TEN BOOME


ENKELE BIJZONDERE VAKBONDSMANNEN IN DE RUPELSTREEK

Foto: Van de oudeheid tot het jaar 2000, A.Vinck

 

Door Karin Blommaert

’t Is ondertussen alweer 7 jaar geleden dat het Christelijk Vakverbond, ACV in de Rupelstreek haar 100-jarig bestaan vierde. In 1994 gaf het naar aanleiding van deze feestelijkheden het boek Nog steeds strijdvaardig uit dat door ondergetekende geschreven werd. Naast het chronologisch en thematisch verhaal van syndicale gebeurtenissen poogde ik toen ook het verhaal van de "kleine man" en de "mens achter de vakbondsman" te schetsen.

In het kader van dit jaarboek leek het me interessant om enkele bijzondere vakbondsmannen, die jaren streden voor betere arbeidsvoorwaarden in onze streek, terug in het voetlicht te zetten. In onderstaand artikel lees je de biografieën van Hubert Mampaey, Jules Roscam, Frans Van Dyck, Egied Van Linden, Frans De Craen, Frans Van Der Borght, August De Decker, Willy Van Asbroeck, Louis Vercammen en Marcel Van Mol.

Hubert Mampaey

Hubert Mampaey werd in 1882 geboren te Boom. Als jonge meubelmaker werkte hij zich snel op in de katholieke arbeidersbeweging. Op 16-jarige leeftijd was hij reeds lid van de Christelijke Houtbewerkers van Boom, die slechts enkele jaren daarvoor opgericht waren. Twee jaar later klom Mampaey op tot "schrijver", wat we nu secretaris zouden noemen. In 1910 werd Mampaey voorzitter van de pas opgerichte Boomse studiekring. Enkele maanden later koos pater Rutten, die vanuit Gent de Christelijke beroepsverenigingen overal in het land hielp oprichten, hem uit als vrijgestelde van het nieuwe Nationale Steenbewerkersverbond. Dit werd opgericht samen met de Kempische steenbakkers en kreeg zijn secretariaat in Boom.

Als propagandist bestond zijn taak erin propaganda te voeren, loonbarema's op te stellen, acties rond loonsverhogingen te leiden, een vakblad samen te stellen en de briefwisseling te verzorgen. Mampaey werd tevens in het Hoofdbestuur van de centrale opgenomen als secretaris. Door deze uitgebreide taak vertegenwoordigde hij het Verbond der Steenbewerkers zowel naar de leden als naar buiten. Wanneer men De Steenbewerker , het krantje van het verbond, uit de beginperiode leest, krijgt men de indruk dat slechts één man de vakbondswerking bij de steenbakkers recht hield. De propaganda nam waarschijnlijk het grootste deel van zijn tijd in beslag. Mampaey woonde algemene vergaderingen bij, organiseerde wijk- en propagandavergaderingen, hield voordrachten en zorgde voor vlugschriften. Mampaey was bij de steenbewerkers dan ook een graag geziene "leider".

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef Mampaey in Boom. Hij besloot zich verder in te zetten voor de arbeiders als secretaris van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité in de Rupelstreek.

Na de Eerste Wereldoorlog probeerde Mampaey via de politiek meer te verwezenlijken voor de arbeiders. Bij de parlementsverkiezingen van 1919 stond hij op de zevende plaats voor het arrondissement Antwerpen. Door de sterke opgang van de socialisten in de Rupelstreek maakte hij echter geen kans. In het kanton Boom behaalden de socialisten 5.207 stemmen voor de Kamer ten opzichte van 3.992 katholieke stemmen. Twee jaar later werd hij wel gemeenteraadslid en veroverde hij een schepenzetel. In het najaar verkoos de bevolking hem tot volksvertegenwoordiger. Omwille van zijn politiek ambt moest Mampaey ontslag nemen als propagandist van de steenbewerkers. Jules Roscam nam zijn taak over. Mampaey bleef echter met hart en ziel verbonden met de steenbewerkers. Van 1928 tot aan zijn dood in 1947 zou hij onafgebroken voorzitter van het Nationaal Verbond der Steenbewerkers blijven.

Naast zijn politieke bezigheden bleef Mampaey de grote voorman van de christelijke arbeidersbeweging in de Rupelstreek. In 1919 was hij één van de medestichters en voorzitter van de Christen Werkliedenbond in Boom. Hij verrichtte hier baanbrekend werk. Ook bij de oprichting van het Gewestelijk ACV-Verbond (1921) nam hij het voorzitterschap op zich.

Vanaf 1932 was Mampaey onafgebroken lijsttrekker van de katholieke partij in Boom. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij door de dienstdoende gouverneur L. Clerckx ten voorlopige titel benoemd tot burgemeester van Boom. Hij vervulde deze taak van 21 oktober 1944 tot 3 augustus 1945 . Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 24 november 1946, de eerste na de oorlog, voerde hij de lijst aan van de pas opgerichte CVP aan. Ook vakbondsmannen Frans De Craen en Gustaaf Piessens werden toen verkozen in de Boomse gemeenteraad. Na de oorlog kwam Mampaey niet meer op bij de parlementsverkiezingen.Mampaey overleed op 10 juni 1947. De christelijke arbeidersbeweging van de Rupelstreek verloor hiermee haar stichter en bezieler.

Jules Roscam

Jules Roscam werd geboren op 21 augustus 1881 te Boom. Als jonge wees stuurde zijn familie hem naar de kostschool van de Broeders te Oostakker. Daar kreeg hij tweetalig onderwijs. Later werd hij smid op de scheepswerf van Cockerill te Hoboken. Leergierig als hij was, volgde hij er lessen werktuigkunde. Na de Eerste Wereldoorlog was hij zelf leraar aan de nijverheidsschool, die eerst in de Hospitaalstraat gevestigd was. De arbeiders kregen er 's avonds een technische opleiding. Op deze manier leerde Roscam vele werklieden kennen.

Op syndicaal vlak ontpopte Roscam zich al vlug tot militant en in 1909 werd hij verkozen als hoofdbestuurslid van het Belgisch Metaalbewerkersverbond. Zijn optreden bleef niet onopgemerkt, want twee jaar later, op 1 november 1911, stelde pater Rutten hem aan als eerste propagandist van het Belgisch Diamantbewerkersverbond.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog week Roscam met zijn gezin uit naar Londen. Daar werd hij de secretaris van pater Rutten, die er een secretariaat voor de Belgische vluchtelingen had opgericht. Er groeide een grote vriendschap tussen beide mannen. Voor Roscam was het een leerzame periode. Hij was steeds bij de voorbereiding van de toespraken van Rutten betrokken en hij leerde Engels en Duits.

Bij zijn terugkeer in België stortte Roscam zich vol overgave op de internationale vakbondswerking. Bij de voorbereidende besprekingen van het vredesverdrag was hij één van de pleiters voor de oprichting van een Internationale Organisatie van de Arbeid, waarin de arbeiders medezeggenschap moesten krijgen. In 1920 was Roscam één van de stichters van het Internationaal Kristen Vakverbond en in 1921 van de Internationale Federatie van Fabrieks- en Transportarbeidersbonden. Hier fungeerde hij eerst als penningmeester en tijdens de periode 1946 - 1958 als voorzitter. Roscam reisde veel en had veel contacten met de buitenlandse vakbonden.

Op 19 februari 1922 nam Roscam de plaats van Mampaey in en werd hij algemeen secretaris en hoofdpropagandist van het Nationaal Verbond der Steenbewerkers. Hij bleef deze functie uitoefenen tot aan zijn pensioen op 1 januari 1947.

Bij de oprichting van het Gewestelijk Verbond van Boom werd Roscam opgenomen in het uitvoerend bureel. Roscam begeleidde mee vergaderingen en meetings, maar vooral voor de studiekringen, waar hij dikwijls als spreker optrad, had hij veel aandacht. Hij wilde dat de arbeiders iets bijleerden. Hij was ook gedurende enkele jaren voorzitter van de Centrale Weerstandskas van het ACV en beheerder van de BAC. In 1932 was hij één van de kandidaten voor het nationale voorzitterschap van het ACV, maar hij werd niet verkozen.

Op aandringen van zijn vrienden ging Roscam in de gemeentepolitiek. Hij zetelde 25 jaar in de gemeenteraad van Boom (van 9 februari 1921 tot 31 december 1946) en hij was 12 jaar lid van de Raad van de Commissie van Openbare Onderstand, voorloper van het OCMW (1947-1959).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde Roscam Boom absoluut niet verlaten. In de gemeente, waar de meeste beleidsmensen waren gevlucht of gemobiliseerd, werd hij dienstdoend schepen en gemeentesecretaris. Roscam was fractielid van het Katholiek Vlaams Volksblok (KVV), een concentratielijst van de katholieke partij en het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), die gevormd was bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938. Het schepencollege, bestaande uit drie schepenen en burgemeester Holsters bleef in functie tot 21 mei 1942. Toen werd door de Duitse bezetter een zogenaamd oorlogscollege gevormd.

Roscam bleef tijdens de oorlog ook samenkomen met de vakbondsmensen. Toen op 10 mei 1940 het Duitse leger België was binnengevallen, heerste er grote verwarring binnen het ACV en vluchtten vele nationale leiders en bestuursleden naar Frankrijk. Roscam nam het voorzitterschap op zich van het nationaal "Leidingscomité van de Christelijke beroepsverenigingen" dat vijf achtergebleven bestuursleden vormden. Zij zetten – tegen de vooroorlogse beslissingen in – de syndicale activiteiten verder.

In september 1940 maakten de Belgische vakbonden, uit angst voor een Duits ingrijpen, plannen om een overkoepelende unie van alle arbeiders op te richten. Met deze eenheidsvakbond wilden zij de Duitsers een stap voor zijn. Bij de onderhandelingen, waarbij Roscam aanwezig was, bleek echter al vlug dat deze "Syndicale Unie der Belgische Arbeiders" onaanvaardbaar was voor de bezetter. De initiatiefnemers werden er van verdacht enkel de schijn te willen redden, maar geen echte opheffing van de bestaande vakbonden na te streven. Van Duitse zijde kwam een tegenvoorstel voor een eenheidsvakbond, die louter professioneel zou zijn, zonder politieke bindingen of culturele activiteiten. Na talrijke gesprekken besliste het bestuur van het ACV het Duitse tegenvoorstel te aanvaarden. Dit leidde tot een breuk binnen het ACV. De meeste Waalse en enkele belangrijke Vlaamse propagandisten legden hun vakbondswerking stil. Zij hadden geen vertrouwen in de Duitsers en wensten niet samen te werken met de bezetter. Hubert Mampaey was één van hen.

Jules Roscam bleef echter geloven in de zaak en vertegenwoordigde samen met August Cool de christelijke vakorganisaties in de Unie der Hand- en Geestesarbeiders, die op 22 november 1940 officieel werd opgericht. Als lid van het nationaal beheerscomité, het "Comité van Acht", was Roscam verantwoordelijk voor de pers en propaganda.

De samenwerking van het ACV met de Unie bleef niet lang duren. Vanaf maart 1941 voerde de christelijke arbeidersbeweging obstructie: de Duitse inmenging werd immers steeds groter en het ACV weigerde zijn eigenheid op te geven. Dit leidde tot een definitieve breuk met de Unie in augustus 1941. Op 7 augustus werden Cool en Roscam ontboden bij de Duitsers, zij werden ontslagen en kregen het verbod opgelegd nog enige syndicale activiteit te ontplooien. Met hen namen vrijwel alle christelijke propagandisten ontslag. Dit was een zware slag voor Roscam. Hij zorgde ervoor dat alle vrijgestelden elders aan het werk konden. Hijzelf kwam terecht bij "Winterhulp" te Brussel.

In 1945 nam Roscam zijn vakbondswerk terug op in Boom. Twee jaar later ging hij op pensioen, maar hij zette zijn internationaal werk verder tot in 1958. Op zijn 75-ste sprak hij de voltallige internationale vergadering nog toe in Genève, waar hij gedurende zijn loopbaan vele malen vertoefde. Op 8 september 1960 overleed Jules Roscam op 79-jarige leeftijd.

Frans Van Dyck

Frans Van Dyck werd geboren op 3 november 1902 als oudste van zes kinderen. Zijn vader was koster. Het gezin kende echter geen weelde. Tijdens zijn kinderjaren zag Frans rondom hem verschillende christelijke vakverenigingen ontstaan. In 1920, net voor zijn achttiende verjaardag, begon Frans Van Dijck als bediende te werken op het secretariaat van het Christen Verbond van Steen- en Cementbewerkers. Zo was hij een van de eerste medewerkers van Hubert Mampaey en verrichtte hij heel wat werk achter te schermen. Van meet af aan toonde Frans ook een bijzondere belangstelling voor de initiatieven op cultureel gebied, zoals de studiekringen, de volksontwikkelingsavonden, de zang- en toneelavonden.

Nadat Frans Van Dyck tijdens de Tweede Wereldoorlog in Brussel bij de kolenverdeling had gewerkt, werd hij de eerste naoorlogse secretaris van het Gewestelijk Vakverbond. Hij kreeg de opdracht de christelijke vakbeweging terug op te richten en ze groter en sterker te maken dan voor de oorlog. Ondanks zijn vele verplichtingen op het vlak van administratie, propaganda en vertegenwoordiging, bleef zijn aandacht gaan naar de vorming van de militanten en leden. De gewestelijke sociale school, de studieavonden en de vormingscursussen droegen zijn stempel.

Ook buiten het ACV zette Frans Van Dyck zich in voor de christelijke arbeidersbeweging. Zo was hij jarenlang schatbewaarder van het plaatselijk ACW, waarvan hij trouw de vergaderingen bijwoonde. Hij was korte tijd gemeenteraadslid in Boom. De laatste jaren van zijn leven was hij ook beheerder van de SV Het Volkswelzijn. Frans Van Dyck overleed in 1954 op 52-jarige leeftijd.

Egied Van Linden

Egied Van Linden werd op 4 december 1883 geboren in een Booms gezin met negen kinderen. Van jongsaf leerde hij daar de gevolgen van de sociale kwestie kennen. Zijn vader was steenbakkersgast en een volgeling van Daens. Van Linden kwam, net als zijn vader, op de steenbakkerijen terecht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij lid van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité en werkte hij in de zinkfabriek. Na de oorlog hernam hij zijn vroeger beroep. Na enkele jaren verkoos hij in dienst te treden van het ACV, al verdiende hij er minder. Hij werd de eerste propagandist van het Gewestelijk Verbond in 1921.

Van Linden was een durver, die vocht voor zijn overtuiging. Wanneer de leden samen met een muziekkorps optrokken naar een meeting, kwam het dikwijls tot schermutselingen met de socialisten. Van Linden liet zich niet afschrikken en ging, als een soort lijfwacht, overal mee met H. Mampaey.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde Van Linden mee te werken met de Duitsers. In 1940 werd hij tot driemaal toe op de "Kommandatur" in Brussel geroepen. Wanneer het vakbondswerk stillag in Boom, vond hij werk in een brouwerij.

In september 1944 kon hij onmiddellijk terug in dienst treden bij het ACV als bode - secretaris voor Boom. Hij ging met pensioen in december 1948 en werd opgevolgd door Arthur Sas.Van Linden overleed op 11 december 1963.

Frans De Craen

Frans De Craen werd geboren in 1910 te Kapelle-op-den-Bos. Hij studeerde aan de Sociale Hogeschool te Heverlee en begon zijn vakbondsloopbaan op 1 januari 1933 als gewestelijk secretaris van het ACV - Herentals. Daar was hij verantwoordelijk voor 26 gemeenten, die hij per fiets en later per motorfiets bezocht.

Om geld in het bakje te brengen, speelde Frans mee toneel. Zo reisde hij met een gezelschap in de streek rond met het toneelstuk "De Mijnramp", waarbij zijn vrouw hen begeleidde op piano. In 1937 kwam De Craen in dienst van de Steencentrale als verantwoordelijke voor de studie- en documentatiedienst en voor de propaganda in Mol, Herentals en de Rupelstreek. Hij had zijn zetel te Boom.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was De Craen één van de eersten die weigerde mee te werken aan de Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Op de "Kommandantur" te Brussel argumenteerde hij: "Ik kan alleen de richtlijnen volgen van Rerum Novarum en Quadragesimo Anno". Dit had tot gevolg dat Frans werkloos werd na zijn mobilisatie en krijgsgevangenschap van een half jaar. Hij vond werk op de papiercentrale, een dienst die opgericht was in het ministerie. Door de relaties die hij hier opbouwde, kreeg hij na de oorlog een job als directeur aangeboden, maar als een echte idealist koos hij voor zijn vakbondswerk in het ACV.

Na de pensionering van J. Roscam (1/1/47) en het overlijden van H. Mampaey (10/6/47) stond Frans De Craen samen met Remy Vlerick aan de leiding van de centrale. De Craen werd algemeen secretaris en was verantwoordelijk voor de algemene actie. Hij was voor de centrale de woordvoerder in de verschillende paritaire comités en overlegorganen, die na de oorlog opgericht waren. Op 7 april 1968 werd De Craen benoemd tot voorzitter van de centrale, een taak die hij geruime tijd vervulde, als opvolger van R. Vlerick.

Naast zijn werk in de steencentrale was De Craen negen jaar voorzitter van het Gewestelijk Verbond van de Rupelstreek (1947-1956) en hij was 21 jaar onafgebroken lid van het nationaal ACV – bestuur (1954-1975). Hij vertegenwoordigde het ACV onder meer in het beheerscomité van de Rijksdienst voor Kinderbijslag en het beheerscomité van het Fonds voor Beroepsziekten. Hij ijverde er voor om asbestose erkend te krijgen als beroepsziekte. De Craen oefende ook bestuursopdrachten uit in het ACW en in de Internationale Federatie van Christelijke Vakverenigingen in Industriële Bedrijven. Na de oorlog was hij korte tijd actief in de Boomse gemeentepolitiek.

Op 1 mei 1975 ging Frans De Craen met pensioen. Vier jaar later, op 3 oktober 1979, overleed hij.

 

Frans Van Der Borght

Frans Van Der Borght werd op 23 mei 1929 geboren te Mechelen. Zijn vader was ambtenaar bij de spoorwegen en woonde met zijn gezin in een Mechelse volksbuurt. Frans liep school in het St.-Romboutscollege. Door de bombardementen van 1944 moest hij noodgedwongen zijn studies afbreken en gaan werken. Hij kwam achtereenvolgens terecht in een garnierderij en een grote meubelzaak. Frans werd lid van het syndicaat, dat hem later ook aanwees om als jongere te fungeren in het Comité Veiligheid en Gezondheid. Hij volgde mee de vakbondscursussen en werd in 1948 aangesteld als eerste niet-vrijgestelde secretaris in het beroepsverbond Hout en Bouw, dat toen het grootste beroepsverbond van Mechelen was. Frans werd het jaar daarna naar de Sociale School van Heverlee gestuurd om er een opleiding voor vrijgestelde te volgen. In 1952 studeerde hij af als maatschappelijk assistent.

Ondertussen was Van Der Borght sinds september 1951 aangeworven als propagandist bij het gewestelijk ACV-verbond "Boom en omstreken". Door het plotse overlijden van Frans Van Dyck werd hij in september 1954 gewestelijk secretaris. Hij zou dit blijven tot 31 december 1971, het moment waarop hij senator werd.

Van Der Borght had als voornaamste taak de structuur van het gewestelijk verbond uit te bouwen door de verjonging van de bestuurskaders en de oprichting van nieuwe gewestelijke beroepsafdelingen. Daarnaast was hij ook verantwoordelijk voor de juridische dienst, de vorming van de militanten en de afgevaardigden van ondernemingsraad en CGV en het begeleiden van de plaatselijke afdelingen.

Onder zijn impuls bouwde het ACV in 1960 nieuwe kantoren, werden er in 1964 grootse feesten en een openluchtspel georganiseerd naar aanleiding van het 70-jarig bestaan en werd het ACW verder uitgebouwd.

Vanaf de eerste na-oorlogse verkiezingen in 1947 was Van Der Borght betrokken bij de plaatselijke CVP-werking in Mechelen. Hij begon als lid van het propagandateam. In 1964 was hij voor het eerst kandidaat bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen. Sinds 1 januari 1965 zetelde hij onafgebroken in de gemeenteraad van Boom. Bij de parlementsverkiezingen van november 1971 werd Van Der Borght met meer dan 11.000 voorkeurstemmen verkozen tot senator. In deze hoedanigheid was hij lid van verschillende commissies (Binnenlandse Zaken, Landsverdediging, Infrastructuur en plaatsvervanger bij Justitie). In 1989 werd hij eerste schepen in Boom met bevoegdheid over ruimtelijke ordening, milieu en personeel.

Door zijn jarenlang dienstbetoon is "de Sus" gekend bij vriend en tegenstrever. Zijn leuze was steeds "open deur voor elke kleur". Door zijn syndicale ervaring en zijn politieke bindingen kon hij in de loop der jaren een net van relaties opbouwen, waardoor hij een uitgebreid dienstbetoon kon aanbieden aan de bewoners van de Rupelstreek.

Eind 1994 zette Van Der Borght een punt achter zijn politieke loopbaan omwille van zijn pensioenleeftijd. Wanneer hij nu terugdenkt aan zijn tijd in de vakbond, is het vooral de collegiale sfeer, gebaseerd op vriendschap en vertrouwen, die hem bijblijft. Van hoog tot laag kende iedereen iedereen.

 

August De Decker

August De Decker, Gust of Giesje voor de vrienden, werd geboren op 24 juli 1927 te Klein-Willebroek. Zijn vader was er de enige katholieke "garde" in deze "rode" gemeente. Al heel jong was Gust sociaal actief. Hij hielp zijn vader met persoonlijk dienstbetoon aan de mensen en was actief in de Chiro, de parochie en later de KWB. Tijdens de oorlog ging hij, onder andere in Boom, geld inzamelen voor "Winterhulp".

In 1945 behaalde hij zijn A-3 Electriciteit aan de PTS te Boom en werkte hij twee jaar bij ENI-Antwerpen. Al spoedig werd echter zijn sociale inzet opgemerkt en door toedoen van de vader van Louis Vercammen, CVP - gemeenteraadslid en ACV - bestuurslid, vroeg ACV - Mechelen hem om naar de Sociale School in Heverlee te gaan. Na een stagejaar bij het ACV en de christelijke mutualiteit van Mechelen, studeerde hij in 1950 af als sociaal assistent.

Op 1 januari 1950 werd Gust De Decker aangeworven door het Gewestelijk Verbond Rupelstreek. Tegelijkertijd werkte hij halftijds voor de centrale Steen, waar hij op 1 oktober 1951 voltijds propagandist werd. Hij was er, naast de Rupelstreek, ook verantwoordelijk voor het Waasland, regio Antwerpen, Mechelen en Dendermonde. In 1968 benoemde het Hoofdbestuur van de centrale hem tot hoofdpropagandist voor Vlaanderen. Hij behield wel zijn gewestelijke werking. In 1971 werd hij nationaal secretaris van de centrale en moest hij de Rupelstreek verlaten voor de zetel te Brussel. In 1975 volgde hij Frans De Craen op als voorzitter van de centrale. Hij was ook lid van het Nationaal ACV-bestuur en vice-voorzitter van de internationale federatie van het WVA.

Gedurende de twintig jaar dat De Decker hier in de Rupelstreek als propagandist werkte, kon hij ruimschoots zijn ideeën en manier van werken invoeren en toepassen. Hij stond bekend als een keihard en impulsief onderhandelaar, wat door vele patroons niet in dank werd afgenomen. Hierdoor kon hij echter de vijfdagenweek en de gelijke bezoldiging van de vrouwen op de steenbakkerijen realiseren. Hij heeft daarnaast honderden militanten begeleid en gevormd in zijn kernen, die model hebben gestaan voor de hele centrale.

De Decker onderhield ook buiten de vergaderingen goede contacten met zijn militanten en maakte van individueel dienstbetoon het uitgangspunt van zijn syndicaal werk. Wanneer hem een probleem werd voorgelegd, zelfs uit het privéleven, deed hij alle moeite om een oplossing te vinden. Zijn mandaat in het beheerscomité van het Fonds voor Beroepsziekten liet hem toe vele dossiers door persoonlijke tussenkomsten te versnellen of af te handelen. Op 1 september 1987 ging Gust De Decker op 60-jarige leeftijd op brugrustpensioen.

Willy Van Asbroeck

Willy Van Asbroeck werd geboren te Mechelen op 9 februari 1948. Zijn ouders baatten een volkscafé uit in Terhagen. Na zijn Grieks-Latijnse in het O.-L.-Vrouwecollege te Boom, volgde hij graduaat Toerisme. Als student rond het jaar 1968, was hij voorvechter van studenteninspraak en ging hij als praeses (voorzitter) van de studentenvereniging onderhandelen bij de directie.

In 1972 volgde hij Frans Van Der Borght, die senator werd, op als gewestelijk secretaris voor de Rupelstreek. Zijn belangstelling voor vakbondswerk was gegroeid tijdens zijn jeugd, wanneer hij in het café van zijn ouders de straffe verhalen hoorde van de arbeiders van de steenbakkerijen en de vakbondsmilitanten, die over de vloer kwamen. Daaruit groeide ook zijn betrachting om met de socialisten samen te werken waar kon. Het waren in zijn ogen immers allemaal arbeiders, socialisten en Katholieken.

Van Asbroeck stelde zich erg vernieuwend op. Zo startte hij met de jaarlijkse studieweekends voor het Hoofdbestuur en was hij de bezieler van onder andere het dopperscomité, de jongerenkern en de SARR, de Syndicale Actiegroep voor de Reconversie van de Rupelstreek. In de plaatselijke besturen betrok hij de militanten zoveel mogelijk bij de vakbondswerking door ze te informeren over de actualiteit en hen standpunten te laten innemen. Zo kon hij de stem van de "basis" vertegenwoordigen in de hogere organen van het ACV. Door zijn specifieke manier van werken werd hij gevraagd om aan de Sociale School van Heverlee gastdocent te zijn rond "Begeleiding en vorming van militanten in de plaatselijke afdelingen".

In 1979 ging hij naar ACV-Mechelen, waar hij eerst adjunct-verbondssecretaris werd en in 1983 verbondssecretaris. Sinds 1986 is hij diensthoofd van Vakantiegenoegens - ACW-Antwerpen.

Louis Vercammen

Louis Vercammen werd op 2 oktober 1923 geboren te Klein-Willebroek. Nadat hij bij "de Broeders" in Boom school liep, ging hij op veertien-jarige leeftijd werken bij Roofthooft in de Blauwstraat te Boom. Hij leerde er de stiel van draaier. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij samen met zijn vader lid van de Sint-Elooigilde, een dekmantel voor het syndicaat, waar "geheime" vergaderingen van de christelijke metaalbewerkers werden gehouden. Hij was toen ook lid van de Jongsyndicalisten, een studiekring onder leiding van de pastoor. Na de bevrijding werd hij verslaggever in het Willebroekse bestuur van de Metaal. In 1945 kreeg hij bij Roofthooft zijn ontslag omdat hij er opkwam voor de belangen van zijn werkmakkers. Om zich nuttig te maken, ging hij als vrijwilliger helpen in verschillende ACV-secretariaten. Het jaar daarop werd hij door de vakbond naar de Sociale Hogeschool te Heverlee gestuurd.

In 1948 begon hij als vrijgestelde te werken voor de Christelijke Metaalbewerkers in Noord-Limburg. In de zinkfabrieken voerde hij actie rond klein verlet. Voor de eerste maal in België werd de vraag gesteld om bij priesterwijding, kloosterintreding en plechtige communie verlof toe te staan. Daarnaast legde hij 's avonds huisbezoeken af en richtte hij beroepsbesturen op. Vervolgens was hij enkele jaren actief in Vilvoorde, om in 1953 - 1954 bij de Christelijke Centrale der Metaalbewerkers in Antwerpen te gaan werken. Van daaruit was hij verantwoordelijk voor de Rupelstreek en de gemeenten ten zuiden van Antwerpen. Hij voerde er onder andere strijd voor de bestaanszekerheid, die door de samenwerking met de arbeiders op de scheepswerven en het plaatselijk beroepsbestuur gewonnen werd. Voortaan konden deze arbeiders genieten van "Vrije dagen wegens atmosferische storing" of kortweg weerverlet.

Bij de zware overstroming in Ruisbroek in 1976 was hij één van de initiatiefnemers van de hulp- en opruimingsacties, die maanden duurden. Nadien behield hij zijn bureau in Boom. Hierdoor was de Metaal de enige centrale, die - na het vertrek van de Steen naar Brussel - in het gewestelijk verbond een zetel had. Tussen de centrale en het gewestelijk verbond bestond er altijd een goede samenwerking. Zo lag Vercammen onder andere mee aan de basis van de reconversie van de Rupelstreek. De metaalsector deelde immers mee in de klappen.Op 1 september 1984 ging Louis Vercammen met brugpensioen.

Marcel Van Mol

Marcel Van Mol werd geboren te Lebbeke op 13 januari 1943. Hij behaalde zijn diploma A3-schrijnwerkerij en volgde nog drie jaar humaniora. Tijdens zijn jeugdjaren zette hij zich in als ge-westleider van de KAJ in de streek Dendermonde. Na zijn schooltijd werkte hij enkele maanden als vrijwilliger bij KAJ-Nationaal. Daar spoorde men hem aan om naar de gewestelijke sociale school in Dendermonde te gaan.

Op 1 maart 1965 startte Van Mol zijn loopbaan in het ACV op de bodendienst te Brussel. Hij maakte snel carrière, want na een korte kennismaking met de Dienst Ondernemingsafgevaardigden in Dendermonde, werd hij in de zomer van 1965 aangesteld als gewestelijk secretaris van Lebbeke, St.-Gillis, Denderbelle en Wieze. Tien jaar later, op 1 september 1975, kwam Marcel Van Mol naar de Rupelstreek als centraal propagandist van de Centrale Steen. Hij volgde op 1 april 1979 Willy Van Asbroeck op als gewestelijk secretaris van het verbond Rupelstreek. Ten gevolge van de fusie van het ACV-verbond met Mechelen, werd Van Mol op 1 maart 1994 nationaal secretaris van Sporta (Vereniging voor Sportbeoefenaars).

Toen Marcel naar de Rupelstreek kwam, werd hij gewaarschuwd voor de strijd "Rood of geen brood", iets wat men in Dendermonde niet kende. Alhoewel hij met een open ingesteldheid naar de Rupelstreek kwam en goed met de socialisten wilde samenwerken, ondervond hij het probleem aan de lijve. Toch bleef hij contacten onderhouden met de vertegenwoordigers van de andere strekkingen.

Marcel Van Mol heeft de Rupelstreek leren liefhebben en waarderen door de goede samenwerking met de militanten, die voor hem de vakbond uitmaken. Hij heeft altijd een beroep op hen mogen doen en heeft voor hen veel respect. Er waren al wel eens meningsverschillen, maar de mensen van de Rupelstreek vond hij heel eerlijk en rechtuit. Het zijn voor hem echte syndicalisten, die opkomen voor hun collega-arbeiders.

Naast zijn traditionele syndicale opdrachten heeft Marcel Van Mol altijd veel aandacht gehad voor de specifieke problemen van de Rupelstreek. Via zijn vertegenwoordiging in verschillende commissies en besturen was hij actief betrokken bij de reconversie en streed hij voor de heropleving en de eigenheid van de streek.

Van Mol is daarnaast ook al meer dan 20 jaar voorzitter van INCAR. Deze dansgroep ontstond in 1958 naar aanleiding van een Jong-KAJ-festival te Antwerpen. Met een vijftigtal jongens uit Dendermonde, waaronder hijzelf, brachten ze er een optreden met vlaggen. Het enthousiasme van Cardijn was zo groot, dat het geen eenmalig gebeuren bleef en de groep zich naar hem noemde: Internationale Cardijngroep. Vanaf dan is INCAR een vaste waarde geworden in Vlaanderen en het buitenland. Marcel engageert zich hierin met een diep geloof in de jongeren van vandaag.

Deze verhalen lichten slechts het puntje van de sluier op van de 100-jarige geschiedenis van het ACV in de Rupelstreek. Meer kan je lezen in het reeds vermelde boek.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN