VOORWOORD, Door Richard Heijster schrijver van diverse boeken ivm Wereldoorlog I

 

 

 

België werd 4 augustus 1914 gedwongen haar neutraliteit te verdedigen. Het land deed dat op een wijze die bij vriend en vijand respect afdwong. De Duitse agressor had op een vrije doortocht gehoopt, dacht dat België zich - in het slechtste geval - hooguit symbolisch zou verdedigen en had zeker niet op hardnekkige tegenstand gerekend.

 

Op het moment van de overval hadden de Duitsers ogenschijnlijk dan ook niet veel reden zich zorgen te maken over de effectiviteit van hun goed gesmeerde oorlogsmachine. Het slecht geoefende Belgische leger bevond zich midden in een reorganisatie, bestond uit nog geen tweehonderdduizend man, er waren veel te weinig vakbekwame officieren en onderofficieren en er was een tekort aan kanonnen, mitrailleurs en munitie.

 

Koning Albert reageerde echter uiterst verontwaardigd op de Duitse inval en de volgende woorden verschenen in het Belgisch Staatsblad: ‘Zonder de minste uitdaging onzentwege, heeft een gebuur, hoogmoedig door zijne kracht, de verdragen verscheurd, welke zijne handtekeningen dragen, en schendt hij het grondgebied onzer vaderen…

 

Wanneer Zij hare Onafhankelijkheid bedreigd zag, heeft de Natie getrild en hare kinderen zijn als een stormwind naar de grenzen gerukt.’

Met name de forten van de vestingsteden Luik en Namen schreven wereldwijd geschiedenis en ook in het veld stelden Belgische soldaten zich tegen de furor teutonicus teweer. De Duitse legers liepen hierdoor een flinke achterstand op in de uitvoering van hun oorlogsplannen die tegen Frankrijk en Rusland waren gericht.

 

Het zou te ver voeren te beweren dat de oorlog voor de Duitsers door de heldenmoed van de Belgen verloren ging. Dat ‘de Belgen die zo dwaas waren te proberen met beperkte militaire middelen de Duitse opmars tegen te houden’ - aldus de Duitsers - , tijdens de eerste fase van de oorlog en zeker gezien de grootte van hun land, een bovenmatig aandeel leverden is wel als een vaststaand feit te beschouwen.

 

 

Maar ondanks het moedige optreden van het Belgische leger werd het land gedurende vier jaar bezet en lukte het slechts een klein gebied in het uiterste zuidwesten, en de kleine Belgische enclave in de buurt van het Nederlandse Tilburg, vrij van Duitse soldatenlaarzen te houden.

 

In 1914 telde Boom in de provincie Antwerpen zo’n 18.000 inwoners. Geplaatst in het kader van de hele Eerste Wereldoorlog vormen de omstandigheden in deze gemeente slechts een voetnoot in de geschiedenis. De invloed van het plaatsje en haar inwoners op het grote geheel is eenvoudigweg te gering om ergens van doorslaggevend belang te zijn geweest. Het is dan ook logisch dat Boom niet mag rekenen op de warme belangstelling van een overvloed aan historici die zich over het algemeen bezig houden met grotere lijnen en de meer in het oog springende gebeurtenissen van de Grote Oorlog.

 

De kennis over 1914-1918 is op macro-niveau goed gedocumenteerd door prima onderbouwde publicaties en de belangrijkste primaire bronnen genieten de veiligheid van archieven. Dat wil echter nog niet zeggen dat een gedegen geschiedschrijving op wat ik voor het gemak micro-niveau noem, in dit geval die van Boom, minder waardevol is. Juist boeken als HET KLEINE BOOM IN DE GROTE OORLOG zullen voor latere generaties waardevol blijken te zijn omdat de herinnering vervaagt, de laatste ooggetuigen gestorven zijn, de overlevering door de nabestaanden uiteindelijk wegvalt, andere mogelijke bronnen niet voldoende beschermd zijn en het dus steeds moeilijker zal worden te achterhalen wat er werkelijk gebeurd is.

 

 

De grote verdienste van publicaties zoals deze is dat ze helpen het grotere geheel beter te begrijpen en dat dit inzicht levend blijft. De verhalen over hoe de gewone man en plaatsjes als Boom de oorlog beleefden zijn een te weinig beschreven reflectie van de eerste wereldbrand en het gevaar dreigt dat ze voor een omvangrijk deel verloren zullen gaan.

 

 

De grote verdienste van Marc Verlinden is dat hij met engelengeduld, uiterst gedegen en bovenal met zichtbare liefde heeft gewerkt aan een boek dat nu al beschouwd kan worden als belangrijk erfgoed van de toenmalige inwoners van Boom. De waarde ervan overschrijdt de gemeentegrenzen verre. En wat ook niet onbelangrijk is: de overvloed aan foto’s en documenten in combinatie met de heldere beschrijvingen maakt dat het boek een aanwinst is voor de boekenkast van iedere geïnteresseerde in de Eerste Wereldoorlog.

 

Geldrop, 21 oktober 2006.

 

Richard Heijster

 

Auteur van:

Verdun, Breuklijn der Beschaving

Ieper 14/18

Mysterie 14/18, de Eerste Wereldoorlog onverklaard

Krieg. Ieper het martyrium van 14/18 door Duitse ogen   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INLEIDING

 

“DE GROTE OORLOG” werd tijdens het interbellum de eerste wereldoorlog –het gewapende conflict  tussen Duitsland en de Geallieerden- genoemd. Oorspronkelijk was België niet bij betrokken. Bij de stichting werd ons land door de machthebbers een strikte neutraliteit opgelegd. Toen Duitsland via ons land Frankrijk aanviel –het zogenaamde  “Von Schlieffen-plan- werd onze neutraliteit geschonden en dat kon onze toenmalige koning Albert I niet toestaan. Onze deelname aan de wereldoorlog werd een feit.

Boom ontsnapte niet aan het oorlogsgeweld. 954 Boomse jongeren, waaronder 203 vrijwilligers, gingen mee ons land verdedigen. Over het aantal Boomse soldaten  dat de gruwel niet overleefde zijn de meningen verdeeld

Op een postkaart, uitgegeven in 1923 ter gelegenheid van de inhuldiging van het gedenkteken voor de slachtoffers van de eerste wereldoorlog, worden 99 namen vermeld.

Alex Vinck telde er in zijn boek “BOOM, van de OUDHEID tot het JAAR 2000” 103.

Na een restauratie van het monument in de jaren negentig bevatte de in arduin gekapte lijst plots 101 personen.

Ons onderzoek sluit af op 132 slachtoffers! 

*

In het eerste hoofdstuk 

“BOOM TIJDENS DE BEZETTING”

beschrijf ik de erbarmelijke levensomstandigheden van de Boomse bevolking tijdens de Duitse bezetting die 4 jaar duurde. Het bevat o.m. het unieke, authentieke verslag dat door het gemeentebestuur van Boom in 1920 werd opgesteld in opdracht van het provinciebestuur van Antwerpen onder de omvangrijke titel :

“VERSLAG OVER DE MERKWAARDIGE GEBEURTENISSEN EN TOESTANDEN IN BOOM GEDURENDE DE DUITSE BEZETTING, 4 AUGUSTUS 1914-11 NOVEMBER 1918”.

Dit verslag berust in het gemeentelijk archief, dat zich bevindt in de gemeentemagazijnen en  werkplaatsen, gelegen in de  Industrieweg te Boom, naast het brandweerstation.

*

In het tweede hoofdstuk

“BOOMSE GESNEUVELDEN VAN WO I”

staan, alfabetisch geklasseerd,  132 slachtoffers! Vanwaar dit groter aantal? Omdat wij vinden dat vermiste manschappen en personen gestorven –zelfs na de wapenstilstand- aan een ziekte tengevolge van de oorlog (longontsteking bijvoorbeeld) evengoed slachtoffer van de oorlog zijn. Ook als het overlijden plaats greep in krijgsgevangenschap, in een militair ziekenhuis of zelfs na thuiskomst. In onze lijst staan dus niet alleen mannen “gevallen op het veld van eer”, zoals gesneuvelden heroïsch worden genoemd.

Als Bomenaar beschouwen wij: personen geboren in Boom of er wonende tijdens de oorlog.

Hoe is de lijst tot stand gekomen?

Als basis van onze lijst diende de database van Danny Wilssens, prominent lid van de heemkring” “Ramskapelle aan de IJzer”.

Die lijst verbeterden en vulden wij aan met:

a)      gegevens uit de registers van de burgerlijke stand;

b)      gegevens die wij vonden in het “Hedendaags Gemeentearchief van Boom”, gedeponeerd in het Rijkarchief te Antwerpen, in het dossier “Briefwisseling tussen de gemeente Boom en de administratieve diensten van het leger”.

Tientallen militairen staan afgebeeld met hun portret, soms aangevuld met een persoonsbeschrijving, hun afstamming en een inventaris van bezittingen die aan de nabestaanden werden terugbezorgd. Ook de plaats waar ze werden begraven wordt aangegeven. Indien de militair op het monument der gesneuvelden werd vermeld, dan treft u een foto aan van hun in de arduin gebeitelde naam.

*

Het derde hoofdstuk

“EERBETOON”

bevat verschillende rubrieken:

a)      de meest uitgereikte medailles;

b)      erepark op de gemeentelijke begraafplaats;

c)      omzendbrief van het Ministerie van Landsverdediging “grafsteden der onder den oorlog overleden militairen”;

d)      het monument der gesneuvelden;

e)      Frans Cop;

 

*

Het vierde hoofdstuk

VERSLAG OVER DE DRIEJAARLIJKSE VERGADERING VAN DE OUDSTUDENTENBOND

 

Bevat  twee toespraken die gehouden werden op 21 september 1920 in het Onze-Lieve-Vrouwecollege. In deze verslagen komt de school tijdens WOI ruim aan bod maar ook hoe het de oud-leerlingen verging die onder de wapens werden geroepen, en het leven in de gemeente tijdens de bezetting.

 

In de

EPILOOG

behandel ik beknopt de periode tussen de wapenstilstand op 11 november 1918 en het verschijnen van het eerste deel van “Mein Kampf”, geschreven door Adolf Hitler bevat de kern van de tweede wereldoorlog.

*

Ik hoop dat ik met dit boek enkele van de duizenden jongens die tijdens de eerste wereldoorlog in de Westhoek gesneuveld zijn en er vaak begraven liggen uit de vergetelheid heb gehaald.

Zij lieten hun leven op een leeftijd waarop het feitelijk nog moest beginnen.

Het boek over de zin van hun overlijden werd nog niet geschreven.

 

“Als ge van ze leven in de Westhoek passeert deur regen en noorderwinden keert omme den tijd als g’alhier passeert den oorlog ga j’ hier were vinden.

Ja ’t is den oorlog da ‘j hier were vindt en ’t graf van duizend soldaten altijd iemands vader, altijd iemands kind, duizend en duizend, soldaten, duizend en duizend soldaten, duizend en duizend soldaten”.

 

Uit “Duizend soldaten” van Willem Vermandere.

 

                                                                       De auteur,

                                                                       Marc Verlinden

                                                                       verlinden.m@skynet.be