__________________________________
HUNNE GESCHIEDENIS
Van het
begin der verrichtingen in 1914 af, deed de noodwendigheid zich gevoelen in de
legerdivisies te beschikken over wielrijderseenheden die met de elementen der
divisiecavalerie zouden medewerken aan den verkenningsdienst.
Te Luik
en te Namen, werden er op het initiatief van de Commandanten der 3e
en der 4e Legerdivisie, compagnies wielrijders ingericht, wier
rendement zeer gewaardeerd werd. Bij de 5e L. D. voegde de Commandant
der divisie van zijn kant, op 21 Augustus, aan elk zijner gemengde brigaden eene
compagnie wielrijders toe.
Het
Groot-Hoofdkwartier besloot nadien elke Legerdivisie met eene compagnie
wielrijders te begiftigen.
Einde
September 1914 waren al de divisies er van voorzien.
In
Januari 1918 werden de divisie-wielrijderscompagnies verbonden aan de lichte
groepeering welke in elke divisie werd ingericht door het vereenigen van een
rijdende batterij, een compagnie wielrijders en een escadrille
auto-mitrailleuses.
Bij de
gevechten rond Luik en Namen en gedurende het beleg van Antwerpen, namen de
divisie-wielrijderscompagnies, in samenwerking met de divisiecavalerie, deel aan
den verkenningsdienst en aan de officierverkenningen.
Bij den
aftocht van het Belgisch leger naar den IJzer, benuttigden de
Divisiecommandanten ze als achterhoede; het vuurvermogen en de groote
beweeglijkheid dezer eenheden stremde merkelijk de vijandelijke achtervolging.
Zij werden eveneens aangewend tot de bescherming der basis welke langs de kust
werd opgericht. Sommige werden aan de 2e Cavaleriedivisie verbonden,
welke tijdens den aftocht naar den IJzer werd opgericht.
Gedurende
de stabilisatieperiode namen die eenheden met de infanterietroepen deel aan den
wachtdienst in de loopgraven.
Bij het
bevrijdingsoffensief dienden deze eenheden, die deel uitmaakten van de
divisionnaire lichte groepeeringen, tot steun aan de bereden eskadrons wier
voornaamste opdracht het was in contact te blijven met den vijand en dezer
achterhoeden onophoudend te bestoken.