TEN BOOME
DE GILDEN Door E.H. Sel [1]
In de vroegste tijden wanneer de
leenheeren bijna onophoudelijk in oorlog waren, maakten de leenmannen geheel
hun krijgsmacht uit. Deze waren tot dien dienst verplicht uit kracht aan de
hulde, die zij aan hun meester verplicht waren.
Doch,
benevens die gedwongen soldaten, waren er, op veel plaatsen, gildebroeders,
die den kruisboog of den handboog, voor wapen droegen, en desnoods, als
vrijwilligers, met den heer ten strijde trokken. Buiten oorlogstijd vormden
zij een soort van burgerwacht, gelast om de algemeene veiligheid en de rust te
bewaren.
Later, op 't einde van de 15de eeuw, toen de vorsten bezoldigde troepen
tot hun dienst beginnen te nemen, verloren de schuttersgilden allengskens
[2]
het oorspronkelijk doel, waartoe zij tot stand gekomen waren; maar
zij bleven toch met hun verworven voorrechten bestaan, alleenlijk om zich op
wip-en doelschietingen te vermaken, en met uitgelegde gelden, op gezette
dagen, eens vroolijk te teren.
Zulk een genootschap bestond al vroeg te Rumst: inderdaad, tijdens de
15de en de 16de eeuw, waren de volksfeesten, gekend onder de naam van
landjuweelen, op de dorpen in vollen gang: dit waren als zoveel als nationale
prijsschietingen, die de gilden van verschillende plaatsen zich onderling
gaven. Op zulk een landjuweel, dat te Merchtem, den tweeden sinksendag van het
jaar 1549, geopend werd, waren de kampende gilden zoo talrijk, dat de
schieting acht dagen duurde.
Nu, de schutters van Rumst behaalden er den eersten prijs, en daar het
de gewoonte was dat de overwinnaars de medekampende gilden, tegen het volgend
jaar, op een schuttersfeest uitnoodigden, zoo werd er in 1550 een landjuweel
gehouden te Rumst, waar ditmaal de hoogste prijs gewonnen werd door de gilde
van Meerhout(die prijs bestond doorgaans uit vijf zilveren tellooren).
Dergelijke genootschappen bestonden er ook twee te Boom, namelijk de
oude en de jonge gilde. In welk jaar zij beiden tot stand gekomen zijn is tot
heden tot nog toe onbekend. Wij zijn bijna zeker dal de charters(of
kaarten, gelijk men ze noemde)waarbij de gilden van Boom door de Oppergilde
van Leuven, wettig zijn ingericht geworden, nog bestaan, 't is onze schuld
niet dat wij die niet konden bekomen
[1]
Sel. "Proeve van Historische Mengelingen over `t Land van Rumst en in
het bijzonder over de Heerlijkheid van Boom". Leuven, 1873. Blz. 147 en
volgenden.
[2]
langzamerhand
Evenwel
mag men met zekerheid zeggen dat de oude bestaan heeft vóór de jonge, dit
blijkt immers genoeg uit de benaming van oud en jong.
Overigens
is het nog zeker dat zij alle twee, ten jare 1629, reeds bestonden. Inderdaad,
de oudste der drie registers toebehoorend tot de oude gilde, en ons door
Mr.Frans Rens ter hand gesteld, begint met de jaarrekening van 1629, en
aangezien er in dienzelfden register geen gewag gemaakt wordt, noch van de
instelling, noch van het reglement der oude gilde, zoo mag men vermoeden dat
dit genootschap vóór 1629 bestaan heeft, en dat oude registers het
oorspronkelijk reglement en vroegere rekeningen bevattend, verloren geraakt
zijn.
Wat nu de jonge gilde
betreft, zij moet insgelijks voor dit tijdstip in wezen geweest zijn, vermits
gemelde rekening(1629) spreekt van den ouden handboog en dat men niet noodig
had dit bijvoeglijk naamwoord te gebruiken, indien de jonge niet bestaan had. Rekeninghe,
bewijs ende religua die midts dezen is doende Gillis Selderslagh als deken
geweest hebbende van edelen ouden hantboghe van S.Sebastiaan inde prochie van
OnserLieve-Vrouwen namloosen Boom ...inden jare sesthienhondert ende
neghenentwintich.
Het
oudste document dat wij bezitten over de jonge gilde, dagteekent slechts van
1685, en is onderteekend als volgt:
Gilliam
Spillemaeckers hooftman;Andries Vandenbril coninck;Adriaen Van
Camp deken;Jasper Vandenberghe alfferus van de jonge gilde;
Peeter
Maes,Andries Spillemaeckers,Jan Coeckelbergh,Anthony Somers,Michiel
Somers,Gillis Van Put,Gillis Van Reeth,allen gemeyne gillebroeders.
In de dorpen bestond
oudstijds het gebruik den vogel te schieten op een lange speer, die uit den
toren of door het dak der kerk uitgestoken was. Dit heette men den papegaai
schieten. En 't is wel mogelijk, dat dit gebruik of liever misbruik, hier ook
bestaan heeft; want in de rekening van 1629 treft men o.a. deze aantekening
aan: betaelt aen Elisabeth Lemmens
datter vertert is dat de gilde haeren papegaey geschoeten heeft 10 guld 5 st.
noch betaelt aen Geert Van Reeth voer een half thon bier als wij den papegaey
schoeten, 4 guld. 2 st. Dit misbruik moest in 1721, op vele parochiën
nog bestaan; want dit jaar hebben de landdekens van het aartsbisdom van
Mechelen een smeekschrift aan het hof van Brabant ingediend, ten einde de
afschaffing ervan te bekomen, en den 21 oktober 1721 verscheen een decreet van
den soevereinen raad, waardoor soortgelijke oefeningen voortaan streng
verboden werden. Doch wij haasten ons te zeggen dat, ingeval dergelijke
gewoonte ook te Boom zou bestaan hebben, zij daar echter lang vóór 1721
buiten gebruik gevallen is: immers de rekening van 1633 meldt dat in dit jaar
een schietplein in voege gekomen is, op zeker stuk land.
Dit
land strekte zich uit van aan de huidige groote markt, tot aan de middelbare
school, langsheen de kerkstraat en de hospitaalstraat van de kerk. Men leest
daar: betaelt aan cant te graven op kerckenvelt om te maken schutters hoof, daar
voor 3 guld. 10 stuyvers; noch betaalt aan een paar spoeren voer den pastoor
omdat hij consent3
droech van schutters hoof op velt te maecken 1 guld. 4 st.
Die
plaats, aldus met kanten omzet, heeft langen tijd voor de wipschieting
gediend, zonder dat daar ooit een bestendige wip gestaan heeft, want tot in
1686 wordt er jaarlijks een uitgave in rekening gebracht "voer het
graeven van den put ende stellen van den boom om den voeghel te schieten. 't
Is slechts in 1687 geweest, wanneer het schuttershof overgebracht geworden was
naar een oud uitgebakken gelaag, genaamd de Elzen(thans het achterste gedeelte
van den hof van Onze-Lieve-Vrouw presentatie), dat een vaste wip tot stand
gekomen is, en dit op de gemeene kosten van de oude en jonge gilde.
1687.-Betaelt
aan dekens en de hooftman van de jonge gilde, betaelende voor het stellen ende
maecken van de wip, dus hier de helf 25 guld.
1779:
Betaelt aan Jan Baptist Pauwels hooftman van de jonge gilde de somme van 39
guldens voor de hellicht4
van de nief wip; item 17 stuivers aen Francis Delaet voor de wip naer de
helsen te voeren. (registers der
oude gilde)
Op 12 juni 1685, werd voor den notaris Ceulemans, binnen de vrijheid van
Rumst verblijvende, een act gepasseerd, waardoor zekere Willem
Spillemaeckers, die de eigenaar was van de elzen, aan de jonge gilde de
eeuwigdurende toelating gaf om het schuttershof aldaar te vestigen, op last
van de gildebroeders, na zijn afsterven, jaarlijks een mis van requiem zouden
laten zingen voor hem en zijn huisvrouw Anna Hallemans.
In dezen akt werd ook besproken dat de oude gilde dezelfde rechten genieten
kon, indien zij zich met de jonge wilde verstaan om gezamenlijk de lasten te
dragen. Ongetwijfeld is deze schikking aanvaard geworden, vermits de oude
gilde sedert toen tot over vijftig jaar(1823)in de onkosten gekomen is, die
voor het maken of onderhouden der wip en voor het zingen van het jaargetijde
te doen waren.
Het
schuttershof dan, voor de beide gilden , is in de elzen gevestigd geweest
sedert 1685 alwaar het is blijven bestaan tot in 1829. Dit jaar werd hun, door
de toenmaligen eigenaar, verboden van den vogel daar nog te komen schieten.
De
leden der jonge gilde steunden op den akt van 12 juni 1685(zie afbeelding), waarvan zij
gedurende honderdveertig jaar, de voorrechten genoten en de lasten
ononderbroken volbracht hadden, wilden tegen dit verbod in proces gaan.

Foto: Van de oudheid tot het jaar 2000, A.Vinck
3
stemde toe
4
hellicht = helft
Te dien einde
gingen eenige van hen naar Mechelen, bij advokaat Verhaghen, om raad; en
deze gaf voor advies dat de gildebroeders niet wettig bevoegd waren eenig
tegen den eigenaar in te spannen, om reden dat sedert 1796 alle wereldlijke
genootschappen afgeschaft waren, en derhalve dat de eischen gedaan in den
naam van een societeit, die door den staat zelf vernietigd was, in het
recht niet konden ontvangbaar verklaard worden.
Hierdoor
zagen ze af van elk verder rechtsgevolg, en voerden hun wip over naar den
bleik van Nagels, waar nu de middelbare school gebouwd is. Hier is de wip
eenigen tijd blijven bestaan, tot zij eindelijk omtrent veertig jaar
geleden(ca 1830), overgebracht is geworden achter het huis van Peeter Jan
Hellemans op den Antwerpschen steenweg.
Gelijk
de beide gilden hun schuttershof in gemeenschap bezaten, zoo hadden zij ook in
de kerk een gemeene kapel, die toegewijd was aan St-Sebastiaan, en waarvan zij
te samen het onderhoud bekostigden. Dit blijkt uit de volgende aanteekeningen,
welke men in de registers der oude gilde aantreft:
17
augustus 1672 is in de vergaedering van den heere hooftman, keyser,
coninck ende dekens en de gemeyne gillebroeders geresolveert dat alle de boete
en de incoomgelt sal gereserveert worden tot het opmaecken van den niven outar5
voor St-Sebastiaan. 1681: betaelt aan Dominicus Van Breedam ende
Mattijs Dillewijns voor vacasie om te gaan naar Antwerpen om te bezien den
outaer.
1682:
betaelt aan den schilder die St-Sebastiaan op de schilderij heeft geschilderd,
18 guldens, item voor het brengen van de schilderij 6 stuivers.
1690(en
later): betaelt aen mijnheer pastoor ende coster over de mis van Gilliam Spillemaeckers voor de plaets van de wip, 1 gulden.
1740:
betaelt aen Hieronimus Covent voer het maecken van den nieuwen outaer 112
gulden, en voor het schilderen 6 gulden, voer de hellicht.
1753:
betaelt aan Jan Baptist Van Onckelen over het leveren van steen ende plavey
tot het maecken van den taefel voor den outaer van St-Sebastiaan voor de
hellicht 13 1/2 stuivers; item betaelt aan Michiel Frans Parijs over
leveringhe van berde6
gedient hebbende tot het maecken van eenen nieuwen trei ofte trap voor den
outaer van St-Sebastiaen voor de hellicht 4 gulden 18 stuyvers; item betaelt
aan Joseph Van Aken tot het maecken van denzelve trap, voor de hellicht 4
guld. 7 st.
1766:
betaelt aen den heer pastoor de hellicht van de nif outeperriom7
van St-Sebastiaens oulhaer 12 gulden enz...
Was
er een plechtigheid of een feestje in het dorp, de twee gilden, met de trommel
voorop, maakten doorgaans deel van den stoet.
Zoo
zien wij hen vanouds de processiën vergezellen; den bisschop, wanneer hij
kwam vormen, en den heer van 't hof, bij den aanvang van zijn gebied, tot op
de uiterste palen van het dorp te gemoet gaan, om ze te verwelkomen;
insgelijks den nieuwgekozen hoofdman met praalwagens en een fraai gemaakt
schipken, van uit het huis naar de teerzaal inhalen.
5 outar = altaar
6 hout of planken
7 wimpel of vaan van een kostbare stof
Tot deze processiën waren al de leden van de beide gilden, op zware geldstraf gehouden. De hoofdman en de twee dekens droegen ieder een staf met zilveren top, de koning prijkte met een zilveren breuk8, en met een zilveren vogel, de alferus9 zwaaide een kostbaar vaandel, de gemeene gillebroeders der oude gilde droegen een boog en die der jonge een pijl met bloemen versierd. Het beeld van St-Sebastiaan werd omgedragen door de vier jongste leden.
Op
drie verschillende tijdvakken van het jaar werd er twee dagen
achtereenvolgens geteerd, te weten den tweeden en den derden sinksendag;
den zestienden en zeventienden augustus en op den feestdag der hun
beschermheiligen, 20 en 21 januari.
Op
deze vergaderingen werd soms een kluchtige kerel ontboden, om door
snakerijen en koddige streken de gildebroeders met hun vrouwen 's avonds
wat te verzetten; zoo vindt men b.v. in de rekening van 1687: betaelt
aan den boffon ofte sot 12 stuyvers. De voornaamste feestdag nochtans
voor de gilden, was de jaarlijksche schieting van den koningsvogel, die op
den tweeden sinksendag plaats greep. Te dien gelegenheid kwamen al de
leden 's morgens op de gildekamer bijeen, en trokken stoetsgewijs, met
trommel en vaan naar het schietplein.
Wie den vogel afschoot, werd als koning voor dit jaar uitgeroepen,
en in volle vreugde naar de kerk geleid, alwaar onmiddellijk het lof
gezongen werd. Van de kerk ging de stoet naar de zaal, en hier dronk men
eens vrolijk op de gezondheid van den nieuwen koning. Als het gebeurde dat
dezelfde persoon drie jaar achtereenvolgens den koningsvogel afschoot, dan
werd hij als keizer uitgeroepen, en bleef zijn leven lang, met dien
eeretitel, vrij van alle gelag. Dit is het geval geweest voor Peeter
Lemmens, Jacob De Bruyn, Wouter Verheyden, Peeter Verheyden, Peeter
Verhaegen, en Willem Van Onckelen, die den eerenaam van keizer verworven
hebben; de eerste in 1659, de tweede in 1697, de derde in 1739, de vierde
in 1744, en de laatste in 1792.(in de jaren 1630, 1631, 1632, 1634, 1635
en 1636 zijn alle feestvergaderingen geschorst geweest, om de pest, die
toen hier en in de naburige dorpen schrikkelijk gewoed heeft)
De muziek, welke de gilden op hun kosten in de processiën deden spelen, bestond uit één vedelaar of vioolspeler en één trommelaar. Zoo leest men jaarlijks in de oudste rekeningen: betaelt aan twee spellen eene feyselaer en eenen tamboer voer het spelen in de processie van H. Sacramentsdag en alf oogst 3 gulden.
De gewoonte van
zoiets onnoozels in de processiën te hebben was schier algemeen op de
buitendorpen. Voegen wij hier nog aan toe dat de alferus zijn vaandel met
een zekere behendigheid links en rechts rondzwaaide, en wij zullen ons
een denkbeeld vormen van de eenvoudigheid onzer voorouders.
8
een om de
hals gedragen ketting met, meestal zilveren, platen, ook wel brook
genaamd.
9
vaandeldrager
Maar andere tijden andere zeden; later begonnen
soortgelijke vergezellingen als ontstichtend beschouwd te worden, en op
13 juni 1718, op verzoek der geestelijke overheid, verscheen een
De gilden bestonden uit één hoofdman die bij meerderheid van stemmen voor zijn leven gekozen werd; uit twee dekens, een ouderdeken en een jongerdeken, die jaarlijks vervangen werden en gelast waren de rekening te maken van hun dienstjaar; uit een alferus of vaandeldrager; uit één koning die dit jaar den vogel afgeschoten had, en eindelijk uit een zeker aantal gildebroeders, allen van de bijzonderste ingezetenen.
Alvorens
tot lid der gilde aanvaard te worden, moest men den eed van
getrouwheid afleggen in handen van den deken op volgende wijze: Ick N. belove ende sweere als guldebroeder van den ouden eedelen
hantboghe van S.Sebastiaen binnen de parochie van Boom, de hoofdman,
coninck, dekens ende gemeyne guldebroeders van selve gulde altijd te
sijn goet ende ghetrouw ende de ordonantie der selve galde als nu
ghemaeckt ofte naemaels bij advijse van hoofdman, coninck, ende dekens
te maecken, te onderhouden in al haere punten ende clausen ende in
alles te doen ghelijck een guldebroeder schuldigh ende gehouden is te
doen, soo helpt mij Godt ende alle sijne heylighe.
Het ambt van alferus of vaandeldrager werd onder de
gildebroeders, bij verpachting, uitgegeven, doorgaans voor een som
van 80 gulden, ééns te betalen. De alferus met zijn vrouw waren hun
leven lang vrij van alle gelag.
In den loop van 1796, vierde jaar der Republiek, werden de
gilden, te gelijk met alle ander verouderde instellingen van dien
aard, in het land afgeschaft. Doch in 1802 zijn zij te Boom
heropgericht; maar thans(1873)hebben zij opgehouden te bestaan. De
laatste rekening der oude gilde dagteekent van 1845.
Naamlijst van de personen, die eenig eereambt bekleed
hebben in de oude gilde, daar onze voorouders het zich tot een groote
eer achtten deel uit te maken van de gilde.(de doop-en familienamen
werden hier letterlijk overgeschreven gelijk zij in de registers zijn
opgeteekend.)
Naamlijst
der hoofdmannen
------------------------------------
|
Geeraert
Hallemans |
1636
tot 1663 |
|
|
George
Bosschart |
1664
tot 1678 |
|
|
Andries Pirioens |
1679
tot 1680 |
|
|
Gillis De Jonghe |
1681
tot 1692 |
|
|
Adriaan
Vandenvliet |
1693
tot 1702 |
|
|
Willem
Boschart |
1703 tot 1718 |
|
|
Michiel
Bosschart |
1719 tot 1732 |
|
|
L.
De Swert |
1733
tot 1743 |
|
| Lopez De Gradin | 1744 tot 1750 | |
| Carl J. Simon | 1751 tot 1769 | |
| J.E.De Beckers | 1770 tot 1801 | |
| Jan Baptist Sel | 1802 tot 1819 | |
| Pet. J.Spillemaeckers | 1820 tot 1845 | |
naamlijst der alferussen(vaandeldragers)
--------------------------------------------
|
Merten Braeckmans |
1640 |
tot |
1646 |
|
Jan Hallemans |
1647 |
tot |
1678 |
|
Adriaen Suyens |
1679 |
tot |
1716 |
|
Simon Verhavert |
1717 |
tot |
1733 |
|
Guilliam Steenackers |
1734 |
tot |
1749 |
|
Carolus Deheldt |
1750 |
tot |
1759 |
|
William de Wachter |
1760 |
tot |
1784 |
|
Michiel Struyf |
1785 |
tot |
1826 |
|
Frans De Wachter |
1827 |
tot |
1845 |
naamlijst der dekens met hun dienstjaar
---------------------------------------
Gillis
Seldeslach 1629, Jan Hallemans 1632, Jan Boelpaep 1633, Andries Beeckmans
1636, Jan Somers 1639, Jan Van Denvliet 1640, Jan Pirioens 1641, Jaques Van
Denbossche 1642, Geeraedt De Bruyn 1643, Andries Pirioens 1644, Gillis
Seldeslach 1645, Jaques De Bruyn 1646, Antony Van Denbogaert 1647, Andries
Beeckmans 1649, Peeter De Bruyn 1650, Hendrick Verthommen 1652, Jan Van
Denvliet 1653, Peeter Coveliers 1654, Jan Van Onckelen 1657, Adriaen Van
Denvliet 1658, Jan Pirioens 1659, Cornelis Boelpaep 1660, Jan Hallemans 1661,
Hendrick Verthommen 1662, Jaques Verheyden 1663, Andries Pirioens 1664,
Peeter Franchois 1665, Peeter Lemmens 1666, Peeter Coveliers 1668, Jaques De
Bruyn 1669, Daneel Verbrugghen 1670, Adriaen De Bruyn 1671, Gillis De Jonghe
1672, Jan Seldeslach 1675, Gillis Beeckmans 1677, Gilliam Nuyens 1678, Gilliam
Dillewyns 1679, Dominicus van Breedam 1680, Jan Coveliers 1681, Ghysbrecht Van
Bulck 1682, Peeter Roels 1683, Andries Pirioens 1684, Adriaen Coeckelbergh
1685, Francois Addiers 1686, Gilliam Selleslach 1687, Sillis Klamendt 1689,
Michiel De Bruyn 1690, Joos Verhavert 1691, Jan Boelpap 1692, Mathys
Dillewyns 1693, Peeter Crauwaerts 1694, Martinus Verhaegen 1695, Gillis
Selleslach 1696, Jan Clement 1697, Adriaen De Bruyn 1698, Augustyn Puttemans
1699, Franchoys Peeters 1700, Peeter Peeters 1701, Gilliam Van Nonckelen
1702, Geeraert De Bruyn 1703, Guilliam Van Onckelen 1704, Jacobus Seldeslach
1705, Gilliam Apers 1706, Guilliam Van Denvliet 1707, Jan Van Onckelen 1708,
Cornelis koeveliers 1709, Cornelis Huygelen 1710, Gommer Van Bulck 1711,
Christoffel Van Zeebroeck 1712, Pelipus Apels 1713, Peeter Miers 1714, Jan
Pierions 1715, Andris Beckmans 1716, Jan Boelpaep 1717, Gilliam Roels 1718,
Peeter Verreycken 1719,Jacobus Roels 1720, Peeter Scholiers 1721, Jan
Verheyden 1722, Gillis Selleslachs 1723, Gilliam Lamot 1724, Peeter De Bruyn
1725, Adriaen Bal 1726, Gillis Clement 1727, Jan Puttemans 1728, Merks Mampaey
1729, Peeter De Bruyn filius Petri 1730, Adriaen Van Denvliet 1731, Michiel
Parys 1732, Philupus Apers 1733, Rochus De Wachter 1734, Gillis Costermans
1735, Peeter Verhaegen 1736, Jan Steenackers 1737, Wouter Verheyden 1738, Jan
Van Denvliet 1739, Michiel Selleslagh 1740, Jaques van Linden 1741, Gillis De
Budt 1742, Gillis Van Bulck 1743, Martinis Van Denbriel 1744, Adriaen Miers
1755, Adriaen De Bruyn 1746, Addrejaen Mampaey 1747, Jan Baptist Van Onckelen
1748, Gilliam Lauwers 1749, Guiliam De Wachter sone Rochi 1752, Gillis Van
Derauweraet 1753, Michiel Pierions 1754, Francis De Bruyn 1755, Francus De
Bruyn 1756, Guilliam van Onckelen 1757, Anthoon Beeckmans 1758, Peeter
Verdonck 1759, Jan De Wachter 1760, Jan De Cuyper 1763, Jan Bal 1764, Peeter
Clement 1765, Gilliam Vertonghen 1766, Francus De Laet 1767, Lauwerys De Proft
1768, Jan De Bruyn 1769, Gillis Struyf 1770, Gillis Selleslaghs 1771, Jacobus
Van Berendonckx 1772, Jacobus De Wachter 1773, Philippus Bridts 1774, Gilliam
Steenackers 1775, Andries Verrrept 1776, Jan Baptist Verheyden 1777, Jan
Baptist Cop 1778, Geeraert Mampaey 1780, Bruno Spillemaeckers 1781, Peeter
Spillemaeckers 1782, Jacobus Van Hoeck 1783, Peeter Verheyden 1784, Antonis De
Wachter 1785, Gielus Keldermans 1786, Francois Spillemaeckers 1787, Gilius
Assselbergh 1788, P.Lauwers 1789, Frans De Backer 1790, Peeter Joos 1791,
Cornelius Kop 1792, Jacobus van Bulck 1793, Cornelius Reyniers 1794,
Joannes Pierions 1795, Gillis Van Der Auwera 1796, Adriaen Van Nuffel 1802,
Joannes B.Reyniers 1803, Jan Baptista Van onckelen 1804, Franciscus Mampaey
1805, A.Hendrickx 1806, Andries Van Bulck 1807, A.Van Reeth 1808, Michiel
Mampaey 1809, Peeter Voorspoels 1810, Guiliam Bal 1811, Jan Roelands 1812,
Judocus Forceville 1813, Jacobus Van Onckelen 1814, Peeter Jan Van Denbogaert
1815, Jacobus Van Onckelen 1816, Guilielmus Roels 1817,E.De Wachter 1818, Jan
Baptist Maes 1819, J.B.De Wachter 1820, Cornelis Stenakkers 1821, Jan Baptista
Janssens 1822, Joannis Baetens 1823, Francus Briedts 1824, Peeter Struyf 1825,
Jan Baptist Selleslaghs 1826, Franciscus De Pooter 1827, Peeter Vertommen
1829, Peeter Ceuppers 1833, Petrus Vinck 1841.