TEN BOOME
JAN FRANS VAN DE VELDE, EEN BISSCHOP GEBOREN IN BOOM
Door Emiel Lamberts
(zie ook dit artikel)
Tijdens de Open Monumentendag van zondag, 9 september 2001 stond de dekenij van Boom open voor het publiek. In de Zaal van de Kerkraad konden we een schilderij bewonderen van bisschop Van de Velde. Wie was deze bisschop van Gent, die in Boom geboren werd? Frans Tobback bezorgde ons een artikel dat de heer Amand Vilyn uit Gent opstuurde. Het omvat het hoofdstuk over deze bisschop uit het boek "De gescheidenis van het bisdom Gent" geschreven door Emiel Lamberts.
Jan Frans Van de Velde (1829-1838)
Geboren op 8 september 1779 te Boom. Kreeg zijn opleiding in het college van Merksem en het grootseminarie van Antwerpen (tot de opheffing in 1797). Priester gewijd in 1802 te Emmerich in Duitsland. Werd in 1803 onderpastoor van St.-Laurentius te Antwerpen, in 1813 pastoor van Ruisbroek en in 1820 pastoor van Edegem. Op 13 april 1825 werd hij deken van Lier. Op 18 mei 1829 werd hij tot bisschop van Gent benoemd; gewijd op 8 november 1829. Overleden te Gent na een langdurige ziekte op 7 augustus 1838. Zijn wapenspreuk luidde: Auxilium meum a Domino (Mijn hulp komt van de Heer).
Benoeming
De benoeming van J.F. Van de Velde tot bisschop van Gent was een onderdeel van de uitvoering van het concordaat van juni 1827. De Romeinse gezant F. Capaccini behaalde in het voorjaar van 1829 een groot succes toen Willem I instemde met de benoeming van nieuwe bisschoppen voor de vacante zetels van Luik, Doornik en Gent. De regering had aanvankelijk voor Gent de kandidatuur van kapittelvicaris M. de Meulenaere naar voor geschoven, maar die was onaanvaardbaar voor de kerkelijke oppositiebeweging in het bisdom. In die kringen dacht men veeleer aan de ultramontaanse kapittelvicaris A. Goethals. Capaccini had een voorkeur voor een buitenstaander die in staat zou zijn de tegenstellingen tussen regeringsgezinden en opposanten onder de Gentse clerus te overbruggen. Hij dacht in eerste instantie aan C. Van Bommel, die echter tot bisschop van Luik zou benoemd worden. De keuze viel tenslotte op Van de Velde, die door de Mechelse vicaris-generaal en latere aartsbisschop E. Sterckx naar voor was geschoven.
Van de Velde was van bescheiden afkomst. Hij was de zoon van een onbemiddeld ambachtsman. Zijn studies waren betaald door weldoeners en waren door de opheffing van het Antwerps Grootseminarie in 1797 vroegtijdig afgebroken. Zijn intellectuele bagage was dan ook beperkt. Hij was een toegewijd parochiepriester, een "pastor bonus", die zeer geliefd was bij zijn parochianen om zijn eenvoud en beminnelijkheid.
Een vooraanstaand regeringsgezinde te Lier noemde hem een "bescheiden en verdraagzaam man en, hetgeen zeldzaam is bij een priester, voorstander van het (openbaar) middelbaar en lager onderwijs". Van de Velde weigerde aanvankelijk het hem aangeboden bisschopsambt te aanvaarden. Hij werd echter onder druk gezet door aartsbisschop F.A. de Méan en gaf tenslotte toe. Tijdens zijn bewogen episcopaat zou hij nog lange tijd raad en steun zoeken bij zijn Mechelse vrienden en meer bepaald bij E. Sterckx.
Eensgezindheid in de strijd voor de kerkelijke vrijheid
In Gent zelf was aanvankelijk C. Van Crombrugghe, de stichter van de
jozefieten, die ook nauwe contacten onderhield met de Mechelse curie, de
belangrijkste raadgever van de nieuwe bisschop. Hij was een centrumfiguur die
toch vooral goede relaties onderhield met de conservatieve, oppositionele
clerus, die zich achter kapittelvicaris Goethals en seminariepresident
Ryckewaert schaarde. Van de Velde werd onmiddellijk beïnvloed door zijn nieuwe
omgeving en verleende zijn steun aan de katholieke oppositiebeweging tegen de
regering van Willem I, wat van die zijde protest uitlokte. Bij het uitbreken van
de Belgische revolutie in september 1830 nam hij gedurende enige tijd een
afwachtende houding aan, maar sneller dan zijn collega’s schaarde hij zich
achter het nieuwe bewind dat steunde op het unionisme, het bondgenootschap
tussen liberalen en katholieken. Met zijn instemming werden in zijn bisdom, dat
toen nog Oost- en West-Vlaanderen omvatte, negen priesters verkozen tot lid van
het Nationaal Congres. De bisschop liet hen volledig vrij in hun politieke
stellingname, mits zij maar de vrijheid van de Kerk verdedigden, wat met kracht
gebeurde. De meeste priesters namen in de grondwetgevende vergadering overigens
geavanceerde standpunten in. Zo kantten zij zich tegen de instelling van een
aristocratische Senaat en spraken zij zich uit voor een ruime toekenning van het
stemrecht. Het was duidelijk dat zij meer geneigd waren de kant van het volk te
kiezen dan die van de aristocratie. Van de Velde steunde hen tenminste impliciet
in die optie.
Jan Frans Van de Velde werd op 8 november 1829 door Mgr. J.J. Delplancq,
bisschop van Doornik, tot bisschop gewijd. Deze plechtigheid vond plaats in de
St.-Baafskathedraal.
Toenemende partijstrijd onder de Gentse Clerus
Het gebeuren rond de Belgische revolutie bracht een groep van jonge, progressieve clerici op het voorplan met als voornaamste woordvoerders D. Verduyn en J.J. De Smet, die beide lid waren van het Nationaal Congres. Hun invloed op de bisschoppelijke administratie nam zienderogen toe terwijl de conservatieve groep terrein verloor. Er tekende zich geleidelijk aan een nieuwe fractievorming af binnen de Gentse clerus. De vroegere regeringsgezinde groep rond De Meulenaere verloor alle krediet. Binnen de zegevierende kerkelijke oppositiebeweging uit de vorige jaren kwam er een opsplitsing tot stand tussen progressieve liberaal-katholieken en conservatieve ultramontanen.
De liberaal-katholieken aanvaardden de basisbeginselen van het politiek liberalisme dat in grote mate gestalte gaf aan de nieuwe Belgische staat: de toekenning van burgerlijke vrijheden en de realisatie van meer volksinspraak in het politiek beleid. Zij waren bereid de kerkelijke vrijheid tot stand te brengen in het kader van algemene vrijheid ("la liberté en tout et pour tous"). Bijgevolg annvaardden zij een verregaande vorm van scheiding tussen Kerk en Staat. Veel liberaal-katholieke priesters waren rond 1830 in de ban geraakt van de Franse apologeet Félicité de Lamennais, die pleitte voor een principiële verzoening tussen Kerk en liberalisme en die stelde dat de Kerk zich moest afwenden van de gevestigde machten en haar heil zoeken bij het volk. Zij waren ook zeer ontvankelijk voor het anti-rationalistisch filosofisch systeem, de zgn. filosofie van de "sens commun" die door Lamennais werd ontwikkeld en die zich als een totale vernieuwing van de kerkelijke apologetiek aandiende.
Tegenover de liberaal-katholieken profileerden zich de ultramontanen die zich minder lieten meeslepen door het nieuwe vrijheidsdenken. Zij benadrukten meer het gezags- dan het vrijheidsaspect in de samenleving. Zij verdedigden ook de autonomie van de Kerk ten opzichte van de Staat maar zij bleven voorstander van een vorm van samenwerking tussen beide machten. Op filosofisch vlak hielden zij het bij het oude Leuvense filosofie, die voortbouwde op de middeleeuwse scholastiek.
Opvallend genoeg was het de filosofische kwestie die als breekijzer fungeerde in kerkelijke rangen. De filosofie van de "sens commun" werd door Verduyn geïntroduceerd in het seminarieonderwijs, wat hevig verzet uitlokte bij Ryckewaert, de president van het grootseminarie, doe ondermeer gesteund werd door de jongere professoren L. Van der Ghote en H. Bracq. Deze laatste richtte in mei 1833 de Mémorial du clergé op, een tijdschrift dat heftig het mennaisisme bestreed en voor grote opschudding zorgde in het Gentse kerkelijk milieu. De ultramontanen lanceerden blijkbaar een tegenoffensief tegen de liberaal-katholieken, met de steun in de rug van de pauselijke encycliek Mirari vos (15 augustus 1832), die de politieke opvattingen van Lamennais ondertussen had veroordeeld. Zij wisten Van de Velde onder druk te zetten en bekwamen dat het mennaisistisch filosofieonderwijs zowel in Gent als in Roeselare werd vervangen door de traditionele Leuvense filosofie. In diezelfde periode werd de heroprichting van het bisdom Brugge voorbereid en met de benoeming van F. Boussen tot apostolische administrator verwierven de ultramontanen in West-Vlaanderen een sterke uitgangspositie. Het ultramontaanse tegenoffensief werd door de liberaal-katholieken, die als spreekbuis het Journal des Flandres hanteerden, afgeslagen via een campagne tegen de Mémorial du clergé, die er van beschuldigd werd een antiliberale en zelfs antinationale houding aan te nemen. De ultramontanen bleken inderdaad reserves te formuleren ten aanzien van de Belgische grondwet van 1831 en de liberale instellingen die eruit voortvloeiden. Zij konden de nieuwe grondwet in de praktijk aanvaarden, omdat zij een ruime vrijheid verleende aan de Kerk, maar zij konden een aantal van haar beginselen en vooral de doorgedreven scheiding tussen Kerk en Staat in principe niet onderschrijven. Hun mentale reserves ten aanzien van de grondwet hadden als vanzelfsprekend invloed op hun politieke opstelling. Op dit punt, waar zij uiterst kwetsbaar waren, werden zij aangevallen door hun tegenstanders. Toen de Mémorial du clergé weigerde een positieve instemming met de grondwet te formuleren, besliste Van de Velde, na raadpleging van Sterckx, het kerkelijk tijdschrift op te heffen. Dit was een zware nederlaag voor de ultramontanen. Ryckewaert en Van Crombrugghe verloren als gevolg van deze episode veel krediet bij hun bisschop, die voortaan steeds duidelijker de invloed onderging van de liberaal-katholieke fractie en vooral van zijn persoonlijke secretaris R. Raepsaet.
Een progressieve, liberaal-katholieke opstelling
De ultramontanen waren zozeer gediscrediteerd door de politieke stellingname van de Mémorial du clergé dat zij nauwelijks voordeel konden halen uit de uitvaardiging van de encycliek Singulari nos (25 juni 1834), die het filosofisch systeem van Lamennais veroordeelde. Hun gelijk op filosofisch vlak bleek niet op te wegen tegen het ongelijk dat zij volgens Van de Velde op politiek vlak hadden. In het filosofisch dispuut voelde de bisschop zich zeer onzeker en was hij geneigd krediet te verlenen aan zijn seminarieprofessoren. Hun politieke opstelling week echter zozeer af van zijn persoonlijke sympathieën dat hij hun niet langer zijn vertrouwen wilde schenken. Van de Velde verloochende zijn afkomst niet en was duidelijk voorstander van een meer democratisch, volksgericht beleid, ook op kerkelijk vlak. Daarom verleende hij steeds meer zijn steun aan de liberaal-katholieken. Zijn drama werd dat hij enkele malen getroffen werd door een beroerte en dat zijn gezondheidstoestand vanaf 1835 dermate verslechterde dat hij niet meer in staat was de grenzen af te lijnen van deze steun en dat hij een willoos werktuig werd in de handen van zijn onmiddellijke omgeving en vooral van zijn secretaris Raepsaet. Vanaf het voorjaar van 1836 fungeerde deze laatste in feite als het hoofd van de bisschoppelijke administratie.
De Gentse ultramontanen hadden in het eigen diocees de strijd verloren. Ze konden enkel nog hopen op hulp van buitenaf. Die werd hen verleend van politieke zijde. De liberaal-katholieken, die op veel steun konden rekenen onder de parochieclerus, hadden een politieke alliantie gesloten met de democratische, patriottische krachten in Gent en vooral in de kleinere provinciesteden en op het platteland. Zo werd een front opgebouwd tegen de macht van monarchie en aristocratie. De revolte van de clerus en de (kleine) burgerij tegen de adel ontstemde in hoge mate de nieuwe Belgische koning Leopold I en zijn conservatieve, unionistische regering. De koning wilde zijn greep op het beleid versterken en hij rekende hiervoor op de steun niet enkel van de adel maar ook van de Kerk. De democratische opstelling van een deel van de clerus en van de katholieke burgerij, vooral in Oost- en West-Vlaanderen en in het Doornikse, doorkruiste de verwachtingen van de vorst. Van de Velde weigerde bij de parlementsverkiezingen van 1835 tussenbeide te komen ten voordele van de regeringskandidaten, die in Oost-Vlaanderen een gevoelige nederlaag leden omdat de lagere clerus op eigen initiatief de democratische oppositie steunde. De koning zwoer toen gedaan te maken met de "priesterpartij". In West-Vlaanderen had die ondertussen aan kracht verloren door de benoeming van de ultramontaan F. Boussen tot bisschop van het nieuwe bisdom Brugge. In Oost-Vlaanderen was zij nog zeer invloedrijk als gevolg van de politieke opstelling van Van de Velde en Raepsaet.
Het conservatief, ultramontaans tegenoffensief
Leopold I wist de H. Stoel te mobiliseren tegen de liberaal-katholieke clerus, die ervan beschuldigd werd nog steeds vast te houden aan de ideeën van Lamennais. Deze laatste was tot tweemaal toe door Rome veroordeeld en had uiteindelijk gebroken met de Kerk. De beschuldiging van latent mennaisisme was grotendeels ongegrond. Wel was het zo dat de liberaal-katholieke clerus binnen de Belgische grondwettelijke context trouw bleef aan zijn vrijheidsaspiraties en, aan zijn democratische opstelling. De pauselijke curie besloot in te grijpen en stuurde aan op een beleidswisseling in het bisdom Gent. Hiervoor werd de instemming verkregen van de andere Belgische bisschoppen en zelfs van Sterckx, die na 1835 vervreemd was van Van de Velde. De aartsbisschop was van oordeel dat de Gentse bisschop al te zeer een instrument was geworden van een fractie die zich zeer radicaal en partijdig opstelde en die de goede verstandhouding met de regering in het gedrang bracht. Hoewel Sterckx ook veeleer een progressieve houding aannam, was hij toch gewonnen voor een vorm van samenwerking met de regering, wat onder meer bleek uit zijn houding in de schoolkwestie. In die aangelegenheid voelde Sterckx voor de formule van een door de Kerk beheerst rijksonderwijs, terwijl men in Gent consequent vasthield aan de onderwijsvrijheid en men weigerde zijn vertrouwen te schenken aan de Staat. Deze meningsverschillen hadden tot een verwijdering geleid tussen Mechelen en Gent. Sterckx kwam tot de overtuiging dat het bestuur van het bisdom Gent in handen moest komen van een sterke figuur die een einde kon maken aan de twisten onder de clerus en die de relaties met de regering kon verbeteren.
Nog tijdens het leven van Van de Velde ontbrandde de strijd om zijn opvolging in volle hevigheid. Eind 1836 werd in Rome aan de aanstelling gedacht van een coadjutor met recht van opvolging. Internuntius Gizzi en Sterckx raadden echter aan het overlijden van de Gentse bisschop af te wachten om dan in volledige vrijheid een opvolger aan te duiden. Van de Velde was ondertussen nagenoeg volledig verlamd en, naar het zich liet aanzien, was zijn overlijden nakend. In maart 1837 vroeg de Gentse bisschop zelf om een coadjutor in de persoon van zijn vicaris-generaal Guillaume De Smet. Die behoorde tot de liberaal-katholieke fractie en was dus voor de meeste instanties onaanvaardbaar. Sterckx stuurde dan aan op het ontslag van Van de Velde, maar die bleek fysisch niet meer in staat zijn ontslag te geven. De aartsbisschop was daarop weer geneigd het overlijden van de Gentse bisschop af te wachten, maar in Rome en in Brussel werd men ongeduldig, ook omdat de parlementsverkiezingen van juni 1839 tijdig moesten voorbereid worden. De nieuwe internuntius R. Fornari, die in april 1838 arriveerde, maakte onmiddellijk duidelijk dat hij de Gentse kwestie zou afhandelen. Reeds op 7 mei reisde hij met Sterckx naar Gent en in een confrontatie met Van de Velde, die van een intense dramatiek doordrongen was, bekwam hij het ontslag van de bisschop. Diens omgeving betwistte dit echter. Het was dan ook in een sfeer van verwarring dat de opvolging van Van de Velde geregeld werd. Een gemakkelijke opgave werd het niet, maar toch was de keuze reeds gemaakt toen de Gentse bisschop op 7 augustus 1838 overleed. De dood van Van de Velde kwam juist op tijd om aan alle betwistingen rond zijn ontslag een einde te maken en om zijn opvolger L. Delebecque, die op 13 september officieel werd benoemd, een onbetwiste rechtsmacht te verlenen.
Het drama van bisschop Van de Velde was dat hem, tegen zijn eigen wensen in, een taak werd opgelegd die zijn krachten te boven ging. Hij was hier zowel op intellectueel als op fysisch vlak niet tegen opgewassen. Hij beschikte over onvoldoende gezag om de twisten onder zijn clerus te bedwingen. Hij was steeds aangewezen zich te verlaten op goede raad, die zelden onbaatzuchtig werd gegeven.
Desiderius Ignatius Verduyn, priester gewijd in 1817 en lid van het Nationaal Congres (1830-1831), was een van de meest vooraanstaande liberaal-katholieken onder de Gentse clerus. Hij introduceerde de filosofie van Lamennais aan het seminarie, wat tot hevig verzet leidde.
Priester gewijd in 1814 werd Raepsaet in 1816 secretaris van het bisdom. In die functie leidde hij vanaf 1836 feitelijk de bisschoppelijke administratie, gezien de slechte gezondheidstoestand van bisschop Van de Velde. Omwille van zijn liberaal-katholieke sympathieën werd hij door de nieuwe bisschop Delebecque in 1839 verwijderd.
Wanneer hij tenslotte zijn volle vertouwen schonk aan de liberaal-katholieke
fractie dan was dit vooral op basis van zijn eigen, meer democratische
sympathieën. De opstelling van Van de Velde en meer nog die van Raepsaet sprong
echter al te zeer uit de band om lang getolereerd te worden door de andere
kerkelijke leiders in België en vooral in Rome. De Kerk schaarde zich, na de
wending naar de vrijheid en het volk tussen 1825 en 1835, terug aan de kant van
de machthebbers. Die dwongen haar daar trouwens in ruime mate toe. De strijd om
de opvolging van Van de Velde illustreerde dit voldoende.
Pastoraal beleid
Van de Velde was slecht voorbereid om het politieke kluwen waarin hij
verwikkeld geraakte te ontwarren, maar als zielenherder had hij reeds voor zijn
benoeming tot bisschop een goede staat van dienst. In de mate waarin zijn
gezondheidstoestand dit toeliet, legde hij de basis voor een reorganisatie van
de pastorale structuren in zijn bisdom, wat mogelijk werd door het
vrijheidsklimaat dat in de nieuwe Belgische staat tot stand kwam. Daarbij legde
hij duidelijk eigen accenten.
Op het einde van het Nederlandse bewind was de kerkelijke infrastructuur dringend aan een reorganisatie toe. Het beklemmende staatstoezicht en het kerkonvriendelijke klimaat in de voorgaande,decennia hadden een vrije ontwikkeling van de Kerk onmogelijk gemaakt. De vorming van de kaders was gebrekkig, vele functies waren niet ingevuld. De educatieve en de caritatieve actie van de Kerk was bemoeilijkt. Na 1830 veranderde de situatie grondig door de afschaffing van het staatstoezicht over de Kerk. Van de Velde liet zijn eerste vastenbrief na de revolutie dan ook aanvangen met het Schriftwoord: "Ecce nunc tempus acceptabile, ecce nunc dies salutis".
De jurisdictie van Van de Velde strekte zich in de eerste jaren uit over Oost- en West-Vlaanderen, inclusief de Zeeuwse parochies beneden de Westerschelde. Deze laatste werden op 9 september 1832 onder het toezicht geplaatst van Antonucci, de pauselijke internuntius in Den Haag. Terzelfdertijd werd de heroprichting van het bisdom Brugge, reeds voorzien in het concordaat van 1827, voorbereid. Zij werd afgekondigd door de bul Apostolatus Officium van 17 december 1832. Op 27 januari 1833 werd, zoals reeds vermeld, F. Boussen tot apostolische administrator voor West-Vlaanderen benoemd en het bisdom Brugge kende een autonoom bestaan vanaf 27 mei 1834. Meteen kreeg het bisdom Gent zijn huidige grenzen.
Reeds in 1830 werd de seminarieopleiding in Gent grondig ter hand genomen. In het kader van de boycot tegen het Filosofisch College na 1825 waren de seminaries tijdelijk gesloten en was de priesteropleiding verstoord. Het grootseminarie, dat voorlopig nog bestuurd werd door Ryckewaert, kreeg nu een aantal jongere professoren. In de opleiding die verstrekt werd lag de nadruk nog meer op de vroomheid en de morele vorming dan op de intellectuele opleiding. Het filosofieonderricht, dat aan de theologische opleiding vooraf ging, werd in de eerste jaren verstrekt in het Sint-Barbaracollege en in 1833 geïntegreerd in het grootseminarie. Voor de navorming van de priesters werden in juli 1831 de jaarlijkse retraites ingevoerd. Vanaf 1836 werden pastoorkapittels georganiseerd onder de leiding van de dekens. In datzelfde jaar startte ook de jaarlijkse vergadering van de dekens. Langs deze kanalen werd de pastorale praktijk geuniformiseerd maar tegelijk werden informatie en advies ingewonnen bij de clerus. Van de Velde en zijn omgeving hielden er immers een vrij democratische kerkopvatting op na. Zo waren zij van oordeel dat de dekens moesten geraadpleegd worden bij de benoeming van de bisschoppen. De praktijk zou echter een tegengestelde richting uitgaan.Boussen werd na een lange carrière als secretaris van het bisdom (1806-1832) tot hulpbisschop van Gent benoemd. Hij werd aangesteld tot apostolisch administrator voor West-Vlaanderen en werd in 1834 de eerste bisschop van het nieuw opgerichte bisdom Brugge.
Van de Velde was van oordeel dat een bisschop volksverbonden moest zijn, dat hij moest openstaan voor de noden van het volk. Hij besteedde dan ook grote aandacht aan de ontwikkeling van het volksonderwijs en aan de armen- en ziekenzorg. Opvallend was de nadruk die hij legde op de ontwikkeling van de zondagsscholen en op het catechetisch onderricht, waarvoor hij de Mechelse catechismus invoerde. Ook de oprichting van lagere scholen werd erg gestimuleerd. Zoals reeds vermeld was men in Gent voorstander van een absolute onderwijsvrijheid en wilde men de Staat nog slechts uitzonderlijk een rol laten spelen in het onderwijs. Op middelbaar niveau kregen de meeste stadsscholen een kerkelijke invulling en werd een beperkt aantal katholieke colleges opgericht. De Gentse clerus speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de Katholieke Universiteit in 1834. Het initiatief daartoe ging in feite uit van Van de Velde en zijn omgeving maar de feitelijke verwezenlijking werd vooral overgelaten aan Sterckx en diens medewerker P. De Ram.
De Gentse bisschop was erg begaan met de leniging van de materiële nood van zijn diocesanen. Hij steunde ten volle de caritatieve werken van P.J. Triest en van diens zuster- en broedercongregaties. Ook Stefaan Glorieux, de stichter van de Broeders van Goede Werken, kon op zijn aanmoediging rekenen. Dit was ook het geval voor de vele vrouwelijke congregaties die na 1830 het licht zagen en die zich vooral toelegden op volksonderwijs, armen- en ziekenzorg. De activiteiten van deze congregaties kwamen tegemoet aan een reële nood, aangezien de Belgische revolutie voor een economische terugslag had gezorgd en de traditionele linnennijverheid op het platteland duidelijk op de terugweg was, waardoor het pauperisme zienderogen toenam.
De oprichting van nieuwe congregaties was mogelijk dank zij de vrijheid van vereniging die in de Belgische grondwet was ingeschreven. Die liet ook de terugkeer van oude orden en congregaties zoals de jezuïeten, de dominicanen en de franciscanen toe. Zij ontwikkelden een pastorale actie die een aanvulling vormde op de activiteiten van de parochieclerus. Opvallend was de inbreng van de jezuïeten in de beweging van de volksmissies, die in 1834 te Aalst startte en die in de volgende jaren een hoge vlucht nam.
De reorganisatie van de kerkelijke structuren en de intensivering van de pastorale werking zou op termijn tot een verbetering van de religieuze toestand leiden, ook in de stedelijke centra, al bleef de situatie in Gent zelf problematisch. Een goed deel van de burgerij en ook reeds van het lagere volk was er vervreemd van de Kerk. De volksgerichte actie van een deel van de clerus kon deze tendens enigszins afzwakken, maar de gegoede burgerij was weinig ontvankelijk voor het gesloten wereldbeeld dat zelfs de liberaal-katholieke clerus voorhield. De bisschoppelijke waarschuwingen tegen het toneel, slechte kranten en boeken, het dansen en het herbergbezoek waren legio. Ook waren het de Gentse vicarissen-generaal die het initiatief namen voor de geruchtmakende circulaire die door de Belgische bisschoppen in januari 1838 tegen de vrijmetselarij werd uitgevaardigd. Op basis van vroegere pauselijke veroordelingen werd aan de gelovigen een strikt verbod opgelegd toe te treden tot deze geheime verenigingen. Dit gebeuren had verstrekkende gevolgen. Er kwam een open breuk tot stand tussen de vrijmetselarij en de Kerk en de loges zouden nadien tot een strijdend antiklerikalisme overgaan. De Gentse clerus wilde vooral protesteren tegen het feit dat de vrijmetselarij door de regering beschermd en gesteund werd, maar tegelijk gaf hij op deze manier uiting aan zijn dogmatische onverdraagzaamheid. Het feit dat die gepaard ging met een weldoordachte trouw aan de vrijheden was niet voldoende om de intellectuele en de industriële burgerij terug te winnen voor de Kerk.