tuchtloze opstandelingen tegen een geregeld leger. Nadat de vrijwilligers uit Luik aangekomen waren onder leiding van Rogier, stroomden ook vrijwilligers uit Ath, Leuven, Waals-Brabant en de streek van Charleroi Brussel binnen. En tot ieders verbazing hielden de barricaden van die romantische strijders stand!!! Op 24 september werd inderhaast een bestuurlijke commissie opgericht. Nadat de gevluchte leiders waren teruggekeerd, stelde men op 26 september een voorlopig bestuur samen, dat in oproep tot het volk de Belgen van hun eed van trouw aan Willem I ontsloeg. Prins Hendrik, die er voor terugdeinsde Brussel door bestorming en verwoesting te veroveren, trok op 26 september zijn leger terug uit het park, waar hij in stelling lag. In verschillende andere steden werden ook de aldaar gelegen garnizoenen verdreven en zo ook te Boom!

Op 4 oktober proclameerde het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België: Alexander Gendebien, Andre Jolly, Charles Rogier, Louis De Potter, Silvain Van de Weyer, baron de Coffrin, graaf Felix de Merode, Joseph Van der Linden en baron van der Linden d' Hoogvorst . Zij waren franstalig en de meesten behoorden tot de adel. Op 3 november werd een nationaal Congres gekozen van 200 leden door slechts 30. 000 kiezers. Wie cijnsplichtig was mocht kiezen. Kroonprins Willem, als landvoogd van het Zuiden, kon niets meer veranderen aan die toestand. En het zoeken naar zelfstandigheid ging verder. Op 25 november 1830 begon het opstellen van een grondwet onder de supervisie van een groep juristen (De brouckère, Raikem, De Ineu, Paul Deveau en Fleussu). Het werk zou wel enkele weken duren!Ondertussen ging men ook op zoek naar een koning. Londen moeide zich dapper met de moeilijke geboorte! Onder invloed van de "Frankrijk-gezinden" koos het Nationaal Congres op 3 februari 1831 de Hertog van Neumours, zoon van de Franse koning Louis- Philippe, met 97 stemmen op 192 (er waren 3 afwezigen). Maar Londen zei 'njet'! De Franse koning was zo beleefd het aanbod voor zijn zoon af te wijzen uit eerbied voor zijn buren. Op 7 februari werd de Belgische grondwet afgekondigd. België werd een parlementaire monarchie met scheiding der machten:
* de wetgevende macht: de koning met Kamer en Senaat
* de uitvoerende macht: de koning en zijn ministers
* de rechterlijke macht: vredegerechten, rechtbanken van eerste aanleg, assisenhoven, beroepshoven en een hof van cassatie. In de 19de eeuw stond onze grondwet model voor andere landen in Europa!


Het opstellen van de grondwet had tien weken geduurd en ondertussen was de chaos in België weer toegenomen. De Orangisten begonnen zich in de steden Gent, Antwerpen, Brussel en Luik weer te roeren. Het leger moest wegens zijn republikeinse geest en zijn tekort aan discipline gedeeltelijk ontbonden worden. De bezorgdheid om stabiliteit bleef bestaan. Op 24 februari 1831 koos het Nationaal Congres een regent in afwachting dat er een koning kwam. Baron Erasmus Louis Surlet De Chokier uit Luik werd in de derde stemronde gekozen met 106 tegen 61 stemmen. De volgende dag legde hij de eed af. Generaal Goblet vormde toen de eerste Belgische regering. Jozef Lebeau, minister van Buitenlandse Zaken, vestigt de aandacht van de congresleden op Prins Leopold van Saksen Coburg Gotha. Deze Duitser, tot Engelsman genaturaliseerd, moest de grote mogendheden in de smaak vallen. Hij was op 16 december 1790 geboren in Coburg (Neder-Beieren). Hij had in het Russische leger tegen Napoleon gestreden. In 1816 huwde hij met prinses Charlotte van Engeland, die reeds een jaar later stierf. Sindsdien verbleef hij in England en werd er gewaardeerd. Op 9 augustus 1832 huwde hij met prinses Louise-Marie van Orléans, de oudste dochter van koning Louis-Philippe. Tot het einde van zijn leven bleef hij Luthers. Wegens zijn wijs oordeel werd hij het "Orakel van Europa" genoemd.

Op 4 juni 1831 koos het Nationaal Congres met 152 op 196 stemmen Prins Leopold tot koning der Belgen. Op 21 juli maakte de koning zijn Blijde Intrede, nadat hij in De Panne voet aan wal had gezet. Onder een stralende zon deed Leopold I zijn intrede te Brussel. Tegen de middag meldde hij zich met zijn staf aan de Lakensepoort, waar burgemeester Rouppe hem de sleutels van de stad overhandigde. Op het podium op het Koningsplein, tegenover de kerk van St.-Jacob-op-de-Koudenberg, nam hij plaats tussen baron Surlet de Chokier en Etienne de Gerlache, voorzitter van het Nationale Congres. Daar legde de koning de eed af: "Ik zweer trouw aan de grondwet en de wetten van het Belgische volk en zweer haar onafhankelijkheid en de integriteit van haar grondgebied te handhaven." E. de Gerlache verzocht de koning de troon te bestijgen, wat hij ook deed! Onze Belgische politieke democratie kon beginnen.Leopold I was verstandig, ietwat autoritair en had wel wat moeite met de engheid van de constitutionele macht. Hij waakte over de jonge onafhankelijkheid, ijverde voor welvaart en streefde naar het samengaan van de twee politieke partijen en naar vriendschappelijke betrekkingen tussen Kerk en Staat. Op het wapenschild, in 1827 gelanceerd door de jurist Paul Derause, las men: "Eendracht maakt macht" - "Union fait la force". Eindelijk kreeg de provincia Belgica van Julius Ceasar haar rechten. De oppervlakte was toen meer dan de huidige 30.000 km2. Het oorlogsongedierte had er goed aangezeten. Ons "Zuid-Nederland" is steeds het slagveld van Europa geweest. En wie ooit heeft gezegd: "Sire, er zijn geen Belgen", moet zich bezinnen. Het was een politicus. De Belgae kwamen van over de Rijn in 288 v.Chr. naar onze streken afgezakt. Zij verjoegen hun voorgangers en die trokken over England naar Ierland en naar Bretagne in Frankrijk. De Belgae waren de dappersten aller Galliërs volgens Julius Caesar: "Gallorum Omnium Fortissimi sunt Belgae". En een goede raad, politicus, om een groot politieker te worden is geschiedenis het hoofdvak en die mag lid worden van "Ten Boome".



Via onderstaande linken kan je naar de straatnamen navigeren

Inhoud syndiceren

 

Het is: donderdag 31 juli 2014, 15:28