__________________________________
HUNNE
GESCHIEDENIS
In 1911 gevormd uit de 4
Compagnies-Wielrijders van het Regiment Karabiniers wordt het Bataljon
teruggebracht op 3 Compagnies bij de herinrichting van het leger, den 15e
December 1913 en, onder den naam van Karabiniers-Wielrijders aan de
Cavaleriedivisie toegevoegd.
Later, wanneer in 1915 een tweede Bataljon Wielrijders gevormd wordt neemt het den titel van 1e Bataljon Karabiniers-Wielrijders.
De
fanion van het 1e Bataljon Wielrijders draagt de vermeldingen: Halen,
Antwerpen, IJzer, Reigersvliet, Wippelgem en is versierd met het Kruis en den
Nestel der Leopoldsorde.
2e BATALJON
Het 2e
Bataljon Karabiniers-Wielrijders werd gevormd den 28n Januari 1915
door het samenvoegen der 3 Compagnies-Wielrijders, die zelf gevormd geweest
waren in de eerste dagen van den oorlog, uit allerhande zeer verschillende
eenheden: wielrijders der oude klassen van het 1e Bataljon, voetvolk
van de 3e en 6e Legerdivisies, te voet gestelde
cavaleristen en oorlogsvrijwilligers.
Deze
compagnies hadden reeds deelgenomen aan de verrichtingen van het begin van den
veldtocht, maar het is in het slijk van den IJzer en gedurende de lange perioden
van de loopgraven der jaren 1915, 1916, 1917 dat het Bataljon een Korps wordt en
zijn eerste traditiën verwerft. Onder het geleide van Majoor A.-E.-M. Dubois
die het onder zijn bevel gehad heeft sedert zijne samenstelling tot in Januari
1919, werkte het onderscheidenlijk mede aan de verdediging van al de sectors van
het Belgisch front: Knokke, met de 2e L. D.; Diksmuide, met de 6e
en de 4e L. D.; Noordschoote-Lizerne, met de 2e L. D.;
Blauwvoetbrug-Berkelhof, met de 4e L. D.; Steenstraat, met de 5e
L. D.; Nieuwcappelle, met de 6e L. D.
Einde
October 1917, bij het eerste Offensief in Vlaanderen, had het de eer, in
samenwerking met den uitersten linkervleugel van het leger Anthoine, het
schiereiland Luyghem-Vijfhuizen, te veroveren, ‘t eerste teruggewonnen stukje
Belgischen grond.
Gedurende
de eerste dagen van October 1918, is het te Oud-Stuivekenskerke. Het is in
eerste lijn bij den aanval van 6 Maart en slaat dezen af terwijl zijne
verkenners, met die van de Cavalerie divisie, aan het hoofd zijn van den
tegenaanval der Jagers te paard, die de groote wacht van Reigersvliet terugnam.
Het Bataljon werd voor dit wapenfeit op de Legerdagorder vermeld.
Eindelijk
komen de groote overwinningsoffensieven van October 1918, en in de achtervolging
kan het Bataljon opnieuw zijne rol opnemen van wielrijderstroep. Den 16e
October, als voorwacht van de cavaleriedivisie, ten Noorden van Lichtervelde,
bemachtigt het een mitrailleuse en gevangenen; dan, ‘s anderdaags, is het de
vooruitgang, in volle snelheid, door de bevrijde gewesten.
Het komt
veruit eerst te Jabbeke, steekt de vaart van Brugge over en neemt met geweld
drie mitrailleusen en 25 gevangenen. Twee dagen later, vóór Knesselare neemt
het deel aan den aanval tegen Maldegem, met de brigade Gidsen. De Duitschers
besloten hebbende de linie op de afleidingsvaart der Leie te verdedigen,
ontvangt het Bataljon den 21n October het bevel tot den aanval aan de
Rapenbrug. Na een gevecht van twee uren gelukt het er in de vaart over te steken
en er een bruggenhoofd in te richten, dat het gedurende twee dagen behield,
niettegenstaande de menigvuldige tegenaanvallen der Duitsche « marinefusiliers
». Maar de gevechten van die laatste 10 dagen hadden 95 dooden en gewonden
gekost, het vierde van zijne getalsterkte. Het was noodig het af te lossen door
een troep voetvolk. Om dit feit verwierf het Bataljon eene nieuwe vermelding.
Na
eenige dagen rust vertrekt het naar Gent en vecht voor Evergem. Den 10n
November, te Eerstestraat, bij Eekloo, ontving het bevel om opnieuw vooruit te
rukken, toen de wapenstilstand werd geteekend.
Het
bataljon kreeg de toelating om den nestel in de kleuren van het Oorlogskruis te
dragen en op 3 Juni 1919 ontving het, te Kleef (Duitschland), zijn fanion uit de
handen van Luitenant-Generaal Lemercier.
Eindelijk,
juist zooals het 1e Bataljon, werd het in 1924 ontbonden, en zijn
fanion in het Legermuseum geplaatst.