De
laatste reis van de Jeune Henri.
Als je op zoek bent in een archief dan kom je soms
onverwachte dingen tegen. Zo vond ik een tijd terug een scheepsjournaal onder inventarisnummer C 1193 in het gemeentearchief
van Ferwerderadiel. Een handgeschreven schrift op folioformaat met daarbij een
monsterrol. Dit scheepsjournaal geschreven door stuurman F. Lammerts beschrijft
een drietal reizen. De eerste reis is in 1840 met de schoener Emanuel van
Malderen en gaat van Adria naar Antwerpen. De tweede reis is in 1841 op het
Hannoverse kofschip Debora Helena varende van Antwerpen naar Rostok. De
derde reis is in 1841 met het Belgische smakschip le Jeune Henry, onder
leiding van kapitein Gerard Kuyper varende van Hamburg naar Antwerpen, geladen
met stukgoederen. Maar waarom ligt dit journaal in dit archief? Hoe is dit hier
terechtgekomen?
De geschiedenis
van dit schip begint natuurlijk al veel eerder, namelijk bij zijn bouw in 1808.
In dit jaar werd het schip in Vlaanderen gebouwd onder de naam “Zwaen”.
Feitelijk gaat het hier niet om een Smakschip (zoals de stuurman het noemt), maar om een Vlaamsche
Pleit. Beide soorten lijken veel op elkaar en zijn familie van de tjalk. Noch de werf,
noch de eerste eigenaar zijn bekend.

Smakschip
Pleit
(Klik op deze en volgende afbeeldingen voor de
vergroting)
In 1830 was het
schip eigendom van A. Cassauwers en had als thuishaven Eikevliet (gelegen aan de
Rupel, een bijrivier van de Schelde). In 1836 herdoopte hij het schip Jeune
Henry (Jonge Hendrick). Drie jaar later, in 1839 ging het schip over in handen
van G. Kuipers uit het plaatsje Boom (ook gelegen aan de Rupel) die het ook als
kapitein voer. Onduidelijk is of hij alleen eigenaar was van het schip, of dat
hij dit samen was met mevrouw Dansaert uit Brussel. Zij wordt in ieder geval in
het document genoemd dat elk schip bij zich moest hebben om te kunnen uitvaren.
In zowel 1830 als 1836 werden grote(re) reparaties aan het
schip uitgevoerd en in 1840 werd het schip herbouwd door De Ceuster te Boom.
Het schip voer hoofdzakelijk tussen Antwerpen en Londen en vervoerde diverse produkten zoals koffie, suiker, rijst, katoen, hout, koper en tin. Soms ging de reis verder, tot Cork in Ierland of tot Hamburg. In 1831, toen de Schelde door de Nederlanders practisch gesloten was ingevolge de opstand door de zuidelijk Provincies, voer het schip meestal van uit Oostende in plaats van uit Antwerpen.
In januari 1841 ging het niet goed met de Jeune Henry.
Bij terugkomst vanuit Londen sloeg het schip na aanvaring met een ijsschots lek
en zonk geheel. Met veel moeite kon het naar Antwerpen worden gesleept voor
reparaties.
Op 11 september
1841 voer het schip van Antwerpen uit naar Hamburg met aan boord
kapitein G. Kuper (48 jaar), stuurman Wolbert K. Schulte (35 jaar), de
41–jarige matroos Jan Baptist Verstrepen, ligtmatroos Francois Schilders (20 jaar) en kok Corneille
Roelants (21 jaar). Het schip meet 84 ton, heeft 1 dek en draagt 2
masten.
De monsterrol
waaruit dit blijkt geeft een prachtige beschrijving van de rechten en plichten
van de bemanning. Zo moet eenieder zich tevreden stellen met 2 lb vlees, 1 lb
boter, 1 lb spek, 1 lb stokvis en 5½ lb brood per week.
In de periode 16
oktober tot en met 1 november 1841 werd het schip geladen en daags erna kwamen
de loods en de havenmeester aan boord om het schip uit de haven te leiden en aan
de dukdalven aan te leggen. Op woensdag 3 november werden om 7 uur ’s morgens
de touwen gelost en zeilde men de rivier af met een flauwe koelte (windkracht 1
Bfr). Het was mistig weer, zo erg zelfs dat men besloot om weer terug te keren.
De volgende dag vertrok men opnieuw en om 12 uur kon de loods het schip
verlaten. Later die middag moest men al weer voor anker gaan liggen.
Ook de volgende
morgen wilde het niet echt vlotten, pas om 5 uur die middag kon men het anker
weer lichten en zeilde men naar Cuxhaven. Daar ging men weer voor anker.
Zaterdags was het
weer al wat beter. Nog niet veel wind, maar men kon uitvaren en om 1 uur kon men
het buitenvuurschip al peilen. ’s Avonds trok de wind iets aan en kon men het
vuur van Helgoland (toen Heiligland genoemd) peilen.
Zondags werd het
weer slechter en besloot men om weer naar Cuxhaven terug te varen. Er werd veel
water gemaakt. Dagen bleef het daarna stormen zodat men maar niet uit kon varen.
Vrijdag, 12
november werd het weer beter en om 1 uur ’s middags besloot men de rede te
verlaten en uit te zeilen. Om 8 uur werd Helgoland al weer gepeild en kregen
west tot noordwesten wind. De wind haalde aan zodat meer zeil kon worden
bijgezet. ’s Nachts was er sprake van een vliegende storm (windkracht 11 Bfr)
en was er een geweldig hoge zee. Het schip maakte steeds meer water en er moest
continu gepompt worden. De wind nam uiteindelijk af, maar het vuurschip van de
Elbe kon niet meer worden bereikt. Men wilde weer terug naar veiliger haven. Dat
lukte niet zodat men genoodzaakt was om toch maar weer zeewaarts te gaan. Het
journaal eindigt zaterdag 13 november met de notitie:”annemende koelte met
veel regen en hoge zee het schip werkte zwaar kregen veel water over hielden de
pomp gedurig gaande”. Deze laatste reis van de Jonge Hendrik staat ingetekend
op een (detail van de) kaart uit 1852 van Jacob Swart.

Kaart uit 1852 van Jacob Swart
Bij de grietman
van Ferwerderadeel werd als opperstrandvonder van de grietenij in de tweede
helft van november melding gemaakt van het aanspoelen van enkele vaten blauwsel
en Spaanse vlieg. Dit laatste vat (gebruikt voor medicijnen tegen
blaasontsteking) was inmiddels aan het bederven gezien de stank welke er vanaf
kwam.
Aan de Gouverneur
van Vriesland werd toestemming gevraagd en verkregen om de vondsten te mogen
verkopen. Op 3 januari 1842 wordt in de notulen van het grietenijbestuur een opgave gegeven van al hetgeen in het jaar 1841 op
de stranden is gevonden.
Volgens de
Leeuwarder Courant van eind november 1841 wordt melding gemaakt van aangespoeld
wrakhout op Ameland en op 3 december 1841 staat in deze krant te lezen dat in
het openbaar zal worden verkocht op 8 december twee vaten blauwsel, 1 vat
Spaanse vlieg, 1 topzeils ra, 1 eiken dekbalkje en 2 greenen scheepsplanken.
Alles uit zee aangespoeld ………. en waarschijnlijk herkomstig van het
Belgisch Smakschip le jeune Henrij.
Ook in Belgische kranten wordt aandacht aan deze tragedie geschonken. Zo staat in de krant "Le Précurseur" van 7 december 1841 het volgende te lezen: "ONGEVALLEN
AMELAND, 28 nov. -
Het schip, verondersteld JEUNE HENRI, kapitein Kuper, van Hamburg naar
Antwerpen, gestrand in deze omgeving, is totaal vergaan [gebroken] - Enkele
goederen werden op de oever gevonden. - Men betreurt het verlies van de
bemanning die, naar alle waarschijnlijkheid, de dood heeft gevonden in de
golven, terwijl de reddingsboten bezig waren met de schipbreuk van de STAD
LEENTJE, die gestrand was op 4 mijl van Hollum."
En hier eindigt
dus het verhaal van Le Jeune Henry.
Met speciale dank
aan de heer Luc van Coolput te Antwerpen welke mij zoveel informatie heeft
gegeven over de geschiedenis van dit schip. Ook dank aan het Ministerie van
Defensie, afdeling Hydrografie voor het ter beschikking stellen van de zeekaart
uit 1852.
Klaas Leen
Augustus 2005