TEN BOOME


DE WIEDSTERKENS – LIED VOOR DEN MEISJESBOND VAN BOOM

WIE WAS TOCH ALICE NAHON ?

Door Karin Blommaert

Toen onze secretaris Marcel Vereycken onlangs het « Lied voor den Meisjesbond van Boom » op onze maandelijkse vergadering ter sprake bracht en Alice Nahon noemde als dichtster van de tekst, was mijn nieuwsgierigheid onmiddellijk geprikkeld. Ooit ging ik als student Geschiedenis mee met de Christelijke Gepensioneerdenbond van het H.Hart van Boom naar het kasteel Cantecroy in Mortsel. Daar moet ik haar naam voor het eerst gehoord hebben, ze woonde daar immers een hele tijd. Later, toen ik trouwde met een Mortselaar, kreeg hij het voor elkaar dat we op het domein van het kasteel onze huwelijksfoto’s mochten nemen. Er ging ook geen gelegenheid voorbij of mijn schoonmoeder bracht Alice Nahon ter sprake. Ook nu, wanneer ik haar vertelde dat ik dit artikeltje zou schrijven, was ze direct enthousiast en begon ze spontaan « ‘t Is goed in ‘t eigen hert te kijken » voor te dragen, haar lievelings-gedicht ! Voor mij een extra stimulans om mij in het leven en werk van Alice Nahon te verdiepen.

Op 16 augustus 1896 werd Alice Nahon geboren te Antwerpen. Aan de gevel van haar geboortehuis aan de Grote Markt 58 pronkt een bronzen gedenkplaat. Alice was de derde in een gezin met elf kinderen. Haar vader Gerard L. Nahon stamde uit een oude Frans Hugenotengeslacht dat naar Wallonië was uitgeweken en zich in Holland had gevestigd. Gerard was in 1867 in Noord-Brabant geboren en was naar opvoeding en geest een echte Nederlander . In 1892 huwde hij Julia Gysemans, dochter uit de bekende boomkwekers-familie in Putte bij Mechelen. Het gezin had zich in Antwerpen gevestigd, maar kort na de geboorte van Alice verhuisde het naar Mortsel. Daar liep Alice school. Ze las veel, wat aangemoedigd werd door haar moeder, die ‘s avonds verhalen vertelde en haar vader die zaakvoerder was bij de ‘Nederlandse Boekhandel’ in Antwerpen.

In 1911 ging Alice, toen 15 jaar, studeren aan de landbouwschool in Overijse, wat in de traditie van haar moeders familie lag. In dit instituut, waar de opvoeding vooral op hart en geest was gericht, kreeg haar poëtische aanleg een eerste neerslag. Ze vond haar inspiratie in het schoolleven, natuurstemmingen en bloemennamen, wat leidde tot frisse, speelse en soms ondeugende gelegenheidsversjes. Alice bleef altijd terugdenken aan die gelukkige jeugdjaren in Overijse. Ze bleef mooie en welluidende planten- en bloemennamen gebruiken in haar gedichten en aan haar vriend Renaat Korten zei ze later die eerste simpele versjes te willen bundelen onder de titel « Maart – April ». Na haar dood voltooide Korten dit werk.

Na de landbouwschool in Overijse, die ze met grote onderscheiding voltooide, keerde ze terug naar Antwerpen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam Alice dienst als verpleegster in het Stuivenbergziekenhuis. Daar moesten massa’s gewonden verzorgd worden, die om veiligheidsredenen in de kelders werden ondergebracht. In die vochtige kelders vatte ze kou en geraakten haar longen aangetast. Haar ouders besloten haar naar een sanatorium te sturen. Ze verbleef eerst in de sanatoria Joostens in Sint-Antonius-Brecht en ‘Ploeghalle’ in Schilde.

In 1917 ging Alice naar het Sint-Jozefinstituut in Tessenderlo, waar ze tot eind 1922 zou verblijven. Die zes jaren drukten een zware stempel op haar. Men zei haar dat ze TBC had, wat later onjuist bleek te zijn. Alice was verbitterd over deze verloren jaren : « Ik heb in een gesticht verbleven waar er geen zorg aan de innerlijke gesteldheid werd gegeven . Ik had de naam aan een ongeneeslijke kwaal te lijden. Dat ontmoedigde me vreselijk. Alleen toen ik de middelen bezat om me in Zwitserland door een specialist te laten behandelen, vernam ik dat het niet waar was. Ik was gedeprimeerd omdat ik al die jaren, die nu verloren waren, aan studie had kunnen wijden. Het akelig verblijf in het sanatorium met de gedachte er nooit weer uit te komen, heeft invloed gehad op mijn poëzie. Ik meende genoeg soepelheid van karakter te bezitten om terug in de maatschappij te treden. Het was echter schijn. De ondergrond kon niet worden geluwd. »

Alice kende ook mooie dagen in Tessenderlo. Ze wandelde veel en maakte er vrienden. Haar verblijf in het sanatorium was ook de voedingsbodem voor een verder ontluiken van haar dichterschap. Haar gemoedstoestand bracht eenvoudige, tedere liederen voort, die gepubliceerd werden in « Vondelingskens » (1920) en « Op zachte vooizekens » (1921). Door hun eenvoud, klaarheid en zangerigheid sloegen ze meteen aan bij duizende lezers. Het onverwachte succes bracht Alice naar buiten, ze droeg haar verzen op vele plaatsen voor. Na de melancholie in haar eerste bundel, openbaart zich in de tweede bundel het besef dat ook anderen lijden en wachten op haar hulp en tederheid.

In december 1922 verliet Alice Nahon Tessenderlo. Ze volgde eerst een herstelkuur in Zwitserland en maakte nadien een zwerftocht door Zuid-Europa. Bij haar terugkeer in Antwerpen in juli 1923 trok ze rond in Vlaanderen en Nederland. Ze was een vrolijke gezel voor vele vrienden.

Alice Nahon was een vurige flamingante in het Antwerpen van de jaren twintig. Ze kwam dikwijls samen met Vlaamsgezinde schrijvers en kunstenaars van die tijd in het clublokaal van de Antwerpse flaminganten, een kamer op de tweede verdieping van een woning aan de Beggaardengang, vlakbij de Eiermarkt. Er werd veel gezongen en plezier gemaakt, waaraan Alice vrolijk deelnam. Uit vele getuigenissen blijkt dat het beperkte beeld van de maagdelijke, eenvoudige Nahon, dat leeft bij een ruim publiek, wel moet herzien worden.

Alice Nahon was muzikaal aangelegd. Ze zong graag, maar het was voor haar ook een balsem voor haar leed. Ze getuigde er later zelf over : « Ik schreef deze verzen omdat ik me zozeer vrouw voelde. Tessenderlo was het middelpunt van mijn ellende. Ik moest zingen. Ik bezat geen ander repertorium dan dit van mijn schoolliedjes. Ik vond zangwijsjes op mijn eigen gedichten en zong ook op teksten van andere dichters. » Haar « liedekens » waren liederen, muziek, eenvoudig en ongekunsteld. Dit moet ook vele toondichters opgevallen zijn. Lodewijk de Vocht, Jef Van Hoof, Jules Borremans, Flor Peeters, Arthur Meulemans (met 87 composities) en andere componisten schreven muziek op haar gedichten. Er bestaan meer dan 300 composities op enkele van haar gedichten.

Het « Lied voor den Meisjesbond van Boom » dat wij hierna publiceren, werd van muziek voorzien door pater Aug. Verhaegen van de Benediktijnerorde. Over deze toondichter hebben wij momenteel niet meer informatie bijeengezocht. Ook de Meisjesbond van Boom is ons niet onmiddellijk gekend. Was er een verband met de vlaamsgezindheid van Alice Nahon ? Of was haar jongste broer, die conducteur was van de gemeente Boom, de link tussen beiden ? Misschien kan iemand van onze lezers ons verderhelpen ?

Het gedicht « De Wiedsterkens » verscheen in de postume bunder « Maart – April » (1936), waarvoor Renaat Korten, één van haar vrienden, haar jeugdgedichten en nagelaten verzen verzamelde en voorzag van biografische bijzonderheden.

In 1927 voelde Alice zich zoveel beter dat ze een job als bibliothecaresse aanvaardde in de « Stedelijke Volksboekerij » te Mechelen. Ook hier speelde het oude, vochtige gebouw haar parten en na 5 jaar diende ze het werk op te geven. Ze woonde in deze periode (1927 – ’32) in de mooie kapelwoning van kasteel Cantecroy in Mortsel, waar ze veel vrienden ontving. In deze jaren van herwonnen vrijheid en geloof in de toekomst en in haar werk ten dienste van de gemeenschap, ontstonden nieuwe gedichten, die ze in 1928 liet verschijnen in de bundel « Schaduw ». Dit was haar laatste, persoonlijk uitgegeven bundel. Hier was een rijpere dichteres aan het woord met meer gelouterde, verinnigde poëtische muziek, met zeer ritmische en muzikale verzen. Haar verzen waren minder sentimenteel, maar meer verbonden met haar veranderde plaats in de maatschappij. Ze bezon zich over haar eigen leven, over de zin van taal en poëzie, over grote en kleine dingen, over God , de mensen en de wereld.

Alice Nahon was, na Guido Gezelle, de meest gelezen dichter(es) in Vlaanderen. Van « Vondelingskens » werden 70.000 exemplaren verkocht (23 drukken), van « Op zachte vooizekens » 60.000 exemplaren (21 drukken), van « Schaduw » 40.000 exemplaren (14 drukken), evenveel als van het postume « Maart – April ». De Nederlanders bewonderden haar evenzeer, zeker toen zij herhaaldelijk naar het Noorden trok om haar gedichten voor te dragen.

In 1932 verhuisde Alice naar het centrum van Antwerpen, waar ze een flatje in de Carnotstraat betrok. In oktober van dat jaar hield ze haar laatste voordracht in Rotterdam en schreef ze haar laatste drie gedichten, gericht aan Renaat Korten. Nadien werd ze opnieuw ziek en voorgoed bedlegerig. Ze verzwakte van dag tot dag. Tot haar laatste uren bleef ze praten over wat haar dierbaar was, zo getuigde ze aan romanschrijver Lode Zielens : « Mijn verzen, ze zijn distillatie van eenvoud. Ik zwoeg over elke regel om hem maar zo simpel mogelijk te krijgen zodat Jan en alleman hem kan verstaan. Mijn taalonderwijs gaat maar tot mijn elfde jaar… Ik weet niet hoe het gekomen is dat ik begonnen ben met verzen schrijven. Ik kende van Gezelle toen slechts één liedje. Gezelle was eerst slechts een fictieve naam voor mij. »

Op zondagnamiddag, 21 mei 1933, een stralende pinksterdag, stierf zij, nog geen 37 jaar oud.

DE WIEDSTERKENS

Onz’ kerels hebben ‘t zaad gezaaid

In Vlaamse grond.

Maar voor dat d’oogst zal afgemaaid,

Zoo goudig blond,

Behoeft een zorge zacht en sterk

Van vrouwenhand,

Die doet het edele wiedsterswerk

Op ‘t Vlaamse land.

Weet dat uw veld niet bloeiend wordt,

Wanneer ge tegen ‘t werken mort.

Een schone ziel, een grove schort,

Die wiedsters zijn er veel te kort

In Vlaanderen.

Wordt wakker, wordt wakker,

Voor Vlaandrens grote akker !

Vergeet toch niet wat uw naam bediedt,

O, wiedsterkens ! O, wiedsterkens !

Als ge wiedsterkens heet,

Is ‘t uw plicht dat ge wiedt.

O, wiedsterkens, o, wiedsterkens

Van het Vlaamse veld.

In ‘t stil gedoe van iedre dag

Wat niemand telt,

Zelfs in uw leed en in uw lach,

Daar vindt ge een veld.

Daar kunt ge wieden ‘t vreemde kruid

In spraak en lied,

Maar rukt het met de wortel uit

Of ‘t kruid herschiet.
En in uw vrouwelijk gemoed

Zal komen lijk een zeegning zoet

Het weten schoon, het weten goed,

Dat gij voor Vlaanderen ook iets doet,

Voor Vlaanderen.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN