TEN BOOME
Korte historiek van de mekanisatie der steenbakkerijen en daaraan verbonden de opkomst der metaal verwerkende nijverheid
in de streek van Boom.
door George L. Verhoeven (+2004).

Baggermachine Verhoeven
(Bron: Van de oudheid tot het jaar 2000, Alex Vinck 1999)
Vóór 1900 was er weinig of geen belangrijke metaalverwerkende nijverheid in de Rupelstreek en meer speciaal in het Boomse en de rechteroever van de Rupelrivier.
Men kende wel de van oudsher gevestigde scheepstimmerwerven,
die van houtbouw naar metalen uitvoeringen waren overgestapt en die van eerder familiale en artisanale bedrijfjes naar een relatief belangrijke tak in de metaalbedrijvigheid waren
gegroeid.
Men kende eveneens het zinkfabriek (Usines à Zinc) en enkele ijzergieterijen zoals die van Troch, later overgenomen door Provost en Ceulemans die het tijdperk der gietijzeren balkon balustrades en trapleuningen als bloeitijdperk kenden en die er later ook scheepsschroeven en mekanische gietstukken zoals tandwielkasten, lierwangen tandwielen, flenzen, draagblokken en dergelijke er bij namen. Provost speelde het zelfs klaar een personenauto en verscheidene vrachtwagens te bouwen rond 1905.
Enige bekendheid had ook het bedrijf van Petrus De Winter die gasleidingen plaatste en herstellingen allerhande uitvoerde. Tenslotte was er nog het werkhuis van Hippolite Demets die ook wat mekaniek deed en eveneens allerlei herstellingen aan
mekaniek deed.Naar het einde der tien eerste jaren der pas begonnen 20-ste eeuw, kwamen in het Boomse grote veranderingen op industrieel
gebied door de totale omwenteling in de fabrikatie van bakstenen.
Vooreerst waren er de steeds verdergaande uitgravingen van de kleigroeven, de langere afstanden af te leggen tot de bak- ovens, die hun inplanting hadden bij de oevers van de Rupel, de steeds in lengte en oppervlakte toenemende natuurlijke droogloodsen en de groeiende produktie, die niet meer
toelieten met mankracht en kruiwagen vervoer te plegen.
Om hieraan het hoofd te bieden gingen de steenbakkersbazen over tot de aankoop van smalspoor materiaal: er werden sporen geplaatst en decauville wagens in gebruik genomen.
Hierdoor kregen nieuwe firma's bekendheid zoals Charles Frateur, werkhuis het Anker, die onderdelen zoals loopwielen (voornaamste leverancier Griffin te Merksem), assen en
asdragers van buitenaf betrokken, om met zelfgemaakte raamwerken en houten sponningen tot kleiwagens te bouwen en samen met de sporenleggers als smalspoorspecialisten op te treden. De reeds genoemde Demets en later ook E. Frateur gingen zich eveneens op dergelijk materiaal toeleggen.
Omstreeks 1908 kwamen dan de eerste walkmolens. De walkmolens, met paardenkracht aangedreven en met mankracht (de schop) geladen leverden de stuiken, een kleikoek van ong. 30 kg die vooral voor het vervaardigen van dakpannen gebruikt werd, want buiten de bakstenen had praktisch iedere steenbakkerij ook een afdeling voor de gekende Boomse pan.
Omstreeks 1911 werden met de toenmalige begrippen massaal de emmerkettingbaggers en de steenmachines in bedrijf gesteld.
De eerste emmerkettingbaggers werden geleverd door Hovers (Tilburg, NL.) bij Landuydt en De Beuckelaer en door
Weserhütte (Bad oeyenhausen, D.) bij swenden.
De steenpersen kenden 2 types: de "staanders" en de "liggers".
De eerste soort kwam van Janssens (Turnhout, B.), de tweede soort van Grocke (Merzeburg, D.) en van de reeds eerder
genoemde Weserhütte.
Na enkele jaren was deze laatste firma de ongekroonde koning- leverancier der rupelstreek. Eigenaardig detail is ook dat de firma Grocke tijdens de eerste wereldoorlog zijn eigenaars moet verloren hebben, want na 1919 werd er nooit iets meer van gehoord en in het begin der 30er jaren kon niemand in
Merzeburg zich de naam van deze firma nog herinneren.
Door de opkomende vraag van de kleinere bedrijven die de groten wensten te volgen, vatte Landuydt het plan op zelf machines voor de steenbewerking te bouwen, eerst voor eigen behoeften en later voor anderen: zo ontstonden de Ateliers Landuydt naast de Briqueteries Landuydt.
Na de eerste wereldoorlog werd te Boom in 1919 de samenwerkende vennootschap Boomsche Metaalwerken opgericht door Arthur De Winter met als eerste werkende vennoten Gustaaf De Winter, Isidoor Schoenmakers, Jan Haems en Gustaaf Rotsaert.
Tijdens de oorlogsjaren was A. De Winter werkzaam bij de Ateliers de la Dyle te Leuven, toenmalig groot bedrijf en bekend als leverancier van spoorwegmateriaal aan de Belgische spoorwegen.
Na het beëindigen der vijandelijkheden en terug op gang komen van de Belgische industrie, was er plots een grote behoefte aan nieuwe wagons. Het
rijdend materiaal was sterk uitgedund, vernield of meegevoerd door het Duitse leger en het
overgeblevene, 4 jaar gedwongen verwaarloosd, moest dringend herstellingen en vernieuwingen ondergaan.
Bij de nieuwe firma Boomsche Metaalwerken werden enkele mensen uit het Leuvense en het Mechelse aangetrokken en de eerste
aktiviteit ging van start met het opknappen van heelder loten materiaal van de "ijzeren weg". Tevens bestonden er plannen om met de fabrikatie van nieuw spoorwegmateriaal te starten, doch zover is het nooit gekomen.
Men kreeg de handen vol herstellingen allerhande en met nieuwbouw van metalen spanten voor bedrijfshallen en gebouwen zoals bv. de kazerne van Gembloux,... en de steenbakkersbazen die kwamen aandringen om voor hen steenbakkerijmachines te bouwen.
Door de enorm gestegen vraag naar bakstenen en pannen, de wederopbouw der verwoeste gewesten was op gang gekomen, kwamen er dringende noden om de produktie der steenbakkerijen te verveelvoudigen en de vroegere Duitse leveranciers waren de eerste jaren niet meer op de markt.
De gebroeders Haesaerts van de firma Rupel & Nethe die nog juist vóór 1914 kans gezien hadden om ook tot modernisatie over te gaan, gaven toelating de
emmerkettingbaggers, voorbereidingsmachines en steenpersen te komen bekijken zodat de direktie van de "Boomsche" zijn tekenaars er op uit stuurde om alles te schetsen, te meten en op plan te zetten. ontbrekende zaken werden bij andere bedrijven bekomen, dikwijls met de verdoken medewerking van de meestergasten en op zondagen en zelfs 's nachts bij kaarslicht of petroleumlamp.
Op deze manier werden bij "Boomsche" de eerste emmerkettingbaggers in produktie genomen en werd er begin 1920 al een geleverd, gekend in de streek als de bagger van "Leclerq". Een tweede volgde spoedig bij Van der Planken.
Door de opgevoerde baksteenproduktie kreeg men weldra ook problemen met het laden der binnenschepen die in de 20er jaren alleen voor het vervoer der afgewerkte produkten instonden.
De eerste laadkraan aan de boorden van de Rupel werd door Titan Anversois Hoboken geleverd, dra gevolgd door Weserhütte
die opnieuw op de proppen kwam en die een stevige reputatie van degelijk materiaal had zodat deze firma bij
Swenden en Rupel en Nethe leverde.
Toen de produktie van bakstenen nog verhoogde, de gouden jaren van de steenbakkerijen, en zelfs er grote uitvoer naar
Engeland (met kleine zeeschepen) op gang kwam verhoogde ook de vraag naar typische laadkranen (hamerkranen) zodat ook dit materiaal bij de Boomsche Metaalwerken werd in overweging genomen. Daar echter hun tekenaars en techniekers de handen vol hadden met baggers en ander materiaal werden akkoorden getroffen met de mensen van Titan om de plans te leveren.
Van 1920 tot 1930 werden de meeste bestellingen van emmerkettingbaggers bij Landuydt en Boomsche Metaalwerken geplaatst,
terwijl laatstgenomende er zelfs een internationale bekendheid tot in Zuid-Amerika toe mee kreeg. Het was dan ook niet te verwonderen, door de stijgende vraag naar de mekanisatie die nadien ook veelvuldige herstellingen met zich mee brachten,
dat sommige werknemers van Boomsche Metaalwerken waagden een eigen bedrijf op te richten. Vermelden wij als voornaamsten Alfons Femont die in 1929 van start ging met konstruktie en herstelling voor steenbakkerij materiaal , voornamelijk het
rollend en die na enkele maanden een andere "boomsche" werknemer tot zich trok, nl. Kamiel Verhoeven, om samen in 1930 de feitelijke vereniging Bagger & Kranenbouw Femont en Verhoeven op te richten en die in 1931 tot PVBA werd omgevormd.
Beide jonge mannen kregen een deel van deze bloeiende markt voor zich en kregen snel bekendheid met kleiwagons, kipwagens,
kabeltractie, maar namen met succes uitbreiding door diesel loco's te bouwen die de paarden vervingen, met mechanische snijtafels (om de kleikoek tot formaatsteen te snijden) met elektrische traktie en overzetwagons
(transbordeurs), kolenliften voor de ringovens en last but not least
emmerkettingbaggers en laadkranen.
Een nieuwe impuls en een bijkomend programma kregen de Boomse bedrijven met de vraag naar grondverzetmachines, ontstaan in de 30er jaren door de uitgravingen voor het Albertkanaal en het begin der moderne wegenbouw. Tegelijkertijd kwamen de behoeften aan het licht van handelaars in bouwstoffen, meestal gevestigd aan rivieren en kanalen.
Om aan deze vragen te kunnen voldoen werden te Boom de bouw van dragline mekanische schoppen, rupskranen met dieselmotor en elektrische kranen met grijper en haakbedrijf aangevat en met groeiend succes verkocht.
Dit gaf dan weer behoefte aan gegoten staal waarbij Boomsche Metaalwerken een moderne staalgieterij oprichtte.
Tenslotte kwam er ook de modernisatie van de Antwerpse haven wat opnieuw veel werk voor het Boomse meebracht, maar daarover zullen wij het in deze korte historiek niet meer hebben... want de pionierstijd is voorbij!
Nota bene: Er werd gebruik gemaakt van de oorspronkelijke benamingen zoals bv. Boomsche Metaalwerken.
Bronnen:
Mijn eigen vader die het grootste gedeelte van deze periode in zijn leven eerst als werknemer, later als werkgever, heeft
meegemaakt.
Frans Camille Verhoeven werd te Boom geboren op 2 december 1903 als jongste telg uit een eenvoudig arbeidersgezin. Door zelfstudie verwierf hij de mogelijkheid op te klimmen op de maatschappelijke ladder en bracht het van gewone leerjongen tot een sociaal voelend werkgever van een bekende KMO, eerst
met een vennoot, later volledig alleen.
Als jongeman studeerde hij aan de gewestelijke Nijverheidsschool (avondschool) ter gemeente en behaalde het diploma leraar in 1924 te Antwerpen, nog voor de school, de huidige P.T.S. door de provincie werd overgenomen.
Hij bleef leraar avondleergangen tot 1948 wanneer hij wegens een verergerend voetletsel ontslag vroeg. Hij nam een
welverdiende rust op 74-jarige leeftijd. Camille Verhoeven is overleden te Aartselaar op 14/10/1982.