TEN BOOME
MINI — OPEN MONUMENTENDAG
DE SINT-PETRUS-EN-PAULUSKERK
door Jozef Verlinden

De hoofdkerk van Schelle ligt niet in het spreekwoordelijke midden van het dorp. Ze werd opgetrokken aan de grens met Hemiksem vlakbij de Hamer, de aanlegplaats aan de linkeroever van de Vliet, niet ver van de plaats waar dit riviertje in de Schelde uitmondt. Het stuk grond dat er voor aangewend werd, heette vroeger het Kwaad Stuk .Waarschijnlijk wegens de minder vruchtbare grond.
Uit die ligging mogen we besluiten dat zij een domaniale- en dus geen vicus-kerk is. Een vicus-kerk werd door de dorpelingen zelf gebouwd op gemeenschappelijke grond in het midden van het dorp; een domaniale-kerk was een stichting van een kasteelheer op zijn domein dicht bij zijn woning.
Ook te Schelle heeft er in de nabijheid van de kerk een kasteel gelegen.
Zo situeert zich ten oosten van het kerkgebouw de Kattenberg,wat toponymisch kan verklaard worden als schuilterp of verdedigingshoogte. Onmiddellijk daaracher vinden we de bona dominorum of het landgoed van de heer. Hierop stond het Hof Ter Heyde of het Laathof der Berthouts. Dit is de plaats van de oude versterking (afgebroken in 1644), die tussen Vliet,Schelde en Rupel lag. In het oude Brabant hadden de stamvaders van de Berthouts reeds zeer vroeg alle strategische plaatsen aan de samenvloeiingen der rivieren bezet.
Deze kerk, toegewijd aan de eerste paus van Rome, Sint-Petrus, bevindt zich vlakbij de Schelde en ligt eveneens aan een grote verkeersweg: de grote baan van Antwerpen naar Boom over Hemiksem en Niel. Volgens een gangbare theorie zou dit een argument kunnen zijn om te besluiten dat zij bijna zeker door Sint-Amandus zou gesticht zijn. Maar in de tijd, toen Amandus vanuit Gent zijn prediking langs de Scheldeoevers organiseerde, was er van die verbindingsweg, die nu Provincialesteenweg heet, geen sprake. Dit stuk weg met brug over de Vliet is maar aangelegd nadat in de 13de eeuw de Sint-Bernardusabdij werd gesticht.
De patroonheiligen van Schelle waren oorspronkelijk Petrus en zijn dienstmeid, Petronella. ( Zij worden nog herdacht door de Grote en de Kleine Kermis van de gemeente.) En die patroni verwijzen samen met de oude benaming van het Lobbesveer over de Rupel, naar de abdij van Lobbes, die de stichter en de oorspronkelijke eigenaar van de kerk is geweest. Ze bouwde op het domein van graaf Witger de Schelse kerk, die nog altijd op dezelfde plaats staat.
Die abdij, rond de helft der 7de eeuw door Sint-Landelien gesticht en enige jaren later door Sint-Ursmaar beter georganiseerd of hersticht, ontving rond het einde van de zelfde eeuw het eigendomsrecht over onze gemeente door een schenking van de heilige Renilde, die evenals Sint-Goedele, een dochter van graaf Witger was. Renilde stierf te Saintes, waar ze nu nog als patrones van de parochie wordt vereerd. Maar volgens haar Vita zou ze geboren zijn condacensi Castro super scelt ( in het kasteel aan de Schelde bij de samenvloeiing ). Dit super scelt kan ook vertaald worden door de oudste gekende geschreven naam van Schelle, namelijk Scelleburd, zoals in de latere manuscripten de Latijnse uitdrukking apud Scaldim zowel kan betekenen bij Schelle als aan de Schelde.
Onder de Karolingers is hier te lande het parochiewezen ontstaan. Aan de kerken werd een bepaald gebied toegewezen, waarop de eigenaar van de kerk gerechtigd was tienden (belasting op de oogst der landvruchten) te heffen. Een derde van de opbrengst van die belasting was voor hem bestemd, een ander derde kwam de pastoor van de parochie ten goede. Het laatste derde diende voor de armenzorg. De Schelse kerk is dus ouder dan de parochie.
Bij de invallen van de Noormannen en de Friezen, toen de verre abdij van Lobbes haar goederen niet kon verdedigen, is het Schelse domein overgegaan in handen van wereldlijke bezitters, de waarschijnlijke voorvaderen van de Berthouds.
Na die duistere periode van verval en vervreemding kwam er een tijdperk van
herstel en restitutie: de hervorming van Hildebrand of paus Gregorius VII de
Grote (+ 1085).
Hij ontnam het kerkelijke goed aan de onrechtmatige bezitters en stelde het weer
ten dienste van de Kerk.
Zo werd de kerk van Schelle, die bij haar stichting bijna zeker tot het bisdom Luik behoorde maar overgegaan was naar het bisdom Kamerijk, geschonken aan het Mechelse Sint-Romboutskapittel, dat door de eerste prins-bisschop van Luik, Notker (930-1008), aldaar werd gesticht. (Mechelen was toen nog geen bisdom.) In 1147 bevestigde Nicolaus, de bisschop van Kamerijk, nog eens plechtig die schenking.
Wegens haar voorname inkomsten kreeg de kerk van Schelle een tweede eigenaar. In 1447 werd door een pauselijke beslissing de helft van de inkomsten (pondpondsgewijs of één zesde van de tienden) toegewezen aan het tweede Kapittel van Sint-Pieters te Leuven, dat uitsluitend bestond uit professoren van de pas gestichte universiteit (1425) en er het beheersorgaan van vormde. Dit Leuvense kapittel kreeg ook het recht alhier de pastoor te benoemen. Een voorbeeld hiervan vinden we nu nog aan de achterzijde van de kerk, waar de grafsteen van pastoor Petrus Cops (+ 14-05-1464) werd opgehangen. Die parochieherder was de eerste pastoor die hier door Leuven werd benoemd. Het tiendesysteem bleef in voege tot op het einde van de 18de eeuw (Franse Revolutie).
In de zestiende eeuw werden er onder impuls van de Habsburgers nieuwe bisdommen gesticht. Schelle, tot dan toe onder de staf van Kamerijk, kwam onder het gezag van de bisschop van Antwerpen. Boom, dat kerkelijk ook Kamerijks was ging naar het aartsbisdom Mechelen. Onder de Antwerpse bisschoppen beleefde de parochie haar bloeiperiode en kreeg het kerkgebouw zijn glans, zowel van binnen als van buiten. Het wapenschild van bisschop Malderius ( verlatijnsing van Van Malderen) dat binnen boven de uitgang aan het noorderportaal der kerk hangt, herinnert daar nog aan.
Door het Concordaat van Napoleon en als gevolg van de verworvenheden der Franse Revolutie werd het bisdom Antwerpen afgeschaft. De parochie van Schelle kwam onder Mechelen. Intussen is het bisdom Antwerpen weer opgericht en vormen alle parochies van de Rupelstreek de zuidelijke grens ervan.
Het oorspronkelijke kerkgebouw kan zoals elders een houten constructie geweest zijn. Maar de Doornikse steen van de toren, die in de 19de eeuw door witte steen werd vervangen, laat vermoeden dat ook het schip en het koor in dit materiaal werden geconstrueerd. Dit zaalkerkje zou dan niet breder geweest zijn dan de toren. Dit verklaart meteen waarom de Schelse toren niet op een vierkantige basis werd opgetrokken. (De voorzijde van de toren is breder dan de twee zijkanten.) Het oudste koor zou het begin van het huidige koor als uiterste grens gehad hebben. De vloer van het schip lag zeker een halve meter lager dan de actuele. Wanneer dit gebouw is verdwenen, weten we niet. Maar onder het pastoorschap van Jan Pelle werd zeker het middenschip in gotische stijl gebouwd of herbouwd. De hardstenen pilaren, die bij de restauratie van 1995 werden bepleisterd, stammen uit die tijd. Bij de herbouwing in 1844 vond men op één ervan het jaartal 1472. Vijftien jaar later, in 1487, verwoestte een grote brand het gehele dorp, kerk incluis. Hij werd aangestoken door de soldaten van het Franse regiment, dat onder leiding van Willem van Kleef de Duitse troepen van Maximiliaan van Oostenrijk uit Schelle kwam verjagen. Na de vroegtijdige dood van zijn echtgenote, Maria van Boergondië, had Maximiliaan om zijn aanspraak op Vlaanderen te ondersteunen zijn leger aan de grens van zijn gebied met Vlaanderen alhier samengetrokken. (Schelle was een grensdorp.) De aanwezigheid van een garnizoen, zowel aan het Tolhuis als aan de Muien (nu het Fortje), vindt men nu nog bevestigd in de kerkvloer door de grafsteen van de militair Peter Bonne alias La Roose, forier.
Of de kerk na die brand hersteld of herbouwd is, kunnen we niet met zekerheid zeggen.Wel, dat zij nog geen eeuw later, in 1566, de krawatentijd, door de Beeldstormers samen met de naburige abdij werd vernield. De Schellenaren herstelden in 1577 hun kerktoren, die als wachtpost diende. Twee jaar later, anno domini 1579, verschijnen de Zwarte Ruiters van Maarten van Rossem. Die bende vernielde alles grondig. Het gehele dorp werd een zwartgeblakerde ruïne.
Onder het Twaalfjarig Bewind (1609 - 1621) van de aartshertogen Albrecht en Isabella, gebeurde in ons onafhankelijk geworden land die wonderlijke wederopstanding van de gemeenschap, die we de Contrareformatie noemen.
De kerk werd terug opgebouwd zoals we ze kennen uit het schilderij van J.Breugel de Oude, Het Dorp aan de Rivier (Kunsthistorisch Museum, Wenen). Op het oude torenstuk, dat toen al versierd was met een fraaie fries in boergondische gotiek, werd een luchtig middenstuk aangebracht met een slanke torenspits als bekroning. Kort na zijn oprichting werd die spits door een stormwind scheef geblazen. De schrijnwerkers van die tijd hebben zijn toestand gefixeerd door hem deskundig op te spieen. Aan hen danken we onze scheve toren.
Het interieur kreeg ook aandacht .Over de vijf altaren, die de kerk toen gekregen heeft, is ons niets anders bekend dan dat het hoofdaltaar was toegewijd aan de heilige Petrus en de zijaltaren aan Onze-Lieve-Vrouw, de heilige Petronella, Barbara en het laatste als gilde-altaar aan Sint-Sebastiaan. We weten ook dat het hoofdaltaar een schilderij bevatte, niet het huidige, dat door een Mechelse schilder zou gemaakt zijn. Wat het voorstelde werd niet geboekstaafd.
De zij-altaren bevonden zich aan de noord- en zuidgevel der kerk, ieder in een aparte kapel. Pastoor Hooftmans uit Roosendaal, die te Schelle verbleef van 1714 tot 1732, gaf aan de deken van de Sint-Lucasgilde,Alexander van Papenhoven, een groot Antwerps kunstenaar,wiens werk nog onvoldoende werd bestudeerd, opdracht het hoofdaltaar te vervangen.
Het schilderij dat een voorstelling geeft van Christus, die tegen Petrus zegt: "Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam " (Gij zijt Petrus en op die steenrots bouw ik mijn kerk) werd geschilderd door een kunstenaar over wiens naam lange tijd onzekerheid heeft bestaan, hoewel het schilderij tamelijk duidelijk gesigneerd is. Stockmans las de handtekening als ROOMS. Bij de voorbereiding van de brochure over de kerk las ik zelf DE ROOVER. Toen het schilderij voor restauratie uit zijn kader werd gehaald en gereinigd werd, bleek het duidelijk dat er J.D.ROORE F.1719 stond. De schilder is dus de Antwerpenaar De Roore, die naar Nederland is uitgeweken.
Toen de Oostenrijkse keizer Jozef II de comtemplatieve orden ophief, heeft het kerkbestuur het gestoelte van de zusters Victorinnen gekocht . Ook de vroegere communiebank kwam uit een gesupprimeerd Antwerps klooster. Die meubels werden per schip naar de kerk gebracht en aan de Hamer, nabij de kerk gelost. Ook werd in 1777 aan A.F. Van Peteghem opdracht gegeven een orgel te bouwen. In 1779 was die taak uitgevoerd.
Een tiental jaren later brak de Franse Revolutie uit. De Sansculotten bezetten ons land. De kerk werd gesloten haar onroerende goederen kwamen als zwart goed in handen van vrijdenkende leken. Na de val van Napoleon en het verdrijven der Hollanders zou het kerkgebouw in een dusdanige toestand zijn gekomen dat het volgens pastoor A.Bals zeer dringend moest gerestaureerd worden.
Die restauratie, in 1844 door de provinciale architect Berghmans voltooid, is voor het uiterlijk van de kerk een ware ramp geworden. De eens zou fraaie kerk werd verminkt. De kleine kruisbeuk met aan weerszijde de twee kapellen verdween. De toren met het klein traptorentje ernaast werd ingebouwd. De enige bedoeling van Bals moet geweest zijn: meer plaatsen in de kerk (stoelgeld) krijgen en het gehele kerkgebouw onder één dak brengen, terwille van de onderhoudsonkosten
Hij heeft ook het interieur van de kerk grondig gewijzigd. Hij elimineerde de altaren van Sint-Barbara en Sint-Sebastiaan. De twee zijmuren van het koor werden opengekapt en van nieuwe bogen voorzien. Het gestoelte werd in stukken gezaagd; een deel bleef op het koor, het ander gedeelte verdween naar de zijbeuken. Het oorspronkelijke altaar werd bijgewerkt; het plaasteren gedeelte achter de beelden van Petrus en Paulus is daar het resultaat van.
Het voornaamste stuk van onze kerk is het schilderij De Marteling van Sint-Sebastiaan door A. Van Dijck, de leerling van Rubens.
Het is foutief te denken dat dit tafereel de marteldood van Sebastiaan voorstelt. Van Dijck heeft dus niet de dood van de heilige geschilderd, maar juist zijn mirakuleuze redding door de engelen, die de pijlen uit zijn lichaam trekken. Volgens zijn legendarische Vita of levensbeschrijving waren het niet de engelen, die hem redden, maar zou Irene, de weduwe van de martelaar Castulus, hem 's nachts aan de boom gevonden hebben. Ze meende dat die Romeinse officier voor zijn geloof was gestorven en wilde hem in de catacomben gaan begraven. Toen bleek dat hij nog leefde, heeft zij hem verder verzorgd. Pas later werd hij omwille van zijn geloof op de trappen van het keizerlijk paleis met knuppels gedood.
Het schilderij zou geschilderd zijn rond 1630-1631, de rijpere tweede Antwerpse periode van Van Dijck.
Hoe het in het bezit van de kerk is gekomen, kan niet in het archief gevonden worden. Waarschijnlijk kwam het als altaarstuk voor de Sint-Sebastiaansgilde in de kerk. Door bemidelling van Asseliers ? Hij was aalmoezenier van de stad Antwerpen en woonde op Scherpenstein. Hij had zeer goede relaties met de schilders van zijn tijd.
Aan hem zouden we Breugel's schilderij met de kerk van Schelle te danken hebben.
In 1995 werd het interieur van de kerk volledig gerestaureerd, waarbij door het wegkappen v
an het stukadoorwerk in het torenportaal van de kerk de Doornikse steen als de grote getuige van de zeer hoge ouderdom der kerk weer te voorschijn kwam. De twee patroonheiligen op de deuren in glas zijn het werk van Jan Van der Aa uit Hemiksem.Bovenstaand overzicht is zeker niet volledig. Het is een samenvatting, met hier en daar een aanvulling of verbetering, v
an de brochure, die door de kerkfabriek ter gelegenheid van de laatste restauratie werd uitgegeven.