TEN BOOME


DOM AUGUSTINUS VERHAEGEN

COMPONIST VAN "HET LIED VAN DE BOOMSE MEISJESBOND"

 

Door Joz. Verlinden

In ons vorig jaarboek publiceerde Marcel Vereycken, onze vorige secretaris, onder de titel "De Wiedsterkens" een facsimile van het lied der Boomse meisjes, zoals het werd gedicht door Alice Nahon en getoonzet door Dom A. Verhaegen o.s.b. Onze huidige secretaris Karin Blommaert voegde daar een kort artikeltje aan toe dat niet enkel de dichteres maar ook haar werk belichtte.

Uit de tekst die de uitgever L. Verbelen, Oud-Strijderslaan 15 te Borgerhout op de partituur liet drukken, blijkt voldoende dat dit lied speciaal voor de Boomse Meisjes zou getoonzet zijn en misschien ook geschreven. De schrijfster had alleszins een affiniteit met Boom, haar broer was hier gemeentelijk "conducteur".

Maar wie was die componist? Wat weten we over Dom A. Verhaegen? Waarom zou juist hij dit lied voor de Boomsche Meisjesbond gecomponeerd hebben? Om iets meer over de toondichter, die uiteraard een benedictijner-monnik was (o.s.b. = ordinis sancti Benedicti – uit de orde van Sint-Benedictus), te weten te komen, hebben we via het dagblad De Standaard een oproep laten verschijnen. Na heel wat tijd – we hebben onze aanvraag tweemaal schriftelijk moeten indienen – verscheen onder de rubriek De Spanjaard – Ik Zoek in de uitgave van 26 juni 2001 de volgende tekst:

VERHAEGEN. Joz. Verlinden zoekt inlichtingen over Dom Augustinus Verhaegen, die op het gedicht De Wiedsterkens van Alice Nahon het lied voor de Meisjesbond van Boom componeerde (…).

De bedoeling was om via informatie over de componist meer te kunnen vernemen over het lied zelf en over zijn relatie met de meisjesbond alhier. Tegen onze verwachtingen in was de reactie zeer snel en zeer groot, maar had, zoals we het gevraagd hadden, enkel betrekking op de persoon van de componist.

De heer V. Van Moer uit Kapellen bij Antwerpen zond mij een volledige kopie van de uitgebreide brochure met als titel Levensschets van Dom Augustinus Verhaegen o.s.b., monnik van de abdij van Affligem 1886 – 1965, een rijk gevuld leven: met zang … en orgelspel, geschreven door H. Van de Ven met een Ten Geleide door Pieter G. Buckinx en uitgegeven in 1966. Daarbij voegde hij een kopie van een artikel uit een tijdschrift, zonder opgave van titel en jaartal, over Dom Augustinus Verhaegen o.s.b. Tenor – Componist – Organist. Dit artikel verwijst uitdrukkelijk in een postscriptum naar de hierboven genoemde monografie van H. Van de Ven.

Uit Mechelen kreeg ik een antwoord van de H. Verhaegen, die wel een naamgenoot maar geen direct familielid van de componist is. Hij schreef dat er vroeger – de juiste datum was hem ontgaan – in De Standaard een reportage was verschenen over een huldiging van de monnik-kunstenaar. Hierdoor geraakte hij zo geïnteresseerd in de familie van zijn gevierde naamgenoot, dat hij als amateur stamboomgegevens over hem is gaan verzamelen. Hij bracht weinig nieuws aan, want zijn gegevens, die jammer genoeg onvolledig bleken, kon ik terugvinden in het werkje van H. Van de Ven. Het artikel dat in De Standaard verscheen, zal waarschijnlijk het verslag geweest zijn van de posthume hulde, die de gemeente Kapelle-op-den-Bos aan de pater bracht bij de officiële opening van een straat, die zijn naam kreeg.

Uit de hoofding van de briefomslag van de heer M. De Broeck uit Ganshoren kon ik opmaken dat hij nauw verbonden was of is met de Heilig-Hartbasiliek van Koeckelberg. Hij kon me enkel aanbrengen dat hij zelf (als organist?) Dom Verhaegen uit Affligem had begeleid bij een uitvoering met een meisjeskoor. Wat het repertorium en hoe de naam van het koor was, werd niet gepreciseerd.

De heer E. De Ridder uit Aalst schreef dat de twee volgende publicaties zeker nuttige informatie konden geven:

Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983 door Dom Wilfried Verleyen o.s.b., een uitgave van het Genootschap voor de Aalsterse Geschiedenis;

Iconografie van de Sint-Pieters-en-Paulusabdij te Affligem door Dom Wilfried Verleyen o.s.b. en Ludo Van Eeckhout, een uitgave van Uitgeverij Het Streekboek te Nieuwkerken-Waas.

De brief van de heer U. Huybrechts uit Brussel was kort en bondig maar ad rem. Hij signaleerde mij dat ik eenvoudig de Algemene Muziekencyclopedie (Deel 6, pagina 663) had moeten consulteren.

Een zeer voorname reactie kwam uit de abdij van Affligem zelf. Jan Goetghebeur o.s.b. stuurde mij met zijn Pax-groet een uittreksel uit het abdij-necrologium. Dit is een register met de korte levensbeschrijving van de overleden monniken en weldoeners van de abdij. Op de herdenking van hun sterfdag wordt dit voorgelezen, zoals dit ook gebeurt met het leven der heiligen uit het Martyrologium Romanum (letterlijk: de Roomse Martelarenlijst, maar later verruimd tot alle heiligen) op hun feestdag.

Het toeval wilde dat ik enkele dagen later na het ontvangen van deze brief de huidige abt van Affligem mocht ontmoeten op de jubileumviering van de hulporganisatie SPES te Erembodegem. Hij vertelde mij dat Jan Goetghebeur, Dom Anselmus, de vorige abt van de abdij was, die als hoofdcelebrant de uitvaartmis van Dom Verhaegen is voorgegaan, de homilie heeft uitgesproken en de tekst van het gedachtenisprentje heeft opgesteld.

Uit alle verkregen informatie kon ik, zoals gezegd, geen enkele directe betrokkenheid van de componist met de Boomse Meisjesbond afleiden. Maar uit het geheel van brieven en brochures kwam wel de gloed van een bewogen man naar voren – volgens Pieter G. Buckinx "een van de mooiste figuren die Vlaanderen heeft voortgebracht". Het loont dus zeker de moeite om met het leven van die vergeten monnik-componist kennis te maken. Alle biografische gegevens hebben we geput uit het zeer gedocumenteerde werk van Hendrik Van de Ven uit kapelle-op-den-Bos.

 

Dom Augustinus Verhaegen

Dom Augustinus, Jan Julius Verhaegen werd op 19 augustus 1886 in Kapelle-op-den-Bos geboren als elfde kind van Casimir Verhaegen en Catharina Janssens. (Van de Ven vermeldt dat men in Kapelle-op-den-Bos nog steeds van de "Casimirekens" spreekt, als er iemand van de familie Verhaegen ter sprake komt.) Officieel was vader wegcommissaris maar hij vervulde ook de taak van koster. Het was evident dat hij het orgel bespeelde. Moeder hield in een van de zijkamers van het grote huis aan de Mechelbaan tegenover de Sint-Niklaaskerk een kruidenierswinkel. Het moet in de genen hebben gezeten, want het gehele huisgezin was zeer muzikaal. Jules – dat was zijn roepnaam- heeft eens over zichzelf verteld: "Ik begon bekendheid te krijgen toen ik nog zeer jong was. Ik was amper negen jaar oud toen ik naar de kerk ging waar mijn oudere broer Jean-François het orgel zou bespelen tijdens de aangekondigde dienst. Mijn broer stond beneden te praten en ik begon te vrezen dat hij te laat zou komen. Tenslotte kon ik de spanning niet meet uithouden. Ik zette mij achter het orgel en begon te spelen … Dat was de eerste maal dat ik een orgel bespeelde. Iedereen, zowel in de kerk als op het hoogzaal, maakte zich druk, maar ik stoorde mij daar hoegenaamd niet aan. Nu moet u niet denken, dat ik opgroeide om een virtuoos te worden, daar dacht ik zelf niet aan. Ik schiep behagen in het spelen, maar weigerde altijd te oefenen, omdat ik mijn tijd liever besteedde aan het componeren."

Na zijn lagere school te Kapelle-op-den-Bos heeft Jules Verhaegen als intern het toen strenge Klein-Seminarie te Mechelen gevolgd. De toenmalige directeur van het Lemmens-instituut voor orgel en kerkmuziek, Edgar Tinel (1854-1912) was daar ook als muziekleraar aan verbonden.

Na het beëindigen van zijn klassieke humaniora studeerde hij als voorbereiding op het priesterschap wijsbegeerte en godgeleerdheid aan het Groot-Seminarie van het aartsbisdom. Naar getuigenis van enkele medestudenten was hij geen uitblinker in de geheugenvakken, maar muntte hij des te meer uit in alle verstandsvakken, o.a. in wiskunde. In zijn monografie benadrukt Van de Ven dit zeer nadrukkelijk: "In uitspraakleer (dictie en klankexpressie) was hij veruit de primus van de klas en zelfs bekwamer dan zijn leraar, professor Duzas".

In die tijd leerde hij Arthur Meuleman kennen. Die andere vergeten toondichter studeerde aan het Lemmens-instituut.

In de kapel van het Groot-Seminarie bespeelde seminarist Verhaegen het orgel, niet als virtuoos maar als meester in de improvisatie. Over dit laatste getuigde hij zelf: "Ik denk dat heel wat van mijn scheppend werk geïmproviseerd werd. Maar als het zo is, dan is dat voor altijd verloren. Ik heb er echter niet veel spijt van, want de volgende compositie of improvisatie is misschien veel beter".

Van de muziek die hij te Mechelen componeerde, bezitten we enkel het lied " ’t En zal" op tekst van Guido Gezelle "voor eenige stemmen, koor en halfkoor".

Door tussenkomst van Edgar Tinel heeft hij ook de Mechelse beiaard bespeeld, waarvan Staf Nees toen de titularis was.

Op het einde van zijn theologische studie stierf eerst de dochter en iets later de vrouw van zijn broer, Barbara Angelica Poodt (° Ternat, 3 maart 1853 - + Ternat, 16 januari 1911 – zie Vlaamse stam XXII,2). Jean-François (°Malderen, 9 januari 1867) – dit was de organist die hij als negenjarige voor schut had gezet – was bijna twintig jaar ouder dan Jules en was landmeter van beroep. Sedert zijn huwelijk (Ternat, 3 oktober 1896) woonde hij te Gooik en te Ternat. Na het overlijden van zijn dochter en zijn vrouw besloot hij in het klooster te treden en werd onder de naam Odo monnik van de abdij van Affligem. Daar werd hij in 1917 priester gewijd en stierf er vijf jaar later.

Uit de documentatie, die ik gekregen heb, is het niet erg duidelijk of de keuze van Jules om benedictijn te worden, beïnvloed is geweest door die van zijn broer of andersom. Jules zou reeds na zijn diakenwijding te Affligem gepostuleerd hebben. Alleszins staat vast dat hij op 20 augustus te Mechelen de priesterwijding heeft ontvangen en nog dezelfde dag is binnengetreden in het noviciaat te Affligem waar hij ook dezelfde dag het benedictijner-habijt heeft ontvangen. Omdat hij reeds priester was, hoefde hij geen verder vorming in de abdij te krijgen. Op 31 augustus 1913 legde hij zijn geloften af. Voor een monnik die in de beslotenheid van een abdijgemeenschap de stilte en de eenzaamheid en uiteindelijk God zelf zoekt, is zijn verder kloosterleven in een ruim actief apostolaat verlopen met de muze van de muziek als vaste begeleidster.

Tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kreeg hij, gedurende zijn eerste kloosterjaren, de gelegenheid om bij Paul Gilson en August De Boeck zich te bekwamen in harmonie, contrapunt, fuga en compositie. Samen met Depuydt en Volcaert ontwikkelde hij nog verder zijn orgeltechniek.

Op het einde van het oorlogsjaar 1914 deed kardinaal Mercier een oproep aan de kloosters om priesters af te staan voor het apostolaat onder de Belgische vluchtelingen (+:- 375.000) op het Engelse grondgebied. Voor die riskante onderneming boden twee monniken uit Affligem zich vrijwillig aan: Dom Salvator Van Nuffel en Dom Augustinus Verhaegen. Ze vertrokken te voet naar Heide-Kalmthout, waar ze ongemerkt en clandistien de grens dienden over te steken om dan naar Vlissingen te gaan. Van hieruit bereikten ze niet zonder groot gevaar de haven van Ramsgate.

Dom Augustinus kreeg als werkveld Exeter, de hoofdplaats van eht graafschap Devon, waar een katholieke bisschopszetel was gevestigd. De kerkgangers aldaar kwamen onmiddellijk onder de indruk van zijn zang en orgelspel. Hierover schrijft H. Van de Ven het volgende: "Vòòr het begin van de eigenlijke godsdienstoefening (H. Mis of Lof) speelde de organist zijn eigen improvisaties, waar onvermijdelijk reminiscenties aan Wagner, Beethoven of Brahms in doorklonken; en met zijn gloedvol, soms uitbundig muzikaal temperament kon hij af en toe héél onstuimig (sic) zijn in zijn spel en ’n ogenblik daarna heel kinderlijk zacht. Doch zo iets was helemaal niet naar de zin van de stijve, conservatieve Anglikaanse Protestanten. De "Low Church"-mensen kwamen natuurlijk niet in de katholieke kerk, maar zij hoorden de muziek door de kerkmuren heen en gaven hun kritiek aan de "Roman Catholic-people" door te zeggen dat dergelijke "wereldse muziek, volgens hen, absoluut niet paste in Gods eigen huis; en zij bekeken "the Belgian priest" ("de Belgische priester", naam waaronder Dom Augustinus in Exeter bekend was) met ’n wantrouwig oog!"

Als aalmoezenier van de Belgische vluchtelingen moest hij geregeld de gelovigen bezoeken, die over het gehele graafschap Devon verspreid zaten. Daarom had hij een moto met zijspan gekocht, waarvoor hij een leuke naam had bedacht. Over zijn betrekkingen met de Vlaamse mensen aldaar bestaan heel wat verhalen, want hij hield van een goede grap.

Maar door allerlei omstandigheden achtte de geestelijke overheid het uiteindelijk nuttiger hem naar een andere streek te verplaatsen. Zo kwam hij terecht in Saint-Ives en Hayle in Cornwall aan de kust. In die prachtige streek verbleef hij tot het einde van de oorlog.

In die periode heeft hij waarschijnlijk de liederen gecomponeerd op teksten van Alice Nahon.

Teruggekeerd naar Affligem volgden daar tien jaren van een doorgezette muzikale arbeid. Hij componeerde liederen en zangspelen, stichtte een koor, schreef artikelen over kerkmuziek, leerde aan kloosterlingen, zowel mannen als vrouwen, de essentie van de gregoriaanse koormuziek, maar bleef vooral improviseren op het orgel van de abdijkerk. In 1925 werd hij zelfs uitgenodigd om in de Sint-Romboutskathedraal een orgelrecital te verzorgen.

Door de Franse revolutionairen werd in 1796 de abdij van Affligem volledig vernield en afgebrand. Het domein werd verkocht. De verspreide kloostergemeenschap kon echter anno 1837 terug beginnen met een vestiging in Dendermonde. Vandaar uit kocht men in maart 1869 de restanten van de oude vernielde abdij terug. Twaalf monniken uit de Dendermondse abdij gingen naar Affligem om een nieuwe kloostergemeenschap op te richten. Vermeldenswaardig is wel het feit dat de abdij van Dendermonde, die kerkrechterlijk de voortzetting was van de aloude stichting te Affligem en dus ook de oude privileges had meegekregen, haar rechten heeft afgestaan aan het nieuwe klooster te Affligem.

De opbouw van de nieuwe abdij is een werk van verschillende tientallen jaren geweest, dat onderbroken werd door de Eerste Wereldoorlog, en dat natuurlijk een grote geldelijke inbreng vroeg. Om die uitbouw verder te financieren zou – volgens Van de Ven – abt Benedictus van Schepdael een origineel plan hebben uitgewerkt, waarvoor hij een beroep deed op de musicus Dom Augustinus. In 1929 stuurt hij hem naar Amerika waar hij voor de Vlaamse uitwijkelingen voordrachten met een eigen recital over onze eigen Vlaamse muzikale schat moet gaan verzorgen; een geestelijke culturele missionaris en conferencier, die groot geld moest gaan verdienen.

Door de Amerikaanse mentaliteit én vooral door de grote economische crisis van de dertiger jaren is van dit plan weinig in huis (of in de abdij) gekomen. Dom Augustinus Verhaegen heeft dan in de Nieuwe Wereld allerlei pastorale werkjes uitgevoerd: hij doceerde kerkmuziek, gaf geestelijke leiding aan kloosterzusters, was onderpastoor en natuurlijk organist, dirigeerde kerkkoren en werkte vooral aan zijn eigen composities, die meestal een zeer religieuze strekking hebben. Een van zijn voornaamste missen ter ere van een ons onbekende heilige ontstond daar: Missa in honorem sanctae Luciae Filippini. Die Lucia was een Italiaanse vrouw, die heilig heeft geleefd en een zustercongregatie had gesticht. De Amerikaanse tak van die congregatie was op vijfentwintig jaar met driehonderd zusters aangegroeid. Om dit te vieren componeerde Verhaegen in 1935 die mis. Die mis, koorpartituur en credo, voor sopraan, alt en orgel verscheen in 1956 bij de gekende muziekuitgeverij Annie Bank te Amsterdam.

Voor de specialisten van de kerkmuziek, de onvolprezen gregoriaanse zang – Dom Augustinus heeft er na zijn Amerikaanse periode een kleine handleiding over geschreven – stippen wij aan dat hij de interpretatie van de Mechelse school (Edgar Tinel en later Jules Van Nuffel) verkoos boven die van de Franse abdij Solesmes. Hierover heeft hij eens in een brief geschreven: "De bestuurder der kerkmuziek van het Aartsbisdom Boston zei mij na een Mis, die ik daar zong en speelde, dat hij nooit heerlijker Gregoriaans gehoord had in heel zijn leven. En hij volgt Solesmes … Toen hij mij over mijn systeem sprak, moest hij bekennen, dat alles uiterst logisch en rationeel was."

Het is nu zeer opmerkelijk dat na de dood van abt Benedictus van Schepdael in 1951 zijn opvolger Dom Augustinus onmiddellijk terug naar de abdij heeft geroepen. Hij bespeelde er weer het orgel van de abdijkerk. Om als monnik-orgelist en begeleider van de gezangen van het Heilig officie tussen zijn medebroeders te kunnen zitten, liet hij de speeltafel naar het priesterkoor overbrengen. De mechanische tractuur van het orgel, waar nu naar terug wordt gegaan, werd aldus opgegeven. Maar het was voor de orgelist veel gemakkelijker om de zang van het monnikenkoor te kunnen begeleiden. Verder liet hij het orgel uitbouwen tot meer dan tweeduizend pijpen.

Hij bleef zangles geven aan paters en zusters, dirigeerde nog verscheiden keren zijn eigen koorwerken en componeerde nog op tekst van Dom A. Van Roy een Franciscuslied. Het werd opgenomen in de bundel Het Vlaamse Lied 1964, een uitgave van het Davidsfonds Leuven.

Zijn laatste levensjaren waren één en al ontreddering. Door een hersenverkalking getroffen, doofde zijn muzikaal talent uit. Op 12 oktober 1965 rond acht uur ’s ochtends is hij gestorven.

Over de waarde van zijn werk citeren wij enkele appreciaties van tijdgenoten, zoals we die in de reeds meermalen geciteerde brochure van Van de Ven hebben aangetroffen.

Over de improvisatie schreef de in Aalst gekende pianovirtuoos Stephaan De Jonghe: "Dom Verhaegen is een groot orgelvirtuoos wanneer het geldt niet van ’t boek te spelen! Alle virtuositeit vereist immers een strenge tucht, en tucht brengt bij wijlen automaten voort, mensen, waarvoor een ras-artiest ’n onbedwingbare afkeer voelt. Wanneer echter Dom Verhaegen zich als improvisator vóór het orgel neerzet, voelt hij er zich mede vereenzelvigd. Boven alles spreekt in zijn spel een streven naar het liturgisch karakter, in ’t algemeen genomen: door den stijl, die immer uitdrukt het specifieke eigene van het liturgisch feest of seizoen, meer in ’t bijzonder: door het kiezen der motieven, getrokken uit de liturgische stukken, welke de hoofdgedachte van het feest ’t beste uiten, bijvoorbeeld op Allerheiligen: "Gaudeamus" (vreugde) en "Beati" (dat klinkt als een belofte van Kristus, maar ook als een les). Die motieven komen, de hele mis door, in reliëf terug en maken ’n muzikaal geheel uit; we zouden het haast noemen: een cyclisch motief (in regelmatige orde terugkerend).

We merken ook in de improvisaties van Dom Verhaegen op: een bevallig meegaand symbolisme. (…)

De strenge lijn van het traditionele koraalspel kan Dom Verhaegen niet rigoristisch (precies in de maat) toepassen. (…)

De patriarchale Bach-stijl en het meest gewaagde, moderne Stravinsky-motief volgen elkander op. Zelden stijgen uit de orgelpijpen weeërige-sentimentele, suikerwaterachtige adagio’s; ’t optimisme, de bloem der kristelijke vreugde heeft ook geen uitstaans met pensionaatsmeisjestranen! Vreugde, levensblijheid vooral!

Zijn kerkzangbegeleidingen zijn uiterst eenvoudig, haast simplistisch, doch aangrijpend in hun eenvoud!

Technisch uitgediept ontdekken we in de improvisaties van Dom Verhaegen een strekking naar symphonisme: zonder ontheiliging door misbruik van fantasiespelen, weet hij door zijn rijke, nooit uitgeputte registratie, altijd nieuwe klankkleuren te toveren. Met de ontwikkeling der motieven vormt het klankkleur-element zijn grootste bezorgdheid."

De composities van Dom Augustinus zijn uitsluitend voor de vox humana, de menselijke stem, met begeleiding. Ze zijn zowel voor solisten als voor groot of klein koor bestemd. Buiten enkele bewerkingen van oude volksliederen – we laten de tekst van Alice Nahon buiten beschouwing – schreef hij alleen religieuze muziek. Veel van zijn omvangrijk werk werd niet gepubliceerd.

De muziekcritici van zijn tijd zijn het er over eens dat de schrijfwijze van de grote improvisator zeer persoonlijk, origineel en briljant was, hoewel een zekere beïnvloeding door Edgar Tinel (liederen en Franciscus-oratorium) niet te ontkennen valt.

De drie liederen Stil m’n ogen, Godslampje en Drij Blommen moeten een zeker succes gekend hebben. Ze werden tweemaal uitgegeven. Over het lied De Wiedsterkens schrijft Van de Ven dat het samen met de Jubelcantate de enige werken zijn die de componist bij de Belgische auteursrechtenvereniging Sabam heeft gedeponeerd. Wij stellen de vraag: heeft de Boomse Meisjesbond daarvoor betaald? Kunnen we hieruit afleiden dat Alice Nahon, die over de compositie van haar gedichten zeer opgetogen was, niet zelf de componist heeft aangezocht om dit lied te toonzetten?

Het grote maar ondergewaardeerde opus van Dom Augustinus Verhaegen o.s.b. behoort tot een tijd, die iets na de helft van de twintigste eeuw, de fameuze zestiger jaren, definitief werd afgesloten. Uit de kerken verdween de glans en luister van de gregoriaanse liturgie én gezang, de meeste processies gingen teloor, bedevaarten verminderden. Door de uitbreiding en commercialisering van de radio- en televisieprogramma’s verloor het volk zijn behoefte om grote uitvoeringen van oratoria en cantaten bij te wonen. De jeugdbewegingen gaven hun ideaal prijs en kregen een heel andere levensstijl; de zangstonden werden vervangen door Td’s met muziek van een heel andere aard. Kortom het oudere werd als ballast over boord gegooid.

Het valt te betreuren dat de grote improvisaties, die Dom Augustinus gedurende heel zijn loopbaan op het orgel heeft uitgevoerd, niet werden genoteerd. Hij werd groot door iets wat totaal verloren is gegaan. In ruimere zin kunnen we hier het latijnse spreekwoord toepassen: "Verba volant, scripta manent", wat we even ruim kunnen vertalen als "Loutere klank is vluchtig, geregistreerd beklijft hij".

Op 3 juli 1966 heeft de gemeente Kapelle-op-den-Bos een borstbeeld van Dom Augustinus Verhaegen o.s.b. onthuld, dat de gekende H. De Cuyper uit Blaasveld heeft gebeeldhouwd. Met een academische zitting en tentoonstelling bracht die gemeente hulde aan haar dorpsgenoot. Een nieuwe straat kreeg zijn naam.


Beeldhouwer Herman De Cuyper(+1992)
Van deze Blaasveldse beeldhouwer bestaat een museum http://www.museumhermandecuyper.be/museum.htm

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN