TEN BOOME
MINI — OPEN MONUMENTENDAG
HEEMMUSEUM BYSTERVELD
door Jozef Verlinden
Het Schelse heemmuseum Bysterveld ontleent zijn naam niet aan de plaats waar of aan het gebouw waarin het is gevestigd, maar aan één van de drie verdwenen omwaterde
hoeven, die het oude Schelle naast de vijf omwaterde hoven rijk was.De oude Bysterveld-hoeve bevond zich op de plek, waarop het huidige moderne gemeentehuis werd opgetrokken. Ze was van recentere datum dan de oude Schans-hoeve (Jordaensstraat) en de nog oudere hoeve Ter Meeramere, wat de oudste naam was van de Coppenbosch-hoeve, die later tot de Correctie werd omgedoopt.
Het heemmuseum is gevestigd in de oude pastorie. Ook die benaming zou foutief zijn. Want, de oudste pastorie van Schelle is de Papehoeve met haar grote schuur, waarin de opgehaalde tienden-goederen werden opgeslagen. Daarna is de pastoor
gaan wonen, we weten niet juist wanneer, in een hoeve die tussen de Vliet en de Steenwinkelstraat lag, en die later, in de zeventiende eeuw, bezit is geworden van de Antwerpse Jezuïeten. Die hoeve was met de kerk verbonden door een kerkweg, die de Roetaard heette.De derde pastorie -later is er nog een vierde gekomen- is het gebouw waarin het museum zijn verzameling tentoonstelt. Het werd niet als pastoorswoning opgericht, maar kwam in het bezit van de dorpsgemeenschap als gevolg van een juridische betwisting in verband met niet betaalde schulden.
Het huidige Schelle bestond vroeger uit verschillende rechterlijke entiteiten, die elk hun eigen heer hadden en daarom heerlijkheid werden genoemd. Het voornaamste rechtsgebied is lange tijd de heerlijkheid van Hagelsteen of Hof Ter Schelle geweest, dat later, in de veertiende eeuw, de heerlijkheid van het Laar werd.
Op haar grondgebied lag de vierschaar (Schels Moleke) en ook op het Galgenveld (het voorste stuk van de Tolhuisstraat heette vroeger Galgenstraat) de Galgenberg, waarvan de oudste benaming Pottelberg is, wat op een urnenbegraafplaats wijst, en die later de molenberg van Coppenbosch is geworden. De heerlijkheid, waarvan de oorsprong teruggaat op een zijtak van de Berthouts, bezat een eigen laathof met schepenen, die doorgaans ook schepenen van Schelle waren.
De familie Suys, een geslacht van dijkbouwers uit Dordrecht (vandaar het Schelse wapenschild met drie heiblokken), verwierf in de zestiende eeuw het kasteel van Laar met zijn aanhorigheden. Na heel wat verwikkelingen verkreeg in 1642 Peter Suys de hoge, midden en lage rechten van de heerlijkheid. Hij meende dat hij hierdoor vrijgesteld was van de dorpslasten van Schelle.
Over dit geschil werd door de schepenen van Schelle een proces gevoerd bij de Hoge Raad van Brabant. De beide partijen zijn tot een akkoord gekomen. Suys zou 200 pond aan de dorpskas betalen op voorwaarde dat er een nieuwe pastoorswoning kwam in vervanging van de latere Jezuietenhoeve.
En hier citeer ik Stockmans : De heer van Laar wist thans eene goede occasie om aan eene pastoorswoning te geraken (...) namelijk sieur Balthasar Donkers' huis, dal te koop was mits 400 pond Vlaamsch (2400 gulden). Suys' voorstel werd aangenomen: hij betaalde de helft der kosten van aankoop, terwijl de andere helft door dorp, kerk en H.Geesttafel (nota van mij: georganiseerde kerkelijke armenzorg onder toezicht van de wereldlijke macht) gedragen werd. Den 18en december 1652 teekende men de overeenkomst. Dank aan deze omstandigheid ontsnapte de pastorij ten jare 1798 aan het lot van (...) zwarte goed (Geschiedenis van Schelle, p. 162)
De pastorie ontsnapte aan het beslag , dat de Franse Revolutie had gelegd op alle kerkelijke goederen, omdat de toenmalige eigenaar van de kerk, het Kapittel van Sint-Rombouts te Mechelen, zijn deel van 300 gulden niet betaald heeft. Die som werd voorgeschoten door de dorpsgemeenschap.
Op een zelfde manier is ook de Laarkapel eigendom van de Schelse kerk geworden. Die kapel, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën , was persoonlijke eigendom van de heren van het Laar. De pastoor van Schelle trok van hen een speciaal tractement om daar de mis te celebreren en eenmaal per jaar samen met de Minderbroeders van Antwerpen de biecht te horen. Dit gebeurde steeds op Passiezondag ( voor wie het niet meer weet, dit is de tweede zondag voor Pasen).
In het heemmuseum hangt een originele achttiende-eeuwse aanplakbrief om dit feest aan te kondigen en de te verdienen aflaten bekend te maken.
De opbrengst van de offerblok van die druk bezochte kapel, vooral door gelovigen uit het naburige Niel, werd beheerd door de rentmeester van het Laarhof.
Een groot gedeelte werd besteed aan het onderhoud, de verfraaiing en de uitbreiding van de kapel. Met het resterend gedeelte zou Peter Suys de fondatie voor zijn gestorven familieleden betalen aan de kerk van Schelle. Wat hij en nadien zijn opvolgers nooit hebben verricht, hoewel de Schelse kerkrekeningen getuigen dat de missen steeds werden gelezen.
Toen iets voor 1830 het gehele domein van het Laar te koop werd gesteld, vroeg pastoor A. Bals aan het aartsbisdom de toestemming om bezwarend beslag te mogen leggen op de koopsom om zo de schuld tegenover de kerk te kunnen delgen.
Zo ver is het niet gekomen, want de zeer christelijke koper, de heer A. Ravesteyn, wist de moeilijkheid op een elegante manier te omzeilen. Hij schonk het eigendomsrecht van de kapel aan de kerkfabriek van Schelle.
Het huis is nog practisch in dezelfde toestand zoals het oorspronkelijk werd gekocht. Jammer genoeg is men nog altijd vergeten het laten klasseren. Het is wel het voorwerp geweest van vele, héél vele herstellingen, die ten laste van de Schelse gemeenschap vielen. Hoewel het Kapittel van Mechelen hier de kerktienden kwam innen, heeft het bijna nooit voor het onderhoud van kerk en pastorie bijgedragen.
De pastorie was gebouwd als fraai burgershuis met een even fraaie tuin (thans heemtuin) met grote vijver. Langs een kanaal of beek, den hauwer genaamd, stond die vijver in verbinding met de Vliet. Een sasdeurtje regelde het tijverschil. In de grote salon van de pastorie, d. i. de kamer rechts als men de ingang passeert, bevonden zich twee opmerkelijke smalle schilderijen., die men ten onrechte heeft laten verdwijnen.
Het heemmuseum stelt verschillende voorwerpen tentoon, die door de Schelse bevolking werden geschonken. De beheerders hebben getracht dit alles thematisch bijeen te brengen. Zo heeft men gezorgd voor het winkeltje van Trees Bazaar, die een kantschool had, voor een kaslokaal van juist voor de Tweede Wereldoorlog en ook voor een specifiek cafeetje. Het museum bezit een grote verzameling van boerenalaam, waarvan een groot deel uit het Waasland komt.
Voor kenners is vooral het vrouwen-ondergoed uit de vorige eeuw van de beste kwaliteit.
Kortom, voor de aandachtige en geïnteresseerde kijker valt er heel wat te beleven en is een enkel bezoek niet voldoende om alles naar waarde te kunnen schatten.