TEN BOOME


CONSCRIPTIE IN DE FRANSE TIJD

Door Yvon Fonteyne
Lid Ten Boome

Voordracht gehouden op 26 mei 1998 in de Robert Lombaertszaal van het Gemeentehuis van Boom.

Tweehonderd jaar geleden, op vier-vijf maanden na, begon de Boerenkrijg. Hier en daar, tijdens en na de zomervakantie, zal men uitbundig deze gebeurtenis herinneren. Vanavond wil ik graag laten weten welke redenen aanleiding hebben gegeven tot die opstand.

Het einde van de XVIIIde eeuw is voor de Belgische gewesten een heel bewogen periode geweest.

Hierna een opsomming van de beleefde gebeurtenissen in het politieke en het militaire vlak

voor oktober 1789 : Oostenrijks regime sinds 1713 (Vrede van Utrecht).

oktober 1789 : Brabantse Omwenteling en oprichting van de Republiek van de Verenigde Belgische Staten .

december 1790 : I ste Oostenrijkse restauratie.

6 november 1792 : Franse overwinning bij Jemappes en ontruiming van onze gewesten door de Oostenrijkers .

18 maart 1793 : 2de Oostenrijkse restauratie na de slag bij Neerwinden.

26 juni 1794 : overwinning van generaal Jourdan nabij Fleurus en tweede Franse bezetting.

In geen vijf jaar hadden wij zes verschillende regimes gekend.

Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik wettelijk bij de Franse republiek aangehecht. Door het Verdrag van Campio Formio (18 oktober 1797) zal die aanhechting officieel door de Oostenrijkers erkend worden.

Tussen 1794 en 1814 - twintig jaar lang ! - werden onze gewesten vanuit Parijs bestuurd.

De Franse overheersing is een cruciale periode uit onze geschiedenis, ze zal het uitzicht van onze samenleving definiëren: burgerlijk huwelijk, echtscheiding, burgerlijk wetboek, kadaster, metriek stelsel, papiergeld o.a.

Dat betekent ook : de hervorming en de verfransing van het bestuur (indeling in departementen, kantons en gemeenten).Het opstellen van een bevolkingslijst en de afleveringen van paspoorten , en bovendien de antigodsdienstige maatregelen : bij voorbeeld het verbod van elke vorm van publieke godsdienstuiting.

 

De eedaflegging - door de seculiere geestelijkheid : pastoors en onderpastoors. Van erkenning van de volkssoevereiniteit, onderwerping en gehoorzaamheid aan de wetten van de Republiek.

Onbeëdigde priesters mochten hun ministerie niet uitoefenen. Wie van hen verdacht werd de openbare orde te verstoren werd verbannen. Het verhaal over Jan Baptist Cornelis Moons, onderpastoor te Boom, is welbekend: verklikt werd hij naar Cayenne verbannen en liet er in 1799 het leven.

De misnoegdheid over al die vernieuwingen werd stilletjes algemeen, zowel in de steden als op het platteland: « De grenzen van het draaglijke werden ( ... ) overschreden. Toen daar nog de conscriptie bijkwam, was er geen houden meer aan. »(l)

DE WET JOURDAN-DELBREL

Wij zijn onder de tweede Directoire waarvan het expansionistische beleid middelen eist in manschappen. Op 5 september 1798 (19 fructidor an VI) voert de wet Jourdan-Delbrel de conscriptie in: de verplichte militaire dienst wordt een permanente instelling. Jean-Baptiste Jourdan is de overwinnaar van de slag bij Fleurus in 1794. Pierre Delbrel is een jurist.

Voortaan was de militaire legerdienst een algemene en persoonlijke plicht voor alle Franse mannelijke burgers van 20 jaar af tot 25 jaar, die zich moesten laten inschrijven op een lijst, vandaar het woord conscriptie. Deze wet kwam overeen met de geest van de bekende revolutionaire leuze « Liberté, Egalité, Fraternité ». De militaire verplichtingen vangen aan op 1 vendémiaire (22 september) volgend op hun 20ste verjaardag en eindigen op 1 vendémiaire volgend op hun 25ste verjaardag.

De dienstplichtigen van het jaar VII - de allereersten - werden verdeeld in 5 klassen:

1 ste klas de 20-jarigen, 2de klas de 21-jarigen, 3de klas de 22-jarigen, 4de klas de 23-jarigen, 5de klas de 24-jarigen.

De dienstplichtigen van de 2de klas mochten slechts opgeroepen worden wanneer die van de 1 ste klas reeds allen onder de wapens waren, terwijl die van de 3de klas slechts mochten gemobiliseerd worden wanneer die van de 2de klas allen ingelijfd waren.

De Centrale Besturen van de Departementen moesten conscriptielijsten leveren. De Minister van Oorlog, op basis van die lijsten, moest een algemene lijst opmaken van alle dienstplichtingen der Republiek per klas : zonder onderscheid van departement of municipaal kanton dus, enkel in functie van hun geboortedatum, de jongste eerst.

 

Het is klaar en duidelijk dat de wet Jourdan-Delbrel geen loting voorzag en geen onderverdeling van het nationaal contingent per departement en per municipaal kanton in verhouding tot het bevolkingscijfer.

De wet van 24 september 1798 (3 vendémiaire an VII) roept 200.000 man van de I ste klas onder de wapens. Iedereen die tot die 1 ste klas behoorde moest zich klaar houden om onmiddellijk bij ontvangst van het eerste bevel te vertrekken.

Het was « de druppel water, die de maat deed overloopen,(…) de vuursprank, die den brand aan 't vlammen zette », schrijft kan. Em. Steenackers in zijn boek « Boom in het verleden ».

Inderdaad was het al eeuwen geleden dat de legerdienst nog was opgelegd in de Nederlanden. De buitenlandse vorsten hadden steeds hun eigen troepen betaald. Daarin konden ook Belgen dienst doen, maar in ieder geval ging het steeds om beroepsvrijwilligers, deze kozen de militaire loopbaan uit overtuiging.

De conscriptie betekende vooral voor de al verarmde boerenbevolking een zware bijkomende belasting. Ze verklaart waarom de strijd zo plots ontbrandde en waarom ze met zulke hardnekkigheid werd gestreden.

« De revolte begon met een belastingsincident in Overmere (…) op 12 oktober 1798 (…)Op 4 december ( ... ) werden de « Brigands » te Hasselt verslagen.

De Boerenkrijg heeft niet meer dan drie maanden geduurd, maar overspoelde niettemin Vlaamstalige departementen ( ... ) en Waals-Brabant ( ... ), terwijl ook in Luxemburg de gelijksoortige Klüppelkrieg (stokkenkrijg) losbarstte. » (2)

In 1803 nog - vijf jaar na de invoering van de wet - schreef Desmousseaux, prefect van het Departement van de Ourthe, de huidige provincie Luik, aan zijn oversten: « ... de militaire conscriptie blijkt des te meer streng omdat ze onbekend was voor de aanhechting. »

EXTRACT uyt den register der besluyten der centrale administratie van het departement der

twee Néthen

DE CENTRALE ADMINISTRATIE van het departement der twee Néthen. Gezien de wetten van 19 Fructidor jaer 6 en 3 Vendémiare tegenwoordig jaer, betrekkelijk tot de militaire inschrijving en het in 't werk stellen der ingeschrevene van de eerste klasse;Gezien de onderrigtingen van den minister des oorlogs nopens dit voorwerp. Overwéegende dat niets meer moet uytstellen het vertrek der jonge borgers geroepen tot de verdediging van het vaderland. Gehoord den commissaris van het uytvoerend Directonum, Besluyt het volgende: Art.1 De Municipaele cantons-administratiën zullen eene proclamatia maeken door welke zy de jonge borgers deel maekende van de eerste classe der ingeschreévene, zullen waerschouwen, van den dag, en uere op welke zy zullen moeten vertrekken, en van de plaetse, alwaer zy hun zullen moeten verzaemelen. Dezen dag en deéze uere zullen hiernaer bepaeld zyn. 11 Zoo haest de gezeyde ingeschrevene op de tydstippen en aengeweézene plaetse zullen verzaemeld zyn, zullen door Municipaele administratiën alle de gene er tégenwoordig zyn de waepen beschouwing ondergaen, zy zullen er den naemlyken lyst van opstellen, zullen nauwkeunglyk hunnen ouderdom opneémen en zullen hunne lengde als ook hunne beschryving bepaelen. Dezen lyst zal in dobbel opgesteld worden, den eenen zal in bewaering gelegd worden op het secretariaet van het canton en den anderen zal behandigd worden aen den borger belast met het bevel der ingeschrevene. 111 Deze verrigtinge geëyndigd zynde, zullen zy onmiddelyk de ingeschrevene op Antwerpen en tot de Centrale Administratie bestemmen, en dit onder de waekzaemheyd van eenen man in staet zynde van op-te-trekken,kloekmoedig, ervaeren en van eene beproefde deugtzaemheyd, den welken zy by voorkeur zullen mogen kiezen onder de gereformeérde officieren van het canton, en by faute diër onder d'oude de welke er zig zouden konnen bevinden. Dezen aenvoerder zal vergezeld worden met een detachement van het krygsvolk en der gendarmerie. 1V Den dag van het vertrek der ingeschrevene van de cantons ende van hunne bestemming tot de hoofd plaetse van het Departement is gesteld gelyk volgt; te weten: Primidi, den eersten Nivose toekomende, voor de geéne van Antwerpen en Mechelen. Tridi, dry Nivose, voor de geéne van Duffel, Contich, Berchem, Boom, Willebroek, Bornhem, Eeckeren en Santhoven. Quintidi, vijf nivose voor de geéne van Stabroeck, Wustwezel, Hoogstraeten, Turnhout,Aerendonck, Gierle en Lier. Septidi, zeven nivose voor de geéne van Geel, Moll, Westerloo, Heyst op den Berg, Herentals en Berlaer. De verzaemeling der ingeschrevene zal plaets hebben op de dagen zoo als hier vooren gezeyd is, ten agt ueren des s' morgens, en m eene behoorlyke plaets de welke ten diën eynde de Municipaele Adnunistratiën zullen aenwyzen. V Zoo haest naer de aenkoomste der ingeschrevene tot Antwerpen zal hunnen aenvoerder de zelve aenstonds bestemmen naer de Centrale Administratie, aen welke hy den lyst zal behandigen den welken de municipaliteyt hem heeft toebetrouwd. VI Het vertrek der ingeschrevene tot de plaets alwaer zy middelertyd zullen gehuysvest zyn, zal bepaeld worden door een byzonder besluyt.

 

HOE IS DE WET JOURDAN-DELBREL IN ONZE STREKEN UITGEVOERD?

De conscriptielijsten waren ver van klaar. « De eerste klas leverde de verwachte cijfers niet : er werden 203.000 rekruten voorzien, 143.000 werden als bekwaam erkend, 97.000 vertrokken wezenlijk en slechts 74.000 kwamen in de kampen aan. » (3)

Het ontbrekend aantal moest dus aangevuld worden door de jongste dienstplichtigen van de 2de klas. Tot aanduiding van jongelingen van de 2de klas op basis van hun ouderdom is echter nooit gekomen.

De wet van 17 april 1799 (28 germinal an VIII) aanvaardde dat de conscrits van te voren bijeenkwamen om vrijwilligers te kiezen, om onder elkaar te loten teneinde het contingent bij te passen. Tenslotte mochten de lotelingen plaatsvervangers kopen. Het leger werd op die manier 57.000 man rijker.

« (...) Het departement der Twee-Nethen (werd) verplicht(…)1371 man te leveren,(…) behorende tot (de 2de en 3de klas). De onderverdeling (…)per municipaal kanton en per deelgemeente werd ( ... ) medegedeeld ( ... ).

Zodra het bestuur van een municipaal kanton (…)op de hoogte was gesteld, kreeg dit kanton nog 24 uur om de dienstplichtigen van de 1 ste klas op te sporen, aan te houden en naar de hoofdplaats van het departement over te brengen. Hun aantal mocht dan afgetrokken worden van het te leveren contingent der 2de en 3de klas, zelfs indien deze opgepakte dienstplichtigen afkomstig waren uit een ander municipaal kanton.

Vervolgens beschikte het municipaal kanton nog over drie dagen tijd om vrijwilligers te werven van minimum 18 en maximum 30 jaar oud (ze mochten echter niet tot de 1 ste klas van het jaar VII behoren) ; het aantal aangeworven vrijwilligers mocht eveneens afgetrokken worden van het contingent der 2de en 3de klas.

De nog te leveren dienstplichtigen der 2de en 3 de klas moesten aangeduid te worden door een loting in de hoofdplaats van het departement ( ... ). » (4) Aanduiding door loting was in flagrante tegenspraak met de geest van de wet Jourdan-Delbrel. « Hoe een dergelijke loting verliep, vernamen wij uit « De Kronijk van Antwerpen » van de gebroeders Van Straelen. Ze beschreven de loting van het municipaal kanton Antwerpen, die op 30.04.1799 plaatsgreep.

( ... ) De stad Antwerpen (beschikte) in totaal over 441 dienstplichtigen van de 2de en 3de klas en (zij) moest ( ... ) hiervan een contingent van 303 man (leveren). Omdat het municipaal bestuur van Antwerpen erin gelukt was een groepje van 17 landsverdedigers, gevormd door opgepakte dienstplichtigen van de 1 ste klas en vrijwilligers, te verzamelen, werd het contingent van de 2de en 3de klas teruggebracht tot 286 man.

De loting zelf verliep als volgt : in een kastje werden 441 briefjes met de namen van de lotelingen geworpen; in een tweede kastje mengde men 286 briefjes met de vermelding « militaire partant » en 15 5 blanco brief es. Daarna trok dan een kleine jongen uit het eerste kastje een brief met naam ; vervolgens trok een andere jongen een brief uit het tweede kastje. De naam van de loteling werd dan ingeschreven, al naar het geval, op de lijst van de lotelingen aangeduid voor militaire dienst of op de lijst der geluksvogels die een blanco briefje getrokken hadden.( ... ) De ongeluksvogels die door het lot aangeduid waren om naar het leger te vertrekken, kregen nog vijf dagen tijd om een plaatsvervanger te leveren. » (5)

Later werd er geen loting meer voorgeschreven. De geest van de wet Jourdan-Delbrel werd hersteld : aanduiding op basis van de geboortedatum. En toch ... Voor Boom beschikken wij over documenten betreffende de klas van het jaar VIII. « De burgemeester van Boom, Egide de Bruyn, bijgestaan door zijn adjuncten Jean Baptiste Pierre Verdussen en Michel Struyf, verzamelde op 28 juli 1801 de dienstplichtigen.

 


Lotingtrommel

Van de 24 man van deze klas waren de meesten persoonlijk aanwezig ; de afwezigen waren vertegenwoordigd door hun ouders. Na gezamenlijk overleg kwam men tot de vaststelling dat, gezien het groot aantal onvermogenden, het onmogelijk was de nodige geldsommen in te zamelen om 4 mannen te betalen die bereid zouden zijn het contingent van de gemeente Boom te vormen. De dienstplichtigen zelf stelden voor over te gaan tot de aanduiding door loting dit voorstel werd unaniem aanvaard. Vervolgens werd er geloot op volgende manier: er werden 24 volledig gelijkvormige briefjes gesneden ; 20 blanco gelaten en op 4 werd geschreven « à partir pour l'armée ». Vervolgens werden de 24 briefjes in een urne geworpen en goed gemengd. De naamlijst van de dienstplichtigen werd zeer langzaam en duidelijk afgelezen door de gemeentesecretaris ; telkens hij een naam afgelezen had, trok een kind een briefje uit de urne tot alle briefjes getrokken waren. Op deze manier werden Pierre François Hellemans, daglonerszoon, Jean Baptiste Spillemaeckers, kerkmeester, Corneille van de Cruyssen, dagloner, en Jean Baptiste Van Aken, dagloner, aangeduid voor militaire dienst.

Deze loting was ( ... ) strijdig met de wet en de voorschriften van de prefect. Niettemin werd aan de bovenrand van de brief van burgemeester De Bruyn aan de prefect waarmee het proces-verbaal van de loting verzonden werd, door de prefect geschreven: « 4e Bureau. Donner les noms à la gendarmerie ».

Hieruit blijkt dus dat de prefect de loting en haar resultaat aanvaard heeft. Dit mag ons verwonderen, maar wij geloven dat de prefect de hemeltergende traagheid bij de rekruteringsoperaties van de klas van het jaar VIII meer dan moe was. Hij had immers persoonlijk vroeger reeds de vier dienstplichtigen van de gemeente Boom bij name aangeduid op basis van het wettige principe : de jongste het eerst. Het betrof hier Jean François Van de Velde, 20 jaar en 14 dagen oud voor 22.9.1799 Pierre Jean De Bruyn, 20 jaar 1 maand en 4 dagen voor 22.9.1799 , Pierre Joseph Steenackers, 20 jaar, 1 maand en 21 dagen oud voor 22.9.1799 Guillaume De Mondt, 20 jaar, 2 maanden en 11 dagen oud voor 22.9.1799, Niemand van dit viertal was komen opdagen om te vertrekken. De rijkswachtbrigade van Boom was er wel in geslaagd op 19.8.1801 ene Pierre Jean De Bruyn te arresteren, maar dat was niet de juiste man, want hij had al voor 22.9.1799 de ouderdom van 20 jaar, 7 maanden en 11 dagen bereikt.

Burgemeester Egide De Bruyn haastte zich dan ook om nog dezelfde dag de prefect van deze gissing op de hoogte te stellen ; hij deelde hem ook mede dat Van de Velde en Steenackers nog steeds voortvluchtig waren en dat De Mondt op 9.11.1800 overleden was. » (6)

WIE KON AAN DE DIENSTPLICHT ONTKOMEN?

1) De in de wet voorziene vrijstellingen voor: - de weduwnaars, - de gescheiden mannen met kinderen ten laste, - de getrouwde mannen op voorwaarde dat het huwelijk wel afgesloten werd voor de publicatie van de uitvoeringsbesluit betreffende de lichting in kwestie.

2) De vrijstellingen voor lichamelijke en medische redenen : - het meest voorkomende geval : te klein zijn (1,625 m in het jaar VII, 1,54 m in het jaar XIII); - ernstig ziek zijn , - mindervalide zijn; Voor deze laatste twee redenen was de keuringscommissie bijzonder nauwlettend. Met reden - men weet hoe de vork aan de steel zit - wegens: - de getuigschriften al te inschikkelijk verleend door de chirurgen - de veinzerijen: doofheid, verlamming, zwakzinnigheid - de zelfaangebrachte wonden ; - de zelfverminkingen : de wijsvinger meestal. Desbetreffende gerechtelijke vervolgingen waren niet zo zeldzaam.

Lukte het niet langs die wegen ? Bleef dan de fraude, collectief of individueel tot een goed einde gebracht : - De parochieregisters verdwenen: ze waren nodig om de leeftijd te bepalen. - De dienstweigeraar verschuilde zich. Maar het Bestuur bleef niet machteloos: de rijkswacht was heel bedrijvig. Voor het departement der Twee-Nethen telde de Gendarmerie Nationale 116 man, waaronder 4 voor het kanton Boom. Allemaal te paard.

Later, vanaf 18 mei 1802 (28 floréal an X), zal de plaatsvervanging een onbetwisbaar recht worden.De plaatsvervangers maken 15 tot 20 % van de opgeroepenen. Een plaatsvervanger kost van 1000 tot 4.500 F (7). Noteer dat de lopende tarieven zijn in België de helft lager dan in Frankrijk. De plaatsvervanging maakt een notariële akte noodzakelijk.

Wie beroep doet op de plaatsvervanging ? De telgen van de gegoede stand natuurlijk. Sorns organiseerde de gemeente zich om een plaatsvervanger te kopen. Volgend voorbeeld betreft in feite twee gemeenten: Edegem en Waarloos. Voor de klas Xl en XII moesten deze gemeenten samen 1 man leveren voor het actief leger en ook een halve man voor het toegevoegd kwart (een soort reserve voor de reserve zelf).

« De man voor het actief leger is geleverd door Edegem onder de vorm van een plaatsvervanger, door deze gemeente gekocht ; Waarloos heeft de helft van de koopsom aan Edegem vergoed. » (8)

Hierna de tekst, in 't Vlaams opgesteld, van het kwijtschrift afgeleverd door de burgemeester van Edegem aan zijn collega van Waarloos.

« Ontfangen van den Maire der gemijnte van Waerloos en de Representanten der Conscrits van 't jaer 11 & 12 de somme van twee hondert vier guldens Courant voor de helft der coopsomme van eenen Remplacant door de gemeynte van Eedegern gevoerniert heeft. Blijvende de selve gemeynte noch schuldig een vierde in eenen conscrit supplementaire als hij sal gevraecht worden.

Contig 6 pluvose 12 jaer

Pour copie conforme was onderteekent

H.F. Possemiers F. Vermeerbergen

Maire Maire » (9)

Het gebeurt dat de opgeroepene tijdens zijn legerdienst deserteert. Hij wordt dan vervolgd. Voor Boom kennen wij het voorval van Cornelis De Cock, conscrit van de laatste klas van het jaar VII, tijdens de zomermaanden van het jaar 180 1. Hij deserteerde van zijn eenheid, het 19de cavalerieregiment gelegerd in Luik. Hij werd door de rijkswacht gearresteerd en te Brussel opgesloten. Hij kreeg een verdediger. Verschillende documenten die hem betreft werden om zijn verdediging afgeleverd door de adjunctburgemeester van Boom, de belastingontvanger van Boom en twee privé-personen. Hij vraagt zijn voorlopige invrijheidstelling in afwachting van een definitief verlof wegens behoeftigheid. Tevergeefs ! Een marsorder van 18 juli 1801 (29 messidor an 9) beschrijft hoe Cornelis De Cock naar zijn legereenheid terugkeert onder toezicht van verschillende rijkswachtbrigades. Vertrokken uit Antwerpen, hij gaat over Contich, Mechelen, Vilvoorde, Brussel, Kortenberg, Leuven, Tienen naar Luik terug. (10)

Ik wil graag deze voordracht afsluiten met het verhaal van iemand die in normale omstandigheden heeft gediend. (11)

Het betreft Joannes Baptiste Franciscus Canitrol, geboren te Brussel in 1779 . Een boekje, opgenomen in het archief van stad Brussel, laat ons toe langs zijn meer dan twee jaar lange reisweg mee te gaan.Hij treedt onder de wapenen als vrijwilliger in 1800. Conscrits hebben zeker dezelfde zwerftocht meegeleefd.

Na een verblijf van zes maanden in Antwerpen vertrekt hij te voet op 1 juni 1800 (12 prairial an VIII). Hij reist over Mons, Laon, Auxerre, Tournus (inspectie door Bonaparte) en Lyon. Van daar, met de boot, zakt hij de Rhône af tot Avignon. Hij legt verder de weg te voet af over Aix-en-Provence tot Toulon (14 juli 1800). In deze stad wordt hij ingedeeld bij de 6de halfbrigade zeemachtartillerie. Na twee maanden opleiding moet hij zich voegen bij het « Leger van Italië » over Aix-en-Provence, Avignon, Lyon, Mâcon en Châlon-sur-Saône. Hier en later in Beaune en Dijon - vijftig dagen lang wacht zijn eenheid op nieuwe richtlijnen.

Op 28 november 1800, vertrekt hij naar Italië over Mâcon, Genève, Annecy. Door de Petit-Saint-Bernardbergpas komen ze in Aoste, Milaan, Parma, Bologna, Firenze, Pisa en Foligno (aankomst op 3 februari 1801), waar hij 30 dagen lang verblijft.

Op 6 maart 180 1, vooruit !mars ! Naar het zuiden over Siena, Perugia, Terni, L'Aquila, Termoli, Foggia tot Taranto (aankomst op 25 april 1801). Tien maanden lang zal de eenhied van Canitrol daar blijven. Op 9 februari 1802 schepen de soldaten in, maar de schepen zullen maar op 22 februari naar Frankrijk vertrekken over de zeestraat van Messina, de Stromboli en de zeestraat van Bonifacio.

Op 2 maart 1802 komen ze te Toulon aan. Na zes maanden, op 3 september, wordt hij gedemobiliseerd. Canitrol vertrekt nog dezelfde dag naar huis.Voor de terugreis naar Brussel (1062 km) - aankomst op 29 september 1802- heeft hij 27 dagen zonder enige rust nodig, d.i. een gemiddelde van bijna 40 km per dag. Zijn zwerftocht - meer dan 5. 714 km - heeft 2 jaar en bijna 4 maanden geduurd.

Tot slot wil ik U herinneren dat, wat ons land betreft, de loting in 1909 afgeschaft en de dienstplicht in 1995 opgeheven werden. De twee stelsels waren na 1814, einde van de Franse Tijd, gewoon overgenomen.

Yvon FONTEYNE

 

NOTEN

(1) H. VAN DE VOORDE en anderen, Bastille, Boerenkrijg en Tricolore.

(2) H. VAN DE VOORDE, op. cit.

(3) J.P. BERTAUD, La Révolution armée, bi. 337 en 338,

(4) Eug. de LELYS, Conscriptie in de Franse Tijd, bi. 174.

(5) id., bi. 174.

(6) id., bi. 178.

(7) De « korf » van goederen waarvoor U in 1800 1000 frank betaalde, kost nu in 1998 ongeveer 130.000 frank.

(8) Eug. de LELYS, op. cit., bi. 187.

(9) id., bi. 187.

(10) bron: Rijksarchief Antwerpen, Provinciaal Archief, D 16a. (11) bron: Roger VERGAERDE, in: Et. HELIN, P. DE GRYSE en anderen, De Conscriptie, bi. 225-228.

GERAADPLEEGDE WERKEN:

Em. Steenackers, Boom in het verleden. Aanteekeningen uit de Geschiedenis van Boom. J. Van In, Lier, 1907.

Eugène de Lelys, Conscriptie in de Franse Tijd. in: Jaarboek 1991-1992 IV, Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, Provincie Antwerpen.

Etienne Helin, Piet De Gryse en anderen, De Conscriptie. in : De erfenis van de Franse Revolutie, tentoonstellingscatalogus. ASLK, 1989.

Jean-Paul Bertaud La Révolution armée. Les soldats-citoyens et la Révolution française. Laffont, Paris, 1979.

Hugo Van de Voorde en anderen, Bastille, Boerenkrijg en Tricolore. De Franse Revolutie in de Zuidelijke Nederlanden. Davidsfonds, Leuven, 1997.

Henri Van Daele, Van Bastille tot Boerenkrijg. Lannoo, Tielt, 1997.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN