TEN BOOME
GESCHIEDENIS VAN ONZE SOCIALE ZEKERHEID :
DE ZIEKENFONDSEN EN DE ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING
Door Marcel Vereycken
Prof. Marc Elchardus, socioloog aan de Brusselse Universiteit stelde dat ons stelsel van ziekteverzekering tot de betere van onze planeet behoort. Minister Van den Broucke verzekerde dat wanneer de Belgische ziekteverzekering vergeleken wordt met de buitenlandse, zij goede punten krijgt : het pakket verzekerde zorgen is ruim, de prijs ervan is redelijk en zowat heel de bevolking is verzekerd. De hele bevolking is verzekerd, maar niet in dezelfde mate. Toch is dit in de loop der tijden niet altijd zo geweest.
De crisis op het einde der Middeleeuwen en de sfeer van onzekerheid tijdens de Renaissance doen de uit privé-initiatief ontstane zelfhulpverenigingen groeien. Betrekkelijk doeltreffend beschikken ze echter over te weinig middelen en toch durven ze soms met elkaar in competitie treden. Tot en met de annexatie van de Oostenrijkse Nederlanden door Frankrijk in 1794 boekt de sociale bescherming helaas weinig vooruitgang.
Wanneer de situatie bijzonder kwetsbaar wordt voor de arbeiders haast de Franse regering zich om de gilden en hun zelfhulpkassen af te schaffen. Toch gedoogt de republiek liefdadigheidsverenigingen als deze hun rekeningen maar indienen bij het centrale bestuur. Dit leidt tot het heropstarten van caritatieve verenigingen die de titel van ziekenfonds zullen aannemen. Deze groeperingen zullen zich vermenigvuldigen tijdens de periode van het keizerrijk. Meestal zijn zij gebonden aan een beroep en ze gaan uit van arbeiders of patroons die de fondsen verzamelen met vrijwillige bijdragen.
Openbare initiatieven kunnen echter niet uitblijven. Zo ziet het eerste openbaar initiatief het licht in 1813 in de stichting van de voorzorgskas der steenkoolbewerkers in het departement van de Ourthe. De patroons verlenen een bijdrage van 0,5% van de totale loonmassa terwijl de arbeiders die zich vrijwillig kunnen aansluiten 2% van hun dagloon als bijdrage storten. Toch draaien deze zieknfondsen op een laag pitje tot in het midden van de 19de eeuw. Vele arbeiders sloten niet aan omdat ze het principe niet verstonden of omdat ze de bijdragen te hoog vonden. Komt daarbij dat sommige ziekenfondsen de vakbondstoer opgaan, wat vanzelfsprekend de weerstand van de patroons oproept en ook het wantrouwen van de burgerlijke overheid.
Rond de jaren 1850 steken ook niet-christelijk geïnspireerde ziekenfondsen de kop op. Natuurrampen, ongelukken op de werven en de zeer zware economische crisis in Vlaanderen verplichten de overheden beschermende maatregelen te nemen ten einde de bevolking te helpen. Zo wordt in 1860 het algemeen Pensioenfonds opgericht. Voortaan zullen alle belgen een veilig pensioen kunnen opbouwen. Goed een jaar later zullen de ziekenfondsen rechtspersoonlijkheid verwerven. De arbeiders veroveren in 1866 het stakingsrecht en de wettelijke erkenning van de vakbonden. Wettelijk echter wordt de band tussen vakbonden en ziekenfondsen verboden. Vermits deze ziekenfondsen nu en in het vervolg zelfstandig moeten werken, roepen ze ook minder weerstanden op. Toch zoeken ze toenadering tot de politieke partijen : de veranderingen die in aantocht zijn met ‘t oog op het stemrecht zijn daaraan niet vreemd.
De voornaamste sociale vooruitgang in de 19de eeuw wordt geboekt door de oprichting van de Commissies voor Publieke Bijstand in de steden en dorpen. Deze staan onder de controle van de staat en de gemeenten. Door dotaties en aanzienlijke schenkingen krijgen deze instellingen de mogelijkheid een netwerk van ziekenhuizen, moederhuizen, azielcentra, rust- en weeshuizen en toevluchtsoorden te installeren. Behoeftigen krijgen de onmisbare medische verzorging en arbeiders in moeilijkheden kunnen er ook terecht als ze in armoede belanden. De staatsgaranties en een beperkte medisch-farmaceutische toevlucht maken nu het verschil met de armenhulp in de Middeleeuwen, waar te weinig ziekenfondsen medische dienstverlening konden bieden.
Op het einde van de 19de eeuw werken eindelijk ziekenfondsen en overheid samen aan een concept van ziekteverzekering. Wettelijk worden de ziekenfondsen zelfs verplicht hun leden en familie tijdelijk hulp te bieden in geval van ziekte, verwondingen, ja zelfs een vergoeding bij huwelijk of geboorte toe te kennen en de begrafeniskosten te dragen. Tijdelijke hulp moest worden geboden aan de familieleden van overleden leden. De overheid subsidieerde natuurlijk de fondsen omdat anders deze hun verplichtingen niet zouden kunnen nakomen. Door het ingewikkeld financieel beheer zien de lokale maatschappijen geen ander heil dan zich groeperen in regionale federaties en later zelfs in nationale unies. Tussen 1906 en 1920 zien wij zo de vijf nationale unies geboren worden. Bij langdurige ziekte wordt de herverzekering door de federatie op zich genomen. Dit betekent dat de kosten bij ziekte en invaliditeit niet meer op de rug van de arbeiders zouden vallen.
In die periode ook zien wij dat het marxisme in Europa aan macht begint te winnen wat zich vertaalt door een geleidelijke antikerstening van de arbeidende bevolking. De socialistische ziekenfondsen komen op voor de verplichte verzekering en voor de financiering van hun fondsen door staat, patroon en arbeider. De christelijke ziekenfondsen blijven de idee trouw van de vrijwillige aansluiting met niet-verplichte staatstussenkomst. Het ziekterisico zal ook door de ziekenfondsen gedekt worden van aan het begin van de 20ste eeuw waar na langdurige en moeizaze onderhandelingen met de medische wereld de eerste overeenkomsten tussen artsen en ziekenfondsen worden bereikt.
De Belgische politieke wereld, wakker geschud door de invoering van de verplichte verzekering in Groot-Britannië, vindt hierin haar stimulans tot een wetsvoorstel dat ziekte-, invaliditeits- en pensioensverzekering verplicht zou maken. Jammer genoeg zal Wereldoorlog I deze plannen dwarsbomen.
Na de oorlog van 1914-1918 zien wij dat de moed in de schoenen van de ziekenfondsen zit. Reorganisaties worden doorgevoerd met als enig gevolg steeds grotere staatssubsidies. De invoering van het algemeen stemrecht heeft bovendien de arbeiders geen windeieren gelegd en heeft hen behoorlijk wat macht bezorgd, ja zelfs worden sommige doelstellingen van ziekenfondsen en vakbonden gerealiseerd. Liefdadigheid en zelfhulp worden vervangen door recht op uitkering bij werkloosheid, de zondagsrust en het ouderdomspensioen worden veilig gesteld.
Ondertussen hebben de ziekenfondsen zich betere structuren aangemeten, de subsidiëring verbetert met de jaren en de ziekenfondsen blijven niet bij de pakken zitten : ze stampen nieuwe medische-farmaceutische diensten uit de grond om de aangesloten leden gratis gespecialiseerde artsen ter beschikking te stellen. Via de overheid wordt de strijd tegen T.B.C., tetanos, kroep, geslachtsziekten en alcoholisme fel opgevoerd. Het Rode Kruis zet preventiecampagnes op en kan rekenen op een stevige burgerlijke infrastructuur, die zich inzette voor de bescherming van de volksgezondheid en de organisatie van hulpdiensten van algemene aard.
Een tweede poging om de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in te voeren mislukt weerom door de economische crisis van de dertiger jaren. We moeten wachten tot Wereldoorlog II om te zien hoe te Londen de notie sociale zekerheid gestalte krijgrt. Zelfs gedurende de vijandelijkheden zitten de sociale organisatieleiders niet stil en werken in het geheim aan hun plannen. Op het einde van de oorlog worden de onderhandelingen tussen arbeiders, werkgevers, christelijke en socialistische ziekenfondsen voortgzezet en lopen uit op een compromis, zij het zonder de geneesheren er bij te betrekken. Op 1 januari 1945 wordt het Nationaal Fonds voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering geboren. De socialisten slepen de oprichting van één enkele verzekering en één fonds, een overkoepelend ziekenfonds dat de bijdragen int, uit de brand. De andere partners worden gepaaid door de bijdragen te verdelen onder de bestaande ziekenfondsen a rato van het aantal aangesloten leden. Zo krijgt iedereen wat en blijft het pluralisme bij de ziekenfondsen gegarandeerd. Na enkele jaren wordt het Nationaal Fonds voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, een instelling met ruime bevoegdheden, zoals wij die nu heden ten dage kennen.