TEN BOOME
door MARCEL VEREYCKEN
Caritatieve werking en speciale dienstverlening zijn in de schoot van de
christelijke
gemeenschap altijd zeer bloeiend geweest. In
vroegere tijden leek het zelfs dat alleen
de Kerk een georganiseerde aanpak had. Zij was de enige, die in het streven naar
de
verwezenlijking van "de werken van
barmhartigheid" haar beste leden er toe aanzette en
aanmoedigde om deze "werken" op een
gestructureerde manier uit te oefenen in een
wereld die minder en minder oog had voor
"barmhartigheid".
Het is dan ook niet te verwonderen dat deze stelregel zijn concretisatie kreeg in de formule van het "tienderecht" of het genot van het tiende deel der vruchten, gewassen,vee, enz. Deze formule greep duidelijk terug naar de eerste tijden van de christelijke beschaving.
Wanneer Karel de Grote bij wet van 789
voorschreef dat edelen en vrijen, ja iedereen
aan de Kerken en priesters het tiende deel van hun arbeid dienden af te staan,
deed hij
niets anders dan de zeer oude voorschriften nieuwe
kracht bijzetten. Wij herinneren
ons nog wel dat de uitkering van de tienden in drie
delen geschiedde:
* 1/3 voor het kerkgebouw, het licht en
de benodigdheden van de eredienst
* 1/3 voor de priesters van de kerk
* 1/3 voor de armen en de noodlijdenden.
Is het dan te verwonderen dat het
bedelingscentrum van de liefdadigheid in de kerk,
beter gezegd in de parochiekerk gevestigd was. De tot op heden bewaarde
oorkonden
van de oudste gekende liefdadigheidsinstellingen bevestigen dit.
Wat betekent dit in concreto voor ons Bomenaars ?
De oudste bewaarde kerkelijke archieven voeren ons terug tot in het begin van de 14de eeuw, namelijk 1309, waar de parochie "de Naemeloose Boome", deel uitmakend van het Aartsdiaconaat Antwerpen, onder de benaming "Antwerpen ten Boom - Antverpia ad Arborem" ingeschreven staat voor tien pond in het voordeel van de abt van Lobbes. Hierin wordt pastoor Joannes, als eerste parochieherder vermeld van 1310 tot 1312.
De liefdadigheidsinstellingen ter
plekke werden bediend door leken. Deze zamelden
aalmoezen in. Buiten deze aalmoezen beschikte men ook nog over fundatiën en
giften
van aller aard. Met de opbrengsten hiervan werd voor de armen en vondelingen van
de
parochie gezorgd. Later zouden de "Tafels van de
Heilige Geest" deze taak overnemen. "Tafel" was in die
vroegere tijden de gewone benaming voor wat later het "armbestuer" zou
genoemd
worden.
Het "armbestuer" had als opdracht in de kerk aalmoezen op te halen en deze aan de noodlijdenden uit te delen. Ze moest jaarlijks verantwoording afleggen door de rekeningen van inkomsten en uitgaven aan de beheerders voor te leggen.
Wie beheerden deze instelling dan wel ?
· de heer pastoor
· de heer van de plaats
· de wethouder.
Als rentmeester of kassier fungeerde een kerkmeester, die jaarlijks onder de voornaamste
ingezetenen werd verkozen.In onze streek bestond maar één H. Geesttafel voor
de twee parochies Rumst en Boom. Boom was ten
andere afhankelijk van Rumst. Dit bleef zo tot in 1616. Wel waren
er twee armmeesters in functie: één te Rumst en één te Boom.
In de 15de eeuw ontstonden nieuwe instellingen. Deze werden bediend door rijke burgers. Ook zij haalden aalmoezen op en bezochten de armen ten huize. Het is evident dat deze twee soorten in één instelling zouden worden samengesmolten.
