TEN BOOME
DE PREDIKHERENHOEVESTRAAT EN OMGEVING
Ten Boome
verzamelde gegevens over dit onderwerp, die door vier auteurs op papier werden
gezet. We willen u deze interessante informatie niet onthouden!
H. De Ceulaer
Het klooster St.-Bernardus uit Hemiksem had in 1430 gronden gekocht van Elisabet
Van Groenenbeeke en Renier Van de Velde, vrouw en echtgenoot. Hierop werd een
hoeve gebouwd aan de Pierstraat (Hoeve De Plukker). Deze hoeve werd verhuurd aan
boswachter Cornelius Van Dyck. Deze gronden, zegt de verkoopacte, “zijn zelf
extenterende tot het gehucht daar men van Schelle naar de Buckelaerheyde gaat”.
Op de Beukelaarheide staat nu de wijk “Zandvelden”.
Groentraat =
‘s Herenbaan
Galyestraat =
‘s Herenbaan van Park van Boom tot Niel
(Vier Palenhof)
De boswachter hield toezicht op de landwegen “Cleyne Beeck”, “den Elshaegenbos”
en “den Wytshaeghenbos”. Achter de huidige kliniek lag “de Keulse kant (hoeve
Hofmans), daarachter lag de hoeve Papendal.
DOMINIKANEN TE REET
Leo en Jean-Paul Backeljau[1]
Conservator en Adjunct-conservator
Van ‘t Heilig Huyske
Citaat: “Heilig Reet
...
Hovaardig Boom
... Plezant Willebroek en het ras van
Niel”. Vanwaar komt de benaming
“Heilig Reet”?
Wel door de eeuwen heen heeft het grondgebied Reet verschillende kloosterorden
geherbergd.
Tevens diende het kasteel van Reet als verblijfplaats van Z.E. Kardinaal
Granvelle of Mesire
Frederick Perrenot.
De Dominikanen (ook wel de predikbroeders of zoals in Reet wel bekend de
predikheren) vestigden zich in Antwerpen anno 1243. Deze gemeenschap groeide uit
van 60 tot 80 man. Tot de Franse Omwenteling bloeide dit klooster. Om zich
dagelijks te voorzien van eten en drinken waren deze broeders veroordeeld tot de
bedelstaf, vandaar de naam straatlopers. En om te voorkomen dat ze van deur tot
deur aalmoezen gingen bedelen, kochten zij op verscheidene plaatsen in de
provincie gronden op (Berendracht, Oosterweel (visrecht op de Schelde),
Aartselaar en Reet). Hier konden ze dan gewassen verbouwen om hun brood en bier
(jazeker, want ze waren de eersten die bier brouwden in de Nederlanden!) te
maken. De gronden met hoeve (refugie) in Reet werd gestart anno 1470. Onder het
beleid van een zekere Willem Lieu werd er op 20 september 1479 te Reet een hoeve
gekocht met 16 bunders[2]
land en bos. En door een gerechtelijke tussenkomst werd er op 3 juni 1508 nog 7
bunders toegevoegd. Twintig jaren later kwam er nog eens 6 bunders bij. Over de
plaats waar deze gronden te Reet gelegen waren, vernemen wij dat op 31 maart
1531 de aangekochte hoeve, nu “Predikherenhoeve” genaamd, definitief van de
Dominikanenorde was. Zij paalde aan de boerderij de “Bukelaer” van Joos Bal.
Volgens het Cartularium[3]
van Sint-Bernaards te Hemiksem lag de “Bukelaer” ten westen van ‘s Heerenstraat
(scheiding tussen Boom en Reet), ten oosten van het erf van Jans Verbiest, ten
zuiden van de boerderij van Joost Van Standonck en ten noorden van de
Predikheren van Antwerpen.
In die 300 jaar aanwezigheid van Dominikanen te Reet is ook een aanpassing
gekomen. Als we de verslagen van de prior, Cornelius Peltiers, in 1787 lezen:
“zijn nu op diezelfde gronden twee boerderijen gebouwd, met daartussen een
“huysinghe
... gebout neffens de hoeve dienende
tot verblijf en logiement van d’ overste de directie hebbende over de gemelde
annexe hoeven
“.
Er verbleven dus te Reet regelmatig een
paar Dominikanen, die het geheel bestuurden. Doch de boerderijen werden nu
verhuurd, de huurprijs werd opgestreken door de rentmeester van het klooster.
Daarbij zegt pater Peltiers: “heeft het klooster nog “potasie (voedsel,
groenten enz.) uyt den hof van ons clooster als uyt den hof van Reeth” voor
een jaarlijkse opbrengst van 400 gulden”.
“De monniken ploegden en baden
dagelijks hun vroom gebed,
dit alles ging goed
tot het Franse verzet.”
Tijdens de Franse overheersing werden de monniken uitgedreven en de gronden met toebehoren werden verkocht aan de zwarthandelaars. Dit gebeurde op zo’n wrede manier. Het land met hoeve en huisraad van mensen die er jaren woonden, werd simpelweg in een handomdraai eigendom van de zogenaamde Franse Republiek. Zij waren toch de heren die hier trachten de welvaart en de beschaving binnen te brengen. Vandaar hun leuze:
“Egalité, fraternité et liberté
Pour nous,
Mais pas pour les autres”
Hun “goede” bedoeling was kerken en kloosters leeg te roven en Vlaanderen te
verlossen van zijn kunstschatten.
De Predikherenhoeve, “onwettelijk bezit” van de Franse overheerser (“aangekocht
voor een bespottelijke prijs van 500 Franse Frank”), werd verhuurd aan Anna
Maria Devoeght. Zij was weduwe van Petrus Jan Vloebergh. Daar zij deze hoeve
niet kon aankopen, werd het geheel aangekocht door de heer Van der Nest uit
Antwerpen. Deze was heel goed bevriend met het Dominikanerklooster en wou het
hun teruggeven. Dit is echter nooit doorgegaan. Later werd het goed verkocht aan
de heer Hector Van Wouwe (bijgenaamd den dikke Van Wouwe met zijn floeren gillé,
zijn roepnaam was den kolenbaron). Met het overlijden van deze ging de eigendom
over op zijn dochter Simone Van Wouwe. Zij verkocht het op haar beurt aan de
Maatschappij “Kleine Landeigendom”. De gronden werden later verkaveld en is nu
bekend als één van de mooiste wijken van de provincie, met hun jaarlijkse
Lichtfeesten omgetoverd tot een fantastische sprookjestuin.
DOMINIKANEN TE REET
A.M. Bogaerts[4]
De Dominikanen, predikbroeders of predikheren, stichtten een klooster te
Antwerpen in 1243. Dit klooster groeide tot een gemeenschap van 60 tot 80 man en
bloeide eeuwen lang tot aan de Franse Omwenteling. Op 19 december 1796 werden de
paters en broeders uitgedreven[5].
Zo’n kloostergemeenschap moet gevoed worden, moet kunnen wonen, moet de nodige
levensmogelijkheden en bestaansmogelijkheden bezitten. Daarvoor is een sterke
kloostereconomie nodig. Gezien de stad Antwerpen binnen zijn enge wallen geen
gelegenheid gaf om een zelfstandig en gesloten economisch bestaan te vormen,
werd in de omstreken van Antwerpen naar gronden en beemden en bossen gezocht om
er zelf aan landbouw en veeteelt te doen en daardoor het nodige voedsel voor die
60 â 80 man te kunnen aanbrengen. Zo hadden de predikheren van Antwerpen bekomen
dat het “eerste visrecht te Oosterweel” aan hen werd toegewezen en dat ze in
hetzelfde dorp een grote boerderij bemachtigden.
“Op de kaart van Luycken (Het belegh der stadt Antwerpen in den jaeren 1584
en 1585)
“,
schrijft Lode Meys, “vinden wij alleen
die hoeve, samen met de kerk en een “stinckhuys” aangeduid. Ook de “Nieuwe
Caerte 1638” en de “Caertefiguratieve 1656”, beide getekend door Verbist en
berustend in het Stadsarchief duiden alleen de Predikherenhoeve aan”[6]
Door dijkbreuken,
overstromingen en oorlogen moet dit alles verloren zijn gegaan. Hetzelfde
gebeurde trouwens met “Predikherenbosch” te Berendrecht. Alleen de
predikherenhoeve te Reet zorgde gedurende honderden jaren voor voedsel tot ze
door de Franse bezetting in 1798 werd afgenomen en verkocht.
Voor de streek
van Reet blijft dit een oude maar zeer boeiende historie. Het moet reeds
begonnen zijn vóór 1473, want in de “Lenen van het Leenhof van Mechelen”
vinden wij dat de Predikheren niet zo graag van deur tot deur gingen bedelen,
maar liever met grondeigenaars kontracten maakten, jaarlijkse renten opbouwden,
stichtingen en fundaties laten gebeuren of gunsten verkregen waardoor ze
jaarlijks konden delen in de oogst van graan, tarwe, boekweit en telkens zoveel
sisters graan (zuster
=
25
liter) naar het klooster konden meenemen. Een
paar voorbeelden: op het goed te Aartselaar en Reet dat Adriaan Sanders te leen
houdt van Roelant van Berchem hebben:
“item die heeren van der predicaren ordenen tot Antwerpen synjaerlycs
heffende op des voers. Goedern erffelyc III zijster roxcs”.[7]
“item brueder Cornelis Breme es jaerlycs heffende op des voers. Adriaens goeden,
in den name van der Predicaren Oordenen tot Antwerpen XX.s.gr.”
“item die heeren vander Predicaren oordenen tot Antwerpen syn erffelijc heffende
op deze voers. goeden (van ridder Coenraet Pot te Kontich) IIII viertelen racx”.[8]
In de rand staat er uitdrukkelijk bij dat deze door de procurator van het klooster, Cornelis vanden Broeck, opgehaald worden. Deze procurator was een echte zakenman die verder zag dan de wekelijkse inkomsten en uitgaven. Er moest bestaanszekerheid komen voor jaren en jaren, met vaste inkomsten. Zijn bekwaamheid als financier was tot in Rome gekend en als er daar in de loop van 1491 klachten binnen kwamen over financieel wanbeheer in de nonnenkloosters der monialen dominikanessen te Hertoginnedal, beveelt de magister-generaal (1491 /25 november) aan Cornelis vanden Broeck te Hertoginnedal de toestand te onderzoeken en de zaken op orde te stellen.
Comelius vanden Broeck werd geboren te Mortsel, trad ca. 1460 in het
dominikanenklooster te Antwerpen, studeerde, naar eigen getuigenis, zes jaar aan
de universiteit van Leuven, was ongeveer 16 jaar werkzaam te Geel, werd reeds
véér 1473 procurator van zijn klooster, wordt nog supprior in de jaren 1490 en
1491, viert in 1518 zijn 50 jaar kloostergeloften, en als hij 66 jaar in ‘t
klooster heeft gewerkt,
- een
oud man, ver in de tachtig
—
komt hij nog getuigen in een proces tussen
het klooster en het O.-L.-Vrouwkapittel om zijn klooster te verdedigen. Hij
sterft het jaar daarop op 2 juli 1526.[9]
Onder zijn beleid werd op 20 september 1479 te Reet van een zekere Willem de
Lieu een hoeve gekocht met 16 bunder land en bos. Door een gerechtelijke
tussenkomst werd hier op 3 juni 1508 nog 7 bunder bijgevoegd en een twintig jaar
later-
op 24 maart 1526-werden er door het
klooster nog 6 “bunderen” aangeworven”.[10]
Over de plaats waar deze gronden te Reet gelegen waren, vernemen wij eerst op 31
maart 1535 dat de aangekochte hoeve, nu “Predikherenhoeve” genaamd, gelegen was
naast de boerderij de “Bukelaer”, die Joos Bal in pand geeft. Welnu, volgens het
Cartularium van Sint Bernaards te Hemiksem paalde de Bukelaer “west aan ‘s
Heerenstraet, oost aan Jans Verbiest erve, zuydt aen Joest Van Standonck erve,
ende noordt aen der Preekheeren van Antwerpen”[11].
Bij latere beschrijvingen zal deze ligging te Reet nog klaarder worden
afgelijnd.
Hoe deze
“bunderen” nu worden omgerekend in hectaren, centiaren enz.-
volgens sommigen zijn bunders gelijk aan
hectaren, volgens anderen is een bunder gelijk aan 4 dagwanden en
een dagwand gelijk aan 100 roeden-—
zeker blijft dat de predikherenhoeve met zijn
gronden een oppervlakte had van ongeveer 30 hectaren landbouwgrond, bossen en
boskanten inbegrepen.
Om deze gronden rendabel te maken, moeten hier een paar broeders uit het
Antwerps klooster verbleven hebben, zoals dat ook de gewoonte was bij de
norbertijnen uit Sint-Michielsabdij van dezelfde stad en bij de cisterciënzen
met hun plaatselijke “schuren” waar het voedsel voor de abdij van Hemiksem
verzameld en bewaard werd. Deze waren z.g. rentmeesters, die met behulp van de
plaatselijke bevolking, door verstandig zaaien en wieden, door maaien en
oogsten, door het verzorgen van de veestapel, door het onderhoud van de bossen
konden zorgen dat er dagelijks eten op tafel kwam, dat er hout was voor het
keukenvuur en hout om de kloosterzalen te verwarmen. Zo’n kloosterhoeven-
en Reet bezat er verschillende-
waren ook voor het dorp een weldaad.
Kleinschalige bedrijven waar een 20 â 30 man werk vond en voor de hele familie
kost en inwoon verzekerde.
Maar in die 300 jaar aanwezigheid van dominikanen te Reet is ook een aanpassing
gekomen. Als we de verslagen van de prior, Cornelius Peltiers in 1787 lezen,
zijn nu op diezelfde gronden twee boerderijen gebouwd, met daartussen een
“huysinghe
... gebout neffens de hoeve
... dienende tot verblijf en logiement
van d ‘overste de directie hebbende over de gemelde annexe hoeven”.[12]
Er verbleven dus
te Reet regelmatig een paar dominikanen, die het geheel bestuurden. Doch de
boerderijen werden nu verhuurd, de huurprijs werd opgestreken door de
rentmeester van het klooster. Daarbij, zegt pater Peltiers, heeft het klooster
nog “potasie (voedsel, groenten enz.) uyt den hof van ons clooster als
uyt den hof van Reeth” voor een waarde van 400 gulden ‘s jaars.
We bezitten nog twee beschrijvingen van de eigendommen der dominikanen te Reet,
alle twee gemaakt op het einde van de 18e eeuw.
1. Beschrijving van pater C. Peltiers op 12 april 1787
[13]:
De dominikanen hebben in vaste goederen: “een buytengoed bestaende in een
huysingh met hof gemijnelijck genaemd de predickheere hoeve, gebouwt neffens de
hoeve welcke hier naer zal worden gebrocht en dienende tot verblijf en logiement
van d’ overste de directie hebbende over de gemelde annexe hoeven; voor deze
landerijnen en bosschen gestaen ende ghelegen onder de heerlijckheyd van Reeth
over welckens rendatie dus alhier
...
niet.
Item, eene hoeve genaemt de “predickheerehoeve” gelegen onder de heerlijckheyd
van Reeth neffens het huys hier vooren vermeld met salvojusto 12 bunderen
saijland daer in begrepende binnenkanten daer aen annex verhuert tenprjze van
280 guldens vrij gelt uytbrengende aldus de reparatie daer aen gekost a rato van
25 guldens sjaers de somme van
...
f. 255. Item eene hoeve genaemt de “klijne hoeve” gelegen ontrent de
voorgemelde onder de voors. Herlijckheyd groot salvojusto 5 bunderen verhuert
ten prijse van 112 guldens dus uytbrengende sjaers de somme van…
...
f 112.
Item een partije bosch gelegen als boven groot ontrent 8 bunderen opbrengende op
een gemeyn jaer van thien naer aftrek van dorpslasten, van onderhoud en bestier
de somme van
f 250.”
2. Beschrijving van de heer Claassens, expert, namens het bestuur van de Franse Republiek, op 20en 30 januari 1798 [14] van de kleine hoeve.
Kleine predikherenhoeve
Verkoop 46. Nr.10 en 11.
10. Een huys, hebbende kelder, 3 plaetsen, stal, schuere, boekweymolen met 6
dagwanden ploeg-land in een deel, genaemd het “stuckveld” gelegen tot Boom, in
gebruyk zonder huerceel door de borger Van den Eynde mits 114 guldens, tiendens
en inpositien geschat op een inkoomste van 350 tournois en op een capitael van
... 7.000-0-0.
11. Vijf bunders 197 roeden ploegland gelegen tot Boom, verpagt aen den borger
Vloebergs door huerceel het welk eindigen zal den 15 maert 1808 mits 225
guldens, begreepen het voortbrengzel van verscheyde opgaende boomen en op een
capitael van 8.191-16-0 Voortkomende van de geweezene Predikheeren van
Antwerpen.
Verkoop 48. Nr.48 van de grote hoeve
en het buitengoed.
48. Eene hoeve, in goeden staet, bestaende in 4 benede-plaetsen, eenen
zolder, schuere, stal en openeplaetse, en 10 bunders land, op welk zig bevinden
1500 dikke eyke stronk en opgaende boomen, gelegen tot Reeth, gebruykt door de
weduwe Vloebergs, mits 514 “-5 stuyvers, de betaeling der tiendens en impositien,
en de zorg van 10 bunders bosch, hier naer aengewezen
Item een schoon buyten-goed, geheel nieuw,
grenzende aen de genoemde hoeve bestaende indry schoone benede-kamers, keuken,
in dewelke zig bevind eene pompe en eenen regenbak, 7 schoone boven-kamers, eene
opene plaetse en zolder, eenen hof ontrent een half bunder, in den welken zig
bevinden vischvyvers, schoone berceauwen (prieel) met haegen omringt, en 10
bunders blek en schaer-bosch van 5.6.7. en 8 jaeren oud, en opgaende boomen, op
hetwelk zig bevinden 124 timmerboomen, 6000 opgaende boomen, van een plantagie
van ontrent de 60 jaeren, het geheel door desverstande geschat op eene inkomste
van 3000, en op een capitael van
... 6000-0-0.
Nu vernemen we nog uit de verdere
beschrijvingen de juiste ligging van deze grote en kleine hoeve.[15]
De kleine hoeve paalt ten oosten aan het goed van borger Vloeberghs, ten zuiden
aan de grote weg, die naar Mechelen loopt, ten noorden aan de eigendom van de H.
Geesttafel uit Mechelen, en ten westen aan de weg die naar Aartselaar gaat.
De grote hoeve, samen met het “schoon buyten-goed”, paalt ten noord-oosten aan
het goed van Frans van Bulck, Jaak Mertens en Willem van Dijck. In het oosten
aan het goed van Frans Sel, Gillis Pauwels en Dominicus Naegels, ten zuid-oosten
aan het goed van Willem van Dijck en het goed van Dominicus Naegels, ten westen
aan de straat die naar de molen loopt.
Nu komt er vanwege de Franse bezetting, die de Oostenrijkse Nederlanden bij
Frankrijk hebben ingelijfd, op 6 november 1796 een wet dat alle goederen van
kerken en kloosters worden aangeslagen. Alles wordt eigendom van de staat. Deze
kan naar willekeur alles verkopen en de bewoners uitdrijven mits een
bespottelijk kleine vergoeding van enkele “bons”, die de kloosterlingen
meekrijgen, 500 fr. voor een broeder en 1000 voor een pater. De Antwerpse
dominikanen kwamen zelf niet toe om hun kerk en hun klooster te kunnen
afbetalen!
Op 7 februari volgt de eerste openbare verkoop
met de 2e koopdag op 12 februari. Frans Van den Eynde huurt deze boerderij sinds
1784, telkens met een huurcontract van 12 jaar, nog hernieuwd op 14 maart 1796
in bijzijn van pater Besseleers, procurator van het Antwerpse klooster. Frans
Van den Eynde was op 23 oktober 1759 getrouwd met Catharina Tijck, die op 14
januari 1784 gestorven is. Met zijn drie zoons, Adriaan, Jaak en Peerke werkte
hij als huurder. Hij koopt ze nu af. ‘t Wordt zijn eigendom.[16]
Op 30 januari
1798 worden de grote hoeve en het buitengoed geschat. Ze worden op 17 februari
ingezet en op 27 februari verkocht. De boerderij wordt gehuurd door Anna Maria
Devoeght, weduwe van Petrus Jan Vloebergh. De familie Vloebergh huurt de
predikherenhoeve sinds 1765 met een huurcontract van 12 jaar. Ze heeft 7
kinderen, Jan Baptist, Anna, Frans, Peer, Jan, Maria en Elisabeth. Haar man,
Peerjan Vloebergh sterft op 24 februari van dit jaar 1796. Zij kan de boerderij
niet kopen. De heer Schepens biedt voor het geheel een millioen, duizend en
vijfhonderd livres (1.001.500 1.). Hij houdt het, maar zegt hij, voor de heer
Van der Nest, uit Antwerpen. Deze is akkoord en betaalt alles.
De familie Van der Nest, rijke koopluifamilie uit Antwerpen, is zeer goed
bevriend met het dominikanenklooster. Zij zal het aan de dominikanen terug
geven. Zij heeft trouwens al heel wat geld gestoken in de terugkoop van Sint
Pauluskerk.[17]
Alles gaat anders. De dominkanen, zoals alle kloosterlingen, zijn verjaagd. Als
Napoleon in 1802 een akkoord maakt het het Vatikaan, wil hij alleen bisschoppen
en pastoors in de Franse Republiek, geen kloosterlingen. En vader Van der Nest
sterft zodat de weduwe in 1812 nog met heel de eigendom verlegen zit. Ze heeft
het dan maar verkocht
... Voor de dominikanen is het gedaan te
Reet.
De Nationale Landmaatschappij heeft op21 september 1949 de eigendom gekocht, 32
hectaren, 99 aren en 85 centiaren. Door nalatenschap van de heer Van Wouwe
(+1941/19 januari) ontvangt de dochter Simonne, nu getrouwd met dhr. Daveluy uit
Boom een deel van zijn goederen. Daveluy-Van Wouwe zijn de laatste bezitters.
Dank aan deze is de wijk Predikherenhoeve in handen gekomen van de Nationale
Landmaatschappij en een der mooiste bouwwijken geworden van de provincie
Antwerpen.
[1] Bronnen:”Dominikaans leven”van pater Bogaerts
[2] 1 bunder=1 hectare
[3] Grondplan, landkaart:voorlopers van het kadaster
[4]
Bogaerts, A.M. “Dominikanen te Reet” in: Dominikaans Leven,
nr. 6 (1982).
[5] A.M. Bogaers o.p. Repertorium der Dominikanen in de Nederlanden. Deel 1. Antwerpen-Lier. 1981, p.8.
[6] Lode Meys: Oosterweel, verdwenen maar niet vergeten, 1981, p.38.
[7] O.H. Thijs: Lenen van het Leenhof van Mechelen te Schelle en Niel, in VI. ST. VII(1971)19.
[8] Id. in Vl.St. VIII(l972)455 en IX(1973)428.
[9]
A.M. Bogaerts o.p. Repertorium,
p.8.
[10]
Stadsarchief Antwerpen, Schepenreg. 139 f” 129r (1512/1 maart) en
C. Peltiers o.p.: Declaratie van goederen die de
predickheerenclooster tot Antwerpen heeft.
Declaratie van 12 april 1787 aan de
regering van de Oostenrijkse Nederlanden. RAA, Kerk. Arch. Dominikanen
nr.4.
[11] Cartularium St. Bemaerds Rub. III p.177.
[12] C.Peltiers Declaratie
[13] Ibidem
[14] RAA. Prov. Arch. Reeks B. Bundel 503 en 504.
[15] Ibidem
[16]
RAA. Klapper op de parochieregisters van Reet.
[17] ‘ Jozef Van der Nest was op 24 februari 1785 een der grootste kooplui van Antwerpen. Hij was een der curateurs van de Aziatische Compagnie. Op 16 januari 1797 heeft hij prior Peltiers uit alle macht gesteund om de Sint Pauluskerk te bewaren. J.B. Van der Nest was kerkmeester van Sint-Joriskerk. Priester Van der Nest — alle drie uit dezelfde familie — werd na 1803 onderpastoor in de Dominikaanse Sint-Pauluskerk, die parochiekerk was geworden in plaats van de bouwvallige Walburgiskerk.