TEN BOOME
Dit boeiende verhaal over de vlucht van de familie Cuypers
tijdens de begindagen van Wereldoorlog II
werd ons bezorgd door hun zoon dhr. Ludo Cuypers, waarvoor onze oprechte dank.
Over dit kroostrijk gezin schreef
Alex Vinck in zijn boek "Boom 1960-1980" het volgende:
De bekendste Boomse geneesheer was ongetwijfeld
dokter Marcel Cuypers. Sedert 1927 oefende hij zijn praktijk uit, maar toonde
zich daarnaast ook actief in het socio-culturele leven van de gemeente Boom. 40
jaar lang was hij de gewaardeerde clubdokter van Boom F.C.
Van de Koninklijke Katholieke Vlaamse Toneelgilde Harlekijn nam hij een tijdlang
het voorzitter-en later het erevoorzitterschap waar. Maar zijn grote bekendheid
had een andere reden. Hij stond aan het hoofd van het grootste gezin uit onze
gemeente. 14 kinderen baarde zijn echtgenote Frieda Van den Bril, waaronder
genoeg zonen om een voetbalelftal te vormen. Het "dr. Cuypers-team"
daagde de leraars van het O.L. Vrouw-college uit en op 14 maart 1964 had de
voetbalwedstrijd plaats. De "blauw-witten" van dr.Cuypers trokken
onmiddellijk ten aanval en de leraars, die uitgedost waren in de Vaticaanse
kleuren geel-wit, keken al vlug tegen een achterstand aan, dank zij een doelpunt
van Ralph. Blijkbaar kreeg Joseph medelijden met zijn vroegere professoren, want
hij zorgde voor de gelijkmaker door een own-doelpunt te netten. Na de rust kende
de partij een evenwichtig verloop en he twas Ward die met een ijzig kalm genomen
strafschopdoelpunt de Cuypersen opnieuw op voorsprong bracht. Niet voor lang
echter, want professor Hofman bracht de stand terug gelijk, zodat deze
vriendschappelijke wedstrijd op een billijk gelijkspel (2-2) eindigde.(Volksweekblad).
Radio en televisie waren aanwezig om verslag uit te brengen over deze
uitzonderlijke sportgebeurtenis. Dokter Cuypers keek 's avonds niet zonder
fierheid naar "Sportweekend".
VLUCHTEN NAAR FRANKRIJK IN 1940
Door Frida Cuypers-Van den Bril
Inleidende nota door Ludo Cuypers.
Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Luxemburg, België en Nederland binnen. De Blitzkrieg vernietigde op korte tijd het verzet van het Nederlandse leger (capit
ulatie op 14 mei) alsook dat van het Belgische leger dat zich evenwel in de rug gedekt voelde door Franse en Britse troepen. Maar op 28 mei ondertekende koning Leopold III, als opperbevelhebber van het Belgische leger, de capitulatie. Dit werd hem wel kwalijk genomen door een deel van de regering en van het parlement alsmede door de bondgenoten. Het zou een belangrijk element gaan zijn in de na-oorlogse koningskwestie.
De opmars van de Duitsers veroorzaakte paniek bij de burgerbevolking. De vreselijke verhalen over de Duitse invasie van 1914 doken weer op.
Honderdduizenden verkozen naar Frankrijk te vluchten. Dat men daardoor de bewegingen van de Belgische en Franse troepen zou hinderen drong niet door. De massale vlucht bleek achteraf totaal zinloos vermits de Duitse bezetters in de eerste weken en maanden van de bezetting duidelijk instructies hadden gekregen over een correcte houding tegenover burgerbevolking en krijgsgevangenen.
In Boom besliste Marcel Cuypers (papa) eveneens naar Frankrijk te vertrekken. Bijkomende omstandigheid was dat zijn broer, Edward, nog geen 35 jaar oud was en derhalve verplicht was zich bij de Belgische overheid te melden in Frankrijk.
In feite was het idee voor een vlucht naar Frankrijk een roekeloze onderneming. Het gezin Cuypers-Van den Bril zou immers de tocht wagen met zijn 14. De beide ouders + Edward + 9 kinderen waarvan Luc de oudste (9 jaar) en Ludo de jongste(5 weken) waren,+ twee dienstmeiden, de zussen Judith en Blanche. Die allemaal in een Ford,model A. Misschien ook een kleine aanhangwagen. Frida Van den Bril (mama) zou achteraf een verslag schrijven over deze episode. Waarschijnlijk noteerde ze onderweg een paar gegevens om die dan, maanden na de terugkeer in Boom ,te bundelen in een schriftje. Aangevuld waarschijnlijk met herinneringen uit haar geheugen. Het schriftje in kwestie is een ruitjesschrift, met rossige omslag. Op de omslag een opdruk in het Frans: ‘Cahier
de….appartenant à…’ waar mama met haar Franstalige achtergrond netjes ‘Notes de voyage 1940...madame Cuypers’ invulde.
De tekst was in degelijk Nederlands-Vlaams. We behielden in deze uitgave voor een groot deel de originele spelling en grammatica, kwestie van authenticiteit. Met noten en aanvullingen zullen we hier en daar wat duiden.
Ziehier dan mama’s relaas zoals zij het neerschreef in november 1940
De vette tekst tussen de haakjes bevat correcties en opmerkingen van Ludo Cuypers
ONZE VLUCHT IN 1940
Ik zal trachten voor zoover mijn geheugen me trouw blijft, onze vlucht samen te vatten , op dat wij er later én de blijde, én de droevige herinneringen aan beleven. Het klinkt wel aardig, als men spreekt van blijde herinneringen, maar als ik zulk woord gebruik, denk ik aan al de goede menschen die we onderweg ontmoet hebben, en die ons zoo goed geholpen hebben, en dan denk ik ook aan zekere toestanden waarin we verkeerd hebben, en waarmede men, willen of niet, moest lachen.
We vertrokken op Maandag 13 mei 1940. De Duitschers waren ons land binnengerukt. Men sprak reeds dat de troepen in Brussel waren. Wij wisten niet of men te Boom ging vechten ja of neen, en met onze 9 kleine kinderen konden we het laatste ogenblik niet afwachten. Nonkel Edward, die nog geen 35 jaar was, moest toch vertrekken naar Frankrijk, en we besloten allen te samen weg te gaan. Ik trachtte zooveel mogelijk in te pakken maar toen ik met al die bagage te voorschijn kwam, moest ik bestatigen dat er de helft teveel bij was. Al het overbodige werd in de wachtzaal neergelegd, en tot barstens toe gevuld begon onze auto zijn eersten rit. We zaten met 14 personen in den auto: Marcel, de negen kinderen, nonkel Edward, Judith en Blanche en ik. Ademen kon men nog met veel moeite maar dat was ook alles.
We reden den eersten dag tot Iseghem (Izegem) , bij Kortrijk. Langs de baan ontmoetten we al veel jongens per fiets,of te voet, die zich naar Ypres (Ieper) begaven om verder naar Frankrijk doorgezonden te worden.
In Dendermonde was het er al duchtig toegetakeld. Aan de brug waren talrijke bommen gevallen, en het was de eerste maal dat we kennis maakten met het oorlogsbeeld. Alle huizen rond de brug hadden geleden van het bombardement. Later vernamen we dat dokter D’Hooghe, uit Basel-Waes (Bazel) juist voorbij de brug reed toen de bommen vielen en dan ook gedood werd. Langs Gent en Kortrijk bereikten we Iseghem. Hier viel ons de eerste teleurstelling te beurt. Mijn kozijn is er apotheker. We dachten niet beter of we zouden er voor één nacht mogen overnachten. Maar ik denk dat we met te velen waren en er was geen plaats. Wat nu gedaan ? Op de Groote Markt stonden al veel vluchtelingen voor het huis ‘Asile pour réfugiés’. Daar moest men om eten en slapen vragen. Ik deed zoals de anderen, en de schepen der stad Iseghem, Mr Sintobin, fabrikant in borstels, nam ons mee naar het klooster Ave Maria. Daar het Rood -Kruis hier was gevestigd konden we geen plaats vinden. Mr Sintobin nam ons mee naar zijn huis, of liever naar zijn kasteel en hier kenden we eindelijk wat het wil zeggen ‘liefdadig zijn.’
|
Nota van Ludo |
Mr Sintobin was een weduwnaar met 4 jonge kinderen. Zijn nicht deed het huishouden en het was dan ook zij die ons zoo gulhartig ontving. De kinderen kregen een lekker avondmaal en dan naar bed. Luc en Marc sliepen bij die juffrouw. Mathieu, Bernadette,Johan, Edward en Paul bij de meiden, Jozef in de badkamer, nonkel Edward bij mr Sintobin, Ludo bij ons. Nooit hadden we in zulke prachtige kamers gelegen, want het huis was juist gemoderniseerd
‘s Anderdaags 20 mei (vergissing mama: het was 14 mei) stelden we voor recht naar Trappes ( NW van Parijs !!) te rijden, maar in plaats van in één dag den rit te maken zou het 8 dagen duren zoals we verder zullen zien.(neen, 5 dagen)
Daar we toch zo geladen waren gingen we op zoek naar een tweede auto om, zoo mogelijk, ons te vergezellen tot aan de Fransche grens, en daar zouden we dan weer een tweede auto zoeken om verder te rijden. Maar…het duurde een hele voormiddag vooraleer we een auto gevonden hadden die ons tot Meenen (Menen) zou brengen.
Na een hartelijk afscheid van de familie Sintobin vertrokken we om 11 uur. Hendrik Sintobin moest ook naar Frankrijk vertrekken met al de jongelingen onder de 35 jaar (Hendrik Sintobin overleed in april 2005). Rosa en Mariette (Marguerite) beloofden eens naar Boom te komen na den oorlog (Mariette en Rosa zouden momenteel- 2007- mogelijk nog leven en respectievelijk 88 en 86 jaar oud zijn)
|
Dit zou de woning zijn van de familie Sintobin in Izegem aan de Vanden bogaerdelaan waar de vlucht van de familie Cuypers-Van den Bril de eerste dag (13 mei) onderdak vond. Het huis bestaat nog maar is niet langer van de familie Sintobin Jules Sintobin (1890-1964) was in 1940 schepen en werd nadien burgemeester van Izegem van 1958 tot 1964. Hij was het die op 13 mei met verontwaardiging vasstelde dat de 14 vluchtelingen de toegang tot het klooster Ave Maria werd ontzegd door de zuster overste aldaar. (aldus informatie bezorgd door Rosa, Marguerite en Paul Sintobin, kinderen van Jules en destijds 19,17 en 13 jaar oud). De eerste vrouw van Jules Sintobin ,Jeanne Holvoet, was in 1937 overleden. Jules hertrouwde nog tijdens de oorlog met Madeleine Sintobin (zelfde familienaam) en had nog 2 dochters, Anne en Véronique) Alle informatie over de familie Sintobin werd ons toegezonden door Paul Sintobin. |
Toen we in Meenen aankwamen, wemelde het er van jongelieden die allen hadden moeten vluchten. Eten was er niet meer te krijgen. Er was zelfs geen slaapgelegenheid meer en vele jonge mannen hadden op den borduur (trottoir) moeten slapen.
Na Meenen bereikten we Poperinghe (Poperinge) . Hier begon de drukte maar voor goed. Onze geleider was teruggekeerd naar Iseghem daar er toch geen middel was verder te rijden. Wij dachten rechtstreeksch over de grens te rijden maar er viel niets aan te doen. Iedereen moest een nummer afhalen op het gemeentehuis en dan zijn beurt afwachten. Terwijl Marcel en Edward om een nummer gingen moesten wij voor zooveel volk voor slapen zorgen. We zaten in een café onze boterhammen op te eten toen andere vluchtelingen ons vroegen van waar we kwamen en bij het hooren dat we van Boom kwamen bleek het dat we in gezelschap zaten van de zuster van Louis Hellemans uit Terhaegen (Terhagen), een zieke waar Marcel reeds lang komt. We vroegen daar aan een dame of ze voor ons geen logies kon vinden en het mensch bood ons haar eigen huis aan.(mevrouw Devynck-Dujardin,Westvleterensteenweg Poperinge) . Ze had ook twee kinderen, Rita en Rosa en dezen speelden seffens met onze kinderen. Marcel, nonkel Edward, Ludo, Jozef en ik sliepen bij Mme Dujardin, de anderen waren verdeeld over twee huizen. De vluchtelingen kwamen al meer en meer aan en Poperinghe zat zoodanig vol met vluchtelingen dat men op de koppen kon loopen. De ganschen voormiddag (15 mei) brachten we door met naar de honderden auto’s te kijken die naar Frankrijk oprukten. Intussschen hadden we ons nummer gekregen: nr 500. Er viel dus maar geduld te hebben! Toen we ’s woendags namiddag dachten te gaan middagmalen hoorden we ineens zeggen: « Iedereen mag over de grens ».
We pakten alles bijeen en sprongen in de auto om rechtstreeks naar Watou te rijden. Maar hier begon onze eigenlijke kruisweg. Honderden auto’s wachtten hun beurt af om de grens te overschrijden. Daartusschen liepen evenveel voetgangers, doch die mochten over de grens zonder papieren. Wat men allemaal te zien kreeg was onbeschrijfelijk! Vele menschen hadden kindervoitures bij, waarop dan hun bagage lag; soms zag men zelfs een oud moedertje of een zieke op het karretje liggen. Zonder te spreken van allerhande soorten karren, wagens, enz.die de baan optrokken. Alles kwam tevoorschijn om toch maar te kunnen vluchten. Toen we uitrekenden dat er een vijftigtal auto’s per uur over mochten, beseften we dat we zeker die dag niet zouden overgeraken. En met kleine Ludo van 3 weken oud (5 weken), dat was het ergste. En Jozef was dan ook maar 15 maanden. Melk moesten de kinderen maar koud nemen. Wij kregen een boterham met een ei, nog een geschenk van Mr Sintobin, en dan konden we voort (wschl:hadden we iets te eten). Ik liep tot het nabije dorp (Watou) om wat bier, want in de hoeve waar we stonden was zelfs geen druppel water te krijgen. De pomp was totaal leeg. De vluchtelingen bespraken ondereen den toestand om den tijd te doen voorbijgaan. Nonkel Edward was eens tot aan de grens gewandeld en had gezien dat bij de eerste auto’s bij de grens ook Boomenaars zaten, zelfs geburen: Mr Charles Leens en zijn zoon. Verder hadden we nog in de rij auto’
s Mr.en Mevrouw Jozef De Kepper uit Deurne, Mr.en Mevrouw Fémont, Mr.en Mevrouw Frans Van Dievoet. We stonden daar in volle zon, te midden uitgestrekte velden, onze beurt af te wachten. Ik was al erg ongerust hoe we de nacht gingen doorbrengen met al dat klein volk. Tegen de avond kwam Isidoor Leens (zoon van Charles Leens? ) , waarover ik hierboven sprak, vragen of ik niet met de kleinste kinderen over de grens wilde. Hun beurt naderde en wij zouden dan kunnen vernachten bij een broer van mevrouw Leens die in Castre (Caestre) woonde. [1]|
Nota van Ludo Parijs bereiken Waarschijnlijk was het oorspronkelijke plan van papa Parijs te bereiken via de belangrijke route Rijssel-Parijs. Dit bleek onmiddellijk en onmogelijke zaak omwille van militair-strategische redenen. Daarom werden de vluchtelingen gedwongen een meer westelijke gelegen route (via Amiens bv) te zoeken. Uit het relaas van mama blijkt dat ze zelfs heel ver naar het westen werden gedreven (Abbeville). Gelukkig besloot papa deze route te verlaten en zelf een meer zuidelijke route te kiezen . In Abbeville zou trouwens einde mei ‘40 een zware slag worden geleverd die het leven kostte aan duizenden soldaten en burgers
|
Wij namen
dit voorstel met blijdschap aan en met Blanche en de 6 jongste kinderen
liepen wij naar de grens, waar we dan ook over mochten een weinig later. Nu
in volle vaart naar Castre. Maar vanaf Steevoorde viel onze auto om de vijf
minuten stil. Dan moesten we er water bijgieten, en zoo, in 25 staties
geraakten we op destinatie. De familie Leens keek niet weinig verwonderd op
toen ze zooveel logés kreeg. Toen ik uitstapte lag kleine Ludo echter in de
stuipen. Het kind had had den ganschen dag koude melk gedronken en dan het
voortdurend schommelen daarbij, het was niet te verwonderen dat de kleine er
ziek van was. Ge moet niet vragen in welk een toestand ik mij daar bevond.
Geen dokter te vinden en dan bij vreemde menschen met een ziek kind en nog 5
anderen. Mevrouw Leens legde warme doeken aan de voetjes van Ludo en zoo
bleef ik er de heele nacht bij zitten, altijd denkend dat het kind ging
sterven. Maar Ludo bleef leven en
‘s
morgens vergat ik al mijn miserie bij de gedachte dat onze kleine gered was.
We logeerden bij Mr Van Lerberghe. Er waren daar in
‘t
geheel 14 kinderen. Een echte colonie (destijds gangbare term voor
vakantieopvang voor kinderen). Nu zat ik nog met de onrust of Marcel
wel over de grens zou geraken. En eindelijk om 12 uur was hij daar. Dat was
Donderdag 16 mei. Marcel vertelde mij dat zij allen in de auto geslapen
hadden.
‘s
Nachts was er alerte (alarm) geweest en iedereen was in de gracht
gesprongen. De Duitsche vliegtuigen hadden vele lichtpijlen laten vallen
maar gelukkig geen bommen. Daar we met tevelen waren in het huis van mr. Van
Lerberghe zochten we logement in het dorp en in het eenige hotel van Castre
vonden we een plaats. Het was het hotel Lion d’
Or. (Marc, Mathieu en Johan kunnen een foto van 2006 tonen, genomen op de
plaats waar dit hotel ooit had gestaan). In dit hotel hebben we
feitelijk niet het weelderigste, maar toch het meest praktische logement
gehad van heel onze reis. We hadden op de eerste verdieping een groote
zolder. In den eenen hoek stonden 3 bedden, in den anderen hoek twee lange
tafels met banken. Dat diende dus voor eet-en slaapzaal. In de gewonen tijd
diende die zaal als feestzaal. Men had het er anders niet van gedacht.
Nevens die zaal kregen wij nog de eenige slaapzaal. Daar logeerden Marcel
en ik met de twee jongste kinderen. Niets was zoo gemakkelijk: als men uit
het bed stapte was men aan de tafel.De bazin was een klein vrouwtje die daar
met een dochter woonde. Het waren zulke brave menschen! Ik mocht alles
gebruiken wat zij bezat. Glazen waren er niet genoeg en elk op toer mochten
we drinken aan tafel. Als ik
‘s
nachts de flesch moest klaarmaken en zij hoorde mij naar beneden gaan dan
liep het mevrouwtje om zelf de flesch voor Ludo te maken.
‘s
Morgens gingen de kinderen naar een dichtbijgelegen boerderij om eieren,
boter en melk.
In
Caestre zelf waren de menschen al aan ’t inpakken, daar de Duitschers zulke snellen vooruitgang maakten. De twee heeren Leens dierven daar ook niet langer blijven en maakten ook aanstalten om te vertrekken. Daar we absoluut zonder nieuws waren uit Trappes en we niet wisten of er daar niet te veel volk zou geweest zijn, besloten Marcel en Edward eens tot daar te rijden, terwijl ik zou blijven wachten in Caestre. (vreemde beslissing. Trappes ligt in de buurt van Parijs , ruim 200 km van Caestre,dus papa en nonkel Edward zouden zo’n 400 km gaan rijden om zich er van te gewissen of er in Trappes plaats zou zijn) . Zoo gezegd, zoo gedaan. Vrijdag 17 mei ,’s morgens, vertrokken ze vol moed…om daar ’s namiddags terug te staan. Op een 30 kilometer van Caestres (mama corrigeert enigszins voortaan de schrijfwijze van de dorpsnaam) was de auto in panne gevallen en een andere auto had hen welwillend teruggebracht tot Hazebroeck en met een andere auto werden ze terug naar huis (Caestre uiteraard) gevoerd.We hoopten in één rit tot daar te geraken maar de mensch wikt en God beschikt: op de baan was het nog altijd even druk. Honderden auto’s maakten de rij en we moesten dus volgen. Wat een ellende ! En het was al genoeg een weg op te gaan om er door de politie afgeweezen te worden. Iedereen moest dezelfde weg ! Eerst den weg op naar St Pol: 58 km. In Lilliers (
Lillers) mochten we in maar voor St Pol was het onmogelijk. De weg naar Arras was ook afgesneden. Altijd wees men ons maar eene richting aan: naar Abbeville. En het is daarom dat daar ook zooveel slachtoffers gevallen zijn.Men deed al de vluchtelingen tot daar rijden. Als men uitrekent dat er kilometers ver honderden auto’s stonden, kan men zich inbeelden hoeveel duizenden vluchtelingen daar zaten. Wij besloten niet naar die richting te gaan maar onzen eigen weg te zoeken daar we toch een heel andere richting moesten nemen (meer zuidwaarts).
Eerst naar Frévent, Auxi-le-Chateau tot Doullens. Ons doel was feitelijk Amiens maar het was verboden in de groote steden komen. We zochten altijd maar binnenwegen omdat daar minder drukte was. Tegen de avond kwamen we in een klein dorp waarvan de naam mij ontsnapt. De kinderen waren zoo moe en we besloten daar slapen en eten te vragen. Op een hoeve, waar we uitstapten, woonde een jonge Tchèque (Tsjechische) met een klein kind van 2 maanden,Claude genaamd. Die naam hebben we In Frankrijk vaak gehoord. De vader was een Franschman en sinds 9 maanden was hij naar het front. Die jonge vrouw maakte voor ons een lekkere omelette gereed, de kinderen kregen melk en cider. Toen we om slapen gingen zoeken bemerkten we dat we juist aan een Engelsch vliegplein zaten. Dat was nu toch te gevaarlijk. We sprongen terug in de auto om tot het volgende dorp te rijden, Hornoy. Nonkel Edward ging naar de deken en we vielen weeral in ons geluk. Mijnheer de deken woonde met zijn zuster, een oude juffrouw die zich enkel bezig hield met goed werken. Nonkel Edward mocht daar slapen. Hij moest wel eersdt zijn papieren laten zien om te toonen dat hij geen parachutist was.
Wij mochten in het patronaat logeren. Een vriendelijke juffrouw bracht ons bedden en spreien en we hadden weer nachtverblijf. Onze matrassen lagen op 6 stoelen en, telkenmale we veroerden, vielen we tusschen twee stoelen in en, als men in het bed wilde stappen, hadden we dezelfde grap. We hebben daar niet veel geslapen maar onze kinderen geraakten stilaan gewoon aan dit zwerversleven en zouden zelfs op de grond geslapen hebben.
‘s
Anderdaags, Zondag 19 mei was het juist plechtige communie in Hornoy. Luc
en Marc gingen naar de mis met nonkel Edward en papa. Wij konden natuurlijk
de kleine kinderen niet alleen laten en bleven dan maar thuis.
We gingen ontbijten in een hotel gehouden door Belgen, hotel Lion d’Or.
(zelfde naam als hotel in Caestre: toeval? foutje van mama ? Veel
voorkomende hotelnaam)
Het kwam er nu op aan in één dag tot Trappes te geraken. Het was altijd een heele kunst om eten te vinden voor een heelen dag: hier wat brood, daar 5 eieren, daar nog 6, daar nog een stukje kaas, en zoo moesten wij op provisie uit. Om 9 uur vertrokken we uit Hornoy naar Aumale. Wat een drukte was het daar. Alles was geblokkeerd en ik weet nog altijd niet hoe we daar uit geraakt zijn. Na een goed uur gewacht te hebben konden we langzaam verder naar Gournay. We namen een binnenweg langs Formerie en kwamen tegen den middag in Gournay. Hier lagen we bijna voor goed in panne daar een onvoorzichtige rijdster achteruit reed zonder naar ons te kijken en zoo onze auto een duw van belang gaf. Gelukkig konden we voort, stap voor stap, kilometers ver.
Toen we een eind buiten Gournay waren, moest alles stoppen daar alle routes vol auto’s stonden.Hoe daaruit geraken ?Daar het juist middag was gingen we in de weide zitten zoals de meeste menschen. Opeens…boum-boum-boum . Zonder dat we iets gehoord hadden waren Duitsche vliegtuigen genaderd en bombardeerden Gournay. De statie van Gournay, waar we juist voorbijgegaan waren, lag totaal plat. Er waren verschillende dooden en gekwetsten. Om ons nog meer schrik aan te jagen kwam er één enkel vliegmachine laag boven ons gevlogen. Iedereen lag plat in de weide. Gelukkiglijk liet het geen bommen meer vallen.
Na wat bekomen te zijn van de schrik stapten we nog maar eens in, vast besloten tot Trappes te geraken. We moesten naar Gisons maar, daar het weer verboden weg was, gingen we langs Les Thilliers, Méru, doch op dien laatsten weg ontmoetten we een vriendelijke heer, oud-koloniaal, die ons op de kaart den juisten weg aanwees langs Marines, Meulan om dan, toch om 8 uur ’s avonds te Trappes aan te komen .
|
Nota van Ludo
TRAPPES |
Wat een vreugde ! Er was nog niemand aangekomen van de familie (het is niet duidelijk welke familie mama precies bedoelt, tenzij zij haar schoonzus Madeleine of familie uit Stabroek-zie verder- verwachtte) en we werden dus met open armen ontvangen. We kenden de familie nog niet en maakten kennis met al de kinderen: Edward, Stan, Pauline, Alexander, Jos, René, Louis, Cecile en Marcel.(de familie in Trappes bewoonde de ferme Pluchet.) Wat een gelukkige dagen hebben we daar gekend is onbeschrijflijk. Een kasteel omringd door een schoon park waarin de kinderen de ganschen dag mochten spelen, velo rijden, footbal spelen. Wat een verpozing na zooveel doorstane angst. Zoo hebben we 8 dagen geleefd, lijk in een paradijs. Eten in overvloed en niets moeten doen dan luierikken. Nonkel Edward had de dienst waargenomen in de kerk. Zwaar was dien dienst niet, daar er alle dagen slechts 3 of 4 personen in de mis zaten: Marcel, Cécile, Luc en Marc. ‘s Zondags was er wel wat meer volk in de kerk, maar wat die mensen daar eigenlijk kwamen doen, heb ik mezelf dikwijls afgevraagd. Wat wauwelen, wat ondereen spreken dat was voor hen mis hooren. Er was in Trappes een oude pater die tot hiertoe pastoor was, maar hij was blij genoeg dat nonkel Edward zijn dienst overnam. De plechtige communie zou ’s anderdaags plaatsgrijpen en nonkel Edward had
veel werk met biecht te horen. Luc werd op 19 mei 1940 juist 9 jaar.|
Boom-Trappes
BELGIE
Boom-Izegem§
¯
Caestre§ Lillers§ ABBEVILLE Frévent§ Auxi-le-Chateau§ Doullens§ Hornoy§ AMIENS Formerie§ Gournay§ Gisors§ Les Thilliers § Méru§Marines§ Meulan§
TRAPPES PARIJS
|
|
Nota van Ludo PANIEK Alhoewel mama haar herinneringen pas in november 1940 op schrift stelde,krijg je wel de indruk dat ze bij deze passage opnieuw de momenten van destijds herleeft . Er klinkt iets van spijt door dat men in mei 1940 te vlug was gaan panikeren en een uitzichtloos en levensgevaarlijk avontuur was begonnen. Ook de beslissing van de anderen om nog dieper Frankrijk in te vluchten moet haar angst en haar heimweegevoelens versterkt hebben. |
Nu was er
toch niets aan te doen. Aan hetgeen de radio ons gaf kon men weinig geloof
hechten. Aan de gazetten evenmin, zodat we totaal zonder nieuws zaten. Het
is met zulk een gedachte dat we maar vertrokken. Tot Chartres , 45
km, hadden twee uur noodig om er te geraken. Overal dezelfde volkstoeloop.
Van Chartres togen we naar
Nogent-le-Rotrou. Opeens, alerte. Wij allen uit de auto en in een huis
geloopen. Denzelfden morgen had men daar leelijk gebombardeerd. Na een
kwartier, weeral ingestapt en verder reizen naar la Seité-St Bernard
en Le Mans.
Deze stad mochten we niet in daar er juist een bombardement was geweest en
men nog aan het opruimen was. Langs omwegen geraakten we verder naar
Sablé. Vooraleer we in la Seite kwamen hadden we weer eenige bange
ogenblikken beleefd. We hadden juist een convoi (konvooi) gezien van
20 opgehouden autos, doode paarden, vernielde wagens toen men alerte blies.
Wij sprongen allen in de weide en wachten dan maar op wat komen moest. En
weer werden we gespaard. Op het einde van onze reis was het eentonig.
Altijd maar moeten omrijden om dan ten allerlaatste om 4 uur te Azé
aan te komen. Er stond daar een schoon burgerhuis maar daar sliepen al 24
menschen. Julia, de echtgenote van Edward Cuypers met haar 4 kinderen sliep
daar en ook Julia ( dezelfde voornaam, toeval of vergissing ?) , de
echtgenote van Alexander Cuypers met 2 meisjes en de gansche familie
Cuypers sliepen daar. Hoe zouden wij daar nog bij kunnen ?
| TRAPPES-AZE Trappes§
¯ Chartres§ Nogent-le-Rotrou § La Ferte-St Bernard§ Le Mans§ Chateau-Gonthier§ Sablé§ Azé§
|
Neven het
huis stond een hoeve waarin de vroegere eigenaar gewoond had van dit land.
Sinds maanden was het niet meer in gebruik daar het leeg stond. Doch wij
waren blij dit te krijgen. Voor den eersten nacht moesten we onsplan maar
trekken. Judith, Blanche en 4 kinderen sliepen op een kamertje van het
knechtje. Marcel, ik en de 5 andere kinderen in den paardenstal op wat
stroo. We sliepen in elk geval heel goed.‘s
Anderdaags begonnen we onze kuisch. We kregen een groot bed en dat
plaatsten we in een hoek van de huiskamer. Luc, Marc en Mathieu lagen op
een matras op den grond. Al wat we uit Trappes kunnen vluchten (?),
hadden we opgeladen en we hadden dus matrassen genoeg. We vonden nog een
oude tafel, twee bakken die als stoelen dienden. Toen kregen we nog twee
banken want stoelen had men niet. Het vrolijkste ogenblik van de dag was
wel als we aan tafel gingen. De banken stonden op 3 pooten waarvan de
middelste noch hooger was dan de twee zijkanten. Als we dus moesten eten,
zaten we juist op een schommelpaard: omhoog, omlaag. Men hield best zijn
bord soep in de handen. Voor ons huis lag een groote weide. Nevens onze
slaapkamer was de koestal.
‘s
Morgens om 5 uur kwam men de koeien halen en voor de deur was het dan…beu…beu…beu.De
kiekens deden er ook het hunne bij en het was onmogelijk nog een oog toe te
doen.
Marc was een echte boer. Hij dierf alleen met de 6 koeien naar de weide gaan.
Als het paard naar de weide ging sprong Bernadette er gewoonlijk op. Soms
nog 2 of 3 kinderen daarbij en dan te samen naar de weide. Voor de kinderen
was het wel gezellig en ze hadden een heel gezonde kleur gekregen. Toen we
daar twee dagen zaten begonnen de Duitsche vliegers gedurig over te komen.
Verschillende malen per dag was het alerte. Soms hoorden we bombardementen
in de verte. Edward Cuypers was in Trappes gebleven en toen de Duitschers
Trappes binnenkwamen was hij nog weggevlucht om zijn vrouw te vervoegen die
bij ons was. Maar daar vader Cuypers ( voornaam niet nader genoemd)
het niet goed vond dat men de hoeve alleen gelaten had, besloot Edward samen
met Cécile en onze nonkel Edward terug te keeren.
Maar diezelfden nacht
waren ze bijna doodgeschoten daar ze in volle front kwamen. Ze moesten dus
terugkeeren. Bij Edward Cuypers werd op vrijdag 18-6-40 een vijfde kindje
geboren. ( mama heeft het een beetje moeilijk met de chronologie der
gebeurtenissen -zie ook hierna - vermits 18 juni niet op een vrijdag viel
en het is ook een beetje vreemd dat zij geen verdere informatie geeft over
moeder en kind.) Op Woensdag 16-6-40 (waarschijnlijk 19 juni) hoorden
we in Chateau-Gonthier heftig schieten. De Duitsche soldaten namen de stad
in. Daar de Franschen geschoten hadden antwoordden de Duitschers en
Chateau-Gonthier kreeg het nog duchtig te verduren. De Toren van de
prachtige kerk vloog in brand en het was droevig om te zien hoe de gansche
kerk uitbrandde. (waarschijnlijk was dit dramatisch nachtelijk toneel van
op verre afstand waar te nemen, dus ook in Azé).
Op Donderdag 20-6-40 deden de Duitschers hun intrede in Azé. Dienzelfden
dag besloot een deel onzer familie terug te keeren naar Trappes daar de baan
nu vrij was. Er werd besloten dat Edward
’s
anderdaags zou terug komen om te zeggen of we gerust konden terugkeeren.
Nonkel Edward reed ook mee. Met twee auto’s
vertrokken ze.
’s
anderdaags bleven we een gansche dag wachten doch zonder uitslag. Later
vernamen we dat er een auto onderweg afgenomen was en niemand durfde nog
terugkeeren naar Azé (250 km) uit schrik weer een auto kwijt te raken.
Op Zaterdag 22-6-40 hielden wij het niet meer uit en ons huishouden besloot
dan maar alleen te vertrekken. Het was te hopen dat we geen panne zouden
hebben want, daar we alleen reden, waren we verplicht onze auto in de steek
te laten.(vreemde zinswending). Wij zijn nooit vertrokken zonder 3
weesgegroeten te lezen en de aanroeping: H.Jozef, bescherm ons ! En het is
dan ook aan St Jozef dat we onze redding danken. Deze maal verliep alles
ook opperbest. Onderwegen zagen we talrijke vernielde huizen. In Trappes
was het groote vreugde bij onzen aankomst. Het huis van de Cuypers zat vol
Duitsche officieren, in den hof lagen vele soldaten. Ons vroeger huis was
onbewoonbaar. Er hadden daar veel soldaten geslapen en feest gevierd,
geloof ik. Ledige fleschen lagen er genoeg. We sliepen voor één nacht zoals
we konden (in de auto ? In een of andere huis?)
's Anderdaags, Zondag dus 23-6-40, eerst naar de zes uren mis, gelezen door nonkel Edward, en dan op stap vol moed en vreugde naar huis te kunnen terugkeeren. In de remorque zaten Blanche, Johan en Mathieu. We reden nu over Parijs. Veel vluchtelingen, vooral uit het noorden van Frankrijk, reden reeds terug. Langs Senlis,Villers-Cauterets,Soissons, Laon, Vervins. In deze laatste stad moesten we stoppen aan een beenhouwerij. De heer des huizes vroeg of we naar België reden, en op ons bevestigend antwoord, vroeg hij een brief mee te nemen naar Antwerpen. Zijn knecht was als vluchteling aangekomen uit Antwerpen. Diens vrouw was in Antwerpen gebleven. Toen de knecht ons den brief gaf voor zijn echtgenote weende hij.
| Nota van Ludo
De terugtocht |
Verder af
naar Maubeuge. Hier zagen we veel kruisjes staan met helmen van gesneuvelde
soldaten. Hier was ook een frontzone geweest. Sommige dorpen lagen
heelemaal platgeschoten. In de steden was het minder erg.
Eindelijk kwamen we aan het opschrift: België. Was
het een droom ? Neen, we waren er. Men voelde het seffens dat men thuis
was. Eerst in Mons. Daar moesten we de groeten brengen aan Mevrouw…..(geen
naam ingevuld).
We hadden haar man ontmoet in Trappes. Hier brachten we dus ook groote
vreugde.
|
TERUG NAAR HUIS BOOM ¬ Mechelen§ Brussel§ BELGIE Mons§ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Rijssel Maubeuge§ Vervins§ Laon Soissons§ Villers -Cotteret§Senlis§
PARIJS§
Chartres§ AZE
|
Eindelijk waren we in Brussel. Wat een verschil tusschen Frankrijk en
België. Hier ging alles zijn gewonen gang. Spijtig dat al de bruggen
gesprongen waren.(o.a.de bruggen in Boom,op 1 na, maar waarschijnlijk
waren ze niet op de hoogte van de juiste situatie daar en verkozen ze via
Mechelen te rijden). We moesten lang zoeken vooraleer tot Mechelen te
geraken. Daar lieten we zeggen aan mama (mama’s
moeder , Raphaelle Van den Bril-Steenackers) dat we thuis waren.
En nu de
laatste rit tot thuis. We zouden gevlogen hebben. Daar de boulevardbrug
gesprongen was, moesten we langs Waelhem (Walem) rijden. Ziehier de
Antwerpschestraat ! Al de geburen kwamen toegelopen. Op één, twee, drie
stonden al de wandelaars aan onzen auto en hielpen zelfs ons bagage uit te
laden. Het was het gelukkigste ogenblik van ons leven. Nooit zullen wij het
vergeten. En wat een vreugde ons huis ongeschonden terug te vinden. Niets
was er weg. Ik wist niet dat het woord « thuis » zoo zoet kon klinken. Vast
besloten om het nooit meer te verlaten, hebben we ons terug aan het
werk gezet met den hoop spoedig het einde van den oorlog te zien en nooit
meer zulke ellende te moeten beleven.
St Jozef, wij danken U
|
SAMENVATTING
Maandag 13 mei 1940. Vertrek in Boom.
Overnachten in Izegem (Sintobin)
|
Was dit de vluchtauto van 1940 ?
Je ziet hier een foto, waarschijnlijk uit de dertiger jaren.
De mensen: achteraan: met zwarte hoed: papa, eigenaar en chauffeur van de Ford.
Links: nonkel Edward in priestertoog
Man met pet: zou Karel Beliën zijn
Vierde man: Jules Lauriks ?
Vijfde man: de fotograaf (onzichtbaar): Urbain Dinant ?
De auto: Een A-Ford de luxe, sedan, bouwjaar 1931. De nummerplaat 161306 is in het collectief geheugen van de Cuypersen gegrift: papa’s autonummer. Waarschijnlijk was het deze wagen waarmee in mei 1940 naar Frankrijk werd gevlucht. Helaas kunnen Mathieu en Marc dat niet echt bevestigen. Maar als we volgende gegevens op een rijtje zetten zou deze Ford wel eens een hoofdrol hebben gespeeld.
1. Bouwjaar van de Ford: 1931
2. Edward Cuypers werd priester in 1931 en woonde tot 1936 in Boom (leraar-onderpastoor); in 1945 werd hij legeraalmoezenier en die draagt geen soutane
3. Rond 1935 sloot papa aan bij toneelkring KVT waarvan enkele bestuursleden op de foto prijken
4. Zou papa in de jaren 1935-1945 (crisis-en oorlogsjaren) bovenstaande wagen van de hand hebben gedaan en een nieuwe gekocht ?
Waar het vijftal zich bevindt is niet duidelijk. Zijn ze op prospectie voor een uitstapje voor de toneelkring ? Ze staan warempel voor een bierbrouwerij De Nijverheid. In Vlaanderen of in Nederland.
Zo zagen de vluchtelingen van 1940 er uit in het voorjaar 1939. Van Ludo was nog geen sprake. Jozef was de jongste (onderste foto op mama’s schoot). Waarschijnlijk nam papa de foto’s in de tuin (boven) en ergens in de kleiputten achter het ouderlijk huis. Nonkel Edward (in soutane) was er ook bij. Mathieu (ongeveer 6 jaar) en Luc (8 jaar )dragen zelfs een das.
Onder (van links naar rechts: Bernadette, Mathieu, mama met Jozef, Paul, Marc (achteraan), Edward, Luc, Johan
Boven: Paul, Luc (achteraan), Mathieu, Johan, mama, Marc, Edward, Nonkel Edward, Bernadette
[1] Castre= Caestre. Van af Watou vluchtte de familie Frans-Vlaanderen binnen, de Belgisch-Franse grens naar het oosten volgend. Via Steenvoorde bereikte men Caestre (20 à 25 km van Watou). Dit oorspronkelijk door en door Vlaams dorpje in het departement Nord telt vandaag de dag zo’n 1700 inwoners. Het had in vroegere eeuwen een bekend bedevaartsoord (Drie Maagdenkapel: drie maagden op pelgrimstocht en afkomstig uit Engeland, werden door landgenoten achtervolgd en in Caestre vermoord. Een naburige ridder, de heer van Strazeele, ging zijn blinde ogen met hun bloed wassen en , ja hoor, hij genas.)