TEN BOOME
Bisschop Joannes Franciscus VAN DE
VELDE (1779-1838)
(zie
ook dit artikel)
Dirk BINON
Op
verzoek van de geschiedkundige studiegroep “Ten Boome” heb ik deze korte
levensschets van Mgr.Van De Velde samengesteld. Het is misschien goed om eens
even terug de denken aan het leven en werk van een zeer eenvoudig man afkomstig
uit Boom. Uit tal van brieven en andere bronnen weet ik dat Joannes Franciscus
Van De Velde niet de ambitie had om bisschop te worden. Toen hij destijds
benoemd werd tot deken van Lier wees hij eerst in alle bescheidenheid dit ambt
af. Van De Velde had meer de gaven van het hart dan die van de geest. Hij
voelde zich best op zijn plaats in de zielzorg Niets lokte hem aan in het
episcopaat, waarop hij trouwens slecht op voorbereid was. Zijn benoeming was het gevolg van een
politiek akkoord. De dag dat Van De Velde deze last op zich nam was hij een
verloren man. Hij voelde zich niet opgewassen tegen zijn zware taak en miste
het nodige zelf vertrouwen. Tot overmaat van ramp liet zijn gezondheid hem in
de steek.
Ik
hoop dat deze beknopte bijdrage een beeld mag vormen over wie de persoon Van De
Velde was. Van harte dank aan Marcel Vereycken (“ten Boome) en Ann Toubast
(bisdom Gent) en al de andere mensen die hebben meegewerkt om deze bijdrage te
kunnen realiseren. Verbeteringen, bijkomende gegevens en documentatie zijn van
harte welkom.

Schilderij van Bisschop Joannes
Franciscus VAN DE VELDE St.-Baafskathedraal
te Gent
Joannes Franciscus
VAN DE VELDE werd geboren te Boom op woensdag 8 september 1779 als eerste zoon
van Joannes Baptist (°Rumst 1753, + Boom 1828) en Barbara Van
Akeleyen (°Boom
1744, + Boom 1820). Zijn doopheffers waren Adriaan Hendrik Van Akeleyen en
Catharina Possemiers. In het gezin Van De Velde werden te Boom vier kinderen
geboren waarvan twee jong overleden. Vader Van De Velde was een kleine aannemer
van bouwwerken en behoorde voor die tijd tot de betere der parochie. De
schooltijd werden voor zijn ouders jaren van waakzaamheid en oplettendheid.
Volgens hun mogelijkheden maakte zij de keuze voor een goede onderwijzer. Het
was de bedoeling aan hun kinderen degelijk katholiek onderwijs te verschaffen.
Wanneer de tijd aanbrak om gaan te werken, bij zijn vader, mocht de jonge Van
De Velde verder studeren. Hij werd naar het vermaarde St-Michielscollege van
Merksem gezonden. Als student beantwoorde hij boven alle verwachtingen. Hij
wist dat zijn toekomst van zijn studies ging afhangen. Het was in dit college
dat men het verstand van deze jongen zag ontwikkelen Vanaf het eerste jaar werd
hem de titel van primus perpetuus[1] toegekend.
Joannes Franciscus Van De Velde was een leerling die het St.-Michielscollege van Merksem tot eer gestrekt heeft gezien nog nooit iemand met betere resultaten zijn studies[2] had beëindigd Bij het verlaten van het college droeg hij alle genegenheid en achting van zijn leerkrachten.
Voor zijn studies
wijsbegeerte en theologie werd hij naar Leuven gestuurd. Deze hoge school had
de naam een der bekendste van Europa te zijn. Ze was op dat ogenblik niet meer
in haar volle luister, maar had nog wel bekende professoren. Het sluiten van deze
universiteit maakte het verder studeren te Leuven onmogelijk.
Door de Franse revolutie werd te Antwerpen het seminarie gesloten en was hij verplicht private lessen in theologie te volgen. Na de afkondiging van het concordaat van 1801 en het herstel van de katholieke eredienst (april 1802) werd hij, na een kort tijd verbleven te hebben in het seminarie te Antwerpen tot priester gewijd.
Deze priesterwijding[3]
had plaats op 8 augustus 1802 te Emmerich (Duitsland) door Mgr.J.B. van Velde
de Melroy (oud bisschop van Roermond). Voor deze wijding kwam er toelating van
den Ordinarius van Emmerich en volmachtbrieven van 26 april 1802 door het
vicariaat van Antwerpen verleend met een dispensatie van dertien maanden.
De eerste maanden na
zijn wijding was hij godsdienstleraar en biechtvader te Antwerpen. Op 7 juni
1803 werd hij onderpastoor benoemd in de St.-Laurentiusparochie te Antwerpen.
Op 30 maart 1813 werd hij tot groot spijt van al zijn parochianen en vooral de
armen tot pastoor van Ruisbroek-aan-de-Rupel benoemd.
Te Ruisbroek was hij
de eerste pastoor die door het bisdom daar was benoemd. Zijn voorgangers waren
steeds norbertijnen der abdij van Grimbergen.
In zijn pastorie
leefde hij erg afgezonderd. Hij studeerde steeds godgeleerdheid wanneer zijn
taak als parochiepriester het toeliet. De herder van Ruisbroek werd ondanks
zijn jonge leeftijd tot de meest geleerde en kenner van de godgeleerdheid
gerekend. Wanneer men op de pastorie te Ruisbroek binnen kwam was men verslagen
over de buitengewone eenvoud. Hij had bijna geen huisraad en leefde met het
doel wat hij overhad aan de armen te kunnen geven[4].
Er zijn nog meer voorbeelden gekend van zijn inzet voor de armen. Op 3 maart
1820 brak bij hevig stormweer een dijk door die gans de parochie onder water
zette. De overstroming was zo erg dat enkel twee gebouwen gespaard bleven.
De kerk en pastorie
kwamen niet onder water, gezien hun ligging[5].
Pastoor Van De Velde was door dit gebeuren erg aangegrepen en schreef in zijn
doopboek volgende tekst:
(vertaling
uit het Latijn)
De winter was van in ‘‘t begin
van januari, bijzonder van de 6de tot de 16de allerstrengst, in
zoverre dat de stroom vastgevroren lag en dat men er overeen ging. De dooi
welke volgde, bracht zoveel water van hoger, dat niet alleen veel naburige
plaatsen overstroomden, maar dat zelfs het grootste deel der parochie
onderstond. Dit alles echter, hoe erg ook, scheen slechts een voorspel te zijn
van het groter kwaad, en ten eeuwigen dage is de 2de maart te
onthouden.
Die 2de maart namelijk
ontstond ‘s middags een onweer en het water van de Schelde (Rupel) klom zo
buitenmate dat hij mensen getuigenis nooit zulks gezien was, en dat het de
hoogste dijken overspoelde, met het gevolg dat de zeedijk aan het veer, Helegat
geheten rond 7 uur ‘s avonds doorbrak. Welke vlijt men ook toonde aan het werk
waar iedereen toe opgeroepen werd door het klokkengestorm, niets baatte en den
3de maart rond 9 uur was de doorbraak volledig. Het water stroomde
met zulk geweld in, dat al de bomen op zijn weg ontworteld vielen, dat grote
hopen turf uit de grond opspoelden en dat vier nabijgestane huizen ten gronde
gebracht werden.
Nu moest ieder juist gelijk in
een stad die stormenderhand ingenomen wordt, het kostbaarste wat hij bezat,
trachten te redden, en met kinderen en vee op hogere plaatsen een onderkomen te
zoeken. In de pastorij heb ik meer dan 30 personen met vee en meubelen
opgenomen en geherbergd tot het einde van juli, zodat lange tijd mij ter
nauwersnood een slaapkamer overbleef, en dat al mijn plaatsen met koeien en dergelijke
volzet waren. Den 3de maart ‘s avonds deed ik de kerk open en 50
armen die nergens een schuilplaats konden vinden, verbleven in de kerk als in
een godshuis, tot de zesde, wanneer zijbij gebrek aan levensmiddelen, met
schepen naar de omliggende parochiën gebracht werden, aanbevolen aan de
milddadigheid en het medelijden der gelovigen. Van de 3de maart tot
de 9de juli daaropvolgende liep tweemaal daags bijna gans de
parochie onder[6]. Zeer
weinige huizen buiten de kerk en de pastorij bleven vrij van het water, enigen
zelfs stonden er in tot aan het dak en tot er over en allen hebben veel schade
geleden. Dit nochtans is nog weinig als men het vergelijkt met de schade aan
veld en wei veroorzaakt. Hier is de grond met plaatzand bedekt, ginder is hij
opgewield en in waterpoelen herschapen. Overal juist gelijk bij een
vijandelijke verwoesting, vruchten en bomen vernield zijnde zagen de ten
ondergebrachte inwoners in de maand augustus, als de watersnood voorbij was, in
plaats van toelachende oogst, niets dan het jammerlijke toneel.
Op paasdag als de vloed op zijn
hoogste gekomen was stond het water langs de oostkant 6 voeten van de voormuur
der pastorij, langs de westkant in de hof 38 voet van de huismuur, langs het
zuiden, tot aan de muur van het huis van Peter Van Cauwenbergh en langs het
noorden was het kerkhof rondom door ’t water omspoeld, zodat grote schepen er
aanlegden en dat duurde tot de 9de juli (7de zondag na
Pasen) van ’t zelfde jaar 1820.
Deze dijkbreuk (312 voet lang en
25-30 voet diep onder het water) is gestopt voor 76.000 gulden wisselgeld ’t
zij 88.400 gulden lopende prijs. Om de gebouwen te herstellen en om in de meest
dringende noodwendigheden der parochianen te voorzien, gaf onze Koning uit zijn
kas 8.289,57 gulden en de uitmuntende gouverneur der provincie Antwerpen deed
in gans de provincie een omhaling die de som opbracht van …… gulden.
Dat alles heb ik met bijgevoegde
gezellen uitgedeeld[7]. De Heer
geweendigeallen die deze allerheiligste parochie weldeden, ze lonen met het
eeuwige leven.Amen.
Groot was zijn liefdadigheid tijdens deze rampzalige periode[8]. Uit overlevering weten wij dat pastoor Van De Velde met een schuit rond vaarde om hulp te bieden. Twee kinderen waarvan men dacht dat zij verdronken waren werden door hem gezocht en aan de bedroefde ouders terug gebracht. Deze ramp was nadelig voor de parochie het had de toestand van zovele mensen verergerd. Het water ging weg, huizen en landerijen werden droog, maar hiermee was het niet opgelost. Pastoor Van De Velde had alles ten beste gegeven. Zijn parochianen wisten dat en durfden hem niets meer te vragen. Toen hij dat merkte ging hij zelfs geld lenen om zijn parochianen verder te helpen. Bijna iedereen weigerde zijn hulp omdat zij goed wisten dat hunnen pastoor zijn eigen hiervoor tekort deed. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij graag gezien werd te Ruisbroek. Hij toonde zich aan iedereen vriendelijk en gaf zoveel genegenheid aan de armen als aan de rijken. Op 30 september 1820 werd hij benoemd tot pastoor van Edegem. Hoe graag de Ruisbroekenaars hun herder hadden behouden en hij zelf daar gebleven was, toch gehoorzaamde hij aan zijn bisschop.
Als pastoor van Edegem lag hij de hand aan een prachtig werk, voorzien in acht hoofdstukken, over de geschiedenis van deze parochie. Slechts twee hoofdstukken werden voltooid.
Op 24 mei 1825 benoemde de Aartsbisschop van Mechelen hem tot deken te Lier. Vreedzaam oefende hij zijn functies uit zonder zich te mengen in de scherpe wantoestanden die kenmerkend waren in deze periode.
Op 5 februari 1829 werd hij naar Brussel geroepen door een schrijven van de minister van Buitenlandse zaken de heer Van Gobbelschroy. Ten zeerste onder de indruk en nog voor hij naar Brussel reisde werd hij opnieuw verrast door een bode van de Aartsbisschop (Mechelen). Tot zijn grote verwondering werd hem gemeld dat hij was aangeduid voor de bisschoppelijke zetel te Gent. Het ambt van bisschop van Gent was niet meer bekleed sedert meer dan 7 jaar. De laatste bisschop, prins Maurice de Broglie, was in 1817 veroordeeld door het hoog gerechtshof en stierf te Parijs op 24 juli 1821.
Sedert die datum werd het bisschopsambt waargenomen door 2 aangeduide plaatsvervangers de vicarissen-generaal De Meulenare en Goethals. De oorkonden over de benoeming van Joannes Franciscus Van De Velde als nieuwe bisschop werden ondertekend door Paus Pius VIII op 18 mei 1829 vermelden uitdrukkelijk dat de bisschop was aangeduid zonder de voorafgaande goedkeuring van de koning[9].
Uit kracht van het concordaat tussen de Heilige stoel en de Nederlanden op 18 juni 1827 was het de Paus geoorloofd een bisschop te benoemen nadat de zetel vrij kwam. Dit mocht gebeuren zonder voorafgaande toelating van de koning. De officiële benoeming moest eveneens nog besproken worden en toegestaan worden door het hof. Deze formaliteit bleef achterwege tot 4 oktober 1829[10]. Slechts hierna op 7 november werd Joannes Franciscus Van De Velde tot XXste bisschop van Gent gewijd[11] in zijn kathedraal door Mgr.Delplanck, bisschop van Doornik. Op 9 november 1829 ging hij naar Den Haag om de eed van trouw af te leggen aan de koning. Hij koos als wapenspreeuk “Auxilium a domino” wat vertaald betekend: “de hulp komt van ons Heer”. De eedaflegging was vastgelegd in het concordaat. Op 18 november 1829 deed hij zijn plechtige intrede[12] te Gent
Alhoewel voorzien en uitgeroepen door het concordaat van 1827 was de uitbreiding van het Bisdom tot Brugge nog niet verwezenlijkt. De oorzaak hiervan waren de moeilijkheden met het gouvernement. Toch werd bisschop Van De Velde te Brugge plechtig ontvangen op 12 december1829. Een Koninklijk besluit van 14 juni 1825 moest elke toekomstige kerkelijke onderdaan of aspirant geestelijke studies in filosofie volgen aan het college te Leuven. De afschaffing van dit wetsbesluit op 20 oktober 1829 liet Mgr.Van De Velde toe het Groot Seminarie[13] opnieuw op te richten[14]. De officiële heropening werd op 3 februari 1830 gevierd. Bij deze gelegenheid sprak hij een latijnse redevoering uit waarvan men de inhoud bewonderde. Men was erg getroffen door de grondstelsels voor het onderwijs. De heropening was een welgekomen toegeving van het gouvernement maar betekende slechts een tijdelijke wapenstilstand.
Bij zijn bezoek aan elke stad, gemeente en dorp van zijn Bisdom wilde hij met iedere geestelijke spreken. Hij zag veel zelf na en besloot het Heilig Vormsel aan de kinderen toe te dienen. Vele hadden nog nooit een bisschop gezien. Men kan dan ook begrijpen met wat een blijdschap en vreugde hij ontvangen werd. Met pijn in zijn hart zag hij de triestige toestand van de vlaamse priesters in Zeeland. Hij trachtte een hiervoor een oplossing te zoeken. Door de benoeming van andere priesters uit Noord-Brabant dewelke beter geschikt waren voor die streek kwam hij in moeilijkheden met de Hollandse regering. Een minister had een andere mening over de handelswijze van bisschop Van De Velde en dacht dat deze onenigheid bracht. Koning Willem die vroeger dacht dat Mgr.Van De Velde een nederige dienaar was had zich vergist en kreeg een afkeer van deze kerkvorst. Hij ondernam verschillende pogingen om het deel van Zeeland dat onder het kerkelijk bestuur van het Bisdom Gent lag af te scheiden en dus aan de invloed van Mgr.Van De Velde te ontrekken.
Door tussenkomst van Rome en na overleg met Mgr.Van De Velde werd het deel van Zeeuws-Vlaanderen onder het geestelijk bestuur van Holland gebracht.
Bisschop Van De Velde was van zeer bescheiden afkomst:
zoon van een ambachtsman. Hij erfde hiervan een sociale bewogenheid, een niet
aflatende zorg voor de armen en de kleinen. Dit apostolaat had hij als
parochieherder zijn leven lang kunnen uitoefenen. Als bisschop wilde hij niet
anders handelen. Zijn voornaamste zorg ging naar de uitbouw van het onderwijs
en hier besteedde hij bijzondere aandacht aan het armenonderwijs. Hij was meer
de bisschop van de kleinen dan van de machtigen. Zo bracht hij eens een bezoek
aan de zondagsschool “Metershuis” in Gent nadien vertelde hij: “Ik heb veel van de
zondagsscholen gehoord, men heeft mij meermaals van het Meterhuis te Gent
gesproken, maar nooit zou ik mij er zulk een denkbeeld van gevormd hebben”
In een omzendbrief van 7 maart 1831 aan de dekens en pastoors van zijn Bisdom vraagt hij hun om in iedere parochie een zondagsschool op te richten. Parochies die geen gevolg gaven kregen later een bevelbrief voor de oprichting van de zondagscholen. Nadien heeft hij verschillende pogingen ondernomen voor de uitbreiding van het katholiek onderwijs in zijn Bisdom. Hij was verheugd te zien hoe kinderen van arme mensen een goede opvoeding kregen dank zij de zondagscholen. In zijn testament was er een grote som voorzien om de zondagsscholen nog verder uit te breiden. Hij was ook de stuwende kracht voor het gewoon lager onderwijs, de colleges en de pensionaten. Hij was dikwijls aanwezig op prijsuitdelingen waarbij hij zich met de leerlingen onderhield. Ook het universiteitsonderwijs ontsnapte niet aan zijn bezorgdheid. Zijn bijdrage tot de bloei van de katholieke universiteit te Leuven was niet gering. Bisschop Van De Velde lag aan de basis van de heroprichting van deze universiteit.
Door zijn inzet en ijver voor het katholiek onderwijs was hij erg geliefd onder de katholieken en bij dezen die zich liberalen noemden. Iedereen sprak met veel lof over het werk van deze kerkvoogd.
Om het lot van zovele priesters te verbeteren om dat zij geringe middelen hadden heeft hij een spaarkas opgericht met de bedoeling bij het ouder worden hen de nodige zorgen te kunnen verschaffen. De oprichting van een tehuis voor oude en ziekelijke priesters was volgens hem noodzakelijk. Hij nam verschillende maatregelen om de jaarwedden van de onderpastoors aan te passen.
Zijn aandacht ging ook naar de gesloten kerk van St.-Macharius. Deze kerk was een der oudste van Gent en vermaard voor de devotie van St.-Macharius. In 1793 werd deze kerk gesloten voor het kerkelijke diensten. Men gebruikte dit gebouw als magazijn en kazerne. Door tussenkomst van Mgr.Van De Velde werd deze kerk weer geopend en hadden er opnieuw kerkdiensten plaats. Tot grote vreugde van de omwonenden werd een gedenksteen met een Latijnse tekst aangebracht.
Het Bisdom Gent was uitgestrekt en omvatte Oost, West-Vlaanderen en Zeeland. In het concordaat van 1827 was het oprichten beslist van het Bisdom Brugge waarin Zeeland zou begrepen zijn. Op aandringen van Mgr.Van De Velde werd deze oprichting in 1832 verwezenlijkt en benoemde Gregorius XVI kanunnik Franciscus Renatus Boussen van Gent tot de waardigheid van bisschop van Ptolemaïsen en apostolisch beheerder van West-Vlaanderen. Op 27 maart 1834 werd Mgr.Boussen tot bisschop van Brugge benoemd.
Op politiek vlak bleek Mgr. Van De Velde gewonnen te zijn voor het revolutionair regime en dit vooral om praktische redenen. Hij zag in dat het belang van de kerk aan die zijde lag en hij bracht het nodige aanpassingsvermogen op om zich niet te laten afschrikken door de liberale verpakking waarin de vrijheid werd gepresenteerd aan de kerk. Zoveel het in zijn mogelijkheid lag werkte de Gentse bisschop de consolidatie van het nieuwe regime in de hand en hij zette hier ook de clerus toe aan. Zijn tussenkomst in verkiezingen van 1831 moet in dit teken gezien worden. Deze verkiezingen waren gericht tegen de orangisten die op een herstel aanstuurden. De politieke gebeurtenissen bleven niet zonder weerslag op kerkelijk vlak. Mgr.Van De Velde gaf op politiek vlak blijk van ruimdenkendheid.
Uiteraard voelde hij meer voor de democraten dan voor de conservatieven. De liberaal-katholieken, die de gehele burgerij voor de kerk wilden winnen, door een intellektuele vernieuwing zowel als door aan te sluiten bij het politiek liberalisme, konden rekenen op het begrip van de Gentse bisschop. Hij dwaalde af van de weg der onpartijdigheid die hij had willen bewandelen. Het kon moeilijk anders. Hij had de partijvorming niet kunnen verhinderen. De breuklijnen tekenden zich steeds meer en meer af. Stand houden tussen de twee partijen kon enkel een sterke persoonlijkheid. Van De Velde was dat niet.
Tot overmaat van ramp kwam zijn gezondheid in het gedrang. Hij werd herhaaldelijk getroffen door een beroerte. Als gevolg hiervan werd hij progressief verlamd[15]. Hij zag zich verplicht de weerstand op te geven. Hij verliet zich stilaan volledig op zijn medewerker Raepsaet, in wiens handen hij tot een willoos werktuig werd. Wanneer juist bisschop Van De Velde het vermogen verloor om zijn Bisdom te besturen, valt niet nauwkeurig te bepalen. In de lente van 1836 was het echter reeds duidelijk dat niet meer Van De Velde maar Raepsaet de bisschop van Gent was.[16] Toch werd uiteindelijk kanunnik Delebecque als hulpbisschop aangesteld.
Met Allerheiligen 1836 verscheen de bisschop voor het laatst in het openbaar en in december verkeerde hij in stervensgevaar. Zijn verder leven bestond uit een langzaam afsterven. De ziekte scheen uiteindelijk van lange duur te zijn en van een kwijnende aard. Zo achtte men het mogelijk dat dit nog verschillende jaren zou duren.
Gezien hij niet meer bekwaam was zijn Bisschoppelijke bediening uit te oefenen werd door de afgevaardigde van Rome beslist een opvolger aan te duiden.
Mgr.Van De Velde zou zijn opvolger nooit zien want aan het einde van de maand juli 1838 overviel hem een koorts en op dinsdag 7 augustus 1838 om tien uur overleed hij op 59 jarige leeftijd.[17]
Zodra het nieuws bekend was werden de mensen door droefheid getroffen. Het lichaam gekleed met zijn bisschoppelijk gewaad werd in de kapel van het bisschoppelijk paleis opgebaard. Een ieder kon het lichaam gaan groeten. Het leger werd inzet om de massa mensen tegen te houden. Op vrijdag 10 augustus 1838 werd de plechtige lijkdienst door Mgr.Boussen, bisschop van Brugge, in de hoofdkerk te Gent, gezongen, en het lichaam is met de gebruikelijke ceremonie begraven in de krocht van de kerk.
De begrafenis van Mgr.Van De Velde werd als volgt
beschreven:
“Lang voor het uur waarop
het stoffelijk overschot van Mgr.Van De Velde vanuit het bisschoppelijk paleis
naar de hoofkerk zou worden gebracht, waren er in de straten mensen van alle
leeftijd en stand.Om 9 uur hoorden men het klokkengeluid over de volledige stad
Gent. Detachementen lansiers opende en sloten de stoet. De compagnie van het
5de en 12de linieregiment vormde van beide kanten een rij. Voorop
gingen in hun kloostergewaad de verschillende orden der stad. Gevolg door
standaards, vlaggen en kruisen uit de verschillende parochiekerken. Daarna
volgenden de leerlingen van het bisschoppelijk seminarie met het kapittel van
St.-Baafs en Mgr.Boussen in bisschoppelijk gewaad. De kist met het lichaam van
bisschop Van De Velde werd gedragen door de onderpastoors. De hoeken van het
baarkleed werden door vier titulaire kanunniken van het kapittel vast gehouden.
Op de kist lag de stool en de staf gekruist. Het koor der kerk was met zwarte
doeken bekleed.Al de plaatsen in het koor werden door geestelijke ingenomen.
Ook waren er heel wat hoogwaardigheidsbekleders aanwezig. In de talrijke
kapellen der kerk hadden vele arme mensen
en de leerlingen van de zondagsscholen plaats genomen.“

Door uitvoering van zijn testament kwam een schilderij met zelfportret, de gouden ketting en bisschopsring op de pastorie van Boom terecht en waar het tot op heden nog steeds bewaard word. Door de familie Van De Velde werden verschillende stichtingen[18] gedaan in de O.L.Vrouwkerk te Boom. Deze stichtingen werden uitgevoerd tot in 1917.
Bisschop Van De Velde werd opgevolgd door zijn hulpbisschop Lodewijk Jozef DELEBECQUE.
Bronnen:
-Biografie nationale deel 26.
-Bisdom en de Bisschoppen van Gent. (1865)
-Bisschoppelijk archief Gent.
-Gemeentearchief Boom.
-Parochiearchief Boom.
-Privéarchief Marcel Vereycken (Boom)
-Parochiearchief Ruisbroek-aan-de-Rupel.
[1] Wat vertaald betekend: “steeds de eerste
van de klas”
[2] Uit modelinge overlevering weten wij dat
hij tijdens de vakantie werkte als bouwvakker bij zijn vader.
[3] Parochiearchief Boom – 26 april 1802 Joannes Baptist Van De Velde en Barbara Van
Akeleiijen, ouders van Joannes Franciscus Van De Velde, stellen bij deze voor
de priesterlijke titel van hun voornoemde zoon een som van 1800 guldens
brabants courant geld ter beschikking bestaande uit: “Een stenen huis met
stallen gelegen in de Groenhofstraat 19 en een huis met hof in de
Groenhofstraat 20” aan de kerk van Boom.
[4] Op zekeren dag gaat de meid het lijnwaad van de pastoor nazien. Groot is
haar verslagenheid wanneer zij vaststelde dat alles verdwenen is. Zij was van
oordeel dat het gestolen was. Zij meld dit onmiddellijk aan de pastoor die na
de oorzaak van de ontsteltenis van zijn meid vernomen te hebben, haar verzekerd
dat het lijnwaad zeker niet gestolen was. Hij was te laat geweest om voor nieuw
te zorgen. Pastoor Van De Velde had alles uitgedeeld aan de armen, tot woede
van zijn meid.
[5] Ruisbroek heeft door de eeuwen heen
dikwijls te maken gehad met overstromingen, vandaar dat de kerk en pastorie op
een kunstmatige heuvel werden gebouwd.
[6] GAR Op 14 maart 1820 had het gat in de
dijk reeds 75 meter lengte en een gemiddelde diepte van 8 meter
[7] Pastoor Van De Velde was belast met de
verdeling van de ingezamelde gelden onder zijn parochianen.
[8] Tijdens deze overstroming op 16 maart 1820
overlijd pastoor Van De velde zijn moeder. Wij weten niet of hij de begrafenis
te Boom heeft kunnen bijwonen?
[9] Het proces voor de benoeming tot bisschop
werd geleid door Giovanni Francesco CAPACUM, zaakgelastigde van den H.Stoel met
als getuigen Engelbert STERCKX
pastoor-deken van O.L.Vrouw te Antwerpen en vicaris generaal van Mgr. De Méan,
Emmanuel Bruno Joseph WILLAERT pastoor van O.L.Vrouw Bijstand te Brussel,
August Joseph Rijckewaert kanunnik van Gent en president van het seminarie,
Franciscus René Boussen erekanunnik van Gent (later bisschop van Gent) en
Attestatie van Mgr.de Méan aartsbisschop van Mechelen.
[10] Eind oktober 1829 ging de nieuwe bisschop
op bezoek bij zijn broer en de andere familieleden te Boom. Hij had de dag en
het uur niet bekend gemaakt maar kon moeilijk de waakzaamheid der Boomenaars
ontgaan. De inwoners van Boom wilden graag hulde brengen aan hun dorpsgenoot
die tot bisschop van Gent benoemd was. Groot was zijn verwondering toen hij per
boot aankwam en met grof geschut werd begroet. De overheden stonden te wachten
om hem geluk te wensen. In stoet werd hij tot aan de woning van zijn broer
gebracht. De volgende dag droeg hij de H.Mis op in de O.L.Vrouwkerk. Een
ontelbare menigte was toegestroomd om deze dienst bij te wonen. Iedereen wilde
de bisschop van Gent de eucharistie zien opdragen. Dit gebeurde aan hetzelfde
altaar waar hij 26 jaar geleden zijn eerste mis had opgedragen.
[11] Nog nooit, voor welke gelegenheid ook,
waren er zoveel mensen samengekomen om deze plechtigheid te volgen. Op
verschillende plaatsen in de kathedraal waren er tribunes in hout getimmerd.
[12] De straten van Gent langs waar de bisschop
zou gaan werden prachtig versierd. Voorzien van dubbele rijen sparren waren
deze straten van vlaggen en wimpels voorzien. Er waren jaarschriften, spreuken en zinspelingen
vanuit de menigte werd er geroepen “Leve den bisschop! Leve Mgr.Van De Velde”
[13] De eerste zorg van bisschop Van De Velde
was het heroprichten van het seminarie en van de Bisschoppelijke colleges te
St.Niklaas en Roeselare.
[14] Bij deze heropening waren er 200 studenten
.
[15] Reeds voor zijn aanstelling tot bisschop
van Gent vertoonde zich de eerste symptomen van zijn ziekte. De lasten van het
episcopaat verergerden de kwaal.
[16] Van De Velde zou een eerste inzinking
hebben gekregen bij het uitbreken van de revolutie (1830). Na de
studentenbetogingen tegen de oprichting van de Katholieke Universitaiet in
februari 1834 zou een nieuwe crisis gevolgd zijn.
[17] Parochiearchief Ruisbroek-aan-de-Rupel – In
het jaar 1838 heeft Petrus Joannes VAN DE VELDE uit Boom, broeder van zijn
Hoogwaardigheid, aan de kerk van Ruisbroek gegeven een som van duizend frank
(1000) op voorwaarde en last a) Dat er jaarlijks op kosten van de kerk een boek als prijs zal gegeven
worden aan de eerste van de jongens en aan de eerste van de meisjes. Dit
boek moet de historie zijn van het oud
en nieuw testament.
b) Dat er op
last van de kerk een jaargetijde zal gezongen worden op of omtrent de sterfdag
van zijn Hoogwaardige broeder Joannes Franciscus Episcopus. Voor de twee boeken
word betaald 7,19 en voor het jaargetijde aan de pastoor 2 fr en aan de koster
1,81 samen 11 fr.
[18] Manuaal stichtingen parochie O.L.Vrouw en
St.-Rochus te Boom door E.H. F.X. BETEN pastoor-deken. Kerkarchief Boom K7B.