TEN BOOME
VICTOR DE MEYERE
Voordracht door Prof Dr. S. Top K.U.Leuven
Verwelkoming door Karin Blommaert Bestuurslid
Ten Boome
Goedenavond,
dames en heren.
Ik
ben blij u vanavond te mogen verwelkomen op de voordrachtavond van Ten Boome,
die zal handelen over Victor De Meyere. Daarnaast ben ik ook erg trots u
vanavond één van mijn Leuvense professoren te mogen voorstellen: Prof Dr.
Stefaan Top.
In
de licenties Moderne Geschiedenis kregen wij de kans via enkele keuzevakken
nader kennis te maken met aangrenzende onderzoeksterreinen en deelaspecten van
de "Grote Geschiedenis". Ik moet u bekennen dat het vak
"Volkskunde" van prof Top heel wat geïnteresseerden had. Wat
daarvan de oorzaak was, hebben we niet wetenschappelijk onderzocht, maar het
feit dat er veldwerk aan te pas kwam, leek velen wel aan te spreken ! Ikzelf
ging hier in Boom op zoek naar echtparen die hun 50-jarig jubileum gevierd
hadden, om zo de specifieke volksgebruiken hieromtrent te ontdekken.
Maar dit even ter zijde. Prof Dr. Top werd geboren in het West-Vlaamse
Langemark in 1941. Na zijn Grieks-Latijnse humaniora studeerde hij Germaanse
Filologie aan de Leuvense universiteit. In 1974 doctoreerde hij met een
proefschrift over de Bende van Bakelandt. Naast zijn onderwijsopdracht als
hoofddocent aan de K.U.Leuven, verricht Prof Top onderzoek op het terrein van
het volkslied, het volksverhaal, de feestcultuur, zeden en gebruiken en de
volksgeneeskunde. Dat Prof Top in de volkskunde een eminent figuur is, mag
blijken uit zijn drukke activiteiten als voorzitter en redacteur van
verschillende verenigingen en tijdschriften. Zo is hij voorzitter van de
Kommission fur Volksdichtung van de Société Internationale d'Ethnologie et
de Folklore, van de stuurgroep Volkskunde van Belgisch - en Nederlands
Limburg, van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen vzw en co-voorzitter
van de Werkgroep Volkscultuur van het Algemeen Nederlands Verbond. Hij is
hoofdredacteur van het tijdschrift Volkskunde, redacteur van het tijdschrift
De Brabantse Folklore en Geschiedenis en van het jaarboek Ethnologia
Flandrica, hij is eveneens eindredacteur van de volkskundige almanak, `t
Beertje. Prof Dr. Top is tevens lid van het Dagelijks Bestuur van de
Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde.
Ten Boome heeft Prof Dr. Top vanavond uitgenodigd om ons
wat meer te komen vertellen over de Vlaamse schrijver en volkskundige Victor
De Meyere, die op 13 april 1873 in Boom werd geboren en in 1938 overleed te
Antwerpen. Voor het vervolg van dit levensverhaal geef ik graag het woord aan
de professor.
Victor
De Meyere (1873-1938): literator en volkskundige
Lezing door prof. Dr. Stefaan
Top
Inleiding
Victor
De Meyere is een bijzonder boeiende figuur, omdat hij op twee verschillende
terreinen van
de humane wetenschappen zeer bedrijvig is geweest en niet onbelangrijke sporen
heeft achtergelaten.
Dit overzicht van zijn werk is niet
exhaustief bedoeld; we willen alleen enkele interessante accenten leggen op zijn wijd vertakte
bezigheden als creatieve kunstenaar en vooral als gedreven volkskundige.
Enkele biografische gegevens
Op
13 april 1873 zag Victor De Meyere in Boom het levenslicht als derde kind van
het gezin Honoré Frans De Meyere, geboren Gentenaar en politiecommissaris in
Boom, en Maria Louisa Verhaegen, geboren in Wuustwezel. Naar verluidt, kende
moeder De Meyere heel veel oude liederen en verhaaltjes, zodat het
geenszins verwondert dat de zoon daardoor gefascineerd werd en
later aan die orale overleveringen bijzondere aandacht zou besteden.
Na zijn schooltijd in Boom gaat de
jonge De Meyere naar het Koninklijk Atheneum in Antwerpen, waar
hij de "begeesterende" Pol De Mont als leraar ontmoet. Victor
voltooit zijn middelbare studies niet, maar legt met succes examen af van
kandidaat-deurwaarder. Hij komt zo terecht op de griffie van het Antwerpse
gerechtshof De jonge De Meyere blijft echter contact zoeken met het rebelse
en onconformistische kunstenaarsmilieu in de metropool, zodat al vlug blijkt
dat voor hem geen carrière is weggelegd in gerechtelijke kringen. Dank zij
een tip van Emmanuel De Bom wordt hij vanaf 1900 bediende op het stadhuis. Als
stadsambtenaar brengt hij het tot bureeloverste van de stedelijke
gezondheidsdienst. In 1936 gaat hij met pensioen. Twee jaar later sterft hij
onverwacht aan een hartkwaal op 27 december 1938 in zijn woning, Lange
Lozanastraat 148 te Antwerpen. Zijn moeder (mondelinge overleveringen), Pol De
Mont (literatuur en volkskunde) en Emmanuel De Bom (stadsdienst) zijn de drie
personages die niet alleen zijn leven maar ook zijn levenswerk in hoge
mate hebben bepaald.


Victor De Meyere als literator
Pol
De Mont brengt de geïnteresseerde en begaafde jonge De Meyere in contact met
de binnen- en buitenlandse poëzie en stimuleert hem tot dichten. Als
twintigjarige debuteert De Meyere in het tweede nummer van de eerste jaargang
(1893) van het gerenommeerde en toonaangevende literaire tijdschrift Van Nu
en Straks. In 1894 publiceert hij zijn eerste dichtbundel Verzen. Er
volgen nog bundels in 1903 (Avondgaarde) en 1904 (Het Dorp). De
Meyeres poëzie wordt evenwel niet zeer gewaardeerd. Bovendien wordt hij
beschuldigd van plagiaat, zodat de dichter in hem roemloos tenondergaat en
vanaf 1904 zwijgt. Deze teleurgang houdt misschien ook verband met de
mislukking van zijn eerste huwelijk in het begin van 1900 (in 1895 had hij 1.
Thijs uit Willebroek getrouwd).
Na de publicatie van een romantisch drama in verzen (1899)
vindt De Meyere echt zijn literaire draai wanneer hij novellen begint te
schrijven (vanaf 1904) en hij enkele jaren later met streekromans zoals De
Roode Schavak (1909), Nonkel Daan (1922) en vooral De
Beemdvliegen (1930) de literaire wereld verbaast.
Het is hier niet de bedoeling alle literaire werken de
revue te laten passeren, wel de hoofdkarakteristieken ervan te belichten. Dat
Victor De Meyere nooit zijn geboortestreek heeft vergeten, blijkt vooral uit
zijn proza, waarin het krioelt van allusies op het Rupelgebied. Herkenbare
plaatsnamen (Boom, Niel, Ruisbroek, Wintam) en populaire figuren bevolken zijn
verhalen, die ook alle bol staan van allerlei gegevens uit het dagelijks
leven. De volkscultuur in al haar facetten scoort zeer hoog bij de prozaïst
De Meyere, die herhaaldelijk aandacht besteedt aan uitingen van volksdevotie,
volks- en bijgeloof, volksgeneeskunde, volksgebruiken rond de levenscyclus,
enzovoort. Deze hechte en ondubbelzinnige verbondenheid met volk en land heeft
wellicht een te grote impact gehad op zijn creativiteit, zodat zijn verhalen
meer uitmunten door hun documentaire waarde dan door hun literaire
kwaliteiten. Hoe dan ook valt het op dat Victor De Meyere een doorgewinterd
volkskundige is met literaire aspiraties, die geen heil ziet in "L'art
pour l'art". Integendeel, zijn literaire werk wil hij bewust en met opzet
een sociale en maatschappelijke dimensie geven.
Naast het zuiver literaire werk als poëet, dramaturg en
prozaïst heeft V. De Meyere ook zijn medewerking verleend aan andere
literaire projecten zoals Prudens Van Duyse, Gedichten, verzameld en
ingeleid door Victor De Meyere (Aalst-Bussum 1907, 2 vol.) en Ecrevisse, De
Bokkenrijders in het Land van Valkenberg. Ingeleid door Victor De Meyere
(Antwerpen 1910).
Victor De Meyere als volkskundige
Het ziet
ernaar uit dat V. De Meyere vanaf 1900 de weg naar de volkskunde definitief
heeft gevonden. Op dat moment waren in Antwerpen enkele Franstaligen al jaren
zeer actief bezig met het verzamelen van interessante objecten uit de
materiële volkscultuur. Twee onder hen waren de Franstalige dichter-advocaat
Max Elskamp en de advocaat Edmond De Bruyn, die samen met Emile Van Heurck,
Laurent Fierens, Paul Buschmann sr., Pol De Mont en anderen behoorden tot de
vriendenkring "Conservatoire de la Tradition Populaire" ook wel
"Vereniging tot bewaring der Vlaamsche volksoverleveringen" genoemd.
Deze vereniging had in 1903 haar medewerking verleend aan een succesvolle
volkskundige tentoonstelling georganiseerd in het Brusselse justitiepaleis.
Het was hun doel deze verzameling van volkskundige voorwerpen permanent
tentoon te stellen in Antwerpen. De stadsambtenaar De Meyere slaagt erin de
stad, in het bijzonder Burgemeester Jan Van Rijswijck en Schepen voor Schone
Kunsten Frans Van Kuyck, over de streep te trekken, zodat op 18 augustus 1907
tijdens de Gemeentefeesten, het "Museum voor Folklore" in de Heilige
Geeststraat voor het publiek toegankelijk wordt gesteld. Meteen is dit het
oudste volkskundig museum in Vlaanderen. Edmond De Bruyn (verzamelaar van het
eerste uur en collega van Max Elskamp) werd de eerste conservator en Victor De
Meyere adjunctsecretaris (Georges Serigiers was eerste secretaris). Pas op 7
augustus 1933 wordt V. De Meyere benoemd tot conservator van het Antwerps
volkskundemuseum.
Terwijl De Meyere nog zeer actief is als literator - zijn
eerste novellenbundel Uit mijn Land verschijnt in 1904 en zijn laatste
tevens bekendste roman De Beemdvliegen in 1930 - verdiept hij zich in
de studie van de volkscultuur. Een eerste belangrijk resultaat daarvan is zijn
boek De Volkswoning en hare versiering. Folkloristische studie, die
verschijnt in 1912 als veertiende jaarboek van De Scalden in Antwerpen.
In de
inleiding breekt De Meyere een lans voor de "folklore" als "de
wetenschap die ons inlicht over het weten van een volk" (blz. 9). Hij
gaat heftig tekeer tegen de dilettanten -hij bedoelt hier de verzamelaars -
die eigenlijk niet weten en beseffen waarmee ze bezig zijn en zowel groen als
dor materiaal bijeenbrengen. Welnu hun activiteiten schaden de
"folklore", die niets te maken heeft met "factoren van hoogere
beschaving" maar met "het nederig-levende, primitief-denkende volk,
het volk dat nog van weinige individualiteiten doordrongen is, het volk waarin
het Volksdom zich het best weerspiegelt" (blz. 9), Duidelijk
geïnspireerd door de sociologie, met name zijn professor Guillaume De Greef,
deelt De Meyere de "folklore" in in zeven grote onderverdelingen:
liefde en familieleven, bestaan, schoonheidszin, geloof, wetenschappen,
rechtsleven en bestuur, maatschappelijk leven (blz. 11-14). Deze opdeling is
voor die tijd weliswaar nieuw, maar beslist ook vatbaar voor ernstige
discussie. In het kader van een artikel over "De Vlaamsche Folklore"
in het Jaarboek van de Vlaamsche Toeristenbond 1927 heeft V. De Meyere
deze indeling herhaald (blz. 205-207).
De
eigenlijke studie - het boek is in feite eerder een accurate beschrijving van
wat de auteur in en rond een volkse woning observeert - bevat drie naar
kwantiteit ongelijke delen: de huiskamer (blz. 15-61), de slaapkamer (blz.
63-67) en de tuin (blz. 69-75). Deze indeling biedt De Meyere de kans te
schrijven over onder meer meubilair, keramiek, diverse soorten prentkunst,
gereedschap, planten en bloemen en hun volksgeneeskundige en andere
kwaliteiten. Deze hoe dan ook interessante publicatie is een soort
descriptieve en af en toe interpreterende inventaris van allerlei voorwerpen
die zich toen in het Antwerpse "Museum voor Folklore" bevinden en
die men, zo suggereert de auteur, in (elke) volkswoning in Vlaanderen weer kan
vinden. We betwijfelen of dit wel zo is, want "volkswoningen" waren
toen zeker ook heel verschillend ingericht, tenminste als men rekening houdt
met de geografische setting en de sociale status van de bewoners, hun
beroepsleven, de samenstelling van het gezin en andere relevante factoren. Van
deze mogelijke differentiëring is helaas geen spoor te bespeuren...
Al is
kritiek op de aanpak van het boek en of de definiëring van de
"folklore" door de auteur gegrond, toch moet erkend worden dat
Victor De Meyere met deze publicatie totaal nieuwe paden in de Vlaamse
volkscultuur bewandelt. Dit werk, hoe onvolkomen ook, is een eerste aanzet en
beslist innoverend, want het verruimt het volkskundig
perspectief gevoelig. Het is immers de eerste keer dat in Vlaanderen volle
aandacht wordt besteed aan diverse facetten van de materiële cultuur uit het
dagelijks leven. Tevens levert V. De Meyere met dit boek het bewijs dat
hij de collectie van het Antwerpse "Museum voor Folklore" door en
door kent en dat hij de geïnteresseerden op het belang van dit verzamelde
materiaal wil wijzen. Vermoedelijk wil hij de verzamelaars ook betrouwbaar
leesvoer aanreiken, opdat ze voortaan met wat meer kennis van zaken hun hobby
zouden kunnen bedrijven.
In
1920 treedt V. De Meyere toe tot de redactie van het tijdschrift Volkskunde,
waaraan hij reeds sedert 1912 geregeld meewerkt: een huldebijdrage over
Alfons De Cock naar aanleiding van het verschijnen van diens Natuurverklarende
sprookjes ( zie Volkskunde 23(1912) 47-55); in samenwerking met Leo
Verkein publiceert V. De Meyere over "Volkshumor en volksgeest" en
"Vlaamsche moppen' (Volkskunde 23 (1912) 127-141; 24 (1913) 61-66, 119-123, 25 (1914)
172176, 187-192); een artikel over "Het Foklore-Museum te Antwerpen' (Volkskunde
25 (1914)
(6681) en een boekrecensie (Volkskunde 24 (1913) 40). Met redacteur
Alfons De Cock lijkt V. De Meyere goed op te kunnen schieten, want in
de jaargang 1912 van Volkskunde complimenteren ze elkaar (cfr. supra en
blz. 165-166: lovende bespreking van De Meyeres Volkswoning door A. De
Cock). Vanaf De afleveringen 4 -5 -6 van de jaargang 34 (1929) voert V. De
Meyere de redactie en het beheer van Volkskunde. Niet te
verwonderen dat dit tijdschrift voor hem een uitzonderlijk platform is om de
eerste resultaten van zijn wetenschappelijk werk uitvoerig mee te delen. Vanaf
jaargang 41 (1937) deelt hij, helaas voor een zeer korte tijd, de redactie met
professor Jan de Vries uit Leiden.
Een
totaal nieuw geluid brengt V. De Meyere met zijn verrassende vierdelige
sprookjesverzameling De Vlaamsche vertelselschat, die van 1925 tot
1933 in boekvorm verschijnt bij De Sikkel in Antwerpen. Voordien waren de
meeste van deze teksten gepubliceerd in Volkskunde 27
(1922) - 38
(1933) en in een zestal afzonderlijke boekdeeltjes (1926-1927). In de
inleiding tot deze 489 sprookjes, die alle subgenres vertegenwoordigen
(namelijk dieren-, novelle- en wondersprookjes, verklarende en legendarische
sprookjes, grappige vertelsels, verhalen over de gefopte duivel,
overgangsvormen sage-sprookje), bericht de auteur over de genese van deze
merkwaardige verzameling: hij heeft vroeger verhalen gekregen van
seminaristenvrienden van Pol De Mont en Albrecht Rodenbach; vertellers
hebben hem sommige verhalen bezorgd, en zelf is V. De Meyere actief gaan
optekenen. De belangstelling voor het volksverhaal is er gekomen door kennis
te maken met de verzamelingen van het duo Pol De Mont-Alfons De Cock. Aandacht
voor de verteller en zijn vertelstijl heet De Meyere ontdekt bij het lezen van
werken van de gewaardeerde Franse volkskundige Paul Sébillot, een monument in
de geschiedenis van de "ethnologie Francaise", vooral van de
Bretoense volkscultuur. De Vlaamse vertelselschat van Victor De Meyere
heeft nationaal en internationaal een voorbeeldfunctie en dit om volgende
redenen. Vooreerst toont V. De Meyere veel belangstelling voor de verteller en
de manier waarop hij/zij met het verhaalgoed omgaat.
Vandaar vermeldt hij geregeld de sekse, het beroep en de leeftijd van zijn
informanten, wat in die tijd vrij uitzonderlijk is. In elke bundel zijn vele
bladzijden wetenschappelijke aantekeningen voorzien. Zij bevatten verwijzingen
naar Vlaamse en internationale varianten, die De Meyere kent dank zij de
publicaties van Antti Aarne, Bolte-Polivka en vooral van Maurits De Meyer, die
in 1921 voor het eerst het Vlaamse sprookjesmateriaal volgens de
internationale criteria heeft gerepertorieerd: het betreft Les contes
populairen de la Flandre. Aperçu général de l'étude du conte populaire en Flandre et catalogue de
toutes les variantes flamandes de contes populaires d'après le catalogue des
contes types par A. Aarne (FFC N:o 3), Helsinki 1921 (FF Communications N:o
37). Iedereen is
het dan ook eens om te stellen dat De Vlaamsche
vertelselschat de
beste sprookjesverzameling is die in ons land tot stand is gekomen en dit
zowel omwille van de uitzonderlijke inhoud als omwille van de
wetenschappelijke kwaliteiten.
Als zijn sprookjesproject afgewerkt is, keert V. De Meyere
terug naar zijn eerste liefde, namelijk de materiële volkscultuur. In 1934
publiceert hij zijn opus magnum Vlaamsche volkskunst. Meubelen,
plateelwerk en porselein, ijzer-, koper- en tinwerk, glaswerk, vlechtwerk,
schilderkunst, snij-, boetseer- en beeldhouwwerk, volksprenten, godsdienstige
huisversieringen, knipwerk, huiselijke werken, juweelen, snuisterijen
(Antwerpen, De Sikkel, 332 blz., ill.). De ondertitel maakt duidelijk dat de
auteur zijn onderzoeksdomein zeer ruim opvat en dat hij als het ware een deel
van het Antwerpse volkskundemuseum de revue laat passeren in dertien
hoofdstukken. Dit boek is rijkelijk geïllustreerd en bevat honderden
buitentekstillustraties, waarvan vijf met de hand gekleurde volksprenten
(originele houtsneden). Het is dus zonder meer een bibliofiele uitgave, die
vandaag de dag wegens de hoge drukkosten onbetaalbaar is geworden. Merken we
op dat de inhoud van dit werk ook vroeger reeds verschenen was in Volkskunde
26 (1920-21) - 3 5 (1930) en dat er eveneens in 1934 een Franstalige
editie onder de titel L 'art populaire flamand op de
markt is gebracht (Antwerpen, Brussel).
Merkwaardig
eens te meer is de inleiding (blz. 9-25), waarin wij V. De Meyere als
wetenschapper beter leren kennen en vooral zijn ideeën over de volkskunst,
die volgens hem veel te lang als een assepoester werd beschouwd. Figuren als
de Provençaal Frédéric Mistral en de Frans-schrijvende dichter Max Elskamp
hebben de waarde van de volkskunst al vroeg onderkend en liggen aan de basis
van belangrijke museale projecten in Arles en Antwerpen. Ondertussen is de
internationale belangstelling voor de volkskunst toegenomen. De Meyere
verwijst hierbij naar de gunstige invloed van de Volkerenbond, die o.m. een
paar internationale congressen over volkskunst mogelijk heeft gemaakt (Praag
1928; Antwerpen-Luik-Brussel 1930). Het valt op, aldus De Meyere, dat de term
volkskunst nogal vaak verschillend wordt geïnterpreteerd en gewaardeerd,
vooral als het gaat om de eigentijdse volkskunst en haar revival. Het blijkt
dat tussen wetenschappers en ambtenaren op internationaal en nationaal niveau
grote verwarring rond het begrip volkskunst heerst, en daarvan geeft De Meyere
een paar markante voorbeelden (blz. 1216).
Zelfs in eigen land circuleren tegenstrijdige meningen: Albert Marinus vs. De
Meyere (blz. 1618), ook al omdat sommigen (Marinus) spreken van Belgische,
en anderen (De Meyere) van Vlaamse of Waalse volkskunst (blz. 18). Hoewel
delicaat en moeilijk waagt De Meyere zich toch aan een definitie op bladzijde
19. Verder treedt hij Max Elskamps visie bij dat volkskunst steeds in verband
te brengen is met esthetisch gevoel (blz. 20), wat o.m. door Duitse vaklui
ontkend wordt. Ook weidt de auteur nog uit over het ontstaan en de
ontwikkeling van het fenomeen volkskunst, die hij in verband brengt met de
primitieve mens (blz. 21-23). Tenslotte vermeldt hij nog een paar typische
kenmerken van bepaalde Vlaamse volkskunstuitingen, die hij graag beperkt zag
binnen de contouren van de plastische kunsten. Maar ook daarover blijkt er
geen consensus te bestaan (blz. 24-25)...Door de veelheid en heterogeniteit van de behandelde
materie - dertien totaal verschillende onderwerpen komen aan bod - kan de
auteur niet in detail treden of het thema grondig uitwerken.
Het komt er dus op neer dat V. De Meyere een soort algemene inleiding tot de
Vlaamse volkskunst heeft geschreven, waarbij hij de lezer
uitnodigt en aanspoort tot verdere observatie en onderzoek. Op zich is dit
werk dus niet af, maar het biedt wel een stevig overzicht van de rijkdom van
de Vlaamse volkskunst, die hier voor de eerste maal in haar volle glorie wordt
gepresenteerd. In 1938 verschijnt bij dezelfde uitgever Inleiding tot de
Vlaamsche volkskunst. De titel misleidt, want dit werk is noch nieuw noch
een aanvulling. Het is qua tekst een gereduceerde versie (51 blz.) van de
eerste uitgave, voorzien van de honderden illustraties, die ook reeds in 1934
afgedrukt waren. Ook de inleiding is duchtig ingekort en bevat geen nieuwe
elementen. Volledigheidshalve vermelden we nog een publicatie in boekvorm met
volkskundige inhoud, namelijk Het Boek der Rabauwen en Naaktridders.
Bijdragen tot de studie van het volksleven der 16e en 17e eeuwen. Het
ontstond in samenwerking van V. De Meyere met Lode Baekelmans en werd
in 1914 in Antwerpen uitgegeven.
In feite bestaat dit boek uit verschillende oude teksten, door het duo De
Meyere - Baekelmans opnieuw onder de aandacht gebracht. Het eerste is Der
Fielen, Rabauwen, oft der S'chalcken Vocabulaer, gedrukt te Antwerpen bij
"Jan de Laet in die Rape" in het jaar 1563. In een woord vooraf
delen de auteurs mee dat er van dit werkje maar twee exemplaren bekend zijn:
het ene bevindt zich in de bibliotheek van het "Folklore-Muzeum" van
Antwerpen, het andere wordt bewaard in de bibliotheek van " `s Rijks
Hoogeschool van Gent". Het werk zelf bevat vier delen: een woordenlijst,
"der schalcken vocabulaer", een soort geheimtaal, die de bedelaars
en andere marginalen bezigen (blz. 9-15); voorbeelden van bedrog (blz. 17-49);
verhalen die over bedelaars en ander onguur volk worden verteld (blz. 50-57);
raadgevingen om zich te beschermen tegen deze bedriegers (blz. 58-70). Kluchtige
Calliope, uylbeldende, den Aert, Eyghenschappen, ende manieren der Arme
Bedelaeren, bestaende in verscheyde manieren van eyschen, Antwerpen
"by Jacob van Ghelen op d'Eyer-marckt/ in den Voghel-Heyn", Anno
1651, vormt het tweede stuk, telt 47 bladzijden met illustraties en is
"vooral belangrijk om den handel en wandel van het bedelaarsgild hier te
Antwerpen na te gaan in het midden der zeventiende eeuw" (blz. 81 van het
"Naschrift"). Een derde luik wordt ingenomen door Liederen van
fielten, rabauwen en schamele liefde-gezellen (zonder vermelding van
uitgever en jaartal; 42 blz.). Dat deel telt negentien liedteksten o.m. over
bedelaars, feestvierders en liedzangers. Over de herkomst van deze liederen
berichten de auteurs op bladzijde 82 van het "Naschrift", dat verder
nog heel wat achtergrondinformatie en taalkundige toelichting levert met
betrekking tot de heruitgegeven teksten.
Niet in boekvorm uitgegeven, maar wel in Volkskunde gepubliceerd
is zijn geïllustreerde bijdrage over "De Tooverij in Vlaanderen" (Volkskunde
34 (1929) 87-128). Hij heeft het hier over het profiel van de heksen en de
tovenaars, over bezweringsformules, anti-tovermiddelen en kaartlegsters. De
auteur vermeldt op blz. 108-109 de lijst van voorwerpen die bij heksenmeesters
werden gekocht en in het Antwerps museum voor volkskunde bewaard worden.
Omdat V. De
Meyere in Oostduinkerke een villa bezat, nl. "De Fuchsia", verbleef
hij geregeld aan de kust. Als doorgewinterd volkskundige heeft hij daar ook
opzoekingen gedaan. De resultaten van dit enquêtewerk heeft hij gepubliceerd
in verscheidene afleveringen van Volkskunde 40 (193536) - 42 (1938)
onder de titel "De folklore van de Vlaamsche kust". Eens te meer
blijkt hieruit dat De Meyere een bijzondere aandacht heeft voor het
irrationele denken en handelen van ijslandvaarders en kustbewoners, die
geloven in voortekens, maritieme spoken, hekserij en witte magie van pastoor
Lootens.

-
Victor De
Meyere werd voorzitter van de sectie Volkskunde van het derde Vlaams
Filologencongres (1920), het eerste na de oorlog 1914-18. Het was toen ook de
eerste keer dat er een zelfstandige sectie Volkskunde was.
- De sectie Volkskunde van het 20ste Vlaams
Filologencongres te Antwerpen (7-9 april 1953) stond in het teken van de
herdenking van Victor De Meyere en Maurits Sabbe.
-Met zijn Vlaamsche Volkskunst (1934) heeft V. De
Meyere in 1937 de provinciale prijs voor monografie gewonnen (Antwerpen).
- Sinds 1925 was V. De Meyere lid van het Provinciaal
Comiteit voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen (Antwerpen).
In 1929 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letteren te
Leiden. In 1937 werd V. De Meyere lid van de Nationale Commissie voor
Folklore. Hij was tevens lid van de Vereeniging van Vlaamsche Letterkundigen.
- Het gemeentebestuur van Boom heeft op 5 januari 1941 in
samenwerking met het kunstgezelschap RUGO en de plaatselijke Academie voor
Schone Kunsten een grote Victor De Meyere-herdenking op touw gezet in de
feestzaal van de gemeentelijke jongensschool aan de Hospitaalstraat. Er was
een tentoonstelling gewijd aan het literair en volkskundig werk van de
gevierde. Lode Baekelmans heeft een lezing gehouden en Gaby Struyf heeft
gedichten van V. De Meyere voorgedragen. Er was ook een getekend portret van
De Meyere te bezichtigen, gemaakt door Georges Vercruysse. Op die dag heeft
burgemeester Frans Holders plechtig meegedeeld dat er in Boom een Victor De
Meyere-straat zou komen (zie Het Laatste Nieuws ? januari en De Dag ?januari
1941),
- In 1944 heeft Jozef Van Overstraeten een VTB-brochure
gemaakt rond het Victor De Meyerewandelpad.
- Op zondag 26 juni 1955 vond op voorstel van Maurits Van Coppenolle in
Oostduinkerke een officiële huldiging Victor De Meyere plaats. Bij die
gelegenheid was er een academische zitting, werden twee reuzen Ko en Liza
gedoopt (een geschenk van mevrouw De Meyere) en werd de Victor De Meyere-laan
ingehuldigd. Om dit feestelijk gebeuren te vereeuwigen heeft de Brugse
kunstschilder en volkskundige Guillaume Michiels een speciaal
gelegenheidsvaantje ontworpen. Enkele exemplaren heeft mevrouw De Meyere zelf
ingekleurd.
- Op 13 april 1973 vond op het kerkhof in Boom een Victor
De Meyere-herdenking plaats (zie Het Laatste Nieuws en Gazet van
Antwerpen van 16 april, La libre Belgique van 24 mei 1973).
- Van
19 tot en met 21 mei 1973 heeft het gemeentebestuur en de Cultuurraad van Boom
in de zaal "Germinal" een dubbele tentoonstelling georganiseerd: het
was honderd jaar geleden dat V. De Meyere in Boom was geboren; de Boomse
kunstenaars werden eveneens in het daglicht gezet (zie Volksgazet van
17 mei en Gazet van Antwerpen van 21 mei 1973).
*
Ondertussen heeft het KADOC in Leuven in 1996 vrij
onverwacht de nalatenschap van V. De Meyere verworven. Ons is de opdracht
toevertrouwd om dit archief, bestaande uit correspondentie, verslagen,
manuscripten van artikels en boeken die al dan niet gepubliceerd zijn,
documentatie enz. te repertoriëren. We hopen met dit puzzelwerk in 1998 klaar
te zijn, zodat de zestigste verjaardag van Victor De Meyeres overlijden
waardig herdacht kan worden. Deze opmerkelijke figuur verdient dat dubbel en
dik!
Lijst van geraadpleegde bijdragen en werken:
Bijnens, B., `Victor De Meyere in Oostduinkerke', in Bachten
de Kupe 23 (1981) 55-56
De
Keyser, P., `Victor De Meyere (Boom, 13 April 1873 - Antwerpen, 27 December
193 8)', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te
Leiden 1950-1951, Leiden 1952, 157-162 (dit in memoriam behelst een
onvolledige bibliografie en een lijst van vertaalde werken)
De
Meyer, M., `In Memoriam Victor De Meyere 1873-1938', in Volkskunde 43 (1940-41) 52-55, foto
Foncke, R.,
`Toespraak gehouden op de Victor De Meyere-hulde te Oostduinkerke, op zondag
26 juni 1957', in Jaarboek Nationale Commissie voor Folklore 8
(1955) 6-18
Francus,
M., Victor De Meyere als Dichter-Romancier, Boom 1948
Giraldo,
W., `De Victor De Meyere-hulde te Oostduinkerke', in `t Beertje 1956,
42-49, ill.,
zie ook idem in Volkskunde 56 (1955) 117-118
Marivoet,
M. -L., Victor De Meyere. Literaire evolutie, Leuven, onuitgegeven
licentiaatsverhandeling, 1972
Peeters,
K. C., `Bij het eeuwfeest van Victor De Meyere', in Volkskunde 74
(1973) 106109
Roelin,
J., Victor De Meyere als folklorist, Gent, onuitgegeven
licentiaatsverhandeling, 1945
Top,
S `Onverwachte en verrassende aanwinst. Hert fonds Victor De Meyere', in KADOC Nieuwsbrief 1995-1996: 5 (juli), 6-7, foto van
der Linden, R., `Meyere, Victor de, letterkundige en volkskundige', in Nationaal
Biografisch
Woordenboek, deel
11. Brussel 1985, kol. 493-496 Verkein, L., `Hoe Victor De Meyere tot de
folklore kwam en zijn intrede deed in Volkskunde', in Volkskunde 50 (1949) 34-37
BIBLIOGRAFIE VICTOR DE MEYERE
Verzen (1894)
Gunlaug
en Helga (1899)
De avondgaarde (1904)
Het dorp (1904)
Uit mijn land (1904)
Un
romancier flamand: Cyriel Buysse (1904) Langs den stroom (1906) De giertij
(z.j.)
De roode schavak
(z.j.)
De volkswoning
en hare versiering (1912)
Het boek der
rabauwen en naaktridders (1914; m. l. Baekelmans)
De gekke hoeve
(1919)
Nonkel
Daan (1922)
De razernij (1922)
De beemdvliegen
(1930)
De
Vlaamsche volkskunst (1934) Vlaamsche vertelschat (4 dln. 1925-1934)
BIOGRAFIE
M. de Meyer. In
memoriam (Volkskunde
1940, p.52-55).
Foncke, R. E de
Meyere (Jaarboek Nationale Commissie voor Folklore 1955, p.6-18).
BEZIT
IN DE VLAAMSE BIBLIOTHEKEN'
Langs den stroom (oude spelling)
De Vlaamsche volkskunst (1934) +
de heruitgave: Inleiding tot de Vlaamsche Volkskunst (1938)
Vlaamse Volksprenten. Antwerpen, Volkskunde, 1937. (met
een geschreven opdracht van de schrijver)
Labber-de-zwie.
Amsterdam, P.N. Van Kampen & zoon; Antwerpen, Standaard uitg., 1978.
(inhoud: Labber-de-zwie. De Molen. De Vlaamse legende van Maria de Bedrukte.Nonkel
Daan als koster)
2) Elders in de openbare bibliotheek
De roode schavak
Hoofdstedelijke
Openbare Bibliotheek Brussel Centrale Openbare Bibliotheek Hasselt
Gedichten van
Prudens van Duyse: 2: uit de nagelaten gedichten door Prudens van Duyse,
samengesteld door Victor De Meyere. Aalst: De Seyn-Verhoutstraete, (s. d.)
Centrale Openbare Bibliotheek Hasselt Centrale
Openbare Bibliotheek Gent
De wereld volgens het sprookje: een interpretatie van de
ruimtelijke elementen in sprookjes
opgetekend door Victor De meyere / door Sabine Fransen en Victor De Meyere.
1995. In: Volkskunde.
Jrg. 96(1995), nr.1, p.20-47. Centrale Openbare Bibliotheek Brugge
'
Met dank aan de heer Fl. Franssen, hoofdbibliothecaris van de Gemeentelijke
Openbare Bibliotheek van Boom.