TEN BOOME
ZIJN BOMENAARS HONDENFRETTERS?
copyright Alex
Vinck (+ 10 februari 2007) en WECK, feitelijke vereniging.
*
JA,
want zowel tijdens de 1ste als tijdens de
2de wereldoorlog werd er in Boom, wegens de heersende hongersnood, hondenvlees gegeten. Dat is in
de westerse wereld een ongebruikelijk fenomeen.
Om het te begrijpen beschrijf ik achtereenvolgens:
1. de toestand in de gemeente Boom voor
het uitbreken van de 1ste wereldoorlog;
2. de gebeurtenissen tijdens die oorlog:
a) het beleg van Boom;
b) het gemeentebestuur;
c) hulp aan de noodlijdende bevolking;
d) de hondenfretters, met als enig feit in België de
officiële installatie van een
hondenslachthuis
door het gemeentebestuur;
3. het eten van hondenvlees tijdens de 2de
wereldoorlog;
4. slotwoord met tekst en muziek van het
“ONNEFRETTERSLIED”
*
1.
DE TOESTAND IN DE GEMEENTE BOOM VOOR HET UITBREKEN VAN DE 1ste WERELDOORLOG.
De gemeente Boom telde in 1913 18.203 inwoners.
Het
waren hoofdzakelijk ongeletterde arbeiders, die op economisch en politiek gebied onmondig waren.
De
vakbonden, die na de grote heroïsche staking in de steenbakkerijen (1894) waren opgericht, ijverden voor een
beter sociaal bestaan. Kinderarbeid was een algemene regel in de Rupelstreek. Van leerplicht was nog geen
spraak.
Op
het politieke vlak gold het meervoudige stemrecht. Dit kende slechts 1 stem toe aan een werkman, tegenover 2,
3 of (enkel voor de gemeenteraad) 4 stemmen aan andere categorieën. Vrouwen bezaten geen stemrecht. Op de
kiezerslijst van Boom, herzien in 1913, stonden voor de gemeenteraadsverkiezingen slechts 3042 kiezers
ingeschreven: 2.266 met 1 stem, 396 met 2 stemmen, 157 met 3 stemmen en 223 met 4 stemmen.
De
socialisten en enkele progressieve liberalen voerden in het parlement al jaren tevergeefs een felle strijd
voor het zuiver algemeen stemrecht onder de leuze "1 man, 1 stem". Deze eis werd met meetings,
betogingen en stakingen meer kracht bijgezet.
Op
hygiënisch gebied was het erg gesteld in onze streek. Herhaaldelijk braken er epidemieën uit. In december
1913 werden de scholen gesloten tot na nieuwjaar, omdat meer dan de helft van de leerlingen aan een
besmettelijke ziekte leed. De gouverneur van de provincie Antwerpen maande het gemeentebestuur aan meer
aandacht te besteden aan de ongezonde toestand in de werkmanswoningen. Bij de meestal kroostrijke gezinnen
leidde armoede tot ontbering.
Tot
overmaat van ramp verslechterde de internationale politieke toestand en de geschillen in de Balkan leidden in
juli 1914 tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog.
2. GEBEURTENISSEN TIJDENS DE 1ste WERELDOORLOG.
a)
HET BELEG VAN BOOM:
Op
4 augustus 1914 verklaarde Duitsland de oorlog aan België. Een maand later waren de Duitse troepen tot in
Londerzeel en Kapelle-op-den-Bos opgerukt. Boom werd overspoeld door vluchtelingen. 350 Belgische soldaten
werden in de Boomse scholen ingekwartierd en aan de Rupel en op de Schomme stonden zware kanonnen opgesteld om
onze gemeente te verdedigen. Boomse arbeiders tussen 18 en 55 jaar werden opgeëist om verschansingen en
loopgraven aan te leggen. De staat van beleg werd uitgeroepen, zodat samenscholingen van meer dan vijf
personen verboden werden.
Vanaf
donderdag 1 oktober 1914 beschoot de Duitse artillerie Boom vanuit Ramsdonk, Leest en Londerzeel. Er vielen
vier doden en er werd heel wat schade aangericht. De Boomse bevolking sloeg op de vlucht richting Antwerpen. "Wat
bleef waren knechts en meiden en voorts meestal deugnieten, die den eerst teruggekeerden priester zuur
bezagen" schreef gemeentesecretaris Camille Van Geet in een verslag aan de Gouverneur.
Op
7 oktober 1914 bezetten Duitse mariniers (ze waren per fiets) onze gemeente.
Verlaten huizen en gebouwen werden leeggeroofd. Zelfs het schoolgerief uit de scholen verdween. De
belangrijkste plunderaars waren ongetwijfeld de soldaten. Maar ook sommige inwoners plunderden. Zelfs
politieagent Van Oosten had in zijn kelder en op zolder zakken gestolen bloem en andere eetwaren opgeslagen.
Hij werd veroordeeld voor "diefstal en verheeling".
Omstreeks
11 oktober 1914 keerde de bevolking, "vooral de werkende
klas", schrijft secretaris Van Geet, terug van de vlucht. Ongeveer 300 personen hadden Holland of
Engeland kunnen bereiken.
De
Duitse bezetting bestond uit ongeveer 120 manschappen van de 3de Compagnie uit Brandenburg. De commandant was
Schmidt, de onderzoeksrechter Wolffen de beruchte onderofficier
Otto Schrader werd belast met het innen van de boetes in Duitse marken. Zijn toenaam: "Markske".

foto uit het gemeentelijk fotoarchief: officieren van de 3de Cie Voetvolk van Brandenburg. Op de achtergrond staat het volgende rijmdicht (vrij vertaald):
Wij
van het geliefde Oostzeestrand
staan trouw en vast voor ’t Vaderland
thans te Boom aan ’t Rupelstrand.
b)
HET GEMEENTEBESTUUR:
De gemeentelijke gezagddragers waren ook gevlucht.
Burgemeester
Emiel Van Reeth had Engeland bereikt. Hij verbleef eerst in Hythe (Kent), later in Sheffield. Hij leed aan "het
siatiek", zoals hij schreef in een brief die via Holland hier toekwam. De heer Jan Lemmens, griffier
van het vredegerecht, werd door een intercommunale commissie aangesteld als dienstdoende burgemeester. Hij
nodigde op 15 oktober 1914 de twee thuisgebleven raadsleden Benjamin Haesaerts en Frans Vermant uit op een
vergadering en verzocht hen het ambt van dienstdoende schepen te aanvaarden, wat ze deden. De dienstdoende
burgemeester Lemmens nam al in november 1914 ontslag en werd vervangen door dokter Jules Meyers, schepen.
Schepen Van Crombruggen keerde terug van de vlucht en nam zijn ambt weer op. Vanaf dan was het schepencollege,
dat tijdens de ganse duur van de oorlog zou zetelen, als volgt samengesteld:
Jules
Meyers, schepen en dienstdoende burgemeester; Gustaaf Van Crombruggen, schepen; Benjamin Haesaerts, raadslid,
dienstdoende schepen en Camille Van Geet, gemeentesecretaris.
c)
HULP AAN DE NOODLIJDENDE BEVOLKING:
Al
tijdens de eerste zitting van het noodcollege op 15 oktober 1914 werd o.m. beslist een "burgerspolitie in te richten om de plunderingen en roof te doen ophouden". Ze mocht
zelfs tot huiszoeking overgaan. Voorlopig werden de aangeslagen goederen opgeslagen in de raadzaal van het
gemeentehuis. Daarna in de zaal "Apollon" in de Kerkstraat bij Leop. Lauwers. De politiecommissaris
was in het bezit van de enige sleutel. Hij bewaakte niet alleen de gestolen goederen, maar waakte ook over de
openbare zedelijkheid, want hij verbood "alle samenscholingen, en
wel bijzonder van jonge vrouwen aan de kantonnementen van Duitse soldaten"!
Een
"Komiteit tot ondersteuning der Noodlijdenden" werd opgericht. Maakten er deel van uit: de socialist
Frans De Schutter, de liberaal Petrus De Winter en de katholiek Hubert Mampaey. Samen met het schepencollege
ging de commissie naar het provinciaal bestuur en naar de intercommunale commissie om "hen
den noodlottigen toestand voor ogen te leggen in den welke de Gemeente onder finantieel gebied en de bevolking
verkeeren" (onverbeterd).
Op
het einde van oktober 1914 werd op landelijk gebied, met toestemming van de bezetter, een "Nationaal
Comiteit tot Hulp en Voeding" opgericht. De stichters waren de industrieel Ernest Solvay en de financier
Emile Franqui, een topman van de "Generale".
Provinciale, arrondissementele en plaatselijke
onderafdelingen werden ingericht.
Het
Boomse plaatselijke comité telde de volgende 8 leden: Benjamin Haesaerts, voorzitter, Hubert Mampaey,
secretaris, Frans De Schutter, Henri Spillemaeckers, Theophiel
Lamot, Petrus De Winter, Emiel Frateur en Jules Meyers, leden. De drie traditionele politieke partijen waren
aldus vertegenwoordigd.

foto uit
het gemeentelijk fotoarchief: voor het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding, afdeling Boom, wordt meel
geleverd. Wij herkennen politieagent Louis Van Crombruggen (staande 2de van links) en Loke Van de
Velde (zittend 6de van links).
Het
comiteit kocht eetwaren aan bij het provinciaal comiteit te Antwerpen. Het voedsel (hoofdzakelijk meel,
beschuiten en aardappelen) kwam uit de Verenigde Staten van Amerika. De werkzaamheden werden verricht door
werklozen en vrijwilligers.
Een
winkel van het comiteit werd geopend in het lokaal van Jos Lombaerts in de Blauwstraat. Later werd verhuisd
naar de ruimere gebouwen van het patronaat in de Kerkstraat.

foto uit het gemeentelijk fotoarchief van de gemeentewinkel in de Kerkstraat. Uiterst links met
wagentje staat Jan Cappaert.
's
Maandags werd bloem verkocht, maar voortgaande op het refrein van een satirisch lied uit die tijd, waren het
vooral bonen en nog eens bonen die beschikbaar waren.
't
COMITEIT
Maar 'k stel de vraag nu
waren
er geen doppers, 't was fijn,
zonder
kliënten
't
zou nen schoonen legen winkel zijn.
Heel
't personeel,
had
stellig niet meer anders te doen,
dan
boonen te vreten,
lijk
wij, 4 jaar lang,
ied'ren
noen".
opmerking:
dit lied werd gezongen op een “Spektakelrevue”, ingericht door de Katholieke Turnvrienden Voorwaerts.
Schepen
Van Crombruggen liet de braakliggende gronden in de gemeente inventariseren. 12,28 aren waren beschikbaar. Het
schepencollege vroeg aan de eigenaars om de gronden tot 1 januari 1916 kosteloos ter beschikking te stellen
van het gemeentebestuur. Ze werden toegewezen aan behoeftige gezinnen, die ze bewerkten en bemestten om met de
oogst de honger te stillen.

foto uit
het gemeentelijk fotoarchief: op de vroegere droogplaats van de steenbakkerij van de Gebroeders De Wachter
worden groenten gekweekt.
Plantaardappelen
werden kosteloos ter beschikking gesteld. De dienstdoende burgemeester Jules Meyers bestelde 25 wagons
aardappelen in Holland. De levering bleef spijtig genoeg uit.
Het
schepencollege van 11 mei 1916 besliste een gemeentewinkel te openen om "zekere
waren aan de bevolking te verschaffen, welke niet in den winkel van het plaatselijk komiteit worden
verkocht". Als magazijnier werd Joseph Verlinden aangesteld en "burgerjuffrouwen"
werden aanzocht kosteloos mede te werken om de uitbatingkosten te drukken. De gemeentewinkel werd geopend
op vrijdag 2 juni
1916.

Het schepencollege bepaalde de prijzen en de
rantsoenen:
" Koffie:
8,25 fr. per kilo, 100 gram per persoon, per week, met een maximum van 10
rantsoenen
of 1 kg.;
Peeën: 1,28
fr. per kilo, 125 gram per persoon, per maand;
Candijsiroop: 1,95 fr. per kilo, 125 gram per persoon,per maand;
Fruitsiroop: 1,90 fr. per kilo, 100 gram van iedere
soort per persoon,per week.
Het zal evenwel toegelaten zijn 200 gram per persoon en per week van eene soort te nemen;
Cacao: 0,22
fr. het pakje;
Pudding: 0,09 fr. het
pakje".
De
plaats waar de eerste gemeentewinkel werd gevestigd kennen wij niet, maar in de herfst van 1917 werd van Jules
Hubert, brouwer te Boom, een huis gehuurd in de Vrijheidstraat. Ernest Apers werd de secretaris van het
comiteit van de gemeentewinkel.
De
plaatselijke handelaars beschouwden de gemeentewinkel als een concurrent. Zowel de
"Middenstandsbond" als de "Antwerpschen Neringdoenersbond, Afdeeling Boom" vroegen dat “al
de waren die thans in de gemeentewinkel worden verkocht, aan de bevolking zouden verstrekt worden door
tussenkomst van de neringdoeners”.
Een
samenwerkende maatschappij "Werk der Aardappelschil" vroeg toelating om langs de gemeentebanen de
wilde vruchten, zoals beukennoten, wilde kastanjes en eikels te mogen verzamelen. Daaruit zou olie
geperst worden. Het gemeentebestuur antwoordde "dat er in
onze gemeente geene gemeentebanen bestaan waarlangs zulke bomen groeien". Dat was de waarheid, want
praktisch alle bomen waren omgehakt om als brandhout te dienen.
In Holland was brood te koop!
Zes
gemeentes uit de Rupelstreek (Hemiksem, Schelle, Niel, Boom, Terhagen en Rumst) plus Aartselaar vormden samen
de “Groep Boom”. De inkoopprijs van een brood bedroeg 65 centiemen. Het brood werd tegen de kostprijs
doorverkocht aan de bevolking.
De
"Nederlandsche Kommissie tot regeling van de voorziening van noodzakelijke levensbehoeften in Belgische
gezinnen" vroeg aan het gemeentebestuur een verslag "waarin de toestand zou worden uitgelegd waarin de bevolking der gemeente zich bevindt onder het
oogpunt der bevoorrading, en welke het stopzetten van den invoer van Hollandsch brood voor de voeding zou
hebben".
Het
schepencollege antwoordde: "het broodrantsoen vanaf 1 september
1916 op 335 gram per hoofd/per dag zal worden gebracht en het aardappelrantsoen slechts 300 grammen per hoofd
en per dag bedraagt. Daar er bijna geene landbouwers in de gemeente zijn is er bijna ook geene melk te
verkrijgen.
Het Voedingskomiteit, dat besloten had eene
melkbedeeling te doen van
Het
gemeentebestuur kocht tien koeien. De melk was bestemd voor kinderen en ondersteunde zieken. Om de dieren te
voederen werden aardappelschillen bij de inwoners opgehaald. "Als
wij geene genoegzame voeders voor deze dieren kunnen vinden, zullen ze spoedig droogstaan", was de
wijze overweging van het college.
Vanaf
12 maart 1917 richtte het gemeentebestuur de "Volkssoep" in. De soep werd bereid onder de kantoren
van het gemeentehuis en later in de zinkfabriek.

foto
uit het gemeentelijk fotoarchief: bereiding van de volkssoep in de zinkfabriek. Links staat Theofiel Lamot
(met baard) en rechts Frans De Schutter (met strohoed).
Aan
iedere ondersteunde werd 75 centiliter soep per dag toegekend tegen de prijs van 10 centiemen. Op dat ogenblik
waren er 9.000 ondersteunden!
Omdat
er een nijpend gebrek aan aardappelen was ontstaan en het broodrantsoen was verminderd, werd de gemeenteraad
dringend bijeengeroepen op 27 februari 1917.
Om
de volkssoep in stand te houden was er dringend geld nodig. Er werd een lening van 150.000 BEF aangevraagd,
maar in afwachting van de goedkeuring door de hogere overheid, werd bij het Gemeentekrediet een voorschot van
50.000 BEF. bekomen.
In
de "gymnasezaal op het Wipplein" (de turnzaal van de Koninklijke Turnkring, waarin de
gemeentelijke schrijnwerkerij was ondergebracht) werd een "Freibank"
ingericht (schepencollege van 6 mei 1917). Een koe, toebehorende
aan Theodoor Verschueren, werd bij noodslachting afgemaakt. Het vlees ervan werd verkocht in de
"Freibank".
De
winter van 1916/1917 was bijzonder streng. De schippers, die met hun schip in de Rupel waren vastgevroren,
mochten zich in de gemeentewinkel bevoorraden aan dezelfde voorwaarden als de inwoners.
De
hongersnood nam toe, de toestand werd dramatisch. Het gemeentebestuur vroeg aan de Bevoorradingsdienst van
Antwerpen "de grootst mogelijke hoeveelheid beetwortelpoeder te
leveren om aan de bevolking voort te verkopen” (schepencollege 14
april 1917).
Diefstal,
plundering en woekerpraktijken waren schering en inslag. Om het roven van veldvruchten tegen te gaan vaardigde
de bevelhebber van de "Südabschnitt" een uitgaansverbod
uit tussen 10 uur 's avonds en 5 uur ’s morgens.
Agent
Van Crombruggen betrapte drie vrouwen, die kolen raapten op de militaire ijzeren weg. Die spoorbaan hadden de
Duitsers aangelegd. Ze liep van de kazerne Sint-Bernard in Hemiksem via de Bosstraat in Boom naar het fort van
Walem.
Politiecommissaris
Defacq werd verplicht een strenge bewaking te organiseren, want op de laatste wagon van een kolentrein
ontbraken duizend kilogram steenkool. Een waakdienst voor het bewaken van de veldvruchten werd ingesteld.
"Der
Zivilkommissar des Kreises Antwerpen, Abteilung: Wucher" schreef op 19 juni 1917 een brief "An die
Herren Bürgemeister des Kreises Antwerpen" om een verordening van het Keizerlijk Gouvernement Antwerpen
van 14 mei 1917 tegen de woeker bekend te maken. In alle winkels in levensmiddelen en op de wekelijkse markt
moesten prijslijsten opgehangen worden. De voortbrengerprijzen van groenten en fruit werden bekendgemaakt. De
kleinhandelsprijzen mochten hoogstens 30% hoger zijn. Bij een hogere winstmarge werd de verkoper als woekeraar
vervolgd.
De
Duitse ambtenaar Emmerich verwittigde de gemeente dat "de opgelegde
witte kolen, wanneer zij verjaren hunne kleur verliezen en zwart uitslagen en dat in dezelfde voorwaarden de
opgelegde tomaten hun sap laten loopen, zoodat er niets anders van overblijft dan de schors en het zaad".
Het schepencollege achtte "het noodzakelijk dat soortgelijke
groenten, die nog in voorraad in den gemeentewinkel zijn, in de volkssoep ten spoedigste zouden verbruikt
worden".
Een
“Gemeentelijke Oogstcommissie” ging samen met de opzichters van de "Wirtschafskommando's" en de
opkopers van het “Provinciaal Oogstbureel” over tot de voorschatting van het broodgraan. Het was ten
strengste verboden aardappelen te vervoeren zonder geleidebrief. De landbouwers werden verplicht hun
aardappelen te leveren aan de gemeentelijke overheid. De politiecommissaris voerde strenge controles uit. Hij
sloeg in totaal 5930 kilogram aardappelen aan bij
1.
De Cuyper Joseph,
Krekelenberg 15,
150 kilos
2. Goovaerts Amand,
Bosschen 20,
1080 kilos
3. Vrouw Van den Broeck,
Antwerpsestraat 314
450 kilos
4. Mampuys Frans,
Antwerpsestraat
343
300 kilos
5. Van Loock Frans,
Kleine
Steylen 10
750
kilos
6. Hellemans Jan,
Nachtegaalstraat
4
1300 kilos
7. Claes Louis,
Nachtegaalstraat 8
1900 kilos
(zitting
schepencollege van 29 september 1917)
In
september 1917 telde men 14.000 ondersteunde personen, die volks- of schoolsoep afnamen en dit op een
bevolking van 17.960 personen! Via een "Kantien voor zwakke
Kinderen" ontvingen 575 jongeren tussen de 14 en 17 jaar dagelijks een bord pap met een koek van 70 gram.
Einde
1917 kregen de gemeentewinkel en de winkel van het comiteit te kampen met een gebrek aan pasmunt! Koperen
centiemen, in die tijd gangbaar, waren geleidelijk uit de omloop verdwenen. De bezetter had alle metalen
waaronder het koper opgeeist. Het gemeentebestuur stelde de overheid voor papieren geld als pasmunt te
drukken, wat werd geweigerd. De toestand werd echter onhoudbaar en met een brief van 18 april 1918 meldde de
Zivilkommissar dat de heer Verwaltungschef voor Vlaanderen in princiep en onder bepaalde voorwaarden de
aanvraag van de gemeente Boom toestond "voor de uitgave van bons
voor betaling van levensmiddelen in de gemeente- en de komiteitswinkel". De gemeenteraad, in zitting
van 6 juni 1918, stemde een reglement en besliste tot de uitgave van volgende bons, "welke
uitsluitelijk zullen dienen als pasmunt in de gemeente- en komiteitswinkel:
79.200
bons van 10 centiemen; (mauve kleur)
78.400
bons van 25 centiemen; (groene kleur)
52.250
bons van 50 centiemen; (bruine kleur)
in
totaal 209.850 bons met een gezamelijke waarde van 53.645 fr.".


Document uit de verzameling van André Van den Eynde: oorlogsgeld.
De
gemeenteontvanger moest een afzonderlijke kas houden, waarin de opbrengst van de bons zou gestort worden. Het
college was bevoegd voor het nazicht van de "Bijzondere Kas". Hoewel op de papieren pasmunt 1
februari 1918 als uitgiftedatum staat vermeld, werden ze eerst in mei 1918 in omloop gebracht (schepencollege
30 april 1918).
De
waardepapiertjes droegen de handtekening van de secretaris Cam. Van Geet en de dienstdoende burgemeester
J. Meyers.
d)
DE HONDENFRETTERS:
De
hongersnood die al bestond vanaf het begin van de oorlog nam gestadig toe. Ondanks de grote inspanningen die
door de gemeentelijke overheid en de vele “comité’s” werden geleverd, bleven de magen van de meeste
Bomenaars leeg. Er was vooral een tekort aan vlees en zomaar op de straat liepen eetbare viervoetigen rond...
De schrijver Tony Heidekens, pseudoniem voor Gaston Moorkens, deed mij het volgende verhaal:
“in december 1916 zat mijn grootvader Gerard met
enkele vrienden een pint gerstenat te drinken in zijn stamcafé "In 't Keizershof", gelegen in de
Advokaatstraat. “Als we nu eens ne souper moesten kunnen houden" werd er geopperd. Een notoire stroper,
de Fred uit de Veldstraat, kreeg de opdracht enkele wilde konijnen te vangen in "het boske" achter
de Advokaatstraat. Hij kwam met twee kleine wilde konijntjes aanzetten. Dat was onvoldoende voor de 15
ingeschrevenen en hij werd terug op strooptocht gezonden. "Maakt u geen zorgen", zei de Fred,
"de zaak komt in orde". En inderdaad, op de bewuste dag kwam hij het "Keizershof" binnen
met een volle pot mooi wit uitgebeend vlees. De cafébroeders lieten alles lekker smaken en likten duimen en
vingers af.
Enkele dagen later vroeg de beenhouwer uit de Advokaatstraat of iemand zijn grote Mechelse
schaapherdershond ergens had gezien. "Ik ben hem al enkele dagen kwijt" zei hij. De Fred, die in de
"staminee" aanwezig was, moest plots dringend ergens naartoe en toen drong de waarheid door. Men had
hondenvlees gegeten! De Fred gaf het later toe".
Neleke
(Corneel) Malfait was een handelaar in textielwaren. Zijn winkel lag in de Tuyaertsstraat. Het gebouw werd
later gesloopt om een toegang naar de parking “Varkensmarkt” te maken. Neleke hield tijdens de oorlog
1914/18 een dagboek bij waarin hij de evolutie van de prijzen noteerde. Zijn zoon Florimond Malfait bezorgde
mij het merkwaardige document.
En, wat lezen wij?
Hondenvlees zonder benen kostte per kilo:
in januari 1916
0.40
fr.:
in juni en augustus 1916
0.80 fr.;
in oktober 1916
1.00 fr.;
in
maart 1917
1,25 fr.;
in
april 1917
1,50 fr.
Hondenvlees met benen kostte per kilo:
in juli 1917
2.25 fr.;
in september 1917
2.50 fr.
Opmerking: naar
gelang er minder honden beschikbaar waren steeg de prijs van het vlees. Ook hier speelde de regel van “vraag
en aanbod”.
Volgens
het dagboek was vanaf februari 1918 hondenvlees niet meer in de handel te verkrijgen. Wel op de “zwarte
markt” want, een jaar later, in september 1918 noteerde Neleke dat “hondenvleesch
nergens meer verkrijgbaar was”.
*
Strookten
het verhaal van Gaston Moorkens en de officieuze aantekeningen van Neleke Malfait met de waarheid? Om dit te
achterhalen togen wij op zoek naar officiële gegevens.
In
de notulenboeken van het schepencollege, zitting van 2 augustus 1916, vonden wij het eerste spoor van
"hondenfretten":
"Neemt kennis van een schrijven van den heer
Politiekommissaris over de wijze waarop de honden in de gemeente door een tweetal personen worden geslacht en
beslist dat er aan de vraag van den heer kommissaris voor het inrichten van een slachthuis voor honden geen
gevolg kan gegeven worden".
De
namen van “het tweetal personen” worden in de brief van de politiecommissaris niet genoemd. Het
was echter in Boom een publiek geheim dat het hier ging over Jef De Lathouwer, Schomme nr.70, en over Pieter
Karel Buelens, (Peer den haring) Kerkhofstraat nr. 136

foto uit het gemeentelijk fotoarchief: de hondenslachter Peer den haring;
Van
mijn grootvader Sander Vinck weet ik dat beiden op zoek gingen naar honden tot "over ‘t water". "Ze kwamen in den beginne
soms met wel twintig honden aan een lange koord gebonden over de Rupelbrug" zei hij.
*
In
juli 1917 vroegen twee niet-Boomse verenigingen om maatregelen te nemen tegen het slachten van honden:
"Den verdedigingshondenclub van Hoboken" en "de Koninklijke Antwerpsche Maatschappij tegen
Dierenmishandeling" (schepencollege van 15 juli 1916).
"Den
Beenhouwersbond" verzocht in september 1916 om een keurdienst in te richten voor het keuren van het vlees
van geslachte honden (schepencollege van 4 september 1916).
Vervolgens
nam de "Maatschappij tegen Dierenmishandeling" een bocht van 180°. Haar voorzitter, de heer J.
Ruhl, vroeg schriftelijk aan de politiecommissaris om in de gemeente een openbare slachterij voor honden te
doen inrichten en de heer Van Onckelen Geraard als slachter aan te stellen. De heer Ruhl bood ook zijn
diensten aan (schepencollege van 26 april 1917 en 6 mei 1917).
De
vraag werd kennelijk heel dringend behandeld, want in het schepencollege van 12 mei 1917 viel al een
definitieve beslissing:
“Gezien het verslag van den Heer
Politiekommissaris over het inrichten eener hondenslachterij in de gebouwen van den Heer Miller die voor
paardenslachterij hebben gediend en die tegenwoordig niet meer in werkzaamheid zijn;
Overwegende dat ten gevolge van
het gebrek aan voedingsmiddelen het slachten van honden in de gemeente nog al groote uitbreiding heeft
genomen;
dat tegenwoordig de honden ten
allen kante geslacht worden en het verbruik van het vleesch hiervan voortkomende gedaan wordt zonder gekeurd
te worden en deze handelswijze gevaar voor de openbare gezondheid kan opleveren;
dat door het inrichten eener
openbare slachterij de keuring van het vleesch met veel gemak zal kunnen plaats hebben daar de slachting op
eenen bepaalden dag kan geschieden en al het slachtvleesch in hetzelfde lokaal zal vereenigd zijn;
Beslist: eenparig een openbaar slachthuis voor honden in de
peerdenslachterij van den Heer Miller in te richten en de noodige werken hiervoor te doen uitvoeren".
Opmerking:
De heer George Miller had op 2
april 1904 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad machtiging bekomen een "bijzondere slachterij
en een werkhuis voor het bereiden van worsten te benuttigen op het grondgebied van de gemeente Boom, Bosschen,
nr. 168".
*
Het
schepencollege, in zitting van 30 mei 1917, besliste een tweede maal "eene
openbare slachterij voor honden in te richten, daar ten gevolge van den oorlog, het hondenvleesch door vele
werkmansgezinnen verbruikt wordt, en het noodzakelijk is, in het belang der openbare gezondheid, eenen
keurdienst der honden in te richten".
Het
college verzond een ontwerp van reglement "dat het slachten van
honden zal beheeren" voor goedkeuring naar de gemeenteraad. In dit ontwerp (en later in het
reglement) werd gesteld dat het slachten van de honden zal geschieden in het lokaal gelegen in de
Antwerpsestraat 320.
Opmerking:
Bosschen nr. 168 en Antwerpsestraat nr. 320 zijn adressen voor hetzelfde gebouw. Tijdens de periode
tussen de twee volkstellingen (1900 en 1920) werd de straatnaam veranderd. De slachterij van Miller ging aldus
van "Bosschen 168" naar "Antwerpschestraat 320" zonder van plaats te veranderen. Bij
latere volkstellingen werd de huisnummering van de Antwerpsestraat regelmatig aangepast.
Om te achterhalen waar het officiële
hondenslachthuis zich ooit bevond raadpleegden wij in het Rijksarchief te Antwerpen het kadastraal plan uit
het dossier nr.3444/19, zijnde “inrichting van een worstenfabriek en paardenslachterij door G. Miller,
13/02/1904”.
Zo
kunnen wij met zekerheid stellen dat de woning en de garage gelegen in de Antwerpsestraat 554 (Garage
Haestinckx) gebouwd werden op de plaats van de vroegere hondenslachterij.
*
GEMEENTERAAD VAN BOOM
Zitting van 6 augustus 1917.
Tegenwoordig: Jules Meyers, dienstdoende burgemeester;
Gustaaf Van Crombruggen, schepen en Benjamin Haesaert, diensdoende
schepen;
Theofiel Lamot,
Louis De Roeck, Frans Vermant, Leon Bellon, Petrus De Winter, Frans Scholiers, Polydore Van den Bogaert en
Benoit Van Camp, raadsleden;
Camille Van Geet, gemeentesecretaris.
Vijfde zaak
POLITIEREGLEMENT OP HET SLACHTEN VAN HONDEN.
Mijnheer de
Burgemeester deelt den Raad mede dat ten gevolge van den opslag van het vleesch er vele honden in de gemeente
geslacht werden waarvan het vleesch meerendeels werd voortverkocht.
Daar dit vleesch
aan geene keuring werd onderworpen, was het te vreezen dat den eenen of anderen dag er ongelukken zouden
kunnen voorkomen hebben, ten gevolge van den verkoop van hondenvleesch dat ongeschikt voor de voeding zou
kunnen geweest zijn, en het gemeentebestuur hierdoor eene zware verantwoordelijkheid zou hebben kunnen
oploopen.
Het Schepencollege
heeft dan eene openbare hondenslachtery ingericht waar eene nauwkeurige en grondige keuring van het vleesch
plaats heeft alvorens het tot het openbaar verbruik wordt toegelaten, en heeft een ontwerp van
politiereglement opgemaakt waaraan het slachten van honden is onderworpen.
Het Schepencollege
verzoekt den Raad dit reglement, waarvan de tekst hieronder volgt, goed te keuren.
Art. 1. Het
slachten van honden mag in ’t vervolg uitsluitend geschieden in het lokaal Antwerpsestraat no 320 waar
vroeger een regelmatige slachtery bestond en dat thans byzonder werd ingericht tot openbare hondenslachtery.
Art. 2. De
slachting mag alleen des Maandags gebeuren; men mag alsdan werken van den morgend tot den avond, doch al de
dieren moeten op dezen dag geslacht worden. Er zullen enkel
levende dieren tot slachting mogen aangeboden worden. De slachting zal geschieden door de zorgen van de
Maatschappy tot bescherming der dieren. De bewerking van het geslachte dier zal door de eigenaar gebeuren.
Art. 3. Voor de
slachting zullen de honden onderzocht worden door eenen afgevaardigde der Gemeente die desnoods zich tegen de
slachting zal verzetten tot het dier onderzocht is geweest door eenen aangenomen veearts.
Art. 4. De keuring
van het vleesch zal door den vleeskeurder der Gemeente of door eenen aangenomen veearts geschieden by middel
van eenen microscoop. Dit onderzoek zal voor iederen hond 10 minuten duren.
Indien al de
honden des Maandags niet kunnen onderzocht worden, zullen diegenen die niet gekeurd geweest zijn in het
slachthuis tot ’s anderdaags blyven hangen.
Indien er iets
verdachts aan het vleesch zou bemerkt worden zal hiervan de
bevoegde overheid op de hoogte worden gebracht en het verdacht vleesch zal ter harer beschikking gehouden
worden. Iedere hond, waarvan het vleesch geschikt blykt voor de voeding, zal op ieder kwartier met eenen
bijzonderen stempel gestempeld worden.
Art. 5. De darmen
en de maag mogen niet verbruikt worden. Deze worden byeenvergaard in een vat, met kalkwater overgoten en door
het vilbeluik van Schooten iedeeren Dynsdag afgehaald. In geval van niet afhaling worden zy in den grond
gedolven.
Art. 6. De strot
en het bloed mogen verbruikt worden, doch in geval van het bloed worsten worden gemaakt, zal men hiertoe
schapen of geitendarmen gebruiken.
Art. 7.
Overtredingen aan het tegenwoordig reglement zullen gestraft worden met eene boet van 1 tot 25 franken en eene
gevangzetting van 1 tot 7 dagen of met een dezer straffen alleen.
Afschriften der tegenwoordige beraadslaging zullen overgemaakt worden aan de Bestendige Deputatie
overeenkomstig art. 178 der Gemeentewet.
En de Raad,
Overwegende dat de reglementeering van het slachten der honden aan eene volstrekte noodzakelykheid
beantwoordt, ten einde alle ongevalleen te vermyden die zouden kunnen voortvloeien uit den verkoop van vleesch
voor voeding ongeschikt;
KEURT MET EENPARIGE STEMMEN het reglement op het slachten van honden goed, zoals het door het
Schepencollege werd opgemaakt en zoals het hierboven is vermeld.
Het volgend
bericht werd bij middel van onderstaande aanplakbrief ter kennis gebracht van de bevolking:
Belangrijk Bericht
De hondenslachtrij “Antwerpschestraat villerij Miller” zal open zijn van 5 tot 9 uren
’s morgends b.t. ’s maandags en dijnsdags van iedere week. In ’t algemeen moeten alle honden geslagen
worden in gezegde slachterij, waar het vleesch gekeurd en gestempeld wordt door den expert Schipman. De
honden worden geslagen bij middel van een revolver door een lid der dierenbescherming of door den
aangestelden Van Onckelen. Voor het slagen van iederen hond wordt een taks vereischt van 0.25 centiemen.
De Militaire Veearts van Antwerpen verbiedt volstrekt het gebruik der darmen en keel tot
het vervaardigen van saucissen en saucissons. Gezegde Veearts heeft den expert Schipman aangeduid voor den
verkoop der vellen aan den prijs van 1 frank per stuk.
Dezer dagen zullen de darmen, de keel, de pooten, worden gehaald door het vilbeluik van
Schooten. Deze die het huidige reglement overtreden stellen zich niet alleenlijk bloot aan moeilijkheden met
de lokaalpolitie, maar ook aan Strenge straffen van wege de Bezettende Overheid.
Opmerking: de expert Schipman in het bericht vermeld
was Constantyn Florentyn Schipman, slachter uit de Vrijheidstraat 54. Deze inlichting werd ons jaren geleden
gemeld door Jan Cappaert.
*
De
stad Brussel was verontrust. Ze schreef in juni 1917 aan het gemeentebestuur “dat er alle Zondagen op de hondenmarkt te Brussel verschillige oude trekhonden worden opgekocht door
personen van Boom, die volgens algemeene geruchten bestemd zijn om afgemaakt te worden en verbruikt voor
levensmiddelenvoortbrengselen".
Bomenaars
wisten dat al lang.
Intussen
was de hondenslachterij op 11 juni 1917, dus voor de goedkeuring van het reglement, in werking getreden. De
Duitse commandant Schmidt was niet te spreken over de capaciteiten van de gemeentelijke vleeskeurder. Hij
verplichtte het gemeentebestuur een andere keurder aan te stellen.
In
afwachting daarvan werd de aangenomen veearts met de taak belast (schepencollege
6 juni 1917).
De
aangenomen veearts Raport vroeg een vergoeding van een frank per hond plus zes frank voor de reiskosten. Het
schepencollege vindt de vraag "verre overdreven, daar deze gelijk
staat met eene verdienste van vijftig franken voor eenen halven dag arbeidzaamheid". De veearts werd
voor een
bespreking
op het gemeentehuis ontboden (schepencollege 10 juli 1917).
Eindelijk
werd, in zitting van de gemeenteraad van 6 augustus 1917, het politiereglement op het slachten van honden
goedgekeurd. De veearts Raport bleef hondenkeurder en werd vanaf januari 1918 bijgestaan door Florimond
Schipman, een slachter uit de Vrijheidstraat 54.
In
het hondenslachthuis werd een register bijgehouden van het TRICHINENONDERZOEK, waarin vermeld werden:
volgnummer, hondseigenaar, datum der slachting, de onderzoekstijd in uren en minuten en het resultaat.

kopie van een bladzijde van het register).
4.
HET ETEN VAN HONDENVLEES TIJDENS DE 2de WERELDOORLOG:
Ook
tijdens de tweede wereldoorlog heerste er hongersnood. Honden en katten waren ook dan niet veilig op straat.
Leon Burm, tijdens zijn jeugd woonachtig in de Kortestraat, vertelde mij de volgende anekdote: "bij
mijn vriend en gebuur Paul Broothaers hadden ze een hond, die Loeki heette. Op een keer was de hond niet
thuisgekomen en vader Broothaers vroeg aan Pauleke en aan mij om Loeki te gaan zoeken. Wij liepen de
Kortestraat uit in de richting van het kerkhof. In de sloep van "pot en pan", die uitkwam aan het
café "In den halven Steen" in de Kerkhofstraat stond de woonwagen van "de koezje". De
"frak" van"Loeki" hing al aan een koord te drogen.
De honden werden geslacht op de koer van de "rosse Moens" in de Kortestraat. Ze werden met een zeel
vastgebonden aan één van de ijzeren ringen die in de muur waren gemetseldt en doodgeslagen met een houten
voorhamer. Zodoende vloeide er weinig of geen bloed".
Om
bevestiging van dit verhaal te krijgen stelde ik mij in verbinding met de genoemde Paul Broothaers, nu wonende
te Reet, en met Désiré Moens (Den Dizze), de zoon van
"Rosse Moens", ooit wonende in de Dirkputstraat. “Den Dizze”verklapte mij de naam van de
hondenslachter. "Dat was den Tobias" zei hij "den Tobias Addiers, een lezzemaker van beroep".
Opmerking: een “lezzemaker” is een bouwer van
droogloodsen op de steenbakkerij.
De
drie personen Leon Burm, Paul Broothaers en Désiré Moens geven toe dat ze hondenvlees gegeten hebben tijdens
de 2de wereldoorlog. Leon Burm verklaart:
"wij hadden honger en gingen de boer op om
voedsel te bedelen. Soms kregen wij enkele petatten en uitzonderlijk een dikke snede brood, bestreken met
lies. Ik heb een stukje hondenvlees gegeten, een overschotje. Maar met Kerstmis en tijdens de kermis was het
feest met konijn en kat. Die werden samen in één pot gestoofd. Dat was smullen, zeker weten"!
SLOTWOORD
De
Bomenaars kregen dus terecht de toenaam “hondenfretters” opgespeld. Tillen ze daar zwaar aan? Bah neen. Ze
zongen er zelfs het volgende vrolijk lied over met als titel
“De Onnefretters”
I
Boom
heeft ne schone naam da's overal gekend,
as
dat wij onne frette en dat is gemend.
Een
kiloke van dit, een kiloke van dat.,
en
dan nog twee kilokes van vanachter aan zijn gat.
REFREIN
Boe-boe,
't is van den ond,
Boe-boe,
't is van den ond,
Boe-boe,
boe-boe, 't is van den ond zijn kont.
II
Ik
was daarlest in Mechelen, wie hebbe ik dâ gezien ?
Da'
was ene van Boom al mee nen ond of tien.
En
dâ was d' er ene bij, die keek zo vals naar mij,
'k
zeg, 'k zal van â nog frette want ge mokt mij blij.
III
In
den oorlog kwam er nen ond staan basse' aan ons deer,
'k
zeg manneke kom maar binne' 't is te koud, 't is geen weer.
En
'k gaf hem dâ ne klop, en hij viel op zijne kop,
maar
twee minute' later hing hij boven aan een strop.
IV
Ik
kwam er overlest is aan den hoek gaan staan,
daar
kwam daar ene met ne groten ond aangegaan.
'k
Zeg, ai wa d'is me dat, da' was van achter glad,
'k
zeg, geeft me maar een kiloke van da geschore' gat !
V
Na
vrienden voor 't sluiten maak daarom toch geen verdriet,
omdat
wij onne frette daar generen wij ons niet.
Maar
't is in alle geval, hetgeen ik zingen zal,
Boom
heeft nu wel de naam, maar ze meugen z' overal !
Samenstelling muziekensemble PLADEK
André: zang en hommel
Luc: klassieke
gitaar en basdrum
Paul: accordeon
Alex Vinck.
10 april 2006
De wijkraad "Boom-Noord" bracht over "Zijn Bomenaars Hondenfretters" een boekje uit. Hoe dit boekje te bekomen verneem je op hun website.
- Archief van het
gemeentebestuur van Boom;
- Registers van de
Bevolking en van de Burgerlijke Stand van de gemeente Boom;
- Notulenboeken
van het College van Burgemeester en Schepenen en van de Gemeenteraad van de gemeente Boom;
- Fotoarchief van
de gemeente Boom;
-
Documentenarchief van de gemeente Boom;
- Rijksarchief
Antwerpen;
-Archief van
verzamelaar André Van den Eynde;
- Boeken:
-“Zo was
Boom”, Alex Vinck,
uitgever: De Vries-Brouwers P.V.B.A., Antwerpen, 1972;
- “Van een Boom
aan de Rupel”, Margriet Amelinckx en Alex Vinck,
uitgever: V.Z.W. Studiecentrum voor Regionale Geschiedenis,
Boom, 1995;
- “Boom van de
Oudheid tot het Jaar 2000”, Alex Vinck,
uitgever: V.Z.W. Weck, Boom, 1999.
IK
DANK:
-
het gemeentebestuur van
Boom voor de toegang tot de archieven;
-
het muziekensemble PLADEK
voor het lied over “De Onnefretters”;
-
André Van den Eynde voor
het ter beschikking stellen van documenten uit zijn archief;
-
wijlen Florimond Malfait
voor het ter beschikking stellen van de prijslijst van hondenvlees;
-
Prosper Amelinckx voor de
correctie;
-
Marc Verlinden, webmaster
van de geschiedkundige kring “Ten Boome”.