TEN BOOME



DE BERTHOUTS EN DE HEREN VAN GRIMBERGEN
Voordracht door Prof. Jan Verbesselt (+ 2000)


Marmeren monument van de Berthouts in de Sint-Rombouts Kathedraal te Mechelen
(bron: Web gallery of art http://www.wga.hu/frames-e.html?/html/f/faydherb/berthou.html)

 

Mevrouwen, Mijne Heren,


Spreken over de Berthouts is voor mij een aangename taak, want het is één van mijn stokpaardjes; maar het is geen eenvoudige zaak, want dan moet ik U in eerste instantie verklappen vanwaar de Berthouts gekomen zijn en secundo zal ik U ook vertellen dat er ook Berthouts in Boom geweest zijn.

Ik zal dus trachten deze Heren te situeren. Bijzonder is dat wij de Berhouts situeren moeten in de feodale periode. Ik weet niet of U bekend is met deze feodale wereld; een wereld op zichzelf die meer dan een eeuw standgehouden heeft.

Van waar is die feodale wereld gekomen? Dat weet niemand. Wat we echter kunnen vaststellen is dat wij moeten vertrekken hier in ons Brabant, dat wij dit bekijken moeten over verschillende periodes, ja tot zelfs de periode van Karel de Grote incluis, dat is de jaren 800. Brabant, de pagus Bragbatensis omvat alles wat gelegen is tussen de Dender, de schelde, de Rupel en het Graafschap Leuven. De Dijle hoort er niet bij. Dit zeer grote gebied was verdeeld in verschillende diakonaten, kerkelijke delen dus.

Dit grote Pagus Bragbatensis zal uiteindelijk verdeeld worden onder twee groten, te weten Brabant, dit is Dender- en Dijle-gebied en Leuven wat Haspengauw includeert. Het is ook hetzelfde met de structuur van de gouw Brabant: het
is ingedeeld in niet minder dan vijf graafschappen waaronder Brussel, Halle en Aarschot als bijzonderste. Helaas ook deze graafschappen vallen uiteen, zo maar uiteen. Het is niet te verwonderen dat ze verdwijnen of opgeslorpt worden.

Zo moeten wij ons de feodale wereld van de jaren 900 à 1100 voorstellen. Hier in ons Brabant staan wij tegenover Vlaanderen wel 100 jaar achteruit, wat de evolutie of de éénmaking betreft. Vlaanderen is reeds sinds 900 bekend.

Het uiteenvallen der graafschappen betekent dat ge nergens nog een bepaald houvast meer hebt: bijvoorbeeld het graafschap Halle, een gebied 80 parochies groot, daar is op korte tijd niets meer van terug te vinden, tenzij alleen nog langs de parochies om, die ons dan vertellen hoe het ongeveer moet geweest zijn.

Om even wat dichter bij ons te blijven, kijken wij naar Mechelen. Mechelen is nooit een graafschap geweest. Zeer eigenaardig, maar Mechelen is ingericht geweest door de Prins-Bisschoppen van Luik, de tijd van Notgor, dwz. ong. 730. En toch vindt ge er niets van terug. We kunnen gerust zeggen dat er slechts één principe gespeeld heeft: Ieder voor zich en God voor ons allen. Zo is dat.

Van waar is dan toch dit alles gekomen? Eenvoudigweg zijn er bepaalde Heren opgestaan en die hebben rond zich heen wat geschaard en vergaard. Ze hebben nochtans wel moeten afrekenen vooral met de Kerk van die tijd. U mag niet vergeten dat de meeste instellingen, parochies van toen en zelfs dorpen, toebehoorden aan een abdij of enig andere Kerkelijke instelling. Nemen wij het voorbeeld van Kontich een zeer groot blok dat zeer lang standgehouden heeft: wel, Kontich behoorde tot de Abdij van Lobbes. Deze abdij bezat ook langs de andere kant van de Rupel heel wat eigendom: St. Amands en Baesrode. De Abdij van Lobbes echter hoorde toe aan de abdij van Nijvel. Zo kan de Abdij van Nijvel hele blokken opslorpen, om het in moderne woorden te zeggen 10.000 ha. En dit voor één abdij!

Vanuit Gent treffen wij  de St.-Pieters en de St.-Baafsabdijen. Die vind je in heel Vlaanderen terug, tot zelfs in Duitsland
met de abdij van Korneliemunster bij Aken, en dicht bij ons te Puurs en omgeving. Je vindt zelfs een abdij in Frankrijk: de St. Baafs van Arras. Er bestaat dus een wereld van wereldrijke bezittingen, maar en bestaan ook geestelijke of kerkelijke bezittingen en daar is niets tegen te zeggen: het is kerkelijk bezit, het is van hen en daarmee amen.

En al die andere wereldrijke bezittingen dan? Hier hing de één van de andere af: men was dienstplichtig, de één van de
ander en hieruit is uiteindelijk de feodaliteit ontstaan. Heel de feodaliteit, dat is één opslorpen geweest van al die klei-
nere verdeelgroepen. Zo zullen wij de eersten die te vinden zijn, de heren van Grimbergen ontdekken. Zij weten maar te
best dat het gaat om het bezit der grote overgangen der rivieren. Want die overgang beduidt dat het om een belangrijke
plaats gaat waar iedereen tegengehouden wordt en waar tol geheven wordt.

De burcht van Grimbergen, een molhoop, als het ware, bestaat nu in 1993 nog altijd. Ocharme 13 m hoog. En waar heeft die burcht gestaan, waar was die gelegen? Juist, voor de toegang tot de overgang van de Zenne in Vilvoorde. En die toegang tot de Zenne daar, dat was juist de plaats waar de grote baan voorbij komt die vanuit Brugge via Gent en Aalst naar Brussel leidt. Een stuk van deze oude baan bestaat nu nog.

Die van Grimbergen komen dus voor die overgang van de Zenne.Maar daar worden ze gestuit door andere mannen, nl. De troepen van de Graven van Brussel.We kunnen ons voorstellen hoe de posities worden ingenomen:
aan deze kant de Graven van Brussel, aan de andere kant de Berthouts.

Hoe weten wij nu dat die baan uit Gent aangelegd was? Dit alles werd ons bekend door de uittocht der Heiligen uit Gent
ten tijde van de Noormannen: men vluchtte met de relieken uit Gent waar verschillende abdijen waren en zo vinden wij langs de weg kapellekens van deze Gentse heiligen. Ook daar vindt ge de plaatsen waar de Berthouts zich zullen vestigen, nl. de bergplaatsen.

Een parallel geval kennen wij met Brussel dat ook door de Graven van vlaanderen wordt bezet. En wat met Mechelen? Wat heeft dat te betekenen? Wel, Mechelen is juist de overgang van de Dijle en de samenloop van Zenne en Dijle. Dit wil zeggen dat st. Rombauts niet de oudste kerk van Mechelen is, maar wel O.L. Vrouw over de Dijle.
De vertegenwoordigers van de Prins-Bisschoppen van Luik, van Notger, die vinden we terug vanaf ong. 970. En de Berthouts zullen we nog later ontmoeten.

Nemen we het voorbeeld van Duffel. Ook een fameuze overgang,nl. over de samenloop met de Nete. Natuurlijk zijn hier de Berthouts. En Rumst! Dat blok van Rumst dat buiten Rumst, Heindonk, Ruisbroek, Boom en Willebroek bevat. Allemaal fameuze blokken. Verder de overgang van de Rupel: Hellegat, dat is een deel van Puurs, daar wat dat Puurs een blok uitmaakt dat de Heren van Grimbergen toebehoort. We ontmoeten verder nog Bornem en St. Amands: allemaal weer die van Grimbergen aan de overkant. En naar de Dender toe: Ninove, eens te meer de Heren van Grimbergen.

Heel dit grote gebied der Heren van Grimbergen is ontstaan door het in bezit nemen van grond, en van de oevers der rivieren en wie die bezit heeft de controle over alles. Zo vergroot ge steeds uw gebied. Die van Grimbergen bleven niet bij de pakken zitten: ze begonnen ook nog op andere plaatsen bijvoorbeeld in het Walendal en in de kempen: wij vinden ze in Tongerlo, in oevel tot in Breda toe.

Er zijn wel geen akten bekend over de vorming van het gebied der Grimbergers: we stellen later alleen vast dat ze er ge-
weest zijn en dat het feodaal bestel gevormd werd. Het is later wel uiteengevallen, maar kom. Er is toch iemand geweest
die het gebied in handen heeft gekregen: en het was geen kleintje, dit gebied. En dan in één keer vinden wij Wouter van
Grimbergen, Walterus de Grimbergensis, de grote, Magnus, de man die de abdij van Grimbergen zal stichten.

Dat is een exponent van een tijdsevolutie. De feodale wereld die van niets tot iets komt en waar wij grote en kleine mensen zien. Want dat is juist de feodale wereld: ge hebt er grote, maar ook vele kleintjes: de leenheren. Wat is dan een leen? Wel, geen eigen bezit, want zulks vindt ge alleen bij de grote abdijen. Een leen is een bepaalde afhankelijkheid van iemand die hoger staat dan gij, of om het eenvoudig te zeggen: gij moet onderdanig zijn, gij moet uw heer helpen in nood, gij moet bijspringen, zelfs bij het uithuwelijken van dochters en volgens de bestaande wet bepalen welk meubelstuk het beste is, want daar had de heer recht op.

Zo ontstaat een situatie die trapsgewijze opgebouwd wordt: enkele groten en honderen kleinen, en die kleinen dan op hun beurt lenen een stukje verder uit: ge moet er zelf uw portemonnaie niet voor opendoen, want het gaat alleen om feodale verplichtingen. Zo wordt de feodale wereld opgebouwd. volgens de oorkonde van 1096 verschijnt ineens Walterus de Grimbergensis.

Het eigenaardige is de abdij van Affligem, een stichting van Hendrik, de graaf van Leuven. Die van Brussel was al lang
vergeten en er is nog enkel sprake van een kastelein, de vertegenwoordiger van de graaf van Leuven.

Wat heeft de abdij van Affligem te betekenen? Wel zij maakt het eerste geval uit van de Renaissance in Brabant, dwz. dat wij daar staan voor de grote hervorming op kerkelijk gebied, maar ook van het feodaal stelsel, namelijk dat de kerkelijke verordeningen worden voorgeschreven waarin staat dat al wie kerkelijk bezit of goed heeft, dit alles moet afstaan en in werkelijkheid afstaat ook.

Wat gebeurt er met die goederen. Wel, door het afstaan van kerkelijk bezit ontstaan nieuwe grootgrondbezittingen en
onstaat tevens een hele hernieuwing in het kerkelijk leven van die tijd. De abdijen worden de centra van kerkelijk leven. Zo wordt Affligem de grootste van Brabant. Want wat vinden wij in 1086 ? Geen Berthout hoor, die komt er niet bij te pas. Alleen de Graaf van Leuven, Hendrik die is de baas in de streek.

Waarom? Omdat hij de abdij sticht op de grens van Vlaanderen en van Brabant, langs de grote baan van Brugge, via Gent en Aalst naar Brussel. Dat is Affligem! Een stichting op de grens der feodale orde. Dit is totaal nieuw. Affligem wordt de grootste abdij van Brabant door wat zij krijgt aan goederen.

Wat kunnen wij hieruit afleiden? Affligem wordt gesticht en welke getuigen vinden wij vanaf de eerste schenkingen? De
heren van Brussel, de heren van Lennik, de heren van Asse, de heren van Latem, van Hamme en geen Grimbergers. Die komen er niet bij te pas.

We moeten wachten tot 1096, de oorkonde van de schenking van Ida van Boulogne die gronden en het bezit van Genappe in Waals-Brabant aan de abdij schenkt. Wie treden op als getuigen ? Wel, als voorlaatste in de rij van tien treffen wij voor het eerst Walter van Grimbergen aan. Dit wil zeggen dat hij tov.de hertog en de graven nog niet veel te betekenen had.

In 1107 noteren we nogmaals een schenking aan Affligem: Zellik komt aan de abdij door de genade van hertog Godfried, Godefridus dus. Wie komt daar voor het eerst te voorschijn als getuige ? Walterus de Grimbergensis.

Verder 1125: Arnould en Geeraard van Grimbergen verschijnen voor het eerst als getuigen bij de grote gift aan Affligem
door de Graaf van Aerschot. De twee Grimbergenaars zijn immers de opvolgers van Wouter.

Vervolgens 1138: Om u enigszins de opvolging aan te geven: weerom geen heer van Grimbergen vermeld bij de algemene bevestiging van goederen van de abdij door hertog Godfried II.

Dan in één keer komt iemand voor de dag. We hebben Waltherus, Walter de Oude, de man die wij kennen door de akte van Grimbergen, degene die de eerste poging deed om een klooster te stichten in Grimbergen, en ook een tweede, maar allebei werden het mislukkingen.

Het zijn de zonen van Walter, Wouter en Geeraard die het vervolg geschreven hebben, het zijn Grimbergers, geen Bert-
houts, ze zijn immer en altijd heren van Grimbergen. De eerste die wij ontmoeten dateert 1143-1190. Dwz. de periode
waarin de Grimbergse oorlog heeft plaatsgevonden. Wat betekent zulks? Dat is eenvoudig niets anders dan dat de heren van Grimbergen die wij zo ineens zien verschijnen in slag geraken met de hertog van Brabant, de oudste uit het hertogdom sinds 1108. Twee machtsposities tegenover elkaar: al de overgangen, heel het gebied der heren van Grimbergen staan bij het begin van het hertogdom Brabant: want ziet, de graven van Aarschot verdwijnen, deze van Halle eveneens, al wat graaf geweest is verdwijnt en er bleef er maar één over de hertog Godfried.

Dat kon niet anders dan tot conflicten leiden met de groten van die tijd, want wij hebben nog grote heren in Wezemael, in Rotselaar en in Kraainem. Als we de akten nagaan van Affligem en van Grimbergen, dan vinden we hele reeksen van heren, maar het gaat hem juist om de grootste te zijn en om de vestiging van het hertogdom Brabant.

De Grimbergse oorlog is niets anders dan het uitschakelen van de machtigen onder de feodale heren van Brabant. En dat zijn er twee, de zonen Wouter II en Geeraard II. Daar zien we het verschijnen van de Berthouts, nooit vroeger. Want in de oorkonde van 1138 was geen Grimberger te bekennen als getuige van de algemene bevestiging van de bezittingen van de Abdij van Affligem door hertog Godfried II. Tot de akte van 1143, die te dateren is 1143 à 1151, daarin zien wij dat Godfried, hertog van Brabant, Waltherus Berthaldo sommeert samen met zijn zoon Geeraard en diens zoon om de abdij niet meer lastig te vallen te Buggenhout, daar het een kerkelijke bezitting was, verkregen van de Graaf van Aarschot. Dit is dan ook de eerste gekende datum van het verschijnen van een Berthout.

Wie was dan die Waltherus ? Wel, de heer van Mechelen, de voogd van de Prins-Bisschop van Luik. Deze vaststelling heb ik kunnen maken, ook in het archief van Grimbergen, zodat we de Grimbergse oorlog in feodaal verband hoeven te zien. We bezitten wel de Kroniek van de Grimbergse oorlog, geschreven rond 1300, met de vermelding van al de heren die daar gevochten hebben en die er bij betrokken waren: aan de ene kant die van Grimbergen en aan de ander kant die van de hertog.Wat is er dan gebeurd?

We weten alleen door de Kronieken dat er een slag van Ransbeek plaatsgevonden heeft in 1142. Dat is een zeer curieuze datum. Ik woon echter in de Ransbeekstraat en de slag van 1142 wordt de slag van Ransbeek genoemd: dus dat gevecht tussen de ridders van de heer van Grimbergen en de ridders aan de kant van hertog Godfried heeft naam gegeven aan mijn straat.

Ik wil daar een anekdote bij vertellen, bijzonder omdat er al heel wat te doen is geweest om die slag van Grimbergen.

Dit boek, dat epos, werd rond 1300 geschreven en handelt over de Grimbergse oorlog. Er werd daar heel wat fantasie in verweven. Wel daar is de anekdote aan verbonden van Manneke Pis van Brussel. Zoals gezegd woon ik in de Ransbeekstraat te Neder-over-Heembeek, dwz. de straat die uitgeeft op de Burcht van Grimbergen, die nog altijd bestaat en te bezichtigen is: het is nog altijd dezelfde constructie, twee ringen rond de burcht, een burcht omgeven van straten.


Wat is daar gebeurd? Ik ga dus de historie van Manneke pis vertellen zoals die van Grimbergen ze voorhouden. Ze hebben de jonge hertog uit Brussel gehaald en hebben die met zijn wieg aan een boom opgehangen. Niet te geloven, maar ik bezit er de afbeelding van uit de Kroniek van 1300 met de miniatuur waar de hertog in de wieg aan de boom hangt en waar heel de historie van Manneke Pis aan verbonden is. Welke historie? Wel die van de hertog hebben altijd blijven volhouden dat die kleine hertog rechtgestaan is in zijn wieg om over die van Grimbergen te wateren om zo zijn misprijzen uit te spreiden. Terwijl ik die van Grimbergen altijd horen zeggen heb dat die kleine simpel gewaterd heeft uit grote schrik. Maar het eigenaardige is, dat op die gravure van 1300 de hertog daar hangt, in zijn wieg aan een boom. Te Brussel troont Manneke Pis nog altijd in de Eikstraat, dwz. volgens de legende nog altijd, dat ze de eik waaraan de wieg gehangen heeft uitgedaan hebben en naar Brussel overgeplant hebben. En toen die eik dan toch versleten was, wel dan hebben ze daar wel een andere sokkel gezet.

Het meest opmerkelijke van deze zaak is dat wij persoonlijk een paardenkerkhof kennen op de plaats van de slag. Dit paardenkerkhof kwam bij een groot onweder te voorschijn: de grond werd overspoeld en omgewoeld en een grote hoeveelheid hoefijzers, paardenhoefijzers kwamen naar boven. Dit wil dus zeggen dat dit paardenkerkhof verband houdt met die slag. Want in die
tijd kon men nog geen honderden en honderden mensen bijeenbrengen voor een veldslag, misschien een paar honderd maar,
plus twee- of driehonderd ridders alles bij elkaar die daar wat gevochten hebben.

Wij kennen daar ook een Godevaert veldeken, en het wil wel lukken dat het om een Godevaert gaat, om Godfried, die kleine
die later hertog Godfried is geweest. We hebben nog de Wimpelberg, waar, altijd nog volgens de legende de wimpel van de hertog zou gewapperd hebben. Tot daartoe.

Maar kijk, hoe bepaalde legenden toch een ondergrond kunnen hebben en naar iets verwijzen. Zeker is dat die miniatuur
bestaat, dat ze van 1300 dateert, dwz. dat er toch iets overgebleven is van deze zaak. Zo is het verlopen met de heren van Grimbergen.
Daarbij heb ik in het cartularium van Affligem nog een oorkonde gevonden van 1159. Hierin verleent hertog Godfried aan de
abdij van Horst een afhankelijkheid van Affligem, een heel stuk gronden, een grote schenking.
Wat schrijft hij hierin: Eo anno quo delevi castrum Grimbergiensem in segnoque destruxi, dwz. dit is een bevestiging van de slag tussen die van Grimbergen en die van de Hertog. Daarbij komt nog dat er één der getuigen tekent: ego de atrio, een van Kerkhoven, een ridder
die getuigt: toen ik het kind op mijn knieën had. Zo kan dus een legende bevestigd worden door gegevens uit oorkonden, waar
ge niet aan voorbij kunt, want die oorkonde is echt.