Op het einde van de 18de eeuw werd, en dit vooral om de bedelarij te beteugelen de "Nieuwe Bestierders van den Algemene Armen" opgericht. Haar bedienaars werden voor de ene helft gekozen onder de geestelijken en voor de andere helft onder de vooraanstaande burgers. Echter met de Franse Revolutie kwam een einde aan deze liefdadige instelling.
Nadat de "Gecentraliseerde Algemene Dienst voor Openbare Hulp", die door de Nationale Conventie opgericht was en waarvan de kosten door de staat gedragen werden, niet het verwachte resultaat had opgeleverd, werd er door de decreten van 16 Vendémiaire van het jaar V (27/11/1796) en van 7 Frimaire van het jaar V (27/11/1796) overgegaan tot de stichting van twee nieuwe en afzonderlijke Armenbesturen, te weten:
1. de Burgerlijke Godshuizen en
2. het weldadigheidsbureel.
De Burgerlijke Godshuizen waren belast met het beheer van alle kleine en grote godshuizen en het besteden van bejaarden, gebrekkigen, ongeneesbaren, doofstommen, blinden, vondelingen en wezen, die geen plaats hadden in de gestichten.
Het bestuur van de Burgerlijke
Godshuizen werd waargenomen door een beheerraad.
Deze was samengesteld uit een voorzitter en vier leden. Het dagelijks bestuur
was in handen van de algemene secretaris. De
uitgaven der Burgerlijke Godshuizen werden
gedekt door de gemeentelijke toelagen en door inkomsten uit fundatiën,
onroerende
goederen, giften, enz.
De jaarlijkse uitgaven werden op een gelijkaardige manier gedelgd als deze van de Burgerlijke Godshuizen. Deze beide instellingen bleven bestaan tot in 1925, wanneer ingevolge de wet van 10/03/1925 (verschenen in het Staatsblad van 20/03/1925) deze belde instellingen zullen worden samengesmolten in de Commissie van Openbare Onderstand.
HET SINT JAN-BAPTIST GODS- EN GASTHUIS VAN BOOMAlle officiële instellingen ten spijt,
roerde er in het begin van de 19de eeuw iets onder
de christelijke bevolking van Boom. Als concretisering en specifieke vrucht van
deze
christelijke bezorgdheid voor de lijdende medemens kwamen priesters en gelovigen
in
1840 tot het besluit een gasthuis op te richten.
Maar wie zou het vereiste kapitaal
bijeenbrengen ? Geen moeite werd gespaard:
kunsttentoonstellingen werden ingericht, geldinzamelingen werden gehouden. De
meesteressen van de Armenschool ontpopten zich tot ware organisatoren onder de
kundige leiding van Eerw. Heer JB Van den Bergh. Deze priester had met veel ijver
en
inzet de eerste Armenschool te Boom opgericht in 1823. De familie Pauwels schonk
de grond. Bouwmeester Drossaert uit Tienen maakte het plan en leidde dan ook
belangeloos de werken. De steenbakkers leverden gratis 1.400.000 stenen, alsmede
de
pannen en plaveien. De boeren zorgden voor het vervoer. Op
13 februari 1843 werd de eerste steen gelegd en op 28 mei 1846 werden de kapel
en de andere gebouwen plechtig ingezegend.
HOE ONTSTONDEN DE COMMISSIES V.OPENBARE ONDERSTAND ?
De organieke wet tot oprichting van de C.O.O.'s dateert van 10 maart 1925. Zij vervingen
de bestaande besturen van Burgerlijke Godshuizen en de Burelen van
Weldadigheid, die opgericht werden ingevolge de Franse wetgeving van het jaar V
van
de Franse Republikeinse tijdrekening. Hiermede werd een einde gesteld aan een
periode van Openbare Weldadigheid, welke vervangen werd door Openbare
Onderstand.
Een hervorming is echter nooit de
impuls van één ogenblik, maar wel de
concretisering van een sociale groeitijd, van een gistingsproces dat
langzamerhand tot
vaste vormen wist te rijpen. Dit is zeker ook het geval geweest voor de wet van
10/03/1925, die deze incubatietijd diende door te maken.De samensmelting van de
vroegere bestaande liefdadigheidsbesturen was reeds dikwijls
ter sprake gekomen. Zelfs gedurende de Franse periode van onze geschiedenis
werden In sommige steden reeds beide besturen samengevoegd om nadien
weer gescheiden te worden. De eerste tussenkomsten tot eenmaking van beide besturen
werden in de Kamer van Volksvertegenwoordigers gedaan in 1843. Ook in de Senaat
werd in 1844 tussengekomen.
Toch zou het nog 10 jaar duren alvorens
het wetsontwerp met dezelfde doeleinden
door de toenmalige Minister van Justitie, de heer Ch. Faider op 17 januari 1854
zou
worden neergelegd. Dit ontwerp, waarover iedereen akkoord ging op het gebied van
de
samenvoeging, deed evenwel tussen de twee politieke geestesstromingen van die
tijd
een onoverkomelijke polemiek ontstaan. Er was onenigheid over de samenstelling
van het
Bestuur (en de aanwezigheid van rechtswege van de
parochiepriester) en voornamelijk
over het "Beheer der goederen der Armen"
(de schenkingen ten bate van private personen, nl. de kloosters).
Na de val van
de regering werd het wetsontwerp ingetrokken op 20 januari 1856.
De nieuwe Minister van Justitie, de heer Alf. Nothomb diende ter vervanging van
het
ingetrokken wetsontwerp zijn voorstel in. Dit ontwerp zou in onze politieke geschiedenis
de naam krijgen van de "kloosterwet". Gedurende 27 zittingen vonden er
in de Kamers
heftige debatten plaats tussen linker- en rechterzijde. Na de stemming van
de eerste artikels waren de discussies zo hevig opgelaaid dat in
gemeenschappelijk akkoord de bespreking van het
ontwerp werd opgeheven.
De gemeenteraadsverkiezingen van einde
1857 waren aanleiding tot de ontbinding der
Kamers. De kloosterwet werd definitief begraven en met haar de kwestie van de
samenvoeging van de liefdadigheidsbesturen, waarover dan toch iedereen akkoord
ging. Toch bleef de noodzaak van de hervorming, onder dwang van de sociale
omstandigheden steeds aanwezig. Uit het algemeen
gevoelen op het einde van de 19de eeuw, dat onze sociale instellingen
dienden aangepast te worden aan de tijd, kwam in
1895 een studiecommissie tot stand. Zij werd in
twee subcommissies gesplitst:
1. de subcommissie der weldadigheid en
2. de subcommissie van de voorzorg.
Deze subcommissie van de voorzorg wilde de basis leggen van de sociale
verzekeringen in het kader van de openbare weldadigheid. Ze moest echter spoedig
haar werkzaamheden staken wegens de recente oprichting van een Ministerie van
Arbeid, dat deze aangelegenheid opeiste. Gedurende vijf jaar werkte de
subcommissie
verder aan een project, dat zowel de private als de openbare onderstand wilde
regelen.
Ze beëindigde haar werkzaamheden in april 1900 en legde een resolutietekst van
154
artikelen voor.
Twintig jaar later, in 1920, zal volksvertegenwoordiger Visart de Bocarmé de
zaak
terug opnemen. Hij legde op 22 januari 1920 een wetsvoorstel neer dat na lange
besprekingen in Kamer en Senaat en na amendementen van de regering bekrachtigd
werd op 10 maart 1925.
Ingevolge de wet van 10/03/1925 werden
in de zitting van de gemeenteraad van Boom
op 10 september 1925 de leden van de eerste C.O.O. benoemd. Op 19 september
1925 werd door de burgemeester Louis Lamot op het gemeentehuis de wettelijke eed
afgenomen. Daarna werd overgegaan tot de verkiezing van de voorzitter. De heer
Van
Nuffel Frans, Xavier, Jozef, Maria werd als eerste voorzitter van de Commissie
van
Openbare Onderstand verkozen.
Maar sinds 1925 heeft de sociale
situatie zich grondig gewijzigd. De overheid legt
immers op gebied van onderwijs, kultuur, sport, enz. een groeiend initiatief aan
de dag.
De C.O.O.'s beheren klinieken en bejaardenhuizen. Vele C.O.O.'s richtten een
sociale
dienst op, waar men terecht kon voor zowel administratieve formaliteiten als
voor
persoonlijke- en gezinsproblemen.
De wet van 8 juli 1976 stelde in art.1:
"Elk persoon heeft recht op maatschappelijke
dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een
leven
te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er worden openbare
centra
voor maatschappelijk werk opgericht, die, onder de door de wet bepaalde
voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren."
Eén april, de dag waarop de O.C.M.W.'s
in werking traden, werd de mijlpaal in de
geschiedenis van het maatschappelijk dienstbetoon en de welzijnszorg. De nieuwe
instelling, die de C.O.O. vervangt, krijgt een uitgebreide bevoegdheid en
wellicht ook
ruime financiële mogelijkheden.
De O.C.M.W.'s zijn zeker niet meer
"den arme" van vroegere tijden. Men wil een echte
welzijnszorg, die de diepste persoonlijke problemen niet ontwijkt. Vandaar het
accent
op de absolute eerbied voor datgene wat ieder van ons het meest persoonlijk is.
Dit
houdt in dat ieder moet terecht kunnen bij een begeleider, die hem volledig
vertrouwen inboezemt en die van eenzelfde waardenbeleving kan uitgaan.De
oprichting van de O.C.M.W.'s wordt het signaal voor een vernieuwde en grootscheepse
"aanpak" van het welzijnswerk.
Een vrij nieuwe opgave.
Bijlage I: Lijst der personen die sinds de Gemeentewet van 30/03/1836 deel uitgemaakt hebben van het "ARMBESTUER" der gemeente Boom, zoals hun namen zijn opgeschreven in het "BOEK DER DELIBERATIEN VAN HET ARMBESTUER DER GEMEENTE BOOM".BIJLAGE IV: Naamlijst der personen die sinds de oprichting van het OCMW deel
hebben uitgemaakt van de Raad van het Openbaar
Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
BIJLAGE V: Lijst der Boomse voorzitters der :
|
Armbesturen |
|
| Verelst, Franc. Gerard | 06.1836 - 05.1849 |
| Tuyaerts, Joan. Serv. | 05.1849 - 03.1876 |
| Verbeeck, Car. Lud. | 03.1876 - 09.1880 |
| De Kock, Cornelius | 09.1880 - 11.1887 |
| Lamot, Joann. August | 11.1887 - 01.1892 |
| Maes, Jan Baptist | 01.1896 - 08.1906 |
| Van Camp, Louis | 02.1896 - 08.1906 |
| De Keyser, August | 08.1906 - 05.1923 |
| Michiels, Alfons | 05.1923 - 07.1925 |
|
St. Jan Baptist Gods- en Gasthuis |
|
| Pauwels J.B. | 1845 - 1858 |
| Van Reeth, Fr. Cl. | 1858 - 1863 |
| Rijpens, J.B. | 1863 - 1882 |
| De Maeyer, J.B. | 1883 - 1897 |
| Van den Bril, Jan | 1897 - 1904 |
| Verstrepen, August | 1904 - 1925 |
|
Commissie openbare Onderstand |
|
| Van Nuffel, Frans Xavier | 09.1925 - 12.1930 |
| Van Wouwe, Kamiel Karel | 01.1931 - 12.1951 |
| Van der Plancken, Felix Corn. | 01.1952 - 01.1953 |
| De Schutter, Frans Amaat | 02.1953 - 06.1962 |
| Lefeber Damiaan | 07.1962 - 04.1977 |
| Coeck, Leo Juliana | 04.1977 - 05.1977 |
|
Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn |
|
| Coeck, Leo Juliana | 31.05.1977 - 31.03.1989 |
| De Smet, Albrecht Isidoor | 01.04.1989 - |