TEN BOOME
BOOM
... IN HET VERLEDEN
Voordracht
gehouden op 9/10/91 door kan. R. Roelandts.
Beste
mensen,
Eerst
een goede afspraak; verwacht van deze avond geen geschiedkundige uiteenzetting
over Boom in het verleden. Ik kom er gewoon over praten, 't is maar een
vertelavond als liefhebber. Maar dan in de letterlijke betekenis van het woord,
als iemand die zijn geboortestreek en haar bevolking liefheeft. Vraag me nu niet
naar het waarom van die liefdesverklaring. Het is gewoon teveel om uit te leggen
en over de geschiedenis filosoferen is de bedoeling niet. We houden het dus
gewoon bij de feiten, bij wetenswaardigheden.
Omwille
van het karakter van deze voordracht - het was een gezellige en leerrijke
vertelavond - werd er geopteerd om het geheel van vertellingen van kan.
Roelandts, dat reeds vroeger in afleveringen in het Parochieblad van Boom
verscheen, integraal te publiceren (n.v.d.r.).
Eerst
even voorstellen
Onder
dit kenteken krijgt u voortaan elke week een hapje Boomse geschiedenis
aangeboden ... tenzij het wegvalt door plaatsgebrek op de parochiebladzijden.
Want wat nu leeft, verdient éérst uw aandacht. Toch is plaatselijke
geschiedenis belangrijk ... omdat u
er nog van leeft. Wie dat beseft krijgt meer inzicht in het heden en ook
uitzicht op een toekomst. Want we leven in een doorlopende geschiedenis. Daarom
deze cursiefjes.
Hoe
worden ze opgevat en opgesteld ? Niet als een vakkundige studie. Maar wel om
geschiedenis "aan de man / vrouw te
brengen". Zeg maar: te vulgariseren. Daarom zijn het maar
"hapjes". Zoiets als vlotte "snacks". Of noem het
verpozende tussendoortjes, bij de overdadige informatie die vaak
onverteerbaar is. Verwacht dus geen diepgaande
studie. Met mijn gegevens heb ik lichte kost bereid, die u leert genieten
van "Boom in het verleden". Uiteraard blijft
het onvolledig. Maar toch zo nauwkeurig mogelijk, zij het dan zonder
eigen archiefstudie.
Wat
u wordt aangeboden is "gesneden brood" uit de Boomse geschiedenis van
pastoor H. Sel (1873), deken F.X. Beten (1900), kan. E. Steenackers (1907), Dr.
B. Lamot (1957), A. Vinck (1975 en '83) en de merkwaardige documentatie van
wijlen René en Armand Bal
Ik
hoop dat het u zal smaken. Mocht het soms geen voldoening geven, dan ontving ik
graag uw aanmerking of toelichting.
Voordat
Boom ontstond
Rond
het jaar nul, de aanvang van onze tijdrekening, begon ook de geschiedenis van de
landstreek tussen Rupel en Schelde. Want er werden overblijfselen van Romeinse
nederzettingen ontdekt, o.a. in Rumst en Kontich. Ook oude geschriften vermelden
die plaatsnamen als Rumesta en Contacum.
De
Romeinse vesting in Rumst beheerste de Rupel als knooppunt, bij de samenvloeiing
van de Nete, de Zenne en de Dijle
met de Demer. Rivieren vormden de eerste verbinding met het ontoegankelijke
binnenland.
Na
het verval van het Romeinse Rijk lag het land open voor de volksverhuizing van
de Franken in de vierde eeuw. Eerst driehonderd jaar later vermeldt de
geschiedenis iets nieuws: de heilige Reinildis, dochter van Witger, de leenman
van Kontich, schenkt haar erfland aan de abdij van Lobbes (Henegouwen).
Als
er langsheen de waterlopen al iets bestond, werd het 150 jaar later verwoest
door de Noormannen. Zij zijn doorgedrongen tot in Lier, maar werden verslagen
bij Leuven (891).Daarna ontstonden nieuwe woonkernen rond burchten, die de
omstreken konden beheersen en beveiligen tegen plunderaars en baanstropers. De
burchtheren met hun strijders eisten daarvoor een deel van alle opbrengsten
(tienden)en allerlei onbezoldigde karweien (vroondiensten).
Zo
kwam de Rupelstreek in de ban van de Berthouts. In 1145 was hun kasteel in
Grimbergen verwoest door de hertog van Brabant, met de steun van de graaf van
Vlaanderen. Maar de Berthouts bouwden hun nieuw kasteel in Rumst. Ze verwierven
aanzienlijke domeinen op de linker en de rechter oever van de Rupel,
waarschijnlijk met geweld.
Hoe
dan ook, in de twaalfde eeuw werd ons grondgebied een buitenwijk in het
"Land van Rumst". Die toestand bleef ongewij zigd, ook onder het
bewind van de vierentwintig daarna volgende Heren van Rumst. Pas in 1645 werd
Boom een zelfstandige gemeente, met een eigen schepenzegel, maar nog onder het
oppergezag van de Heer van Rumst.
Onze-Lieve-Vrouw
ten Boom
De
oude volledige plaatsnaam van Boom blijft zichtbaar in het kenteken van het
schepenzegel van de gemeente: de Boom
met een Mariabeeldje.
Zichtbaar
van op de Rupel diende die boom als een plaatsaanduiding op de voetweg tussen
Schelle en Rumst, de twee oudste woonkernen. Hij stak boven het kreupelhout uit,
ergens op het pad waar nu de Hoogstraat en de Blauwstraat liggen. Maar toen
stond er geen enkel huis omtrent. Het moet een opvallende, maar niet bepaalde
boomsoort geweest zijn. Want in 1309 vermeldt een brief "de parochie van
den Naemloosen Boome". De oude plaatsnaam bleef bewaard, zelfs toen er al
enkele huizen stonden.
Het
Lieve-Vrouwbeeldje aan die boom werd waarschijnlijk aangebracht door de eerste
geloofsverkondigers. Zo gaven ze een christelijke duiding aan bomen die, zoals
bronnen, bijgelovig werden vereerd door passanten. Dat bijgeloof bleef nog
voortleven in stichtende legenden en wonderverhalen.
Alleszins
staat vast, dat vanuit de St.-Michielsabdij (Antwerpen 1122) en vooral uit de
St.-Bernardsabdij (Hemiksem ca. 1245) die monniken het christendom hebben
verspreid in de Rupelstreek, zodra de eerste nederzettingen ontstonden.
Reeds
in de dertiende eeuw begon de Maria-verering in dit afgelegen schier onbewoond
gebied. Nadat de oude "Naemeloosen Boome" verdwenen was, bleef de
herinnering bewaard door het "onse-lievevrouwe boomken" (1616) op de
hoek van de 0.-L.-Vrouwstraat en de Blauwstraat. Op die plaats werd later het
kapelleken gebouwd, als bidplaats op de processieweg.
Doorheen
al de wederwaardigheden van vele woelige eeuwen, is de devotie tot
Onze-Lieve-Vrouw levendig gebleven. Tot voor de Franse Revolutie was Boom een
Mariale bedevaartplaats. In vele straten sieren Mariabeelden sommige huisgevels.
Vermelden we nog het Mariaspel in 1922 en vooral de Maria-Ommegang tot in 1965.
Nog altijd is de jaarlijkse bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel
een getuigenis van die eeuwenoude volkse vroomheid.
Het
Laathof van Immerseel
In
de tijd van "de slag der gulden sporen" (1302) was het hier nog een
ongerept natuurgebied. Maar toen begong de ontsluiting vanuit het laathof van
Immerseel.Ene genaamde Immerseel had deelgenomen aan de ook beslissende slag van
Woeringen in Duitsland (1288), gewonnen door Jan I, Hertog van Brabant. Die
schonk hem als beloning een uitgestrekt leengoed, om zo te zeggen een
niemandsland.
Immerseel
begon zijn nederzetting waar nu Wommelgem gelegen is. Maar hij was ook de
leenman van een domein,tussen de Steilse Bossen en de boorden van de Rupel. Om
dat te ontginnen, heeft hij daar een laathof gevestigd met een ploeg
onderhorigen (laten). Zij vormden hier de eerste leefgemeenschap voor de aanleg
van een verbindigsweg over de hoger gelegen gronden van Vlietmanshoek, het
Steyl, de Paepe Dalen, het Peerdsgat, Krekelenberg, naar Ten Oeveren en
Hellegat. Die weg bestaat nu nog als 's Herenbaan.
Om
hem te beveiligen tegen baanstropers en struikrovers moesten "de laten van
Immerseel" er de bossen rooien en velden aanleggen. Niet meer als gewone
leifeigenen, maar als cijnsplichtigen. Zij kregen de ontgonnen grond in gebruik,
maar moesten er cijns voor betalen, doorgaans het tiende van hun opbrengsten.
Voordat
Boom een gemeente werd, hadden zij reeds een eigen rechtsbestel, met een meier
en zeven schepenen (gezworenen: beëdigde laten) aangesteld door de Heer, voor
het beslechten van onderlinge geschillen en het bestraffen van kleine
misdrijven. De hogere rechtspraak behoorde aan Grimbergen, later aan Rumst en
sedert 1645 aan de Heer van Boom.
Het
was nog een ingewikkeld rechtsbestel van heren, die afhingen van andere heren,
uiteindelijk van het hertogdom Brabant en nog later van het markgraafschap
Antwerpen. Maar het Laathof had toch een eigen schepenzegel, voordat Boom er een
kreeg: de boom met het Mariabeeld. In 1721 had de toenmalige Heer van Immerseel
nog 107,14 Ha grondbezit. Ene Jan Kinie bezat 82 Ha, Filip Kinie 51 Ha en de
Heer van Boom 32 Ha, waarschijnlijk gedeelten van het oorspronkelijk domein van
het Laathof van Immerseel. De vierentwintigste eigenaar van het Laathof werd
afgezet door de Franse Revolutie.
Geschiedenis
van de parochie
Bijna
350 jaar voordat Boom een gemeente werd, was het reeds een parochie. Toen het
grondgebied nog behoorde tot het Land van Rumst, vermeldt de stichtingsbrief van
de kerk te Reet in 1309 "de parochie van den naemloosen Boome". Pas in
1645 werd het een zelfstandige gemeente ... met ongeveer 650 inwoners.Volgens
het handschrift van deken F.X. Beten (1900) was ze zelfs een eersterangsparochie
in 1442. Voor de grond, die toebehoorde aan de abdi j van Lobbes (Henegouwen) ,
moest ze tien pond per jaar betalen. Ze betaalde ook jaarlijkse rechten aan de
bisschop en de aarstdiaken en bekostigde hun parochiebezoeken.
Kerkelijk
behoorde Boom eerst tot het bisdom Kamerijk en het aartsdiakonaat Antwerpen. In
1571 maakte het deel uit van het decanaat Lier in het bisdom Antwerpen, na 1837
van het dekanaat Kontich in het aartsbisdom Mechelen. In 1873 werd pastoor J.B.
Heylen de eerste deken van het eigen decanaat Boom, sedert 1962 in het
heropgerichte bisdom Antwerpen.
Merkwaardiger
dan de veranderende kerkelijke indeling, was het "patronaat" over de
parochie. Dit is de bevoegdheid over de kerkgebouwen en het recht om de pastoor
aan te stellen of toch voor te stellen.Door de schenking van de H. Reinildis
oefende de abdij van Lobbes het patronaat uit over Boom. Ze behield het ook
nadat de Vrijheer van Rumst het grondgebied had ingepalmd. Maar in 1573 werd het
afgekocht door kardinaal de Granvelle, die ook heer van Cantecroy was.
Na
hem hadden de graven van Cantecroy het patronaat over Boom. Maar het werd
betwist door het tweede kapittel van Leuven en door de toenmalige bisschop van
Antwerpen. Deze had de pastoors Andreas Struelens (1620) en Peeter De Vrijer
(1649) aangesteld. Maar bij het Hof van Brabant heef t de graaf van Cantecroy
opnieuw zijn recht opgeëist en verkregen. In 1720 volgde een nieuwe betwisting
tussen de abt van Lobbes en de graaf van Cantecroy, die weer het pleit won voor
de Raad van Brabant. Zo bleven de pastoors afhankelijk van de kasteelheer en
werd de bevrijdende boodschap van het evangelie beknot. Onder het Franse Bewind
verloren de Heren hun rechten en begon de scheiding van Kerk en Staat met
de onteigening van de kerkelijke bezittingen en instellingen.
Boomse
tienden voor Leuven
Gedurende
drie eeuwen moest de "parochie van den Naemloosen Boome" bijdragen tot
het bezoldigen van profs aan de universiteit
van Leuven.In overleg met de bisschop van Kamerijk, had paus Eugenius IV in 1443
een tweede Sint-Pieterskapittel gesticht voor tien kanunniken, aangesteld als
professoren voor de nieuwe universiteit. Omdat de stad Leuven die niet allen kon
bekostigen, moesten een aantal parochies, o.a. Boom, twee derden van hun
"tienden" afstaan.
Het
recht op het tiende deel van alle opbrengsten was door Karel de Grote in 789
toegekend aan de Kerk. Aanvankelijk diende één derde ervan voor het kerkgebouw
en de openbare eredienst, één derde voor onderwijs, armen- en ziekenzorg, één
derde voor de priester en zijn dienst aan de mensen. Niet de landheer kon daar
voor instaan en een echt staatsbestel bestond nog niet. Zo was de godsdienst de
grondslag van de beschaving en van het volkswelzijn. De Kerk, als godsdienstige
gemeenschap, deed dat door vri jwilligerswerk en met de giften en legaten
van haar volgelingen. Met het ontwikkelingspeil en met de mogel ijkheden
van toen, bleef veel nood onopgelost, nog verergerd door onwetendheid en
misbruiken.
Hoe
dan ook, omwille van "een hoger doel" moest Boom inleveren. Volgens
het archief van het Sint-Pieterskapittel werden tienden geheven op de oogst van
allle graangewassen, van boekweit, vlas, rapen en peulvruchten. Idem van het
hooi uit de beemden, van het hout uit de bossen en van de gedroogde veengrond.
Ook van het aantal schapen en geiten, ganzen en zwijnen. Zelfs de elfde wilde
bijenzwerm werd opgeëist en sedert de zestiende eeuw ook één tiende van de
aardappeloogst.
Dat
alles werd toen gezamelijk geschat op 54 carolusgulden per jaar, te betalen in
Leuven door de pastoor of door een tussenpersoon. Want die tienden werden ook
verpacht. De hoogstbiedende moest maar zorgen dat hij het bedrag kon ophalen ...
en nog wat overhield.
De
onvermijdelijke betwistingen over goede of mislukte oogsten, over vermeende
rechten of ontduiking gaven aanleiding tot eindeloze processen voor de Raad van
Brabant. Zijn afgevaardigde kwam hier ter plaatse uitspraak doen.De Franse
Revolutie heeft al die belastingen afgeschaft ... en veel zwaardere lasten
opgelegd.
Het
kerkgebouw doorheen de geschiedenis
Door
de eeuwen heen vertoonde de parochiekerk van Boom-centrum de toestand van de
gemeente. Zo was ze bij het begin van de nederzetting maar een eenvoudige kapel
naast "den naemeloosen Boome".Boom werd een parochie voor het jaar
1308. Toen stond er een rechtlijnige kerk met één beuk, aan weerszijden
verlicht door drie ramen. Door de aangroei van de bevolking kreeg ze een
aangebouwd hoogkoor, met twee ramen aan beide kanten.
In
de tweede kerk rees het torentje op tussen het kerkschip en het hoogkoor. Haar
afbeelding bleef bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.
In
de jaren 1500 hadden de ongeveer 500 Boomenaars een derde kerk. Omstreeks 1580
onderging ze het lot van heel de gemeente: grondig verwoest door de oorlog
tussen Prins Willem van Oranje en de Koning van Spanje.Maar die derde kerk werd
herbouwd zoals ze vroeger was, gelijktijdig met de heropbouw van de gemeente.
Die kerkbouw is begonnen in 1610, werd herhaaldelijk onderbroken door
krijgsgewoel en was pas voltooid in 1665 na de aanbouw van de twee zijbeuken. De
toren stond er al op in 1654.
Op
de bevolkingsaangroei volgde de verruiming van het kerkgebouw. In 1772 werd de
sacristie afgebroken, de kruiskerk gebouwd en het hoogkoor verlengd. Die
verruimde derde kerk, omgeven door het kerkhof, stond waar nu de Grote Markt
gelegen is.
Vijfentwintig
jaar later onderging ze weer het lot van de gemeente onder de Franse
overheersing. Ze bleef wel bestaan maar ze werd gesloten voor de eredienst.
Samen met de bevolking heeft ze het schrikbewind doorstaan, ofschoon ze er wel
door geteisterd was. De volksherleving ging gepaard met kerkherstel. Maar dit
volstond niet voor de opvang van debijna verdubbeld aantal inwoners (4677 in
1816 naar 8062 in 1850). Met de steun van de bisschop van Gent, J.F.Van de Velde
uit Boom, was in de Hospitaalstraat een wijkkapel gebouwd, als noodoplossing.
Aan de behoefte van die tijd beantwoordde de nog bestaande kerk, voltooid in
1850. Nu is er aan te zien dat het verval van de Rupelstreek en de crisis in de
samenleving nog niet hersteld zijn ...
Het
blokhuis Ten Boome
Moe
getergd heeft de schout van Antwerpen in 1410 een blokhuis gevestigd "ten
Boome bij Rumst op die riviere". Wat het was, of waar het lag, is onbekend.
Maar de toenmalige scheepvaart kon er niet aan ontsnappen.Zo werd Boom een strop
voor Mechelen, dat te water niets kon invoeren noch uitvoeren zonder er tol te
betalen voor Antwerpen. Boom was ook een vangnet voor de vissers uit Rumst, die
stroomafwaarts op de Rupel en de Schelde bedrijvig waren. Soms bekwam de Heer
van Rumst vrijstelling van de tol, als zijn Hertog van Brabant hem genadig was.
Van
zijn kant was Mechelen een strop voor Brussel. Want het eiste tol op de
doorvaart langs de Zenne, in die tijd de enige waterweg naar Antwerpen. De
Mechelaars hebben zelfs met kettingen te Heffen de doorvaart versperd, zolang de
schippers niet hadden betaald.
Bedenk
daarbij hoe slecht bevaarbaar de kronkelige Zenne is, met een soms te lage en
soms te hoge waterstand, die door spuien of sluizen moest geregeld worden. Soms
werden ze maar ééns per week geopend. Weet dat een boottocht tussen Brussel en
de Scheldemonding, of in de omgekeerde richting, wel een maand kon duren. Meteen
kun je dan raden hoe vaag de binnenscheepvaart en hoe traag het handelsleven
was. Er kwam pas meer vaart in door de aanleg van de vaart Brussel - Rupel. Ze
werd geopend in 1561, na elf jaren van kap-, graaf- en metselwerk. Maar dat is
een andere geschiedenis.
Er
over en er onderdoor
Het
eerste Boomse veer over de Rupel was Hellegat, eindpunt van de oude 's
Herenbaan. Maar langs het kanaal (1561)kwamen reizigers en goederen uit Brussel
tot Klein-Willebroek. Pientere vissers op de Rupel vingen ze op ... voor hun
profijt.
De
pachter van het Veer te Hellegat heeft dat aangeklaagd bij de Rekenkamer te
Brussel. Een "plakkaat" van Aartshertog Albrecht verbood en bestrafte
de overzet van personen en koopwaar tussen Willebroek en Boom. Blijkbaar hebben
de vissers voort geschipperd, want in 1647 werd het verbod herhaald.
Daarop
begonnen de Heren van Boom en van Willebroek een overzetboot te verpachten voor
400 gulden per jaar. De pachtsom voor het Veer te Hellegat zakte van 250 naar
100 gulden. De Aartshertog liet de Heren maar begaan tot in 1698, toen ze met
een veerpont voor rijtuigen hem nog meer afsnoepten. Dan greep hij in. Maar het
geschil duurde tot in 1708, eer de Raad van Brabant de pachtsom toekende aan de
Vorst. De Heer van Willebroek trok het in beroep voor de Rekenkamer te Brussel
en verkreeg de helft. In 1753 heeft de Heer van Boom er ook aanspraak op
gemaakt, maar tevergeefs.
Na
de aanleg van de steenweg naar Antwerpen (1765), bekostigd door de stad Brussel,
bleef het veer een knelpunt voor het aangroeiend verkeer. Daarom heeft de
"société Vve. Van Enschot" in 1853 de tolbrug gebouwd. Bij de
plechtige inhuldiging is de eretribune ingestort en zijn de notabelen in het
slijk getuimeld. Wat daarna bezongen werd met een volks spotlied.
De
wegverbinding over de Rupel heen heeft geschiedenis gemaakt. De tolbrug heeft
Boom nog een onschatbare dienst bewezen voor zijn bevrijding in 1944. Als
aandenken is alleen het bruggehoofd op Klein-Willebroek bewaard gebleven.In 1937
was de huidige Rupelbrug open voor het verkeer. In 1972 begon de lang
aanslepende aanleg van de tunnel onder de Rupel. Na de eeuwenlange
voorgeschiedenis van de wegverbinding over de Rupel heen, was er toch tijd nodig
om er onderdoor te geraken.
Geteisterd
door ziekteplagen
Lazernij
te Rumst herinnert aan het middeleeuws melaatsendorp van het Hertogdom Branbant.
Omstreeks 1469 had de melaatse ridder Peeter Van Den Cruyce er het eerste
leprozenhuis en een kapel gebouwd. Vijfhonderd jaar geleden hadden alle
aanzienlijke plaatsen in ons land zulk afzonderlijk huis. De Lazarusziekte was
overal een geduchte plaag.
Volstrekte
afzondering van de zieken was het enige verweer.
In
het Hertogdom Brabant (Brussel, Leuven, Antwerpen, 's Hertogenbos) moesten de
wethouders alle schijnbare melaatsen voorleiden in het klooster van Terbank voor
een onderzoek. Wie melaats werd bevonden, moest toetreden tot de Broederschap
van de H. Lazarus in de kapel van Lazernij. De statuten, in 1531 goedgekeurd
door deizer Karel V,legden een leefregel op, maar verzekerden tevens bijstand en
bescherming.
Door
de opstand tegen Spanje verloor het Brabants melaatsendorp zijn wettelijke
bescherming. In 1850 werd het afgeschaft. De Broederschap Van de H. Lazarus
verdween wanneer de leprozenplaag voorbij was. Maar de plaatsnaam Lazernij bleef
bestaan.
Vijftig
jaar later heeft de pest méér slachtoffers geëist. Toen ontstond de
Broederschap van de H. Rochus. Ook die naam bleef bewaard als medepatroon van de
Onze-Lievevrouwekerk te Boom. Na het verdwijnen van de gemeentelijke waterpompen
herinnert niets aan de epidemieën van typhus, pokken en cholera, die Boom in de
vorige eeuw moest doorstaan. Volgens het handschrift van pastoor-deken F.X.
Beeten zijn 140 mensen er aan gestorven in 1849, 70 in 1854, vijf jaar later
270, 325 in 1866, 121 in 1892.
Armoede
heeft toen de volksgezondheid ondermijnd. En het huishoudelijk gebruik van
besmet oppervlaktewater was een voortdurende bedreiging. Na 1890 werd er
overwonnen door de aanleg van bronputten met een pomp. Zo kreeg elke buurt een
publieke watervoorziening, met drie pompen op Noeveren en een in de Hoek, een in
de Kerkhofstraat, op de Schomme, in de Bosstraat, in de Nielsestraat en op de
Varkensmarkt.
Zo
werd Boom een gemeente
Voor
de bevolking waren het verre vreemde heren. Ze deden bitter weinig voor het
algemeen belang, maar eisten wel belastingen, krijgsdienst en onbezoldigde
karweien. De door hen aangestelde Drossaard of Schout was de plaatselijke
gezagdrager, met bestuurlijke en rechterlijke bevoegdheid. Daarom was de
verkregen zelfstandigheid zo belangrijk voor Boom. Want voortaan zullen zeven
schepenen instaan voor het bestuur en de rechtspraak. Ze werden weliswaar van
hogerhand aangesteld, maar toch meestal als plaatselijke inwoners.
Zo
kreeg Boom in 1645 een eigen schepenzegel en een eigen bestuur. Vandanaf kon het
de belangen van de bevolking behartigen, de geschillen oplossen en de misdrijven
bestraffen. Aanvankelijk stond de Drossaard van Rumst nog aan het hoofd van de
Boomse schepenen.Al hun vonnissen en ambtelijke beslissingen werden nog door hem
al dan niet bekrachtigd.
In
1663 heeft een Duitser, Joris Bosschart, 54.000 gulden betaald aan de Heer van
Rumst. Zo kreeg Boom een eigen Heer en werd het een zelfstandige heerlijkheid
... zij het dan met de door hem aangestelde Drossaard en Schepenen.
Toch
stonden die dichter bij het volk dan de voormalige gezagsdragers. Mede daaraan
is het te danken dat Boom zich zou ontwikkelen als het centrum van de
Rupelstreek. Daartoe was het reeds voorbestemd sinds 1561, door de aanleg van de
vaart naar Brussel. Maar pas 100 jaar later heeft ze hier welvaart gebracht.
De
Heer van Boom
Als
Heer van Boom verwierf hij een vervallen kasteel uit de dertiende eeuw, liet het
afbreken en bouwde een nieuw 's Herenhof. Blijkbaar was hij vooral huiselijk
ingesteld, want uit zijn huwelijk werden tien kinderen geboren. Volgens een oude
wet uit het leenroerig tijdvak moest hij tot Heer verheven worden door het
leenhof te Brussel en trouw zweren aan de hertog van Brabant. Dat kostte hem 76
gulden voor de hertog en 32 gulden voor de Brabantse leenmannen. Zo verwierf hij
de volgende "heerlijke rechten":
1.
voor het aanstellen van de Meier, de Schepenen en de bedienden van Boom, en voor
het benoemen van de kerkmeesters, de armenhelpers en de koster van de parochie.
2.Een
groot deel van de door de rechtbank opgelegde boetes, al de verbeurdverklaarde
goederen en de nalatenschap van alle buitenechtelijke inwoners.
3.
Het recht om bomen aan te planten langsheen 's Herenstraat, die Niel met Rumst
verbond.
4.
5% op elke verkoop van vrije erfgoederen, de jaaropbrengst van elk leengoed, dat
werd geërfd of verkocht en de eerste keus uit de nalatenschap van alle
niet-adellijke burgers.
5.
De halve opbrengst van de overzet tussen Boom en Klein-Willebroek, het
eigendomsrecht op alle schorren en vrije jacht en visvangst in Boom.
Bijna
al die heffingen zijn nu opgenomen in het belastingstelsel. Maar voorheen
verrijkten ze de Heer. Nu kunnen ze het volkswelzijn bevorderen ... als elk
openbaar bestuur ze daaraan besteedt.
Het
centrum aan de Rupel
In
1526 was Boom nog een verdoken nest langs de Rupel. Toen werden de
"haardsteden" geteld, met afzonderlijke vermelding van het aantal voor
Waelhem (234), Duffel (314), Contycke (257). Voor heel het "Land van
Rumpst", met Heyendonck, Ter Haegen en Ten Boome, gezamelijk 246.
Toch
zal Boom het centrum van de Rupelstreek worden, dankzij de aanleg van het kanaal
naar Brussel (1561) en van de steenweg naar Antwerpen ... zowat honderd jaar
later, bekostigd door de stad Brussel. Dwars door de hovingen van het kasteel
heeft ze de Leopoldstraat getrokken en er "De Scheepvaart" als
afspanning gebouwd (1765). Ze staat er nog, maar nu als een Chinees restaurant .
De
opgang van de hoofdstad bracht vaart in de ontwikkeling van Boom. De 34
klampovens, vooral voor de plaatselijke behoeften, kregen daardoor zoveel
aantrok en afzet, dat ze zouden uitgroeien tot een merkwaaridge
baksteennijverheid... in de toekomst.
Want
de aanleg van het kanaal had als eerste gevolg: de grondige verwoesting en
ontvolking van Boom, door de strijd om de schans aan het sas van
Klein-Willembroek. Meer daarover in een volgende aflevering. Hier wil ik maar
wijzen op een paradox in de geschiedenis: door oorlogen ging Boom ten onder aan
de vaart ... die later grotendeels zal bijdragen aan zijn opgang.
Met
de Vrede van Munster (1648) kwam er een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. Het
Noorden van de Nederlanden werd onafhankelijk van Spanje en kon de Schelde
afsluiten. Dat was de doodsteek voor het geteisterde Zuiden.
Nog
veel "bloed, zweet en tranen" zal het kosten, eer Boom het centrum van
de Rupelstreek kon worden. Maar de daartoe vereiste infrastructuur was er al en
werd ook benut, zodra de tijdsomstandigheden gunstiger werden. Die kans werd
jammerlijk verkeken ... na de Tweede Wereldoorlog.
Over
Bomenaars ... en wolven
Vijfhonderd
jaar geleden was de Rupelstreek een uitgestrekt natuurgebied. Zeg maar een
wildernis, nog onbewoond en niet ontgonnen, met dichte bossen, moerassige
schorren langs de oevers en hogerop dorre heidegrond (schomme).
Wat
honderd jaar later was opgebouwd en aangelegd, werd in 1577 grondig verwoest
door plundering, afbraak en brandstichting. Mannen werden opgeëist om de stenen
van hun huizen op vlotten over te brengen naar Klein Willebroek voor de bouw van
de Spaanse schans bij het sas. Want daar werd verwoed gestreden om het kanaal
naar Brussel te beheersen.
De
"vaart" was aangelegd in 1561. In 1568 werd prins Willem van Oranje
(Willem de Zwijger) de leider van de opstand tegen Spanje. Omdat hij ook de Heer
van Rumst was, lag Boom , als een onderdeel ervan, ook aan de vijandelijke kant.
Daarom deed landvoogd Juan het afbreken.
Het
Spaanse leger bestond uit huurlingen, o.a. Walen en Kroaten. Kregen ze hun
soldij niet uitbetaald, dan hielden ze strooptochten langsheen de Rupel. Wanneer
de Engelse en Schotse soldeniers van prins Willem de schans hadden veroverd,
trokken ook zij op plundertocht. Daarom is de bevolking gevlucht. Na de
ontvolking werd het verlaten gebied door wolven ingenomen. Vandaar de oude
plaatsnaam Wolvenhoek (Noeveren) en Wolvenbos (Vlietmanshoek). Nog in 1725
werden er premies uitbetaald voor 127 gedode wolven.
Onvoorstelbare
ellende
Het
stuk tussen Kleidal en de Grote Markt heet nu "het zwarte gat". Zo zag
heel de dorpskern er uit in 1580 ... maar dan zonder de weelde van geparkeerde
auto's. Alle huizen waren afgebroken voor de bouw van de Spaanse schans bij het
sas van KleinWillebroek.
Daklozen
met hun geredde inboedel vonden een onderkomen in de toenmalige kerk ... tot dat
die ook als bouwmateriaal werd afgebroken. Wie nog in Boom wou blijven, bewoonde
een stulp. Ze trachtten nog te leven van de velden, de beemden en de bossen.
Maar die werden ook geplunderd door de strooptochten van de misnoegde soldeniers
uit de schans.
Want
gedurende zeven jaar werd daar verwoed gevochten. In 1577 legerden er Spaanse
huurlingen (Walen en Kroaten). Twee jaar later moesten ze wijken voor Prins
Willem de Zwijger en zijn soldeniers (Engelsen en Schotten). Nog diezelfde week
heroverde Spanje de schans. Opnieuw ingenomen door Prins Willem, konden zijn
soldeniers er vijf jaar standhouden en ze versterken.
In
1584 namen de troepen van Alexander Farnese ze weer in. Een eeuw lang bleef de
schans in Spaanse handen tot ze in 1683 werd gesloopt door het Franse leger van
koning Lodewijk XIV.Gedurende vele jaren waren er telkens andere overwinnaars en
andere verslagenen. Maar beiden vierden triomf of koelden hun woede op de
weerloze bevolking. Ze sloegen alles aan wat eetbaar of bruikbaar was.
Pastoor
Willem Van de Vloer, nog op post gebleven van 1572 tot 1585, schreef aan het
kapittel te Leuven dat Boom niets kon afbetalen. Daarna was er geen leven meer.
Het Rupelgewest werd door wolven ingenomen. De rapporten van de bisschoppen van
Antwerpen "over de staat van het bisdom" vermelden in 1591, in 1607 en
nog in 1615 de erbarmelijke toestand van de Rupelstreek. Zelfs tot in Rome werd
dat bekend.
Jaren
zonder kerk en zonder priester
De
overgebleven kerken dienden tot schuilplaats voor de resterende bevolking en
haar huisraad. Alleen het hoogkoor bleef nog vrij voor hun gebedsdienst en voor
de eredienst als er af en toe een priester kwam.Volgens een decanaal verslag was
Jan Dillen pastoor van Rumst, Boom, Niel, Schelle, Aartselaar en Hemiksem.
Daarna stond de pastoor van Aartselaar ook in voor Boom en Hemiksem. Vanaf 1605
hadden de pastoors van Rumst ook te zorgen voor Boom en Reet.
In
1612 kwam Andries Struelens als priester zorgen voor Boom en Reet. Pas in 1630
volgde zijn benoeming en aanstelling als pastoor van Boom. Van 1585 tot 1612
woonde er geen priester.
Toch
hebben de verkommerde Bomenaars hun goddienstzin bewaard. Het geloof-in-God gaf
hun de kracht en de moed om stand te houden. In de levendige Maria-verering
zochten ze troost en toevlucht bij hun Hemelmoeder.
Er
waren geen priesters maar wel "kerkmeesters" die instonden voor hun
parochie. In 1605 verzoeken ze de bisschop van Antwerpen te willen bemiddelen
opdat het kapittel van Leuven steun zou verlenen voor het levensonderhoud van
een priester.
In
1610 doen ze andermaal een beroep op hun bisschop. Hij gelast een aartspriester
uit Antwerpen met een plaatselijk onderzoek. Diens verslag van 25 maart 1612
besluit dat de aanstelling van een priester er hoognodig is en dat zijn
levensonderhoud zou verzekerd zijn, als het kapittel van Leuven kon afstand doen
van zijn recht op de opbrengst van de kerkelijke goederen.
De
kanunniken van Leuven hebben geweigerd. Toch kwam Andries Struelens als priester
naar Boom, samen met zijn ouders uit Brussel. Zo kon hij hier beginnen in een
parochie zonder inkomsten.
Toch
zal Boom herleven
Na
het overlijden van de Aarsthertogen Albrecht (1621) en Isabella (1633) ontbrandt
opnieuw de strijd tegen Spanje, verscherpt door beeldenstorm in de kerken en
door jacht op priesters en kloosterlingen. Weer duurde het vier jaar eer pastoor
Struelens kon weerkeren in zijn geteisterde parochie. Toch begon Boom reeds te
herleven, zij het dan herhaaldelijk onderbroken door plunderingen. De
wederopbouw van het dorp steunde op het herstel van het godsdienstig leven. Dat
was te danken aan de Tegenhervorming, o.a. door volksbedevaarten en
volksonderricht.
Toen
werden de basilieken van Hanswijk en Scherpenheuvel gebouwd, met de steun van de
aarsthertogen. Pastoor Streulens herbouwde ook de kerk van Boom, ongeveer in het
midden van de huidige Grote Markt. Onder zijn beleid werd het oude kerkeland
weer beplant, nadat het tientallen jaren had braak gelegen.Met de geleidelijke
wederopbouw van de kerk bevorderde hij ook de verering van 0.-L.Vrouw Ten Boome,
die bedevaarten aantrok uit heel de Rupelstreek. Jaar na jaar vermelden zijn
kerkrekeningen het bedrag "van den offer op onser Lieve-Vrouwedagh, in
gelde, eyeren, kieckens en andersints.
Tot
in 1848 beschikte Boom over de parochiekerk van pastoor Streulens, middenin het
eerste kerkhof. De torenspits op de huidige kerk, het bedevaartsschilderij van
de Bomenaar Peeter Weelenam (1616) in de kruisbeuk en de grote doopvont in de
weekkapel, zijn ervan overgebleven als een dierbare herinnering.
De
Boomse schuttersgilden
Zulke
gilden vormden aanvankelijk de hand- en kruisboogschutters voor de strijdmacht
van de leenmannen. Op het einde van de vijftiende eeuw vormden de vorsten hun
leger vooral met bezoldigde troepen (soldeniers). Maar de gilden bleven bestaan.
Eerst als burgerwacht, later als vermaak voor de burgerij, zij het dan volgens
strikte statuten.
Want
om toe te treden, was een "eed van getrouwheid" vereist: "Ick N.
belove ende sweere
...
de hooftman, de conink (schutter), de dekens ende gemeyne (gewone) guldebroeders
altijd te syn goet ende getrouw, de ordonanties ... te onderhouden ... ende in
alles te doen ghelyk een guldebroeder pleegt te doen. Soo
helpt my Godt ende al syne heylighe".
Na
de "plechtige toetreding" was het verenigingsleven niet zo plechtig.
Want het bestond uit drinkgelagen en teerfeesten met een nar. Er werd geschoten
op de "pappegaai" aan een staak uit de kerktoren ... totdat de
bisschop het verbood omdat het zo ergerlijk was.
De
gilde gaf het niet op en bekwam eerst van de pastoor een plaats op het kerkeland
en verwierf later een eigen
schuttershof met een vaste wip van 1685 tot 1825 in "de Elzen":een
verlaten kleiput waar nu de school van de Presentatie staat. Van daaruit
brachten ze leven in de "prochie" en in de brouwerij.
Want
in vol ornaat, getooid met hun eretekens, namen de "guldebroeders deel aan
alle optochten en processies.Voorafgegaan door een tamboer en een vedelaar,
naast de vaandrig met zwaaiende vlag, volgden ze ... soms ook
zwaaiend op hun benen. Want "ten verzoeke van de geestelijke
overheid" werd zulke deelname beboet door de soevereine raad uit Leuven.
In
1796 heeft de Franse Revolutie alle gilden afgeschaft. Maar de Boomse
schuttersgilde herleefde reeds in 1802 en bleef
bestaan tot in 1845.
De
begroting van pastoor Noël
Het
tijdperk van Keizerin Maria-Theresia (1740-1780) bracht de zuiderlijke
Nederlanden weer op dreef. Boom bekwam zijn eerste dorpsbestrating en werd
verder ontsloten door de steenweg naar Antwerpen (1765), volledig bekostigd door
de Stad Brussel (145.000 gulden). Haar zoon en opvolger, Jozef II, heerste als
een "verlicht despoot". Boom ontsnapte aan de veldslagen van de
Brabantse Omwenteling (1784) maar niet aan de edicten van de Keizer-Koster: hij
verordende zelfs hoeveel kaarsen mochten branden bij de kerkdiensten. Ook
moesten de pastoors alle kerkelijke en pastorale goederen aangeven.
De
aangifte van pastoor J.F.Noël, met de te dragen lasten, bleef bewaard in het
Rijksarchief te Brussel (1787). Ze herinnert aan de f inanciele toestand van de
pastoor en van onze parochie in die tijd. Eerst geeft hij aan wat hij niet
heeft: geen heerlijke goederen noch pachthoeven.
Hij
beschikt wel over de helft "der universele thiende" die nochtans
belast zijn met "alle XX penningen,quartierslasten
... en alle voordere lasten van Impost, Bede etc. op de geheel thiende en
op het pastoraal huys en hof".
Hij
ontvangt van de kerk de halve opbrengst "van eenen bempt gelegen in
Boomerbroeck en de houtcap van eenige wilge
bomen". Ook stipendia voor 58 gefundeerde jaargetijden, voor particuliere
zielmissen, voor twee weekmissen van
de Broederschappen en voor één jaarmis van de twee schuttersgilden. Nog een
gefundeerde vergoeding voor het lof elke zaterdag en in het octaaf van
0.-L.Vrouw Hemelvaart. Tot slot het bedrag van de stoelrechten voor
"begraefenissen, houwelijken, doopsels en inleydinghe van
craemvrouwen. Aldus beloopt den geheele ontfanck 2007 guldenen 18 struyvers en 6
oorden".
Het
totaal van zijn verplichtingen, van de niet-ontvangen rechten en van de
vergoedingen voor zijn twee onderpastoors bedraagt 500 gulden 2 stuivers en 2
oorden. Pro memorie voegt hij er aan toe dat zijn "sober huyshouden"
tenminste 1200 gulden kost "gemerckt de tegenwoordige excessieve
dierte" en dat hij een menigte arme mensen moet steunen
"voornamentlyck ten tyde van den winter, wanneer de steenbackers van Boom
weynig werek hebben".
De
pastorie was ooit Gendarmerie
De
dekenij in de Hoogstraat heeft het jaartal 1764 op de sluitsteen van de
deuromlijsting. In dat jaar had pastoor J.F.Noël (afkomstig uit Maaseik) een
stuk van "De Bogaerd" als tuin aangekocht. Nu kan de gemeente erover
beschikken.
Volgens
Em. Steenackers werd de pastorie "herbouwd" in 1774, waarschijnlijk
door de aanbouw van de twee zijvleugels. Amper 25 jaar later heeft het Frans
schrikbewind ze in beslag genomen. De pastoor vond onderkomen bij "Van
Reeth achter het kapelleke in de Vrijheidstraat". Na een nachtelijke
berechting te Noeveren is hij op straat schielijk overleden.
Eerst
werd het pastoorshuis zowat het gemeentehuis, als vergaderplaats voor het
municipaal bestuur en als bewaarplaats voor archieven. De kelders dienden als
gevangenis. Maar ze is niet onteigend want pastoor Noël ontving als vergoeding
180 Brabantse gulden per jaar.
Onder
het Keizerrijk heeft de gemeente de pastorie als gendarmerie gehuurd voor 300
frank per jaar. Na het concordaat van Napoleon met de Paus, heeft pastoor Petrus
Bal bij zijn aanstelling ze als woonhuis aangevraagd. Maar tevergeefs,
niettegenstaande herhaald aandringen. Wel heeft meier Janssens in 1810 naar de
prefect geschreven dat ook "het kerkfabriek" er om verzocht en in 1812
heeft hij haar eigendomsrecht op de pastorie bevestigd (Provinciaal Archief van
Antwerpen, bundel 113-2).
Maar
omdat hij voor de gendarmerie geen andere plaats kon vinden achtte hij de
aanhoudende aanspraak van de pastoor onbetamelijk. Dat schreef hij ook naar het
aartsbisdom met het verzoek om de pastoor te bedaren. In 1813 vroeg de
aartsbisschop dat de prefect zou zorgen voor een ander woonhuis. Maar de pastoor
wou met geen ander voorstel vrede nemen. Zolang het Keizerrijk duurde bleef de
pastorie gendarmerie. Bij de inval van de Bondgenoten 1814, stelde de gemeente
ze ter beschikking van officieren en soldaten. Zo diende ze tijdelijk als
kazerne. Na het vertrek van de Pruisische soldaten nam de pastoor er dadelijk
zijn intrek. Dan heeft de gemeente het herstel van de aangerichte schade
bekostigd.
Dorpskom
tussen tolbarelen
De
slagbomen en tolkantoren tussen de twaalf E.E.G.-landen verdwijnen in 1992. Nu
is het onvoorstelbaar dat zelfs in de dorpskom van Boom nog twee slagbomen de
eerste steenwegen afsloten. Telkens voor drie jaar verpacht, moesten ze de
kasseien van de 's Herenstraat en de Benedenstraat bekostigen. De lijst van de
heffingen geeft een beeld van het wegverkeer in die tijd ... toen in de dorpskom
maar zestig huizen stonden.
Ziehier
de beschrijving uit het "Resolutiénboeck der parochie ende heerelyckheydt
van Boom" (1732):
"Voor
het gebruycken van der selven steenwegh soude behooren betaelt te worden: voor
ieder peerdt één oordt, voor ieder koeye ofte rundtbeest één negenmanneken,
voor een kudde schaepen à rato drij stuyvers het hondert, voor de verckens
gelijck van de schaepen, voor eene karre of chaise met één peerdt twee oorden,
voor eenen waegen ofte voiture met twee peerden eenen stuyver
De
aanleg van die twee steenwegjes moest 33 jaar wachten op de toelating door
keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk. Maar nog herinnert de voorgestelde
resolutie aan de muntstukken en vooral aan het dorpsverkeer in die tijd: paarden
en runderen, kudden schapen en varkens, karren en koetsen. Dat was toen de
"verkeersdrukte", nog door slagbomen afgeremd bij de dorpsinkom.
De
noordkant van de Hoogstraat en de Blauwstraat was nog bebost: den Bogaert, den
Brandt, het Praweel. Buiten de groene dorpskom liep de steenweg naar Antwerpen
(1765) doorheen bossen of open veld ... maar ook tussen drie tolbarelen: aan de
veerdam, aan het Huis-ten-halven en aan de vertakking naar Hoboken.
In
de jaren 1700 was Boom nog een boerendorp. Maar toch al met 34 steenovens en 3
scheepstimmerwerven aan de Rupel. Amper 1000 inwoners in 1688, ruim 2000 in
1785, leefden hoofdzakelijk van landbouw ... en van de donderdagse markt,
begonnen in 1772.
Van
dan af werd ook belasting geheven op "alle goedt bier ende azijn" en
"op iederen pot wijn, brandewijn, jenevel ende anijs". Want de
tolbarelen alleen brachten niet genoeg op voor het onderhoud en de afbetaling
van de twee straten in Boom.
Hoe
Boom toen werd geschat
Voor
de belastingen was Boom in 1764 juist zoveel waard als Weelde, iets meer dan
Wilmarsdonk en Merksplas, maar minder dan Lille en Gierle. Het stond maar laag
geklasseerd tussen de dorpen van de Kempen.De oudste lijst van de gronden
(1686), met de schatting van hun jaarlijkse opbrengst of huurwaarde bleef
bewaard in het Rijksarchief te Brussel.
In
dat jaar was Boom nog maar 41 jaar zelfstandig, pas herstellend van de
Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Die lijst is zowat een momentopname van de
bestaansmogelijkheid in Boom, voor de ontwikkeling van de baksteennijverheid.
Hier volgen de herschreven schattingen: "Dit dorp omvat 505 bunders en 200
roeden zaailanden, weiden, beemden,rooilanden en bossen".
1.De
zaailanden bestaan 308 hectaren en 70 aren, waarvan de jaarlijkse opbrengst
"bij ryp ondersoeck" 4473 gulden en 5 stuivers bedraagt. "Dit
dorp is onversien van molen."
2.Er
zijn 7 Ha. beemden die gezamenlijk per jaar "bevonden syn te renderen"
voor 238 gulden.
3.De
bossen bedekken 150 Ha. en brengen jaarlijks 2175 gulden op.
4.Er
zijn 40 Ha. rooibossen, goed voor 580 gulden per jaar.
5.De
algemene tienden brachten 580 gulden op in 1683 en de huurwaarde van de pastorij
werd getaxeerd op 30 gulden.
6."In
neiring ende gewin" zijn de twintig steengelegen geschat op 400 gulden, en
de winkelhuizen op 325 gulden.
Op
die geschatte opbrengsten werden de grondbelastingen berekend, elk jaar door
twee Bedezetters/Burgemeesters, ten behoeve van het land, van het Hoofdkwartier
van Turnhout en van het dorp.
In
1782, bijna honderd jaar later, waren er in Boom: 1770 personen "per hoofd
aangeslagen voor 11 stuivers", 37 paarden per hoofd voor 3 stuivers en 442
hoornbeesten per hoofd voor 2 stuivers. Ook toen leefde bijna heel de bevolking
nog van land-en tuinbouw, met een seizoengebonden geringe bijverdienste in de
steengelegen.
Parochiebegroting
in 1787
Ingevolge
een edict van Keizer Jozef II heeft pastoor J.F. Noél, niet enkel zijn eigen
inkomsten en uitgaven aangegeven, maar ook die van de parochie. Het grondbezit
van de kerk was reeds ingeschreven in het meetboek (1721). Het bedroeg 5,23 ha,
toen Boom bestond uit 225 percelen, met 75 hofsteden, 123 woonsten, 34
klampovens en 3 scheepstimmerwerven.In 1787 telt Boom ongeveer 1993 inwoners,
ouder dan 12 jaar. Op de aangroei van de bevolking volgde ook de uitbreiding van
het kerkelijk grondbezit tot 9.48 ha. Dat blijkt uit de lijst van de
kerkbezittingen, ingediend door pastoor Noél.
1.Geen
heerlijke goederen, wel "eenen chynsboeck van maetchynsen, uytbrenghende
sjaers 78 gulden 3 stuyvers 3 oorden".
2.De
grote en de kleine werfhaege en nog een stuk land in Terhagen, samen 2.5 ha.
3.Een
stuk van Baumans veld (2.5 ha), van den Brand (1. 5 ha), van het genaamde
Keurveld (1.5 ha) en van Wijkmansveld in Vlietmanshoek (1.28 ha).
4.In
Willebroek "op Appeldonck" 20 are bouwland en nog beemd in
"Boomerbroeck".
Bovendien
ontving de kerk 69 gulden jaarrenten, "95 gulden van groote en cleune
lycken, en uyt de schaele en offerblock
151 gulden. Somma totalis van den ontfanck 710-17-3".
Daar
tegenover bedragen de jaaruitgaven 417 gulden 9 stuivers 3 oorden. Zegge 121
gulden "voor het singen van de twee wekelyksche missen en andere goddelyke
diensten" uitbetaald aan de celebrant en de koster. 116 gulden dienen voor
miswijn, voor het wassen en herstellen "van tkercken lynwaed, voor het
reynigen of keiren der kerck, het schueren van tcoperwerck etc". Het
nazicht van het orgel kost per jaar 15 gulden. Hosties, olie, kaarsen, wierook
en herstellingen van de kerk en toren kosten samen 145 gulden. Voor het opmaken
der kerkrekeningen trekken dorpsbeambten 17 gulden. Tot slot herinnert pastoor
Noél aan de overeenkomst, bekrachtigd door de Raad van Brabant (1771), waardoor
het Sint -Pieterskapittel van Leuven zou instaan voor het vergroten van de kerk
en voor haar onderhoud gedurende 40 jaar. Dit als tegenprestatie voor de tienden
die het ontvangt van de parochie.Onder het schrikbewind van de Franse Revolutie
werd de kerk gesloten en haar grondbezit aangeslagen (1794).
De
griet van Boom
Die
ruimte was op de vier hoeken met palen afgebakend. Voor een rechtszitting werden
ze verbonden door touwen of kettingen: dat was "de vierschaar
spannen". Vandaar nog het spraakgebruik: een gerechtshof en "een
proces inspannen".
In
het midden van de Griet stond een arduinen tafel en aan de zijkanten vier
banken. De te berechten wandaden of misdrijven of betwistingen werden
aangehangen, "aanhangig gemaakt". Zolang ze niet beslecht waren, bleef
het letterlijk "een hangende kwestie".
De
beschuldigde stond tegen een pilaar (aan de kaak of schandpaal), vastgehecht met
een ijzeren halsband voor de toepassing van lijfstraffen: geseling, brandmerk,
een vinger of een hand afhakken. De onthoofding met de bijl werd in de jaren
1500 vervangen door de galg. Die stond te Noeveren, op de grens van Boom en
Niel, dat ze ook gebruikte. Daar lag de Galgestraat.
De
bestuursmachten waren nog niet gescheiden. De landheer had alle macht. Hij of
een aangestelde (drossaard of meier) trad op als rechter, bijgestaan door
plaatselijke schepenen (scabini, letterlijk: bankzitters). Na 1645 stelde de
Heer van Boom de drossaard aan. De rechtbank zetelde in een herberg, o.a. de
Rolaf aan de Veerdam. Wetboeken bestonden nog niet. Napoleon Bonaparte heeft ze
in voege gebracht.
Voordien
werd er geoordeeld volgens het gewoonterecht. Iedereen moest zich gedragen
volgens de geijkte tradities en gebruiken (kostuimen). Het leven en het
samenleven was nog niet zo uitgebreid en ingewikkeld als nu.
Verborgen grafschrift
In
de grafkelder onder de oude kapel van het Pastoraal Centrum (de Merodestraat,
Mechelen) ligt een gedenkwaardige Bomenaar begraven. De grafzerk draagt een
Latijns inschrift tot nagedachtenis aan Petrus Dens, geboren te Boom op 12
september 1690, overleden te Mechelen op 15 februari 1775.
Afkomstig
uit een nog onooglijk dorp van amper duizend inwoners heeft hij in Mechelen
Latijn en in Leuven Wijsbegeerte en Godsgeleerdheid gestudeerd. Tot priester
gewijd in 1715, onderwees hi j reeds in 1717 theologie in de abdij van Affligem
en vier jaar later in het grootseminarie te Mechelen.
Zijn
verdere curriculum: plebaan-deken van de kathedraal (1729), examinator synodalis
en tegelijk president van het priesterseminarie (1737), kanunnik van
Sint-Rombouts en scholaster voor de onderwijzers van de Mechelse kleine scholen,
penitentiarius (1751) en deken van het metropolitaans kapittel (1754).
Hij
bouwt de kapel en het complex van het seminarie en staat in voor de nazorg van
de priesters in het Aartsbisdom.Doorheen die menigvuldige functies bleef hij
zich toeleggen op de Godsgeleerdheid. Want samen met zijn seminarieprofessoren
was hij de grondlegger van de befaamde Theologia Mechliniensis.
Onder
zijn naam werden die 14 Latijnse boekdelen uitgegeven (Leuven 1777),
herhaaldelijk herdrukt tot in het begin van deze twintigste eeuw, als klassieke
handboeken voor de seminaries, zelfs in het buitenland. Op de grafzerk staat te
lezen dat hij veertig jaar lang President was van het Mechels grootseminarie.
Niet al zijn verdiensten staan er in gebeiteld. Toch zijn ze het vermelden
waard: meer dan zijn vele eretitels, laten ze iets doorschemeren van zijn goed
hart. Hij heeft een studiefonds nagelaten voor het bekostigen van
priesterroepingen uit Boom. Voor zijn dood onderhield hij te Mechelen het
hospitium "Onze-Lieve-Vrouw ter Engelen" voor meisjes-vondelingen.
Goedheid heeft zijn grootheid gesierd.
Twintig
jaar na zijn overlijden werd ons land overspoeld door de Franse revolutie. Dat
was het einde van een tijdperk waarin Bomenaar Petrus Dens een uitstekende
dienaar van zijn volk geweest.
Merkwaardig
grafschrift
In
de crypte van Sint-Baafskathedraal (Gent) staan Boomse bezoekers voor een
verrassing. Ze lezen op de grafzerk van Bisschop J.F. Van de Velde: geboren in
Boom 8 september 1779. Hij heeft geleefd in de tijd van de Brabantse Omwenteling
en van de Franse Revolutie. Onder het Schrikbewind was de kerk van Boom gesloten
voor de eredienst en werden honderden niet-beëdigde priesters geschorst.
Onderpastoor J.B. Moons was uit Boom verbannen naar het strafkamp van Cayenne
(Frans Guyana). J.B. Van de Velde was toen negentien jaar.
Hij
had het al ver moeten zoeken om Latijn te leren: in een afgelegen college te
Minderhout, juist voordat in de Kempen de Boerenkrijg losbrak. Toch ging hij te
Leuven voor priester studeren ... maar de universiteit werd gesloten. Hij
studeerde voort in het bisdom Antwerpen ... maar dat werd afgeschaft (1801). Dan
trok hij naar Emmerich voor zijn priesterwijding (1802).
Het
concordaat van keizer Napoleon met paus Pius VII had de godsdienstvrijheid
hersteld. De jonge priester begon als onderpastoor in Antwerpen Sint-Laurentius,
werd pastoor te Ruisbroek (1813), daarna te Edegem (1820) en vijf jaar later
pastoor-deken te Lier. In 1829 volgde zijn aanstelling en wijding tot bisschop
van Gent. Tot zijn bisdom behoorde Oost-, West- en ZeeuwsVlaanderen.
Hij
stond voor een zware opgave, want het bisdom was lang zonder bisschop. In 1833
verkreeg hij een hulpbisschop, die een jaar later het nieuw bisdom Brugge kreeg
toegewezen. Bisschop Van de Velde zorgde voor de heroprichting van de
universiteit te Leuven, zoals vermeld in het jaarboek van 1835, appendix 35.
Bij
die grootschalige ondernemingen bleef hij Boom indachtig. Juist voor zijn dood
bekwam hij Zusters van de Presentatie voor de stichting van de eerste
meisjesschool in zijn geboortedorp. Voordien had hij een wijkkapel in de
Hospitaalstraat bekostigd, omdat hij wist dat zijn oude dorpskerk te klein was
voor de snel aangroeiende bevolking.
Die
kapel sloot aan bij de armenschool van de onderpastoors. Dat geheel werd de
eerste Broedersschool. Met zijn broer Honoré verzekerde hij haar voortbestaan
door de "fundatie Van de Velde".
Terecht
staat op de grafzerk van bisschop Van de Velde als verdiende eretitel
ingebeiteld: weldoener van het onderwijs.
Begin
van het Frans schrikbewind
De
Brabantse Omwenteling (1794) en de herovering door Oostenrijk hebben de
Rupelstreek niet beroerd. Maar de eerste vloedgolf van de Franse Revolutie, na
haar overwinning te Jemappes (1792), bracht wel deining. Boom moest 10 bespannen
wagens en nog 8 losse paarden inleveren.
In
1793 versloeg Oostenrijk Frankrijk te Neerwinden. Weer moest Boom mee opdraaien:
opeising van 5 schansgravers, 2 karren bespannen met 2 paarden voor de
Pruisische en nog 2 voor de Hannoverse soldaten.
Toen
Frankrijk zegevierde te Fleurus (1794) weken Duitse soldaten uit naar Boom, maar
werden vanuit Klein-Willebroek verdreven door Franse Huzaren. Na twee beroerde
jaren, begon de Franse Overheersing die twintig jaar heeft geduurd. Boom telde
toen ongeveer 3.200 inwoners.
Gedurende
zeven volle maanden was het een schrikbewind, volgens deze voorgeschreven
gedragslijnen:
1.
Alle gewesten worden als veroverd land behandeld, zonder erkenning van
plaatselijke overheden.
2.
De inwoners mogen geen wapens bezitten en niet vergaderen.
3.
De rijken worden zwaar belast, hun "heerlijke goederen" en de
kerkelijke bezittingen worden staatseigendom.
4.
Leder, laken en alles wat de bezettende mogendheid nodig heeft, wordt opgeëist,
ook alles wat kan dienen voor de vijand.
5.
Alle muntstukken moeten ingeleverd worden. Alleen assignaten (ongedekt
papierengeld) is nog gangbaar.
6.
Brabant moet veel strenger behandeld worden dan Vlaanderen, Luik en het land
tussen Samber en Maas.
Alle
gilden en verenigingen werden afgeschaft. Eetwaren mochten alleen op openbare
markten verhandeld worden. De belastingen werden zesmaal zwaarder dan voorheen.
Zo moest Boom 5.480 gulden betalen voor de jaren 1794-1795.De huizen en
eigendommen van de gevluchte inwoners werden aangeslagen.
Voor
zijn levensonderhoud had een deel van de bevolking slechts een bedelnap. Maar
zowel bedelaars als steunverleners werden aangehouden en tot strafarbeid
veroordeeld.
Overheerst
door Frankrijk
Bij
de overgang van de 16de naar de 17de eeuw ging Boom tenonder. Geplunderd,
verwoest en ontvolkt gedurende de opstand tegen Spanje, werd heel de Rupelstreek
door wolven ingenomen. Juist tweehonderd jaar later, van 1794 tot 1814, werd ze
geteisterd door de Franse Overheersing.
Na
de eerste doorbraak van de Franse revolutie, schreef de overwinnende generaal
Dumouriez reeds in 1793 naar de Nationale Conventie te Parijs: "België
moest alle denkbare knevelarijen doorstaan. De heilige wetten van de vrijheid
werden er verkracht en de godsdienstige overtuiging van de bevolking brutaal
beledigd. Door de eredienst te beroven, pleegde men een wandaad die weinig
profijt opleverde. Gij werd bedrogen omtrent de aard en de inzichten van de
bevolking ... De meeste commissarissen zijn dwaze dwingelanden: ontzetting en
haat verdrongen de broederl i jkheid ... Wij leven hier door vijanden omringd en
in de dorpen te lande luidt de noodklok."
Na
de vestiging van de Republiek (1794) werd het nog erger. Ook in Boom, vooral na
de aanstelling van de Boomse geneesheer Jan De Beeker jr. als commissaris van
het Uitvoerend Comité. Voor de toepassing van alle verordeningen vroeg hij
gendarmes om het verzet van de bevolking te breken. Want het gemeentebestuur
vreesde de volkswoede.
De
mannen weigerden de voorgeschreven karweien op te knappen. Maar de vrouwen
traden driester op. Ze drongen zelfs het gemeentehuis binnen en schoolden samen
rond de kerk om te eisen dat de verboden zondagsmis toch zou doorgaan.
De
drie parochiepriesters mochten echter niet fungeren, omdat ze hadden geweigerd
trouw te zweren aan de Republiek. Daarom moest pastoor J.F. Noël de pastorie
verlaten en onderpastoor J.B. Moons, na een overtreding verklikt door
Commissaris De Becker, werd verbannen naar het strafkamp van Cayenne in Frans
Guyana.Onderpastoor Moons stierf in ballingschap.
In
1796 waren alle kerken van het kanton gesloten, uitgenomen in Boom. Daar diende
ze voor republikeinse samenkomsten en voor de viering van "decaden":
in plaats van de zondagen werd om de tien dagen een rustdag officieel gevierd.
Verontrust door het protest van de bevolking gedoogde het gemeentebestuur dat
toch 's zondags in de kerk de rozenkrans werd gebeden. Eens was onderpastoor
Moons ook aanwezig. Ontroerd door de biddende menigte opende hij het verzegeld
tabernakel en zegende hen met de ciborie.
Op
aangifte van Commissaris De Becker verordende het Directoire Exécutif dat
"Le citoyen Moons, exvicaire a Boom" moest aangehouden en verbannen
worden. Op 18 januari 1798 gaf Moons zich gevangen aan een brigade uit Puurs.
Die was opgeroepen om de plaatselijke gendarmes te vervangen.
Moons
werd opgesloten in de aangeslagen pastorie. De volgende ochtend kwamen betogers
met rieken en gaffels zijn vrijlating eisen. Op verzoek van de gendarmes, om
strijd te voorkomen, weerhield hij het volk. Per rijtuig onderweg langs
Willebroek naar Mechelen kreeg hij de kans om te ontvluchten, maar hij deed het
niet.
Van
de ene gevangenis naar de andere, kwam hij na 27 dagen in Rochefort (Frankrijk).
Daar waren al 119 priesters samengebracht voor hun verscheping. Uitvoerig
beschrijft Moons de gewaagde afvaart (doorheen de Engelse blokkade), de
kwellingen van de zeiltocht gedurende 70 dagen (zes priesters stierven van
ontbering), zijn waarnemingen op zee en zijn bevindingen in Cayenne (Frans
Guyana). Die 21 bladzijden zijn bewaard gebleven, evenals een brief van 4 blz.,
verzonden op 7 januari 1799.
Het
gedenkschrift van de Brugse priester De Baey, postuum uitgegeven in 1831,
beschrijft wat daarna is gebeurd: de dramatische ontvluchting waardoor slechts
vier priesters behouden zijn thuis gekomen. Na een schipbreuk waren ze
voortgesukkeld naar Nederlands Guyana doorheen een moerassig kustgebied. Daar is
Moons, samen met De Noodt, achtergebleven bij een uitgeputte confrater. Daarna
heeft een reddingsploeg geen spoor van hen weergevonden.
Als
hoofdkwartier in de Boerenkrijg
De
opstand tegen de Franse Overheersing heeft ook Boom aangestoken (1798). In het
departement hadden 1.077 priesters, onder hen 15 in het kanton Boom, geweigerd
trouw te zweren aan de Republiek. Ze bleven verscholen nadat de kerken en
pastorijen waren aangeslagen.Het smeulend verzet tegen belastingsdruk.
opeisingen, vrijheidsbeperking en kerkvervolging ontvlamde als een itslaande
brand door de conscriptie: de oproep van lotelingen voor de legerdienst.
Wanneer
in Klein-Brabant de Boerenkrijg uitbrak, verbleven in Boom 8 dragonders met één
officier. Getergd door 120 man, onder de leiding van de gebroeders Jan en Jozef
Quarteer, zijn ze naar Antwerpen gevlucht, nadat er één gedood en twee
gekwetst waren.
Onderweg
werden de zes overlevenden opgevangen door een korps van 50 soldaten en 30
ruiters met twee kanonnen. Daar moesten de Boomse opstandelingen voor zwichten.
Ze weken uit naar Rumst, nadat er tien gesneuveld waren.De Franse soldaten
plunderden vele huizen en schoten neer wie zich verzette. Midden in het dorp
kampeerden ze op het kerkhof. Maar 's anderendaags, na een gevecht in
Vlietmanshoek, trokken ze reeds terug naar Antwerpen. Intussen waren hun
krijgsgevangenen ontsnapt uit de pastorie, die als gevangenis diende. Daarna
poogden de beambten te vluchten.
Toen
werd Boom een hoofdkwartier van de Boerenkrijg, met 1.500 man onder leiding van
vrederechter Melchior Quarteer, oudkapitein van dragonders in de strijd tegen
Oostenrijk. Hij bouwde verschansingen: één op de Antwerpsesteenweg, bij de
ingang van het dorp en één voor het kerkhof. Daar werd de ergerniswekkende
"vrijheidsboom" van de Revolutie omgehakt.
Op
25 oktober kwam een legerafdeling uit Antwerpen Boom belegeren met zwaar
geschut. Daar waren de schansen niet tegen bestand. Amper twee dagen duurde de
weerstand. Het dorp moest het zwaar bekopen. De ontvluchte opstandelingen werden
opgejaagd. Hun aanvoerder stierf te Willebroek, omgebracht door de Fransen, 'die
echter beweerden dat zijn volgelingen hem hadden gedood.
Het
waren ook de Fransen die daar onderpastoor Van Camp hebben aangehouden. Hij had
gezorgd voor de bevoorrading van de opstandelingen. Weggevoerd naar Rijsel wist
hij onderweg te ontsnappen. Opnieuw kon hij zich in Boom verschuilen en er
tersluiks zijn priesterdienst verrichten.
De
doortocht van keizer Napoleon
Het
schrikbeeld van het Franse Directoire heeft geduurd tot dat Napoleon Bonaparte
de macht greep (1799). Als consul erkent
hij de godsdienstvrijheid en de uitoefening van het priesterambt. In 1801 sluit
hij met paus Pius VII het concordaat dat de scheiding en de wederzijdse
erkenning van Kerk en Staat bekrachtigt. Als vergoeding voor de onteigende
kerkelijke bezittingen zal de Staat "de bedienaars van de eredienst"
bezoldigen.
Na
dwang en willekeur onder het schrikbewind zorgt Napoleon voor "orde en
tucht". Zijn burgerlijk wetboek verbetert het vaag rechtsbestel. Het
tiendelig stelsel verbetert de warboel van de oude maten en gewichten. Na de
afschaffing van alle voorrechten worden "alle burgers gelijk voor de
wet" ... althans in theorie.
Voor
de aanslepende oorlogen van Napoleon blijft de verplichte legerdienst
gehandhaafd, zij het minder streng toegepast. Want in 1801 ontbreken 1.680 van
de 2.029 dienstplichtigen in het departement. En in 1809 lieten er 12.000 van de
30.000 uit vijf lichtingen verstek gaan.
Misschien
om hem mild te stemmen heeft Boom de keizer (in 1804 had hij in bijzijn van de
paus zichzelf gekroond) feestelijk begroet. Vanuit Brussel op reis langs de
vaart, kwam hij in 1810 te Klein-Willebroek om de oorlogsboten te schouwen, die
op de Rupel voor anker lagen. De Bomenaars, samengestroomd op de versierde
veerdam, juichen en wuiven hem toe.
Met
vier geleende kanonnen van een koopvaardijschip worden eresalvo's afgevuurd door
Filip Asselberghs, een metser, die in de Brabantse Omwenteling kanonnier was
geweest. Bij het reinigen van de vuurloop ontplofte het buskruit, zodat de
poetsstok zijn voorarm afrukte. Daarvoor kreeg de man een pensioen van 100 fr.
per jaar.
Na
overnachting in de Brusselse afspanning Scheepvaart (Leopoldstraat) trekt de
keizer langs de steenweg naar Antwerpen.
Einde
van de Franse overheersing
Na
zijn nederlaag in Rusland (1812) verloor Napoleon in 1813 de zesde
coalitieoorlog bij Leipzig. De zegevierende legers rukten op naar Parijs. Zo
kreeg Boom Hulanen uit Pruisen en Saksen ingekwartierd. Ze dreigden de dorpen af
te branden, die niet binnen de 24
uur de opgeëiste levensmiddelen inleverden.
Nogmaals
kwam Boom onder druk voor en na de veldslag te Waterloo (1815). Afdelingen van
de optrekkende legers tegen Napoleon werden hier ingekwartierd, terwijl de Genie
van de Engelsen een brug over de Rupel bouwde met aangeslagen schepen en
timmerhout. Aan de veerdam kwam een batterie in stelling met sterke wachtposten,
die de overgang bewaakten. Alle bruikbare paarden werden opgeëist.
Na
de beslissende veldslag te Waterloo trok een karavaan van karren met gekwetsten
door Boom naar Antwerpen. Twee geneesheren, burgemeester Egied Rijpens en De
Becker sr. dienden de eerste zorgen toe. Vrijwillig hielp de bevolking door het
inzamelen van lijnwaad, zalf en geneesmiddelen.
Het
Vredescongres van Wenen bekrachtigde de vereniging van België met Holland,
zoals het Verdrag van Parijs (1814)reeds had beslist volgens de politiek van
Engeland. Internationaal werd de Prins van Oranje erkend als koning Willem I.
Volgens de restauratie was dat bedoeld als een terugkeer naar het despotisme:
alleen de vorst bepaalt wat goed is voor het volk.
Het
optreden van Willem I, enigzins in de stijl van Keizer Jozef II, beviel de
bevolking niet. Waarom riep hij 25.000 man in legerdienst ? Waarom drong hij een
grondwet op, nadat een raadpleging ze had afgekeurd ? Daarop deed een strafrijm
de ronde: "Wij willen Willem weg, zou Willem willen wijzer worden, wij
wilden Willem weer".
Zijn
bewind bevorderde wel het zakenleven, door het kapitaal en de
handelsbetrekkingen van Holland met zijn koloniën. Ook de baksteennijverheid in
de Rupelstreek kreeg nieuwe vooruitzichten door de aanleg van het kanaal Brussel
-Charleroi (1826-1830) voor de aanvoer van steenkool en de uitvoer van Boomse
baksteen.
Einde
van het Hollands Bewind
De
staatkundige vereniging van België met Holland heeft niet lang geduurd. Ze was
vooral door Engeland gewild als een bufferstaat tegen Frankrijk. Maar Koning
Willem I regeerde te eigenmachtig, met een opvallende voorkeur voor de twee
miljoen Noord- tegenover de drie miljoen Zuid-Nederlanders.
Hij
steunde wel de invloed van een liberaal gezinde burgerij, maar ontstemde de adel
en de katholieken. Voor het volk was de mislukking van de oogst in 1817 een
ramp, oorzaak van hongersnood, plunderingen en wanhopige bedelarij.Voeg daarbij
het gekonkel van Frankrijk tegen "de bufferstaat". Zo begon in 1830 de
opstand te Brussel. In oktober raakte Boom erbij betrokken.
Op
de Rupel lagen kanonneerboten. In het dorp legerden 700 infanteristen en 300
huzaren. Ze weken uit naar Antwerpen, nadat gevechten te Lier en te Walem de
verdedigingsgordel hadden doorbroken. Nog diezelfde dag stak majoor
Fleury-Duray, aanvoerder van een afdeling burgerwacht te Brussel, de Rupel over
om hun aftocht te bestoken.Hij dwong de Hollandse bezetting van de
Sint-Bernardsabdij tot overgave. Maar de vesting van Antwerpen hield stand. Een
batterij zwaar geschut stond op de Krekelenberg. Na de aanvoer van 90 Franse
Kanonnen over Boom naar Wilrijk,duurden de beschietingen 19 dagen eer de vesting
begaf op 23 december 1832. Gekwetsten werden verzorgd in de pasgebouwde
parochieschool. Vandaar de naam "Hospitaalstraat", waar ze gelegen was
en later de eerste Broedersschool werd.
Intussen
was het "Bestuur van het Zeewezen" met een garnizoen in Boom
gevestigd. Daar werden de eerste zes oorlogsboten van de Belgische Zeemacht
gebouwd voor de verdediging van de waterwegen. Tien man van de Boomse
burgerwacht bewaakten de Sint-Bernardsabdij, die als gevangenis diende.
Uit
erkentelijkheid voor de bewezen diensten ontving Boom een erevaandel met het
opschrift in gouden letters "A la Commune de Boom, la Patrie
reconaissante". Met Albrecht Rodenbach maken we de bedenking "het
opschrift was in 't Frans". Het herinnert aan de Franse invloed bij het
ontstaan van België.
Vierde
kerk van Boom-centrum
Na
1815 had Boom elk jaar een honderdtal inwoners meer. In de opbouw van Belgie na
1830 moest dringend de resolutie van voor de Franse Revolutie worden uitgevoerd
"tot het vergroten deses parochiale kerke" (17 july 1793).
De
kerkraad besprak ze opnieuw maar dacht veeleer aan de bouw van een nieuwe naast
de oude kerk. In 1838 besliste hij de afbraak van het bestaande kerkgebouw van
1774 en de opbouw van een nieuwe kerk voor "tenminste het dobbel van
personen".
Met
het oog op de toekomst ontwierp de provinciale bouwmeester een kerk met
galerijen, zodat ze ongeveer op dezelfde grondoppervlakte kon dienen voor 4000
personen. De kerkraad had bezwaren tegen zulk bouwplan en heeft het niet
aanvaard.
Na
lang beraad en moeizame onderhandelingen met het gemeentebestuur werd in 1845
besloten de oude kerk af te breken en het omringende kerkhof op te ruimen. Zo
kwam er plaats voor de huidige Grote Markt.
In
1846 koopt de kerkraad voor 25.000 BEF het bouwvallig 's Herenhof waarvan alleen
de kelders nog dienden als bierkelders. Op die grond werd de huidige kerk
gebouwd volgens het plan van architect Drossaert uit Tienen.
Maar
de Commissie van Monumenten oordeelde dat Boom, als toenmalige groeipool in de
Rupelstreek, een kerk met twee geveltorens moest hebben. De kerkraad weigerde en
bekwam de goedkeuring van het plan Drossaert door de minister, voor een bestek
van 242.977,20 BEF. Het werd openbaar aanbesteed in 1848.
Met
de toelage van de gemeente, provincie en staat, moest de kerkraad zelf instaan
voor de rest van de bouwkosten. Zijn budget voorzag 81.000 BEF door de verkoop
van 15 loten onroerende goederen, gelegen te Boom, Rumst en te Willebroek. De
materialen uit de oude kerk zouden 12.000 BEF opbrengen en de afbraak van het
kasteel 4.000 BEF.De nog ontbrekende 20.000 BEF werden verwacht van giften en
besparingen.
De
eerste steen, gezegend door Kardinaal Sterckx, werd geplaatst door Goeverneur
Teichman op 24 april 1849 en vermeldt de aanwezigen: pastoor J.B. Heylen,
Burgemeester J.S. Tuyaerts, C. Vermeulen en J. Troch (voorzitter en secretaris
van de kerkraad) en de andere gemeenteraadsleden. Kardinaal Sterckx kwam de kerk
wijden op 3 september 1855.
0.-L.-Vrouw
en Sint-Rochus
Elke
parochie met haar kerk -draagt de naam van haar patroon of patrones.
Bijvoorbeeld, de parochie van het Heilig-Hart (tuinwijk) en de kerk van
Sint-Catharina (Bosstraat). Maar de hoofdkerk van Boom heeft Onze-Lieve-Vrouw
als patrones en tevens SintRochus als patroon.
Zo
heeft Kardinaal Sterckx de huidige kerk ook gewijd (1855). Sedert 1309 stond de
parochie onder de bescherming van 0.-L.Vrouw. In de jaren 1630-1636 werd Boom
geteisterd door de pest. Omdat Sint-Rochus werd vereerd als schutsheilige tegen
besmettelijke ziektes, nam de parochie hem ook als patroon.
Na
de ellende van de Tachtigjarige Oorlog trof de pest bijna alle families als een
onafwendbaar noodlot. De gebrekkige gezondheidszorg en geneeskunde konden haar
niet voorkomen noch bestrijden. Vanuit Antwerpen had ze de omliggende dorpen
aangestoken en werd daarom de Antwerpse Ziekte genoemd. Daar stierven twee
Plebanen van de Kathedraal, 12 Jezuieten en 26 Dominicanen die pestlijders
hadden bijgestaan.
De
radeloze Boomse bevolking kon enkel in het vertrouwen van God, met de voorspraak
van zijn heiligen, de levensmoed vinden om alle beproevingen te doorstaan. Rond
de "Broederschap van de H. Rochus" ontstond later een betwisting ...
omdat haar leden de erewacht vormden rond het baldakijn van de
Sacramentsprocessie. Het bleef een hoogoplopende ruzie. Want "om te
verhoeden alle confusie, stoornissen ende schandaelan" verzocht pastoor
Karel Van den Abeele in 1697 de bisschop van Antwerpen om de officiele
goedkeuring van de Broederschap met haar statuten.
Maar
de wringers namen geen genoegen met de bisschoppelijke goedkeuring. Daarom heeft
de Broederschap haar reglement ook voorgelegd aan de wethouders van Boom om haar
"burgelijk recht" te bekrachtigen "door een scabinale acte om
alle amenden en boeten te doen betalen". Blijkbaar bracht haar verpachting
van bijenkorven niet genoeg geld in kas. Nadat de pest vergeten was
"verwaterde" de Broederschap uiteindelijk tot een biergilde.
Beschrijving
van de Hoofdkerk
De
parochiekerk van Boom-centrum was in 1848 berekend op de merkwaardige aangroei
van de bevolking. Van 1815 tot 1850 kwamen er elk jaar ongeveer 100 bij, en
ongeveer 200 van 1870 tot 1930.Vandaar de afmetingen van het kerkgebouw: 70 m
lang, 34 m breed in de kruisbeuk, met een hoogkoor van 15 op 10 m, vier zijkoren
van 9 op 7 m en een 75 m hoge toren. Middenbeuk en kruisbeuk zijn 22 m hoog, de
zijbeuken 14 meter.
Het
is een neogotisch gebouw in Boomse baksteen, met ingewerkte arduin en witte
zandsteen. De ingebouwde vierledige geveltoren was oorspronkelijk versierd met
20 gietijzeren pinakels en met bekronende balustrades die voorlopig (?)
verwijderd zijn. Hij draagt nog de naaldspits van de 'oude kerk (1774), in 1864
ondertimmerd door het achtkantig ramenstel dat ook moet hersteld worden.
Het
oorspronkelijk neogotisch hoofdaltaar werd vervangen door een marmeren
Byzantijns altaar. Vooraan staat nu het prachtig hoofdaltaar, gebeeldhouwd door
de Boomse priester Joz. Van de Moortele.
De
monumentale preekstoel, geplaatst in 1859, is het werk van H. Van Oekerhout uit
Antwerpen. De zeskantige kuip bestaat uit vijf eikenhouten panelen met taferelen
uit het leven van Jesus. Ze steunt op een zittende figuur, afbeelding van de
kerk, met een pauselijke tiaar op het hoofd en de herderstaf met kruis in de
hand.
Neogotisch
is ook het eikenhouten koorgestoelte van de Antwerpse schrijnwerker Van Halle.
In de kruisbeuk staan de gestoelten van de kerkmeesters en de armendienaars,
afkomstig uit de oude kerk maar aangepast door Van Halle.
De
zes neogotische biechtstoelen werden geplaatst in 1854. Uit de oude kerk bleven
ook bewaard: het altaar en de doopvont in gevlamd marmer onder een geelkoperen
torendeksel. Ze staan nu in de weekkapel.
Toen
deze ruime kerk werd gebouwd was niet te voorzien dat Boom zou ingedeeld worden
in drie parochies, noch dat het aantal inwoners na 1940 met één derde
verminderd is.
Kapellen
als steunpunten
Herbergen
werden ook kapellekes genoemd. Ze gaven ook verpozing en verkwikking, zij het
dan anders dan een bidplaats. Maar de schertsende vergelijking bewijst alleszins
dat kapellen aantrokken.
De
oude dorpskom lag tussen twee kapellen. In de Vrijheidstraat werd ze herbouwd
(1893), op de hoek van de Brandstraat en de Lieve-Vrouwstraat is ze verdwenen.
Ze dienden als rustaltaren voor de processies, of als begin- en eindpunt van de
beeweg, met in het midden de omgang rond de kerk.
De
oudste Sint-Annakapel bestond reeds in de jaren 1400, zoals blijkt uit de
toenmalige plaatsnaam Kapelleveld.Driehonderd jaar later stond daar de stenen
Sint-Annawindmolen. Intussen was de kapel herbouwd en begiftigd met stichtingen
voor "gelezen missen" .
Gedurende
de Franse Revolutie werd ze niet afgebroken ... omdat ze diende als
ziekenhuisje. Maar in 1952 moet ze wijken voor de verkeersdrukte. Toch werd ze
naast de weg herbouwd, veel mooier, als een kunstjuweel. Nu dient ze als
wijkkapel voor de zondagse Eucharistieviering ... vlak aan het provinciaal
recreatiegebied.
In
de Velodroomstraat heeft ook een wegkapel gestaan, bekostigd door de eerste
pastoor van het Gasthuis. De grote kapel van het Gasthuis, ingezegend in 1846,
diende voor de kloostergemeenschap en voor de zieken. Ze bleef als wijkkerk voor
de zondagsmis.
Na
het vertrek van de Broeders der Christelijke Scholen en van de Zusters van de
Berkenboom, zijn er nog drie kloosterkapellen: bij de Zusters van de
Presentatie, bij de Zusters van de Assumptie (Antwerpsestraat) en bij de Zusters
Clarissen. Deze laatste dient ook alle dagen voor de publieke eredienst, terwijl
in de kapel te Noeveren elke zaterdagavond Eucharistie wordt gevierd.
Kapellen
verwijzen naar God die ons opwekt tot dienend leven, tot levensinzet voor het
heil van medemensen. Zoniet ontstaat er "kapellekesgeest". Daar is God
m.i. niet mee gediend.
Godsdienstzin
in de negentiende eeuw
Pastoor-deken
F.X. Beten heeft in 1901 een uitgebreid verslag geschreven (105 blz.) over
"Boom in godsdienstig opzicht". Op het einde van de twintigste eeuw is
een zelf vluchtige terugblik wel leerzaam voor de toekomst.
Merkwaardig
is het groot aantal Broederschappen, Genootschappen, Congregaties en Bonden. Die
verscheidenheid was geen teken van verdeeldheid noch van "verzuiling".
Want aansluiten bij verschillende "godvruchtige verenigingen" sierde
het christen-zijn. Daarom werden ze ook vermeld op de oude doodprentjes.
De
christelijke vroomheid in de negentiende eeuw steunde op de BROEDERSCHAPPEN van
den H.Rozenkrans (voor de Maria-verering), van Maria-Onbevlekt-Ontvangen (om de
godsvrucht te bevorderen), van het H.Hart van Maria (voor de bekering van de
zondaars), van de H.Franciscus-Xaverius (voor het behoud en de verdediging van
het Geloof).
De
GENOOTSCHAPPEN dienden ook de "verticale vroomheid", d.i. de zin voor
het heilige, voor wijding en voor het Godsmysterie. Ze steunden de Gedurige
Aanbidding (als eerherstel op Vastenavond), het Apostolaat van het Gebed (ter
ere van het H.Hart van Jezus), de Afkeer van Godslasteringen, de Verering van
het H.Sacrement, de Sint-Pieterspenning, de Voortplanting des Geloofs (ook door
kinderen), de verering van de H.Familie en de Bedevaart naar Scherpenheuvel.
Er
was ook een CONGREGATIE voor juffrouwen en voor Jonge Dochters, om door Moeder
Maria beschermd te worden "tegen de verleiding en de gevaarlijke vermaken
van de wereld".Godsdienstzin zou maar half christelijk zijn, als hij zich
beperkte tot devoties. Want waarachtige liefde tot God vereist ook zorgende
liefde voor medemensen. Daarom heeft de kerkgemeenschap in alle eeuwen de
armenzorg en de ziekenverzorging behartigd. Godsdienstig leven was ondenkbaar
zonder liefdadigheid en "werken van barmhartigheid".
Het
Sint-Vincentiusgenootschap heeft daar veel toe bijgedragen. Dit kerkelijk
dienstbetoon bestond voordat het burgelijk realiseerbaar was. Zodra het
volkswelzijn maatschappelijk
kon
geregeld worden, ontstonden ook de christelijke sociale werken: de Volksbond, de
Boerengilde, de Onderlinge Bijstand, de Pensioenkas.
De
godsdienstzin van het begin van de twintigste eeuw staat voor nieuwe opgaven in
de komende eeuwwisseling.Maar het Evangelie en de traditie blijven
richtinggevend, als een oproep tot bekering, zelfonthechting en zelfinzet oor
het algemeen welzijn, om zodoende God te dienen.
Zo
begon het onderwijs
In
1608 waren de Bomenaars nog analfabeet: volgens het verslag van de landdeken
konden er slechts twee lezen en schrijven. Maar, zo schrijft hij, de koster G.
Spillemaeckers, zal lees- en schrijflessen geven. Dat deed ook pastoor Streulens
in 1621.
Zo
werd er onderwezen voordat er een school bestond. Pas 100 jaar later, in 1709,
trekt een lesgever een vergoeding van de gemeente. In 1726 geeft drossaerd
Kinnie 500 gulden voor het onderricht van arme kinderen. In 1730 was de lesgever
een winkelier, in 1768 een kleermaker. In 1786 had de parochie wel "een
reglement voor den schoolmeester"... maar geen school.
Onder
het Frans bewind betaalt de Municipale Raad in 1801 de onderwijzer J.B.
Spillemaeckers, uit de kostersfamilie, die meer dan 300 jaar heeft gediend. In
1809 staat een onderpastoor als lesgever vermeld, daarna P.F. De Bie, die in
1815 school hield in de afspanning "De Drie Posthoorns" aan de
Veerdam.
Voor
1830 bestond er nog geen schoolgebouw. Les werd gegevens in een huiskamer, een
herberg en in de kelder onder het oud-gemeentehuis. Kinderen leerden er lezen,
schrijven en rekenen voor 10 centiemen per les. Vandaar de zogenaamde
"centjesscholen".
De
meeste ouders hadden dat er niet voor over: hun kinderen moesten centen
bijverdienen als "afdragers" in de gelegen.Daarom begon onderpastoor
J.B. Van den Bergh met de armenschool, bijgestaan door zijn drie confraters. Met
giften werd grond gekocht aan de Hospitaalstraat. Met stenen, pannen en
plaveien, geschonken door enkele steenbakkers,bouwden vrijwilligers er in 1832
de eerste klaslokalen.
Geholpen
door hun eerste "geschoolden" hadden de onderpastoors 240 leerlingen
in de zomer en zowat 500 in de winter. Maar het jaar daarop moest het klasgebouw
dienen als hospitaal voor Franse soldaten, gekwetst in de strijd tegen het
Hollands garnizoen te Antwerpen. Als vergoeding ontving de school 200 BEF.
Na
de ontruiming herbegint onderpastoor Deckx in januari 1833. Zijn opzet wordt
verzekerd door de fundatie van Bisschop Van de Velde en zijn broer Honoré.
Zo
zijn ze ontstaan
Voordat
de politiek het aankon, heeft het leven in Gods dienst ook het onderwijs, de
ziekenverpleging en de armenzorg gediend. Voordat dit werk als een voltijds
beroep kon bezoldigd worden, hebben kloosterlingen er hun leven aan besteed.Zo
ontstonden in Boom de scholen van de Zusters (1839), van de Broeders (1845), het
Gods- en Gasthuis Sint-Jan Baptist (1849). Zoals ook het Onze-Lieve-Vrouwcollege
(1879), werden ze gesticht door Boomse priesters, met schenkingen van
welstellende burgers.
De
Bomenaar J.F. Van de Velde, tot priester gewijd in 1802, was in 1829 bisschop
van Gent. Uit Sint-Niklaas zond hij zes kloosterzusters van
0.-L.-Vrouwpresentatie naar Boom, voor de oprichting van de eerste
meisjesschool.
Onderpastoor
Deckx verkreeg uit Namen drie Broeders van de Christelijke Scholen, voor de
uitbouw van het onderwijs voor arme kinderen, reeds op gang gebracht door de
parochiepriesters. De Broeders vonden onderdak bij de onderpastoors tot ze een
huis van de gebroeders Pauwels ter beschikking kregen.
De
Boomse priester J.B. Pauwels, Groot-Vicaris van het aartsbisdom Mechelen, heeft
samen met zijn oom de grond gekocht in de Kerkhofstraat, voor de bouw van het
eerste Gods- en Gasthuis. Dankzij Kardinaal Sterckx bekwam de Administratieve
Commissie drie gasthuiszusters uit Herentals (1846). Zij stichtten in Boom een
eigen kloostercongregatie voor de opvang van wezen, de verzorging van bejaarden
en de verpleging van zieken.
De
Liberalen zagen het onderwijs als een politieke aangelegenheid. Onder hun bewind
ontstonden de Rijksmiddelbare School Laurent Mannekes (1861), twee
gemeentescholen op Noeveren, twee in den Hoek en de rijksmiddelbare
meisjesschool in de Tuyaertstraat. Die uitbereiding van het onderwijs was een
weldaad.
Door
de schoolwet van 1879 werd het officieel onderwijs zogezegd neutraal, maar
eigenlijk antikerkelijk.Noodgedwongen werden parochiale scholen voor meisjes
opgericht en kwamen, ook uit Sint-Niklaas, zusters van de Heilige Vincentius
(Berkenboom) naar Boom in 1889.
Daarom
werd ook het 0.-L.-Vrouwcollege opgericht. De pastoor van het Gasthuis (Romain
Van de Velde!) vormde een comité met drie priesters en twee leken (J. Van den
Bril en J. Pauwels!). Ze hebben 70.000 goudfrank ingezameld en bouwmateriaal dat
14.000 fr. waard was, voor het eerst collegegebouw.
Rector
Karel Wuyts van de Presentatie, met twee priesters die voorlopig bij hem
inwoonden, waren de eerste nog onbezoldigde leraars.
Kloosterzusters
in Boom
Mensen
zijn niet volmaakt. Kloosterzusters dus ook niet. Al hebben zij hun leven aan
God toegezegd, toch blijft het gebrekkig. Maar in Godsdienst zijn zij
buitengewoon dienstvaardig voor mensen. Ook in Boom. Het begon in 1839 met zes
zusters aan 0.-L.-Vrouw Presentatie uit Sint-Niklaas. Dat was te danken aan de
bisschop van Gent, J.F.Van de Velde, die aan zijn geboortedorp een school voor
meisjes wou bezorgen. Drie gasthuiszusters uit Herentals kwamen instaan voor het
Gods-en Gasthuis Sint-Jan Baptist (1846). Volgens de overeenkomst met de
Administatieve Commissie en Burgemeester Verelst, zal moeder overste de
instelling besturen en regelmatig verslag uitbrengen.
In
1849 vormden zij de zelfstandige kloostercongregatie
"Gasthuiszusters-Augustinessen van Boom". Vijftig jaar later zijn er
30 zusters, en dan pas de eerste uit Boom. De parochiale meisjesscholen van
Noeveren en van de Bosstraat konden beginnen, dank zij tien zusters van de
H.Vincentius (Berkenboom) uit Sint-Niklaas (1889). Zij vormden een
kloostergemeenschap in de Groene Hofstraat en konden er beschikken over de kapel
van de Mariacongregatie.
In
1895 hebben de Arme Clarissen-Coletienen uit Roeselare een slotklooster gesticht
in Boom, met zeven koorzusters en drie lekezusters. Voordat hun klooster in de
Gasstraat voltooid was (1899), woonden zij op de Antwerpsestraat, juist voorbij
de Advokaatstraat, in een huis van Verstrepen-Valvekens. Hun verborgen leven van
gebed en onthechting is sindsdien een bestendige zegen voor Boom.
Na
de tweede Wereldoorlog begon een andere tijd, met nieuwe noden zonder opvang.
Daar kwamen "kleine Zusters van de Assumptie" aan beantwoorden, op
verzoek van het aartsbisdom Mechelen volgens het legaat Louis Spillemaeckers.
Hij had zijn huis in de Antwerpsestraat afgestaan voor een christelijke
dienstverlening aan de bevolking.
Gedurende
de oorlog was het aangeslagen als Deutsche Commandatur. In 1946 begon er het
dienstbetoon van de zusters, met een dispensarium, gezinshulp en thuisverpleging
voor iedereen zonder onderscheid. De zusters behartigden die diensten voordat ze
tot stand kwamen als sociale voorzieningen.
Een
bewogen geschiedenis
Doorheen
een merkwaardige geschiedenis was de Broedersschool met Boom vergroeid geraakt.
Het begon als een avontuur voor de eerste drie Broeders van de Christelijke
Scholen. Ze waren naar Boom gekomen om de onderwijspogingen van de onderpastoors
te bestendigen en deskundig vorm te geven. Zo konden ze beschikken over vier
klaslokalen met de aangebouwde wijkkapel in de Hospitaalstraat.
Zeven
dagen na hun aankomst werden de Broeders voorgesteld tijdens een plechtige Mis
in de kapel. 's anderendaags (3 oktober 1845) drumden zowat duizend jongens
samen in de Hospitaalstraat voor hun inschrijving. De overrompelde Broeders
waren radeloos: ze konden. niet alle gegadigden opvangen. Met 52 leerlingen van
onderpastoor Deckx begon een klas voor gevorderden. Voor 80 die enigzins konden
lezen en schrijven een tweede klas. Met twee ter plaatse gevormde hulpkrachten
konder er nog 160 worden ondergebracht in de twee overige klaslokalen.
Tussen
de twee klassen en de kapel stonden beschotten. Die moesten elke week, samen met
de schoolbanken verwijderd worden voor de zondagsmis, omdat de oude dorpskerk te
klein was. Na de zondagsdienst werden het weer klaslokalen. Een wekelijkse
karwei voor vrijwilligers, die de Broeders wilden helpen. Zo ontstond van in het
begin een duurzame band tussen hen en het volk.
Dankzij
die binding kon de Broedersschool de tegenkantingen van het liberaal
gemeentebestuur doorstaan. In 1850 wou het leerlingen afdwingen voor de
gemeenteschool. Het werd er voor af gestraft doordat christen liberalen in 1855
een katholiek bewind verkozen.
In
november 1857 werd het opnieuw liberaal en ontving elke Broeder een
gemeentetoelage van 850 BEF per jaar. Voordien had het schoolcomité 600 BEF
betaald. Haar tegemoetkoming heeft blijkbaar de gemoederen bedaard. Maar in 1863
maakte het liberaal schepencollege aanspraak op het legaat, waardoor J.P. Van de
Velde het schooltje en de kapel aan de Kerkfabriek had geschonken. Het werd een
lang aanslepend geding, een "beroerde geschiedenis".
Een
beroerde geschiedenis
De
schenking van P.J. Van de Velde aan de kerk (het schooltje en de kapel in de
Hospitaalstraat)was in 1840 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. In 1852 kent de
minister van Justitie de stichting toe aan het Armenbestuur dat weigerde en
daarna aan het liberaal gemeentebestuur dat aarzelde,beïnvloed door het protest
van de bevolking.
Na
zijn herverkiezing in 1863 liet het zijn aanspraak gelden. Ingevolge de
schoolwet van P. Van Heembeek (1879) kreeg het die schenking toegewezen bij
Koninklijk Besluit in 1880. De Kerkeraad trok het in betwisting, maar werd voor
het gerecht gedaagd en veroordeeld in 1883. Hij ging in beroep, maar het Hof te
Brussel bekrachtigde het vonnis in 1884.
Zo
verloor de Kerk haar eigendom en werden de Broeders verdreven uit de
Hospitaalstraat.Bedreigd sedert 1852 had de kerkgemeenschap grond gekocht in het
open veld waar nu de Gasstraat ligt. Daar was voor de Broeders een klooster in
aanbouw, met zes klaslokalen: drie voor betalende en drie voor behoeftige
leerlingen.
De
fanatieke gemeentepolitiek tegen de Broedersschool heeft strijd ontketend.
Straatgevechten tussen scholieren en woelige gemeenteraadsverkiezingen, die
jarenlange overmacht van de liberalen hebben gebroken. In 1887 kreeg Boom een
katholiek als burgemeester, met een gemengd schepencollege van katholieken en
liberalen. In 1895 werd de Broedersschool een door de Staat "aangenomen
school".
Ze
kon zich gestadig ontwikkelen, met méér leerlingen, méér klaslokalen en een
drieledige "vierde graad". Bovendien had ze een opvoedkundige en
culturele uitstraling. Toneel en zang, de Eucharistische kruistocht, het
Patronaat, de Bibliotheek, de muziekschool en het verenigingsleven van de
Oud-Leerlingenbond.
Nu
is de grote Broedersschool het "Klein College". Vooreerst omdat de
kloosterroepingen verminderden, vervolgens omdat de onderwijshervorming de
"Vierde Graad" verving door drie klassen Middelbaar Onderwijs, dat
reeds bestond in het 0.-L.-Vrouwcollege.
Op
7 juli 1958 ontving pastoor-deken De Bisschop een brief van de Provinciaal met
de vraag "of u verlangt de Broeders nog langer te gebruiken op
school". Op 28 juli volgde een brief van het Aartsbisdom met de vraag van
de Broeders der Christelijke Scholen "om hun Broeders te mogen wegtrekken
uit de school te Boom".
Er
waren drie begraafplaatsen
Tot
in 1826 had Boom nog letterlijk een "kerkhof". De grond rond de kerk,
nu de Grote Markt, diende als begraafplaats.Wie naar de kerk kwam, verwijlde
even bij de graven van naastbestaanden. Uit het levengevoel was de dood nog niet
verdrongen.
De
kerk en het kerkhof (voor ongeveer 2000 Bomenaren in 1775) was veel te klein
voor de 5000 inwoners in 1820.Een nieuwe begraafplaats werd aangelegd in de
"Boomenstraat" waar toen meer bomen dan huizen stonden (1822). Maar
reeds in 1866 werd ze overgebracht naar de plaats waar ze nu ligt in de
Kerkhofstraat. Want in 1846 was het eerste zieken- en bejaardenhuis gebouwd aan
de overkant van de begraafplaats. Die lag er onheilspellend bij en was niet
berekend op het verdubbelen van het aantal inwoners in 1866. Met 604
cholera-slachtoffers in dat jaar was het aantal sterfgevallen verdrievoudigd.
Omdat
de derde begraafplaats niet zoals de vorigen was gewijd, heeft de overwegend
christelijke bevolking ze niet aanvaard. Bij een kerkelijke uitvaart past een
begrafenis in "gewijde aarde", als een ritueel gebaar toevertrouwd.
Na
een terechtwijzing door de Minister, ondertekend door de Koning, gedoogde
Burgemeester Tuyaerts pas drie jaar later de wijding van de begraafplaats.
Intussen waren 1082 Bomenaren begraven in het gewijde kerkhof van Heilig Reet ?
Hoe dan ook, het Booms "Genootschap voor christelijke begrafenissen"
heeft er een gedenkkruis opgericht. Het staat er nog aan de zuidkant van de
Magdalenakerk. Sindsdien zijn de leefwijze en de tijdsgeest veranderd. Vele
graven zijn gauw vergeten en de doodsgedachte wordt erdrongen. Zo ontstond de
gewoonte om het dode lichaam te verbranden. De moderne begraafplaats kreeg een
columbarium (urnemuur) en een plaats voor asverstrooiing.
Dat
is niet tegenstrijdig aan het geloof in de verrijzenis. Want om de vijftien jaar
worden alle cellen van het mensenlichaam vernieuwd en toch blijft de persoon
bestaan. Dat gebeurt ook over de dood heen door de eeuwige levenskracht van de
verrezen Heer Jezus.
Eerst
molens, daarna schoorstenen
Gedurende
minder dan honderd jaar hebben hoge schoorstenen langsheen de Rupel het
landschap beheerst. Voordien werd het door molens gekenmerkt gedurende bijna
tweehonderd jaar.
In
1686 was Boom nog "onversien van molen". In 1727 begon op de Steilse
Kil een watermolen te draaien, aangedreven door de afloop van de Bosbeek en de
getijden op de Rupel. Hij heeft er gedraaid tot hij in 1882 is afgebrand.
Gedurende
al die jaren heeft de muldersfamilie van Dominicus Verelst hem in bedrijf
gehouden. Na de brand hebben de gebroeders De Wachter de grond aangekocht en er
een scheepstimmerwerf opgebouwd. Dat kenmerkt de veranderde bedrijvigheid in de
Rupelstreek.
Daarom
was ook de stenen Sint-Annawindmolen in de Kapelstraat bouwvallig geworden. In
1855 heeft Frans Wuyts hem afgebroken en op de grondvesten de travalje van zijn
smidse gebouwd.
Nu
nog herinnert de Molenstraat aan de houten windmolen nabij het bos "Den
Brandt". De weg vanuit de dorpskom naar het bos, waar brandhout mocht
gesprokkeld worden, is nu de Brandstraat, in de oude volkstaal het Brandgat
(cfr. het Engelse "gate" en het Duitse "Gasse"). Met zin
voor geschiedenis heeft de gemeentelijke kliniek "Den Brandt" de naam
van het bos bewaard, nadat het was opgestookt in de steenovens. Waarschijnlijk
is het die Boomse windmolen, die in 1875 werd overgeplaatst naar Zutendaal. Hij
heeft er ook geschiedenis gemaakt en een straatnaam gekregen: de
Windmolenstraat.
Op
de hoek van de Gevaertlaan en de Van Leriuslaan stond tot in 1914 nog een Boomse
molen. Daar is alleen een foto van overgebleven.In het midden van de negentiende
eeuw heeft de nijverheid de landbouw overvleugeld. Het baksteenbedrijf nam reeds
63 percelen in beslag. Voor de drukke binnenscheepvaart werkten 11
toeleveringsbedrijven, o.a. een nagelmakerij, een ijzergieterij en metaalwerken.
Landbouwprodukten werden verwerkt door 15 brouwerijen, 3 windmolens, 2
watermolens, 3 oliemolens, een boekwijtmolen,2 rosmolens en een stoomgraanmolen.
Bovendien 4 leerlooierijen, een sodafabriek, een branderij, 2 zeep- en 2
zoutziederijen. De bevolking groeide van 6.400 in 1832 tot 12.656 in 1880.
Het
steentijdperk van de Rupelstreek
De
eigen geschiedenis van de Rupelstreek heeft ook een Oud- en een
Nieuw-Steentijdperk. Het eerste begon omstreeks 1335 met het ambachtelijk
steenbakken door de monniken van Sint-Bernards voor de uitbreiding van hun
abdij.
Gedurende
150 jaar waren zij de enige steenbakkersbazen. Maar de eerste gevestigde boeren
leerden het ook. Ze deden het voor eigen gebruik, ook met open veldovens, die
bossen opstookten of gedroogde veengrond en later turf uit Zeeland.
In
1721 dienden reeds 27 steenovens. De verkoop van baksteen groeide vooral na de
stadsbrand van Antwerpen (1546) en de uitgraving van de vaart naar Brussel
(1561). Pas na de Tachtigjarige Oorlog (1648) steeg de bedrijvigheid, nog
honderd jaar later begunstigd door de aanleg van de steenweg naar Antwerpen
(1765).
Het
Nieuw Baksteentijdperk begon eigenlijk na 1832, door de vlotte aanvoer van
steenkolen langs het kanaal van Charleroi naar Brussel, aansluitend bij de oude
vaart naar Klein-Willebroek. Gemetselde klampovens vervingen de open veldovens.
Maar de skyline van de Rupelstreek ontstond door de hoge schoorstenen van de
Hoffmann- en de ringovens na 1898.
Pas
na de Eerste Wereldoorlog (1918) voltrok zich de industriële omwenteling. De
machines voor de kleidelving en de bewerking, voor het vormen, drogen en bakken
van stenen, verving de afmattende handenarbeid, verhoogde de productiviteit ...
maar verminderde de tewerkstelling.
Amper
50 jaar heeft het typische Rupellandschap bestaan: uitgediepte
"gelegen" met lange smalle droogloodsen (lezzes) en een kilometerlange
rij hoge schoorstenen langsheen de rivier. In de zestiger jaren kreeg het weer
een ander uitzicht, door de sluiting van de meeste steenbakkerijen, de afbraak
van de schoorstenen en de opspuiting van de kleiputten.
Toch
heeft de baksteennijverheid de Rupelstreek diep gemerktekend en de volksaard ruw
beïnvloed. Zelfs de eerste steenbakkerij van Sint-Bernardsabdij heeft een spoor
achtergelaten: de zonk achter de Blauwstraat tot aan de Bassinstraat. Die
verlaten kleiput werd voorbeeldig benut voor bebouwing en aanleg van hovingen
... in plaats van hem eerst op te spuiten of vol te storten.
Van
Rupelklei tot baksteen
De
Rupelklei is ouder dan de Alpen. Ze bestond voordat die bergketen ontstond. In
feite als bezinksel op de bodem van de zee, die ons land overspoelde tot tegen
de Ardennen, een hooggebergte uit het primair tijdperk van de aardkorstvorming.
Die
200 à 300 m diepe Rupelzee is weg gevloeid door het ontstaan van de
Middellandse Zee, door de breuk tussen Engeland en het vasteland en door de zich
ophopende afsluitsels van de Ardennen.
Daarom
ligt die kleilaag onder de Kempen, onder de beddingen van de Schelde, de Rupel
en haar bijrivieren. De duinen in de Kempen, de schelpen in de ondergrond, de
wervels en tanden van haaien en de resten van zeeschildpadden in de klei zijn
nog overblijfselen uit de zee.
De
golvende kleilaag is 12 tot 20 m dik. Tegen de Rupel ligt ze onder de teeltaarde
en 3 tot 5 m zandgrond. Zuivere klei is wit en heet pijpaarde. In de Rupelklei
is een dun laagje lichtgeel gekleurd (potaarde) of grijs (panaarde). Maar ze is
meestal donker grauw door de ontbinding van massa's meegesleepte planten en
bomen uit de oertijd.
Van
1245 tot 1868 kwam er weinig verandering in het baksteenbedrijf, hoewel de
aangroei aanzienlijk was: van 18 bedrijven in 1546 tot 54 in 1849. Maar het
bleef zware omslachtige handenarbeid.
De
schelfjes gestoken klei moesten eerst verwinteren, geweekt en gekneed worden.
Het duurde maanden eer ze verwerkbaar terecht kwam op de tafel van de steenmaker
in open lucht. Met een houten vorm verwerkte hij één na één tot 8.000stuks
op een werkdag van 14 uur.
Twee
kinderen, van negen tot twaalf jaar, liepen af en aan om telkens één vorm af
te dragen en te ledigen op "de plaats". Zo moesten ze per dag zowat 30
kilometer afdraven, 8.000 maal omdraaien en 4.000 maal voorover buigen.
De
nog weke steen lag te drogen, werd gewend en daarna op een kruiwagen in de
droogloodsen (lezzes) gevoerd en opgestapeld (gammen). Er moest nog hard
gesjouwd worden eer de steen in de ovens gebakken was in een hitte van 900
graden. Daarna was het weer laden en stapelen voor het vervoer.
Het
oude baksteenbedrijf vergde veel mankracht en slafelijke arbeid. Het was
begonnen met mensen die voor en na boerden en daarom maar armtierig werden
bezoldigd. Het sociaal onrecht van het negentiende eeuwse baksteenbedrijf
werdween stilaan door de baksteennijverheid die meer met kapitaal dan met mensen
werkt.
Besluit
van dit overzicht
In
dit laatste cursief je denken we aan de mensen die hier vroeger hebben geleefd.
In de wildernis leefden slechts enkele jagers en vissers. De eerste nederzetting
"het Laathof van Immerseel" begon omstreeks 1300. In 1526 leven hier
amper 70 gezinnen. Zestig laar later worden ze verdrongen door de strijd van
Willem de Zwijger tegen Spanje. Daarna leven hier meer wolven dan mensen.
Rond
het jaar 1600 herbegon de geschiedenis, met ongeveer 600 inwoners in 1611.
Gedurende twintig jaar doorstaan ze plundertochten uit Holland, de Spaanse Furie
en daarna de pest-epidemie (1630-1636). Pas in 1645 heeft Boom een eigen
schepencollege en twintig jaar later een plaatselijke Heer, Joris Bosschart.
In
de jaren 1700 leeft de bevolking van land- en tuinbouw en van de ambachtelijke
verwerking van de opbrengsten, met een schamele bijverdienste in de opkomende
steenbakkerijen. Voor het einde van die eeuw is de Brabants Omwenteling
losgebroken en heeft de Franse Revolutie gewoed.
Na
1800 begint de baksteennijverheid te overheersen met zwoegende mannen, vrouwen
en kinderen, onder onvoorstelbare sociale wantoestanden en de aanslepende plagen
van thyphus, pokken en cholera. Dat hebben ze doorstaan na de oorlogsellende
rond het einde van de Franse Overheersing en van het Hollands Bewind.
Want
doorheen alle miserie is de Boomse bevolking aangegroeid van 1.677 in 1816 tot
15.863 in 1900. Al was het leven lastig, toch gingen ze er in op. Hun levenswil
en levensmoed werd gedragen door onderling hulpbetoon, soms uitbundig volksleven
en gezamelijke inspanning voor lotsverbetering.
"Nu
zijn we jaren werder. We hebben ons "verbeterd". Niemand van ons
verlangt nog naar die "goede oude tijd" met sociale onrechtvaardigheid
en bittere armoede". Dat schreef Alex Vinck in 1975 (Boom tussen de twee
wereldoorlogen, blz. 122). Hij zinspeelt op enkele verbeteringen, maar betreurt
terecht dat "ons hart is verzwakt.
Op
die lange weg naar welvaart zijn we als mens verkild ... Solidariteit, menselijk
medegevoel, het is onderweg allemaal een beetje gestorven." Ik denk dat de
samenleving in ontbinding viel, omdat tegelijk met het godsbewustzijn ook de
godsdienstzin is vervaagd. In plaats van op te gaan in Godsdienst tot heil van
mens en wereld, riskeert men te vervallen in heilloze zelfdienst.
Zodra
we de welvaart en het welzijn echt christelijk leren beleven, kan een nieuwe
samenleving openbloeien.