Dat was de Grimbergse oorlog. Wat wil zulks zeggen? Eenvoudig weg dat wij een nieuw tijdperk ingaan met de heren van Grimbergen. En dit nieuwe tijdperk betekent de opkomst van de Berthouts. Wij zien voor het eerst Wouter, de broer van Geeraard. Deze
Geeraard blijft pertinent altijd Dominus de Grimbergen tekenen. Maar die Wouter, die van Mechelen, die naar Mechelen verhuisd was, en die daar de grote man geworden is, wel die tekent altijd als Berthout.

Dit is het verschijnsel: 1147. Na de slag van 1142 bevestigt een oorkonde getekend door paus Eugenius 111 de bezittingen
van de abdij van Grimbergen. Naast een hele trits getuigen: Walterhus qui dicebatur Magnus, walter de Grote, de vader. 
Hij is de stichter van de abdij van Grimbergen. Daarbij komen zijn zoon Gerardus Aldericus en Walterhus Bertholdus cum heridibus
suis Gerardo en Walterho de Eewe terra, die een groot gebied aan de Rupel aan de abdij van Grimbergen schenkt. We zien dus
voor het eerst de naam Berthout verschijnen in de oorkonde van Grimbergen, na de slag van Ransbeek, dwz. 1147-1154. Waar hij
zich noemt: Notum est sic quod ego walterhus Berthout Grimbergis Ecclesiae advocatus. Ik, Walther Berthout, voogd van de
abdij van Grimbergen, dat wil dus zeggen dat hij dezelfde persoon is als degene die wij vroeger reeds kenden, de broer van Geeraard. Wel die is begonnen zichzelf sinds 1147-1154 en zijn opvolgers allemaal, te benoemen als Berthout, wat voordien niemand deed.

Dit is eigenlijk de grote scheiding in het land van Grimbergen als gevolg van de historie met de hertog van Brabant, namelijk
dat enerzijds Geeraard in het land van Grimbergen blijft en de andere naar Mechelen trekt, om daar voogd te worden van de
Prins-bisschoppen van Luik. Dat is toch wel iets zeer eigenaardigs. Wat komen die Prins-Bisschoppen van Luik doen in Mechelen en hoe komt Wouter Berthout daar terecht? Er is geen ander oplossing, ik heb ze al gegeven, namelijk de overgang van de rivieren. Mechelen is
toch de overgang van de Dijle en O.L. Vrouw over de Dijle ligt aan deze kant en St. Rombouts aan de andere kant. Wat hebben
wij nog te Mechelen? Dijle en Zenne komen er samen en hogerop hebben wij de Rupel. Daaraan kunnen we heel de zaak der bezittingen van de Berthouts knopen en ook deze der heren van Grimbergen. Het is namelijk zo dat alles wat langs de kant van Wouter is gegaan, Berthout is. Wat echter langs de kant van Geeraard is gegaan of gebleven dat is Grimbergen. Daar is geen twijfel mogelijk.
Maar... Men heeft door de tijden heen er één van gemaakt: Berthout.

En 't schoonste van de zaak blijft altijd dat de heren van Grimbergen zich tot in de XIII de eeuwen zolang ze geleefd hebben zich altijd heren van Grimbergen hebben genoemd. Ze hebben nooit de naam Berthout gebruikt, nooit en nu de laatste, Geeraard, noemt zich Principes de Grimbergen, prinsen van Grimbergen, dat zijn de oude.

Daartegenover zie je in Mechelen de Berthouts. Daar moet je dus het onderscheid kunnen maken.
Zo kom ik tot het geval van Rumst en Boom. Zijn dat de heren van Grimbergen? Zijn dat Berthouts ?

Wel, wij hebben daar in feite niets van, tenzij een late echo, namelijk in het jaar 1290. Dat is namelijk de deling van het land van Grimbergen en het land van Rumst dat tot dan toe langs de heer van Grimbergen, -.Geeraard van Grimbergen, altijd van
Grimbergen één blok is geweest. Dit blok werd verdeeld. Welke betekenis heeft Rumst? Wel, we bevinden ons daar aan één der
voornaamste overgangen van rivieren in ons land, Nete en Rupel. En wat omvat het blok Rumst? Rumst, Boom, Heindonk,
Willebroek en Ruisbroek.

Wel, als ge ziet wat Heindonck betekent. Het is een stuk van Zemst, parochiaal altijd geweest, maar gelegen aan de overkant
van de Rupel. Het blok Rumst-Boom heeft daar werkelijk heel dat gebied bezet. Spijtig, langs de kant van Geeraard van
Grimbergen is Godfried van Perwez de opvolger geweest en de laatste erfgenamen van de Perwez waren heel grote heren uit de
kring der hertogen. Zo is dat ook met Grimbergen vergaan. Wanneer de heren van Grimbergen verdwijnen van het toneel, zien wij de Perwez verschijnen langs de hertogen om. De laatste dochter van Perwez trouwt met Philips van Vianden. Na de dood van Philips
volgt de verdeling van het land van Grimbergen en het land van Rumst: twee grote blokken werden gescheiden.

Tussen haakjes in het Rijksarchief heb ik een schat aan archieven van wel 2 m3 gezien in verband met het land van Rumst
en deze omgeving dus. Spijts het aandringen van de rijksarchivaris, die me aanspoorde het te ontginnen, heb ik de tijd niet
gevonden om het na te pluizen. Wel heb ik het even nagekeken.
Een wenk voor de liefhebbers!

Wel, ik heb dus in feite een evolutie gezien van de Berthouts en ik zeg dat voor wat de feodalisatie betreft, het een zeer
gewone gang van zake was. Na jaren is bij mij de gedachte gerezen dat zoals families uit de feodale periode 1300-1400,
zo'n 300 jaar stand houden en dat het dan gedaan is. En ik merk op dat het met de heren van Grimbergen of met de Bert-
houts of hoe wij die ook zouden noemen, hetzelfde is gebeurd. 1309-1313: de laatste Berthout van Mechelen, hij staat nog
altijd aan de laatste pilaar in de kathedraal van St. Rombouts met het opschrift: "De laatste van de serie".

Zo waren wij dan bij de Berthouts beland. Toch wil ik nog een paar figuren van de heren van Grimbergen belichten. De eerste,
Walter, moet ik U niet verder afschilderen. Wat hij gepresteerd heeft is de bekroning van zijn werk: hij verschijnt ineens en zoals alle heren van die tijd heeft hij geprobeerd zijn bezit moreel te versterken door het stichten van een klooster of een abdij. Hij heeft het wel twee maal moeten proberen, zo staat het toch in de oorkonde van de stichting van de abdij van Grimbergen. Het is uiteindelijk wel gelukt in
1128. Wat betekende dit? Hij heeft zijn macht morele steun verleend door de stichting der abdij.

Dit hebben ook de hertogen gedaan. Ze hebben Affligem gesticht en Groot-Bijgaarden en Vorst. Allemaal om hun macht meer steun
te geven. Dat is juist wat ik de Renaissance van Brabant heb genoemd: wij kruipen uit de put van de feodaliteit en er komt iets nieuws. We krijgen de grote pauselijke encycliek van 1070 die beveelt dat al wie kerkelijk bezit heeft,dit moet restitueren, hetgeen ze gedaan hebben, maar de meesten en de grootsten van hen hebben een klooser of abdij gesticht: de abdij van 't Park, gesticht door de hertog. We hebben de abdij van Rozendaal, deze van Wezemaal enz. Iedereen is er toe gekomen zich te vereenzelvigen door een stichting. Dat is het nieuwe
in Brabant, alhoewel het evolueerde. In vergelijking echter met Vlaanderen staat Brabant 100 jaar achteruit. Want Vlaanderen was reeds geconstitueerd en volledig uitgebouwd in de jaren 900-1000.

Wat is er in Brabant achtergebleven rond die vestigingen?

Dan hoeven wij enkel te denken aan kastelen en burchten. Zoals de nog bestaande burcht van Grimbergen. Ze zijn van daar wel
verhuisd naar het centrum van Grimbergen om daar een prinsen-kasteel te bouwen, na 't verwoesten van hun burcht. Overal in
de meeste dorpen vinden wij kastelen, de opvolgers van de motte, dat een soort vesting was: cfr Londerzeel, Merchtem,
Asse, Lennik: de eerste grondvesten van de kastelen.Nog enkele heren van Grimbergen, die het ver gebracht hebben,
zal ik even in 't licht zetten. De zonen van Geeraard II van Grimbergen, nl. Geeraard III en Aarnoud, hebben allebei het
centraal gedeelte van hun patrimonium, dat is het onvervreemdbaar familipatrimonium, waaruit de heren van Grimbergen
waren ontstaan en dat altijd een condominium was, gemeenschappelijk bezit behouden en in die zin altijd beheerd en de
herkomst ervan bevestigd. Dat is de eeuwen door condominium gebleven, welke ook de heer was, want wij hebben in Grimbergen
twee takken gekend. Zelfs later, zijn de Nassau's in Grimbergen geweest en de heren van Aa, de casteleynen van Brussel of
Anderlecht, als een latere tak van het condominium van Grimbergen. En de heren van Perwez, de voornaamste heren rond de
hertogen Hendrik I, II en III die de specialiteit hadden verdragen te sluiten tussen Brabant en de prins-Bisschoppen van Luik.

Het is wel opmerkelijk in hun geschiedenis; de heren van Grimbergen, die gaan uit elkaar, het komt terug bij elkaar en tenslotte komt het terug naar het land. Zo zullen de broers Geeraard en Arnoud in 1188 getuigen dat ze zich "principes" noemen, een titel die geen enkele edele familie zich heeft durven aanmeten, tenzij de latere plaatselijke heren die het Prinsenkasteel bewoonden, kasteel dat bij de aftocht der
Duitsers in 1944 werd opgeblazen en dat nog altijd in deze staat gebleven is. De laatste bewoners ervan waren de Herodes.
Over Perwez ea. zal ik niet uitwijden. Hier ik wil toch nog even terugkomen op een paar bijzondere leden uit het geslacht van de heren van Grimbergen of de Berhouts, nl. Arnould de Brabander met zijn voetstokers uit de Kempen. Die Arnould de Brabander, de eerste Berhout, is een zonderlinge kerel geweest in deze zin, dat hij vooral betrokken is geweest in het Kempische gedeelte van het bezit van de Grimbergers of de Berthouts. Want er is namelijk ook een band tussen de heren van Schoten, die van Breda en de Grimbergers.
Het is zonderling dat ge die zo ver moet gaan zoeken. Dat heeft vooral de belangstelling opgewekt van Goetstouwers, die
ze teruggevonden heeft te Ekeren, Kapellen, Kalmthout. Neem daarbij de schenkingen aan de abdij van Tongerlo en ge beseft
dadelijk dat die Arnold de Brabander zich vooral in de kempen situeert. Hij betrekt bij dit alles ook Wouter Berthout en durft te zeggen dat Arnold de Brabander dezelfde persoon is als Arnold Berthout.

Arnulfus Grimbergensis is in de oorkonde van 1159 getuige van de bisschop van Luik bij een gift aan de Abdij van Tongerlo. In
verband met de bevestiging hiervan zegt hij: "Ego Berholdus archidiaconus van Luik". ook in 1183 noemt hij zich Arnulfus
de Grimbergen. U ziet hoe in deze periode éénzelfde persoon met 3 namen benoemt, Arnoldus de Brabander, Arnoldus Berthout
en Arnulfus de Grimbergen. Diezelfde Arnuldus was aartsdiaken in Luik tussen 1157 en 1197. Zo vinden wij hem terug in Tongerlo.

Ik hoef er nog bij te vertellen dat, altijd volgens Goetstouwers het bezit der heren van Grimbergen ook verdeeld is geworden in 3 delen:
Wouter erfde de goederen van het land van Ryen tussen Zenne en Nete.
Geeraard de rechten ten westen van de Zenne en tot over de Rupel;
Arnould het land van strielen maar leenplichtig aan Wouter I van Mechelen Berthout.

Wij hebben nog een ander geval nl. een Grimbergenaar die wij in Vlaanderen terugvinden, dit is Gilles Berthout I met debaard. Theo Luyckx, een klasgenoot van mij in Leuven, heeft daar een bijdrage over geschreven. Deze Gilles 1 is kamerheer geweest van de Graven van Vlaanderen, en hij was ook broeder van de Duitse Orde van Pitzemburg te Mechelen. Dit wil zeggen dat hij zijn bezit aan deze orde heeft toegezegd. En Pitzembrug betekende heel wat. De goederen der Heren van Pitzemburg strekken zich uit tot in Brabant, waar wij hen oa. te Wolvertem terugvinden.

Deze Gilles I is ook de stichter geweest van Roosendaal, tussen Walem en Kathelijne. Hij is heer van Berlaar, van Geel
en van Duffel en in 1202-1206 gaat hij met de graaf van Vlaanderen mee op kruistocht en ondertekent Egidius Berthout camerarius van Vlaanderen, gehuwd met Catharina Van Beloeil, een der grote geslachten van Vlaanderen.

We hebben dus in 1202 een Berthout in Vlaanderen: hij noemt zich kamerheer van de Graaf van Vlaanderen en voltrekt daar
heel zijn loopbaan in de zin dat hij één van de grote diplomaten is geweest van de Graaf van Vlaanderen, zo in de geschillen als wat de landsbetrekkingen met Engeland betrof. Diezelfde Gilles Berthout vinden wij terug als Dominus en Burggraaf tegelijk van Oudenburg boven Brugge. Zo ver in Vlaanderen vinden wij zelfs Berthouts terug. Hij trok ook mee met de Graaf van Vlaanderen op kruistocht en vocht in 1217 mee met de inname van Damiette. Hij wordt daar broeder van de Duitse teutonisch orde.

Van deze teutonische orde is bij ons nog weinig geweten buiten pitzemburg. Spijtig, want niemand denkt eraan dat bv. in
Vilvoorde, juist aan de overgang van de Zenne op de grote baan van Brugge, Gent, vilvoorde, Leuven, Luik, Keulen, het gasthuis is gesticht door die Teutonische Orde. Een stichting van een gasthuis in die tijd betekent een passantenhuis langs de grote baan, niet zo zeer voor zieken, maar wel voor de opname van mensen die passeren.

Diezelfde Gilles Berthout is ook betrokken geweest bij de stichting van Roosendaal in Walem in 1219 met zijn dochters
Oda, de eerste abdis, en Elisabeth. Wij vinden daar een merkwaardig grafschrift nl. van de twee dochters Oda en Elisabeth,
die genoemd worden: Oda et Elisabeth filiae quodam Domini Egidei Berholdo Domini de Berlare Gela et Duffel. We schrijven
1242. Je ziet dus dat je altijd aan deze kant hier Berthouts tegenkomt, en aan de andere kant die van Grimbergen. Dit is merkwaardig, want als wij nu spreken van de Heren van Grimbergen zijn wij altijd geneigd te zeggen de Berthouts, omdat zij het langer in handen gehad hebben en ook belangrijker zijn geworden door het bezit van Mechelen. En als ge de ligging van Mechelen kent, nl. de sleutelposities langs de weg in midden Brabant, halverwege Brussel en Antwerpen, en aan de overgang van de Dijle, en bezit van de Prins-Bisschoppen van Luik, wel dan moeten wij aan de Berthouts toekennen wat het toekomt, waarmee gezegd wordt: eens over de Dijle zit ge bij de Bert-
houts.

Deze paar zaken wilde ik even onderlijnen. Als algemeen besluit zou ik formuleren dat wij hier in het land van Rumst, en
omdat wij vandaag in Boom zijn, mogen zeggen dat wij één der oudste en bijzonderste geslachten van Brabant als heren hebben
gehad en dat zij het belang van het gebied stevig onderlijnd hebben, nl. de samenloop der rivieren Nete, Dijle, Zenne en Rupel en de grote overgangen.Daarbij blijf ik er ook bij dat de grote baan die ik vanuit Asse en Aalst over Rumst trek, doorgekomen is in dit gewest en
dat zij het oudste litteken van de streek is. 

Vragen gesteld vanuit de toehoorders:

V : Over de Heren van Rumst mag men toch nooit spreken als
over een Berthout.

Antw.: Ze komen als dusdanig niet voor.

V : In Niel kennen wij toch een Berthoutplein !

Antw.: Ik weet niet vanwaar zulks gekomen is. Wij zitten hier met de abdij van Lobbes via Kontich, een der oudste
vermeldingen in de vita Reinildis. De abdij van Lobbes was een der grootste abdijen. Kontich met al wat er
parochiaal bijkomt, is steeds blijven bestaan tegen alle kerkelijke regels. Bij de oprichting van het
Aartsbisdom Mechelen in 1559 door Granvelle, wordt Kontich aan Granvelle toegewezen. Hij doet zich voor
als bezitter van de parochie, en beweert altijd dat hij Kontich bezit ter persoonlijke titel en daar dus ook
pastoors benoemde. Eigenlijk was dat een voorrecht uit de jaren 1100-1200 toen in vele parochies ook de heren
de bazen waren van de zogenaamde eigen parochies. De parochie was hun eigen bezit met al wat er bijhoorde.
Maar dat wij deze situatie nog terugvinden in 1559 is des te merkwaardiger: Granvelle was toch geen kleine
heer. En zijn opvolgers hebben slechts geprofiteerd van hetgeen hij verkregen heeft.

Antw:In gans het aartsbisdom Mechelen vinden wij in die periode geen enkel voorbeeld meer dat de heren van
Kontich nog het recht hadden een pastoor te benoemen en aan te stellen.

V : Na heel uw uiteenzetting der blokken, overgangen, dus uitwisselingen enz. interesseert mij alleen dit: Hoe is
de eerste van die families aan die bezittingen geraakt?Er moet er toch één begonnen zijn.

Antw.: Wel dit is nu éénmaal het feodale stelsel.

V. : Die zeggen dus: dat is van mij en die er durft aankomen...

Antw.: Het feodale stelsel hé, deed alles uiteenvallen en ook de rangorde viel uiteen. Wij kenden in 't Groot Bra-
bants gewest vijf graafschappen die alle uit elkaar vielen. De Graaf van Leuven is overgebleven, en palmde
Brussel in. Van Brussel bleef slechts een beheerder over. Zo moet U zich dat voorstellen dat een die zich
op een bepaald ogenblik cruciaal heeft kunnen vestigen, van daaruit...

V. : Ze hebben het dus gepakt?

Antw.: Nee, ze hebben niets gepakt.

V.
: Als ik nu grond wil verwerven, moet ik ofwel van de privé of van de gemeente of zo.

Antw.: Dat bestond niet. We leefden in de feodale wereld. Van waar kwamen de heren? Er zijn er niet te veel geweest:
de wezemaals, de Rotselaars, de Kraainems. Zij zijn grote heren van Brabant geworden eenvoudig omdat zij
het bezit van de abdij van st. Baafs in Gent hebben beheerd en overgenomen. Meer niet. Zo kan je ze allen
situeren. Overname van het bezit van iemand, een grotere. Langs de grenzen hebben ze motten opgericht, geen
kastelen maar motten, een soort versterkte hoeve. Dat was het spel van die tijd.

V. : Is de naam Drakenbaard historisch?

Antw.: Hij wordt gegeven, maar ik heb hem nergens gevonden. Drakenbaard is de eerste Wouter. Hij wordt in een
kroniek Drakenbaard genoemd, maar in die oorkonde, die ik ken, wordt hij Magnus fundator genoemd, stichter
van de Abdij van Grimbergen. Drakenbaard is zoiets dat ergens in een kroniek is terecht gekomen. Hij zal waar-
schijnlijk een verschrikkelijke baard gehad hebben, hé. Dat is zeer romantisch.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN