TEN BOOME


HET KAARTSPEL


Kaartspelers van cézanne, 1890-1892

 

Ingezonden door Louis Janssens

Het was in de Tweede Wereldoorlog.

Een groep soldaten kwam terug van een patrouille en arriveerde in een klein dorp. De volgende morgen, zondag, ging een aantal van hen, onder leiding van een sergeant naar de kerk. De jongens die een kerkboek hadden, haalden het te voorschijn. Maar een van hen had alleen maar een spel kaarten bij zich, dat hij voor zich uitspreidde. De sergeant zag wat hij deed en zeide dat ie de kaarten weg moest doen. Na afloop van de dienst werd de soldaat gestraft en bij de officier Militaire Politie gebracht.

Waarom hebt u hem hier gebracht sergeant? vroeg de officier.

Hij zat te kaarten in de kerk, was het antwoord.

Wat heb je daar op te zeggen, knaap? zei de luitenant.

Heel veel! was het antwoord van de bewuste soldaat.

Dat zullen we hopen, want als je geen deugdelijke reden hebt, dat zal ik je strenger straffen dan wie ook.

De soldaat zei: Luitenant, ik ben zes dagen op patrouille geweest. Ik had geen bijbel of kerkboek, maar ik hoop van u te overtuigen van de oprechtheid van mijn bedoelingen. Nadat hij dit had gezegd begon ie zijn verhaal:

Kijk, Luitenant, wanneer ik naar de Aas van het spel kijk, dan weet ik dat er maar één God is en de twee vertelt me dat de Bijbel in twee delen verdeeld is. Het Oude Testament en het Nieuwe Testament.

Als ik de drie zie, dan denk ik aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De vier herinnert me aan de vier evangelisten die het woord predikten: Matheus, Marcus, Lucas en Johannes.

De vijf doet me denken aan de vijf wijze maagden die hun lamp brandende hielden en gespaard bleven. Vijf van de tien waren dwaas en werden verstoten, de overige werden gespaard.

Zes dat zijn de zes dagen waarin God hemel en aarde heeft gemaakt.

Zeven herinnert me aan de zevende dag, de rustdag.

De acht doet me denken aan de acht mensen die gered werden toen de aarde vernietigd werd. Het waren Noach, z’n vrouw, z’n zonen, en hun vrouwen.

Bij de negen denk ik aan de melaatsen die onze Redder reinigde van de zonden en negen van de tien bedankten Hem zelfs niet.

Bij de tien denk ik aan de Tien geboden, die Mozes op de stenen tafelen ontving.

Zie ik de koning dan zie ik dat er slechts één Grote Koning is.
De vrouw herinnert me aan Moeder Maria, koningin van de hemel.
De boer van het spel is de duivel.

Als ik de tekens op de kaarten tel, dan kom ik tot 365, de dagen van het jaar.

Er zijn 52 kaarten, de weken van het jaar.

Vier kleuren zijn er, vier weken in een maand.

Er zijn twaalf kaarten met een afbeelding, dat wil zeggen twaalf maanden in een jaar.

Ook zijn er dertien troeven in een spel: dertien weken in een kwartaal.

Ziet u, Luitenant, mijn speelkaarten betekenen voor mij: een Bijbel, een Almanak en een Kerkboek tegelijk …

Beste mensen, dit was een waar verhaal. Ik weet het zeker, want die soldaat, dat was ik.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN