TEN BOOME



HET LAND VAN RUMST EN ZIJN HEREN

TUSSEN 1290 EN 1535

Door Karin Blommaert

KU Leuven, 1988

Tijdens mijn tweede kandidatuur Moderne Geschiedenis kreeg ik de opdracht een studie te maken over de Middeleeuwse Heren van mijn woonplaats. Voor Boom zelf was dat moeilijk, maar gelukkig lag Rumst vlakbij en hun Heren hadden ook het grondgebeid van de huidige gemeente Boom onder hun hoede gehad. Dit werkje ligt nu al jaren onaangeroerd in mijn kast, terwijl ik er toch al meermaals aan dacht om het eens op te nemen in ons Jaarboek. Voor doorwinterde vorsers onder onze leden zal het misschien niet veel nieuws brengen en te beperkt lijken, maar het raadplegen van vele geschiedkundige werken en uitgegeven bronnen (het opzoeken van onuitgegeven bronnen in archieven behoorde niet tot de opdracht) en de specifieke invalshoeken kunnen waarschijnlijk toch leuke wetenswaardigheden opleveren. Om die reden zal ik ook de voetnoten en de bibliografie (achteraan de tekst) overnemen. Sommige illustraties zijn van niet zo’n beste kwaliteit, mijn verontschuldigingen hiervoor.

INLEIDING

Het land van Rumst ontstond in 1290 toen een aantal gebieden afgescheiden werden van het Land van Grimbergen te voordele van Filips van Vianden. Naast Rumst dat de kern vormde, behoorden ook Terhagen, Boom, Willebroek, Ruisbroek en Heindonk hiertoe. Het Land van Rumst grensde in het zuiden aan het Land van Mechelen, in het noorden aan het Land van Antwerpen en kaderde in het groter geheel van het hertogdom Brabant. Op dit moment behoren deze gemeenten tot de provincie en het arrondissement Antwerpen.

Het opzet van dit werk is de adellijke heren die dit gebied in handen hadden, te bestuderen. We beginnen hiervoor in 1290 bij Filips van Vianden, de eerste heer van het Land van Rumst en zullen eindigen bij de familie van Luxemburg, die in 1535 het grondgebied verkocht aan Willem van Nassau. Dit lijkt een hele opdracht, vooral omdat de verschillende bekende families elkaar door huwelijken snel opvolgden. Toch is dit te verantwoorden in het kader van het uitgangspunt: het bestuderen van deze beroemde geslachten in hun verhouding tot het Land van Rumst en zijn bevolking. Omwille van hun veelvuldige afwezigheid in Rumst lijkt het beter een bredere tijdsperiode te bestuderen, om zo de verschillende aspecten van de vraagstelling te kunnen belichten.

Vooreerst hebben we in een genealogisch hoofdstuk de verschillende families en hun stamboom in elkaar gepast. Hieruit blijkt hoe deze adellijke families met elkaar verbonden waren. Hierdoor zal ook hun sociale status duidelijk worden, samen met de heraldische en territoriale gegevens. Ook het plaatselijk bestuur, de rechtspraak en de economische aspecten worden niet vergeten. Onze aandacht gaat niet naar de verschillende rijkdommen en inkomsten van deze grote heren, maar wel naar het belang voor de plaatselijke onderdanen. We denken hierbij aan de markt, de disputen rond de tol op de Rupel en het grote geldtekort van Maria van Luxemburg dat leidde tot de verkoop van het Land van Rumst.

Naast de verschillende handboeken, vooral van heraldische en genealogische aard, konden we voor deze studie beroep doen op enkele niet zo recente dorpsgeschiedenissen. Met uitzondering van J. Neyens, waren deze vooral gericht op de heerlijkheid Boom en werd de aandacht voor de laat-middeleeuwse periode beperkt tot een opsommende lijst van de adellijke heren en enkele bijzonderheden omtrent hun biografie. In 1878 was H. Sel met zijn Proeve van historische mengelingen over ’t land van Rumst en in het bijzonder over de heerlijkheid van Boom de eerste die deze regionale geschiedenis bestudeerde. Hij had veel archiefbronnen gezien, maar gaf in zijn werk geen verwijzingen naar hun vindplaats. Hij was de grondlegger voor de latere auteurs. Steenackers en Lamot brachten weinig nieuwe gegevens, maar gaven wel verwijzingen naar de bronnen. De verschillende werken van De Schepper en Goetschalcks, die respectievelijk over Hemiksem en Ekeren schreven, konden ons onrechtstreeks informatie verschaffen. Het werk van J. Neyens, Rumst van Romeinse nederzetting tot nijverheidsgemeente, was ons echter het meest tot nut. Het was het eerste werk dat zijn aandacht volledig op Rumst richtte en een samenvatting bracht van alle gekende gegevens op dat moment. Het werd wetenschappelijk gedragen door een goede bibliografie en duidelijke bibliografische voetnoten.

Om al deze gegevens te ondersteunen met bewijzen en ook nieuwe aanwijzingen te vinden, beriepen we ons op uitgegeven archiefbronnen. Onuitgegeven bronnen vielen buiten het kader van deze didactische studieopdracht. Dit leverde vooral juridische, normatieve en ambtelijke bronnen op.

Hoofdstuk 1:

DE GENEALOGISCHE VERHOUDING TUSSEN DE HEREN VAN RUMST

Aan de hand van verschillende besprekingen van de heren van Rumst waren we in staat een ruwe stamboom op te stellen. Door de raadpleging van Schwennicke en genealogische handboeken vulden we deze op. Het resultaat is vergelijkbaar met de stamboom die we bij J. Neyens vonden.

In de stamboom komen verschillende belangrijke adellijke families naar voor. Bij de heerlijke opeenvolging in Rumst hebben we echter wel altijd te maken met een familiale opvolging. Op verschillende momenten was er ook sprake van een vrouwelijke opvolging. De vrouw van Rumst werd dan in vele gevallen vertegenwoordigd door haar echtgenoot. Laten we de verschillende heren van Rumst eens de revue passeren:

FILIPS VAN VIANDEN (1*) was de jongste zoon van Filips I van Vianden en Maria van Perwez. Volgens Schwennicke huwde hij met Maria van Cernay. De andere litteratuur geeft echter Sofie van Schoorisse (Escornaix) (1a*) aan als echtgenote. Over het aantal kinderen dat zij hadden is geen eensgezindheid: sommige werken medlden alleen een dochter Maria, waarschijnlijk omdat zij de goederen en titels van haar ouders erfde. Schwennicke vermeldt ook een oudere zoon Ludwig die kannunik was in utrecht. Bij Steenackers en de stamboom van Neyens staat ook een jongere zoon Filips vermeld. Filips van Vianden stierf in 1320.

 

MARIA VAN VIANDEN (2*) volgde haar vader op. Zij was gehuwd met WILLEM II VAN VLAANDEREN (2a*). Hij stierf echter al in 1320 en een jaar later hertrouwde Maria met ENGUERRAND VAN COUCY (2b*). Enguerrand stierf in 1344. Uit dit huwelijk had Maria drie kinderen: Filips, Maria en Joanna van Coucy.

 

FILIPS VAN COUCY (3*) werd in 1344/45 de derde heer van Rumst. Hij huwde met Joanna van Canny (3a*), dochter van Raoul Flamenc, heer van Canny. Filips stierf in 1355.

Filips’ dochter ELEONORA VAN COUCY (4*) volgde hem op als vrouw van Rumst en burggravin van Meaux. Zij was gehuwd met MICHEL VAN LIGNE (4a*). Zij stierf in 1371. Haar gemaal stierf op 27 maart 1387 zonder wettelijke opvolgers. Hij had wel twee natuurlijke kinderen: Jan en Rasse.

ROBERT VAN BETHUNE (5*) volgde zijn nicht en neef op als heer van Rumst. Zijn moeder Joanna van Coucy (+ 1363) was gehuwd met Jan van Bethune. Robert sloot in 1368 zijn eerste huwelijk met Joanna van Chatillon (5a*), dochter van Gauchier III van Chantillon. Drie jaar later stierf zij. Robert hertrouwde met Joanna van Barbancon (5b*), dochter van jan van Barbancon en Yolande Lens. Steenackers plaatst haar sterfdatum vòòr 1380. Robert trad voor een derde maal in het huwelijk, nu met Isabel van gistel (5c*), dochter van jan van Ingelmunster. Uit dit laatste huwelijk had Robert een dochter Joanna, die hem opvolgde in Rumst. Robert van bethune stierf in 1408 en werd begraven in de abdijkerk van Orcamp.

JOANNA VAN BETHUNE (6*) erfde in 1408 de titels van haar vader. Op 16 februari 1409 trad ze in het huwelijk met ROBERT VAN BAR (6a*), de zoon van Hendrik van Bar (+1369) en Maria van Coucy. Hij sneuvelde in 1415. Uit dit huwelijk hadden ze een dochter Joanna (7*). Op 23 november 1418 hertrouwde Joanna van Bethune met JAN VAN LUXEMBURG (6b*), die stierf in 1450. In een oorkonde bewaard te Grimbergen, lezen we: ‘Vrouw Joanna van Bethune, vrouwe … van Rumpst, wettelijke gezelline her Jan Luxemborch …’.

JOANNA VAN BAR (7*) werd geboren in 1415. Op 16 juli 1435 huwde ze met LODEWIJK VAN LUXEMBURG (7a*) op het kasteel van Bohain (Frankrijk). Een leenbrief van Filips, hertog van Bourgondië, getuigt ons van deze huwelijksband. Auteur Best vermeldt ook het bestaan van een huwelijkscontract, afgesloten in datzelfde jaar. Lodewijk, geboren in 1418, werd na allerlei moeilijkheden onthoofd te parijs op 19 december 1475. Joanna was reeds in 1462 overleden. Uit dit huwelijk waren zeven kinderen geboren: Jan (°1437- +1467), Jacqueline (+1511), Pieter (°1440 - +1483), Helena (+23/08/1488), Karel (+1509), Antoon (+1519) en Filip.

JAN VAN LUXEMBURG (8*) volgde als oudste zoon zijn ouders op als heer van Rumst in 1474. Hij bleef ongehuwd en kinderloos. Bij zijn dood gingen zijn goederen achtereenvolgens over aan zijn broers. Hij sneuvelde op 22 juni in de slag van Morat.

PIETER VAN LUXEMBURG (9*) volgde zijn broer op. Hij was gehuwd mat Margaretha van Savoie (9a*), dochter van Louis van Savoie. Zij hadden vijf kinderen. Drie zonen die jong stierven: Lodewijk, Claude en Antoon en twee dochters maria en Fransisca. Margaretha overleed te Brugge op 9 maart 1483. Pieter was gebroen in 1440, maar omtrent zijn sterfdatum is er geen eensgezindheid. Bij Mees en De La Chenaye-Desbois vinden we 25 oktober 1482, terwijl Schwennicke 1483 noteerde. Er is echter een groter tijdsinterval wanneer we Steenackers en Neyens volgen: zij plaatsen zijn sterfdatum in 1497. Waarschijnlijk is dit laatste gesteund op een akte van 16 oktober 1497 waarin Karel van Luxemburg, zijn opvolger, de verhefrechten aan zijn natuurlijke broer Jacob overdroeg. Waarschijnlijk was Pieter korte tijd daarvoor overleden.

KAREL VAN LUXEMBURG (10*) bleef ongehuwd. Hij trad toe tot de geestelijkheid en werd in 1473 benoemd tot bisschop van Laon, hij was tevens hertog van dit gebied. Ook hier treffen we verschillende sterfdata aan: 25 januari 1508 bij Mees, 25 januari 1509 bij De La Chenaye-desbois en Schwennicke en 1505 bij Neyens en Steenackers. Uit een leenbrief van Filips, koning van Castillië, weten we wel dat Karel in 1505 zijn bezittingen overliet aan zijn twee nichtjes Maria en Fransisca van Luxemburg.

MARIA VAN LUXEMBURG (11*) huwde met haar oom JACOB VAN SAVOIE (11a*), graaf van Rumont. Hij stierf op 30 januari 1486 en een jaar later huwde zij met FRANS VAN BOURBON (11b*) (8 september 1487). Een bewijs voor dit huwelijk vinden we in een charter van 1532 waar Maria weduwe van Frans van Bourbon wordt genoemd. Maria stierf op 1 april 1546. Wanneer we opmerken dat ze reeds in 1460 huwde, moet zij toch een behoorlijke leeftijd gehad hebben. Het echtpaar had een dochter Margaretha (13*), die de vrouw van Rumst zou worden.

FRANSISCA VAN LUXEMBURG (11’*), Maria’s zuster, was gehuwd met FILIPS VAN KLEEF (11’a*). Deze echtelijke banden kunnen bewezen worden aan de hand van een verhefbrief van 28 juni 1505. Het huwelijk bleef kinderloos. Francisca stierf in 1523, Filips stierf op 72 jarige leeftijd in 1528.

12) ANTOON VAN LUXEMBURG, oom van de twee meisjes kreeg het vruchtgebruik van het land van Rumst. Hij huwde driemaal, namelijk met Antoinette van Bauffremont, met Fransisca van Croy en met Gillette van Coetivy (+1510). Hij had een dochter Filiberte en drie zonen: Karel (°1488 - +1530), Claude en Antoon.

Hoofdstuk 2:

DE SOCIALE STATUS VAN DE HEREN VAN RUMST EN HET PLAATSELIJK BESTUUR

Om de sociale status van de heren van Rumst te bestuderen zijn niet alleen de bezittingen en titels, verspreid over de omliggende landen, belangrijk. Voor ons is het vooral interessant om hun belangrijkheid en macht aan te tonen die van belang kon zijn voor het land van Rumst en zijn plaatselijke bevolking. Hierbij kunnen huwelijkspartners, ambten, titels, militaire gebeurtenissen en heraldische gegevens, zoals wapens en zegels een beter inzicht verschaffen. Om de plaatselijke geschiedenis te benadrukken, zullen we het kasteel in het kort bestuderen en het lokale bestuur onder de loep nemen. Deze ambtenaren waren immers de schakel tussen de adellijke heren en de bevolking.

2.1. De situatie voor 1290

Rumst, als kern van het land van Rumst, heeft op het einde van de 13de eeuw al een lange geschiedenis achter de rug. Al geruime tijd wordt aangenomen dat Rumst een rol speelde tijdens de Romeinse bezetting van onze gebieden. Mogelijk liep er ook een heirbaan door Rumst.

 

 

Volgens een 15de eeuwse kroniek zou Rumst in de 9de eeuw verwoest zijn: "Deze huynden (Hunnen) hebben die vryheid van Thurnino (deurne) al gedestrueert, syn voortgetrocken tot Rumst, dat out was, een out sticht, ende hebben dat oic gedestrueert, ende syn alsoe voort comen lanx den water tot Lyere (Lier)".Rumst was een villa capitanea van de heren van Grimbergen. Zij hadden hier een kasteel laten optrekken en verbleven hier op bepaalde ogenblikken: "Ik Gerard toegenaamd heer van Grimbergen en mijne huysvrouwe Machteld, en myne kinderen Gerard en Arnoud … by ons Dorp Rumst, in ’t jaar MCLXXXI (1181)". Vanaf de 12de eeuw vinden we vermeldingen van Rumst in de bronnen: in 1150 lezen we in een bulle van paus Eugenius "Rumesta" . Deze benaming komt ook al voor in charters van 1190 en 1181. Door het huwelijk van Alice van Grimbergen met Godfried van Perwez ging de heerlijkheid Rumst over in handen van de familie van Perwez. Hun dochter Maria huwde met Filips I van Vianden, hun zoon Filips zou de eerste heer van het Land van Rumst worden.

2.2. De heren van het Land van Rumst

FILIPS VAN VIANDEN was de jongste zoon van Filips I, graaf van Vianden en heer van Perwez en Grimbergen en Maria van Perwez, vrouw van Rumst, Hoboken, Ekeren, Hingene, Londerzeel en Ninove. In 1290 kreeg Filips het Land van Rumst in bezit. Hierdoor werd Rumst een afzonderlijke heerlijkheid en kreeg zijn eigen adellijke heren. Ook de heerlijkheden Hoboken en Ekeren behoorden hierbij en bleven respectievelijk tot 1559 en 1505 als appanagegebeid in het bezit van deze heren: "Philippus dominus de Ruemst dictus de viane tenet Hobouken et dominationem de Akerne (Ekeren) cum appendiciis".

We vinden de naam van Filips, als heer van Rumst, terug in verschillende bronnen. Dit is onder andere het geval in enkele chartes gericht aan de schepenen van Gent van 1304 en 1308: "het Philipse van Vianen, here van Rumste". Hij is de eerste die zich ‘heer van Rumst’ noemde. Op een zegel aan een charter van 1303 kunnen we lezen: "S. Philippi de Vienna. Domini de Ruemst".

Het wapen van de familie van Vianden was sinds 1288 van keel met een dwarsbalk van zilver. Filips wapen was echter overtopt door een barensteel met vijf hangers van goud. Dit wapen komt ook voor op het schepenzegel van het Land van Rumst. We vinden dit terug op onder andere een charter van 1332 en 1375. In 1924 vroeg het gemeentebestuur van Rumst gebruik te mogen maken van dit wapenschild. Een Koninklijk Besluit van 3 juli 1925 verleende dit recht.

 

 

 

 

 

Door zijn huwelijk met MARIA VAN VIANDEN werd WILLEM II, graaf van Vlaanderen en heer van Dendermonde, ook heer van Rumst, Hoboken, Ekeren en van de gebieden van het graafschap Vianden. "Marie de Ruemst tenet Hobouken en Hekerne (Ekeren) cum suis appenditis". We vinden echter geen vermeldingen terug van het verhef van het Land van Rumst. Haar tweede echtgenoot ENGUERRAND VAN COUCY (2b*) was de tweede zoon van Enguerrand V van Guines, heer van Coucy (Fr.) en burggraaf van Meaux (Fr.) en Christine Baillol, dochter van Thomas van Baillol.

 

 

Enguerrand erfde het grondgebied van Coucy niet, dit ging naar zijn oudste broer Willem. Uiteindelijk zou dit gebied toch in de familie van de heren van Rumst komen langs Robert van Bar (6a*), die afstamde van Willem van Coucy en huwde met de achterkleindochter van Maria en Enguerrand. We beschikken over oorkonden in verband met het verhef van Hoboken en Ekeren van deze heer, Rumst wordt hier echter niet genoemd: "Inghelrammus de Coucy, juvenis, Hobouken en Ekerne in uno hommagio".

 

 

FILIPS VAN COUCY (3*) was burggraaf van Meaux en Condé. Hij was heer van Rumst tussen 1344 en 1355. Het wapen van de familie Coucy was gedwarsbalkt van vair en keel, van zes stukken.

 

 

ELEONORA VAN COUCY (4*) erfde in 1368 de goederen van haar zuster Joanna die gehuwd was met Jan II van Chatillon, heer van Dampière (+ na 1363). Bij haar dood in 1371 ging dit alles, ook haar eigen bezittingen, naar haar tante Joana van Coucy.

Haar echtgenoot MICHEL VAN LIGNE (4a*) was heer van Ligne. Ligne was eerder een klein dorpje, gelegen op de Romeinse baan van Bavai naar Gent, maar was de bakermat van een familie die in de loop van de tijd een erg aanzienlijke macht zou verwerven. Ze verkregen de grafelijke en later ook de prinselijke titel. In Beloeil hadden zij sinds de 14de eeuw een kasteel waar ze verbleven.

 

 

Het wapenschild van de familie van Ligne was van goud met rechterschuinbalk van keel. De leuze van de familie was: "Qoucunque res cadunt, semper stat linea recta". Het is niet duidelijk of dit ook al in deze vroege periode gebruikt werd. Het familiewapen kwam voor op talrijke schepenzegels.

 

 

ROBERT VAN BETHUNE (5*), ridder, erfde als oudste zoon van Jan van Bethune, heer van Lokeren en Joanna van Coucy hun voornaamste Franse heerlijkheden: hij was burggraaf van Meaux, heer van Vendeuil, Condé-en-Brie en van Ferté. Hij deed verhef van het Land van Rumst voor het leenhof van Brabant: Herr Robbert van Lokes hout Rumst, Hoeboken ende Eeken mitten toebehoirten". In 1412 tekende hij de keure van Kortenberg als "Robertus, dominus de Rumst". Door de afwezigheid van zijn volle neef Enguerrand de Coucy, gouverneur van Guyenne, werd hij door Charles VI (Franse koning tussen 1380-1422) gekozen om als luitenant-generaal het commando van de Franse troepen over te nemen. Hij behaalde verschillende successen op de Engelsen.

Robert stichtte voor hem en zijn echtgenoten jaargetijden in de kerken van het Land van Rumst: te Rumst, Boom, Willebroek, Ruisbroek, Heindonk, Hoboken en Ekeren. Zo zou op de donderdagen van elke quatertemperweek een eucharistieviering opgedragen worden ter hunnen nagedachtenis. De betaling in Rumst gebeurde door de schatmeester, in het midden van de 18de eeuw werden ze niet meer gelezen bij gebrek aan betaling. In een rekening van de kerk van Boom lezen we in 1614: "Item voer tjaergetyde van den heer Robrecht van Bethunen met syn huysvrouwe moet de rentmeester des Lands van Rumpst jaerlyckx geven xxiij stuyvers." In Hoboken werden ze opgedragen tot 1795 en betaald door inkomsten van zekere goederen. We vinden ook aantekeningen bij een pastoor van Ekeren op het einde van de 17de eeuw: de kerk was een "Fundatie van den heere van Rumpst" waar "alle donderdaeghen in iedere quatertempereweke voor de gesonghene misse, met diaken en subdiaken, de S. Spirita voor den Heere van Rumpst, genoemt Robertus de Bethunia, tachtig grooten Brabants jaerelyckx, beset op synen elynsboeck in Eekeren door die heere waeruyt den pastoor 40 grooten, den custos 20 en de capelaenen 20" .

Het wapen van de familie van Bethune was van zilver met een dwarsbalk van keel. Het wapen werd versierd door twee schildhouders en een helmkap. De schildhouders zijn twee wilde mannen gewapend met een knots en omgord door bladeren. De helmkap is een pauw bestaande uit een open helm van goud, bedekt met lelies van goud en veren of een helmkleed van keel en azur, bedekt met dezelfde lelies.

 

 

ROBERT VAN BAR (6a*) was een zoon van hendrik van Bar, wiens moeder Maria de dochter van de Franse koning Jan was. Hij sneuvelde in 1396 in de slag van Nikopolis. Van zijn moeder Maria van Coucy, erfdochter van de gekende Enguerrand VII van Coucy en Isabelle, dochter van de Engelse koning Eduard III (1327-1377), kreeg hij het graafschap Soissons (Fr.). De andere bezittingen in Frankrijk die zij hem naliet, namelijk Ferté, Marle en Montcornet, werden op 4 augustus 1413 verheven tot het graafschap Marle door de Franse kong Karel VI. Naast deze grafelijke titels, was Robert ook burggraaf van Meaux. Als compensatie voor het hertogdom bar, dat zijn grootvader Robert I van Bar aan Eduardn markies van Pont, schonk, kreeg hij door een akkoord van 8 april 1409 enkele heerlijkheden in Vlaanderen: bornem, Hingene, Rhode, Warneton, Bourbourg, Duinkerke, … Door zijn huwelijk met JOANNA VAN BETHUNE (6*) verwierf hij ook Hoboken, Ekeren en Rumst.

 

Robert van Bar volgde Antoon van Boergondië, hertog van Brabant op in de strijd tegen de Engelse troepen. Zij waren met zo’n 20.000 soldaten geland op de Franse kusten. Hij sneuvelde echter op 15 oktober 1415 in de slag van Azincourt. De families Coucy en Bar werden hier erg getroffen. Ook Filips, graaf van Nevers, Johan van Bar , heer van Poiseye en Eduard III van Bar sneuvelden.

 

Het wapen van Robert van Bar was van azur met herkruiste kruisjes van goud met spitse voet en met twee afgewende zeebaarzen.

 

 

Joanna’s tweede echtgenoot JAN VAN LUXEMBURG (6b*) was heer van Ligne en Guise. In 1440 deed hij overdracht van de grootte van het Land van Rumst aan het leenhof van Brabant. Hij deed dit in naam van zijn echtgenote Joanna, die de vrouw en ergename van Rumst was. Bij de schepenbrieven van Grimbergen lezen we: "Vrouw Joanna van Bethune, …, hout van de voirs, greve van Nassauwen als heer van Grimbergen tot eenen vollen leene tlant van Rumst met allen zijn toebehoorten". We beschikken over een leenbrief waarin Filips, hertog van Bourgogne en Brabant een zekere Lancelot de Gottignies aanstelt tijdens Joanna’s afwezigheid en op haar vraag, als waarnemer van de rechten, die Joanna als vrouw van Rumst had op deze gebieden. Joanna was ook burggravin van Meaux, vrouw van Vendeuil, Comté-en-Brie, Gistel, Falvy.

In een leenbrief van 20 november 1450, gegeven door Filips van Bourgondië, lezen we dat JOANNA VAN BAR (7*) het land van Rumst erfde van haar moeder Joanna van Bethune (6*). Op 17 december 1451 deed ze verhef van deze goederen. Daarnaast was ze ook gravin van Marle en Soissons, burggravin van Meaus en vrouw van Bornem, Hingene, Duinkerke, Broekburg, Grevelingen (N), Oise (Fr), Alluyes (Fr) en Montmirail (Fr).

Ook haar echtgenoot LODEWIJK VAN LUXEMBURG (7a*), zoon van Pieter van Luxemburg en Margaretha del Balzo van Baux (Fr), had verschillende adellijke titles: hij was graaf van St.-Pol, van Brienne en van Ligny (N), in Italië had hij het graafschap Conversano. Hij was tevens kasteelheer van Rijsel en heer van Edingen. Hij trad ook op als heer van Rumst, zo lezen we in een stadsrekening van Mechelen (1454-1455): "Tertyt des graven van St. Pol heere te Rumpst".

Lodewijk vertoefde geregeld in hogere kringen, zelfs aan het Franse hof. De Franse koning, Lodewijk XI bevorderde hem in 1463 tot oppermaarschalk van Frankrijk, hij was tevens ridder van de Orde van de koning. Hij had een wrede militaire opleiding genoten bij zijn oom, de graaf van Ligny. Lodewijk was hierover waarschijnlijk erg enthousiast, want hij waagde het een koninklijk artillerieconvooi in vredestijd tegen te houden. De Franse koning Karel VII dwong hem echter tot overgave. Later waagde Lodewijk zijn leven een tweede maal door de Franse koning en de hertog van Bourgondië tegen elkaar op te zetten. Maar wanneer Lodewijk, beschuldigd van omgang met staatsvijanden, naar de hertog vluchtte, leverde deze hem toch uit. Lodewijk werd gevangen genomen en op 19 december 1475 onthoofd te Parijs wegens meineed.

 

 

JAN VAN LUXEMBURG (8*) was graaf van Soissons en Marle, gouverneur van Bourgondië en ridder van de Orde van het Gulden Vlies (een wereldlijke ridderorde in 1430 te Brugge gesticht door Filips de Goede, hertog van Bourgondië). In 1475 (volgens Mees 1474) werd hij heer van Rumst in opvolging van zijn moeder en vader. Een half jaar later werd hij gedood door de Zwitsers in de slag van Morat (Zw), nabij Freiburg op 25 juni 1476. Jan was ongehuwd en kinderloos gebleven, zijn goederen gingen over aan zijn broers.

 

PIETER VAN LUXEMBURG (9*) deed op 29 juli 1476 verhef van het Lan dvan Rumst, dat hij geërfd had van zijn broer, aan hertog Karel van Bourgondië. Hij was graaf van Brienne, Roussy, St.-Pol, Soissons en Marle. Hij was net als zijn broer ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Hij was gehuwd met Margaretha van savoie, weduwe van Giovanni, markgraaf van Montferrat en dochter van Louis, hertog van Soissons.

 

KAREL VAN LUXEMBURG (10*) had als geestelijke veel minder titels en was daardoor ook ongehuwd. Hij werd in 1473 tot bisschop benoemd van Laon (Fr., Louwen), tegelijkertijd had hij ook de wereldlijke titel van dit gebied. Hij was tevens Pair de France (raadgever van de koning) en zetelde in de Conseil de Roi. We beschikken over een akte van 16 oktober 1497 waarin Karel zijn natuurlijke broer Jaak, ridder en bastaard van St.-Pol, aanstelde om verhef te doen van het Land van Rumst, dat hem ten deel was gevallen door de regeling van zijn overleden broer.

Het wapen van Karel van Luxemburg was van zilver met een leeuw van keel met dubbele staart, een kroon en klauwen van goud, een tong van azur en een kruisje van goud op zijn schouder.

 

 

In een leenbrief van Filips, koning van Castillië, lezen we dat er een akkoord was tussen Pieter van Luxemburg en zijn broer Karel van Luxemburg. Dit werd opgenomen in een arbitraire uitspraak van 13 september 1477 door Filips, abt van St.-Aubert en Simon van Luxemburg, Provoost van St.-Omer (Fr.). Volgens deze uitspraak bekleedde Filips op 28 juni 1505 Maria en Francisca van Luxemburg met de rechten en handelingen die Karel van Luxemburg had op het land van Rumst.

MARIA VAN LUXEMBURG (11*) was sinds 1505 vrouw van Rumst, samen met haar zuster. In 1483 volgde ze op in de graafschappen Marle, Soissons, St.-Pol en Conversano, ze was tevens vrouw van Edingen en Ligny. Haar oom langs moederszijde, JAAK VAN SAVOIE (11a*), was haar eerste echtgenoot. Hij was de zoon van Lodewijk van Savoie en Anne van Cyprus. Door haar huwelijk met FRANS VAN BOURBON (11b*) werd ze ook hertogin van Vendôme. Hij was de zoon van Jan van Bourbon, graaf van Vendôme (1487) en Isabelle van Beauvau (+1474). Van deze familie stamden de graven van Chambord en de familie van Orleans rechtstreeks af.

Frans had het wapen van de Bourbons, de hertogelijke familie van Vendôme: van azur met 3 lelies van goud en een verkorte schuinstaak van keel, beladen met 3 zilveren gaande en aanziende leeuwen. Maria droeg het wapen van de graven van Luxemburg – St.-Pol.

 

 

FRANCISCA VAN LUXEMBURG (11*) wordt in voornoemde acte vertegenwoordigd door haar echtgenoot FILIPS VAN KLEEF (11a*), heer van Ravenstein. Hij was een zoon van Adolf van Ravenstein (N.Br.), graaf van Herpen en Uden (R) (1425-1492) en zijn eerste vrouw Beatrix van Portugal. Hij heeft een grote rol gespeeld in de adellijke en militaire wereld van die tijd, maar dit heeft waarschijnlijk niet veel invloed gehad op het leven in het Land van Rumst. Waarschijnlijk droeg hij het wapen van de familie van kleef: van keel met een zilver hartschild en een gelelied karbonkel van goud over alles heen.

 

 

ANTOON VAN LUXEMBURG (12*) was graaf van Brienne, Roussy en Ligne, tevens burggraaf van Machault (Fr), baron van Ramerupt (Fr), Piney (Fr), Pygy (Fr), Gistel en Waasten (H). De Franse koning benoemde hem als gewone kamerheer aan het hof. Antoon was driemaal gehuwd. Antoinette van Bauffremont (12a*), dochter van Pieter van Bauffremont, graaf van Charny, was zijn eerste echtgenote. Fransisca van Croy (12b*) was zijn tweede huwelijkspartner, zij was de dochter van Filips van Croy, graaf van Ormay (H). Tenslotte huwde hij met Gilette van Croetivy (12c*), dochter van Olivier van Chimay, heer van Taillebourg (Fr). Antoon had uit deze huwelijken een dochter en drie zonen: Philiberte (+1538) uit het eerste huwelijk, Claude (+jong) en Karel (1488-1530) uit het tweede huwelijk en Antoine (+jong) uit zijn laatste huwelijk.

In 1515 werd hij door zijn zoon Karel opgevolgd in de meeste van zijn bezittingen. In Rumst had hij echter alleen het vruchtgebruik van de heerlijkheid en ging alles over aan zijn nicht Margaretha van Bourbon (13*), dochter van maria van Luxemburg (11*) en Frans van Bourbon (11a*).

Het wapen van Antoon van Luxemburg was van zilver met een leeuw van keel, geklouwd en gekroond in goud met bovenaan een barensteel van azur.

 

MARGARETHA VAN BOURBON (13*) kwam in 1514 in het bezit van de heerlijkheid Rumst. Door financiële problemen werd ze echter genoodzaakt het Land van Rumst te verkopen. We zullen deze gebeurtenis bespreken op het einde van het economisch hoofdstuk, ter afsluiting van deze studie.

 

2.3. Het kasteel en het verblijf van de heren te Rumst

 

Het kasteel van Rumst werd waarschijnlijk gebouwd in de 9de eeuw door de Berthouts. De genoemde auteurs argumenteren dit als een verdediging tegen de optrekkende Noormannen. Ook het feit dat Rumst als villa capitanea van Grimbergen welvarend werd, kan een reden geweest zijn tot het optrekken van een kasteel.

 

 

Bij Sel vinden we een bespreking van het kasteel:"In de middeleeuwen was het een sterk slot, gedeeltelijk met water omringd, die bij vorm van kanaal, uit de Neeth tot aan den tegenwoordigen steenweg kwamen". Volgens pastoor Dens zou het kasteel Ter Elst in Duffel tegelijkertijd gebouwd zijn met dat te Rumst. Er bestond een treffende gelijkenis tussen de twee door de vorm van hun torens. Het verhaal deed de ronde dat ze door twee broers zouden gebouwd zijn, maar hun naam en het tijdstip van de onderneming zijn niet gekend.

In de 17de eeuw was het kasteel al vervallen tot een ruïne. Dankzij de schets van Le Roy (1678) kunnen we ons nog enigsziens een beeld vormen van dit indrukwekkend bouwwerk. In de 19de eeuw waren enkel de kelderingen en een spirale torentrap blijven bestaan. Bij Sel lezen we dat deze bewaard waren in het huis dat bewoond werd door de heer J. Pauwels, ten zuidoosten van het plein. Op de 19de eeuwse percelenkaart van Popp kunnen we aan de hand van deze beschrijving een waarschijnlijke ligging aanduiden: aan de oever van de Nete in de omgeving van de Antwerpsesteenweg. Wanneer we echter de beschrijving bij Stroobant lezen, zou het kasteel meer westwaarts gelegen hebben. Hij meent dat het op de plaats stond waar zich voorhen een Romeins castellum bevond. Dit zou zich aan de monding van de Nete in de Zenne en de Dijle, die samen de Rupel vormen, situeren.

De vraag stelt zich nu of de heren van Rumst hier op het kasteel verbleven. Hiervoor zijn geen voldoende bewijzen en leeft de veronderstelling dat de heren zich bij hun aanstelling plechtig lieten inhuldigen in het kasteel en daarna het Land van Rumst verlieten. Ze stelden plaatselijke bestuurders aan, die we in de volgende paragraaf zullen bespreken. We beschikken over een charter van Maria van Luxemburg, vrouw van Rumst, waarin we lezen:"donne en notre chastel de Rumst le Xxij d jour de septembre l’an nul cinq cens trente deulx (1532)". Het feit dat we hier te doen hebben met grote adellijke families, is het wel waarschijnlijk dat deze heren op hun familiekastelen of op grotere grondgebieden verbleven. Zo lezen we in een oorkonde van Joanna van bethune (6*): "Données en nostre hostel de Guistelle (Gistel)…".

 

 

2.4. Het plaatselijk bestuur in het land van Rumst

 

Rumst heeft waarschijnlijk zijn privileges gekregen van de familie van Vianden, hun wapen was immers aanwezig op het vrijheidszegel en de schepenzegels. Rumst, als kern van het Land van Rumst, werd beschouwd als de binnenvrijheid. Dit gaf zijn bewoners verscheidene voordelen. Zo waren de gezetenen van vele heerlijke lasten ontslagen en mochten ze alle gemeente- en gerechtszaken zelf behandelen. De bevolking van buiten de vrijheid, dit waren alle inwoners van Terhagen, Boom, Heindonk, Ruisbroek en Willebroek, bleven onderworpen aan verschillende heerlijke lasten. Deze werden bestuurd door de drossaard van het Land van Rumst, bijgestaan door enkele leenmannen, die benoemd werden door de heer. Het bestaan van deze opsplitsing vinden we onder andere terug in een register van 1541: "Register van brieven ende contracten die gepasseerd zijn voir de wethouderen van Binnen ende buyten dze vryheyt van Rumst …". Door de bevolkingsaangroei verdween dit verschil geleidelijk en kregen deze gebieden eigen schepenbanken. De oudste bewijzen hiervoor bevinden zich in het stads rchief van Mechelen, namelijk goedenisbrieven van de schepenbank van Ruisbroek en Willebroek, respectievelijk van 1358 en 1443. Boom kreeg pas in 1645 een eigen schepenbank.

In de overdracht van het Land van Rumst door Jan van Luxemburg gedaan aan het leenhof van Brabant in 1440, vinden we de belangrijkste ambtenaren vermeld: "…, en laquelle terre de Rumst nous avons …, senescal, escoutete, maijeurs, eschevijns et plusieurs homme de fief tenant de nous, …". Het Land van Rumst werd bestuurd door een drossaard of gerechtsofficier, een stadhouder, schepenen, een rentmeester en een secretaris.

De drossaard werd voor het leven benoemd door de heer en trad in functie als zijn benoeming bekrachtigd was door de raad van Brabant, aan wie een taks moest betaald worden. Hij had een rechterlijke en bestuurlijke macht en zou in het Land van Rumst optreden als vertegenwoordiger van de heer. In de rekeningen van de markgraaf van het Land van Rijen ontmoeten we de naam van JACOB VAN DER DEELT, schout (=drossaard) van Rumst. Hij werd gedood door Gilles Sander van Schelle en zijn gezellen. Zijn opvolger JAN BODE werd gevangen gehouden omwille van moeilijkheden met de roertol.

De schepenen van Rumst waren de eigenlijke rechters en werden gekozen uit de aanzienlijke families. Zij stonden in voor het bestuur van de gemeentegoederen, de verkoop van onroerende goederen en het afleveren van titels en goedenisbrieven met het dorpszegel. In een charter van de schepenen van 1305 lezen we: "soe woudt die here van Rumste we bethoeghen met sinen schepenen van der vier stede van Rumst …".

De schepenen hadden ook een eigen zegel:"…ende wij Jan van der Donck ende Adaem van Geem vinders mijns heren van Rumste hebben onsen propre seghele Ghehanghen ane deze jeghenwerghe lettren…". Aan twee goedenisbrieven van 1375, beginnend met de woorden: "Wij scepenen van binnen der vreyheyt van Rumst", vinden we een groen schepenzegel. Het opschrift was: (SI)GILLUM, OP(PI)D(I) (DE RUMESTA). Het zegel bevatte een wapen dat een dwarsbalk droeg, met aan het hoofd een barensteel met vijf hangers. Daaromheen bevonden zich twee lelies, met aan het hoofd een derde lelie.

 

 

De functie van de rentmeester kunnen we vergelijken met onze huidige gemeenteontvanger. Hij was belast met het ontvangen en uitgeven van de gelden van de heerlijkheid. We vinden deze rentmeesters terug in verschillende oorkonden: "Orginelen ceurboeck van Rumst Boome ende Heyndonc, gemaeckt ten jaere 1427 door den heere Gouzy rentmeester in de landen van Rumst". Ook in de stadsrekeningen van Mechelen vinden we ze terug: "Item betaelt Peeteren Vanden Driessche nu ter tyt rentmeester mynder vrouwe van Rumst…" en "Item betaelt vanden Driessche, rentmeester es te Rumpst tertyt des graven van St.Pol heere te Rumst".

De secretarissen, in de bronnen klerk genoemd, lieten hierin ook sporen van hun bestaan achter: "Adriaan De Pauw huerlieden gesworen clerck" (1545), "Claes Vandenbloke gesworen clerck vanden lande van Rumpst" (1541), "mr cornelis Bals, secretaris slandts van Rumpst". Met dit laatste voorbeeld zijn we al wel in het begin van de 17de eeuw beland.

De buitenvrijheid werd bestuurd door een meier en zeven schepenen, die de gerechtszaken regelden, door twee dorpsmeesters, die instonden voor de burgerlijke zaken en door twee burgemeesters voor de fiscale zaken. De rechtspraak van de buitenvrijheid werd gevoerd in het Laathof van de familie van Immerseel. Het laathof of cijnshof was een vergadering van cijnsgrondhouders of laten die oordeelden over hun gelijken. Zij bestond normaal uit zeven leden, meestal dorpsnotabelen, en werd voorgezeten door een vertegenwoordiger van de heer, de meier.

De familie Van Immerseel had een leen van de heren van Rumst in de parochie Boom: "Jouffrauwe Lysbeth van Ymmerseele fa herr Arn. Van Ymmersele is houdende ’t eenen vollen leene van voors vrouwen van Rumpst eenen bosch geheeten steylderbosch gelegen in de voors prochie van Boome ende hondert en chtenveetrich bunderen onder bosch heyde inhoudende luttel min of meer van de welche C ende XLVIII bunderen gegeven is by ouden tyden in heyden ende in landen …" (1443). De volgende oorkonde maakt dit nog duidelijker: "Wij erflaeten … des Heere van Immerseele synen Laathove ende bedryfne onder Boom, resorteerende onder de Buitenvryheyt van Rumst".

De juiste ligging van dit Laathof is niet helemaal gekend. Volgens Sel zou het in het gehucht Ten Hoek, dicht bij Terhagen en de Rupel gesitueerd zijn. Daar zouden tot in de 2de helft van de 19de eeuw overblijfselen van een oud gebouw zichtbaar geweest zijn: dikke vervallen muren, kleine vensters in geschilderd glas en ruime kelderingen.

Dit Laathof was in het bezit van het nedergerechtshof, waar de reeds genoemde schout en zeven schepenen zetelden. Zij werden benoemd door de heer en moesten een eed van trouw afleggen. Zij deden uitspraak in geschillen in verband met erven en bij lichte misdrijven van de onderdanen. Zij waren echter alleen bevoegd voor de lage en middelbare rechtspraak. Zij mochten boeten en lichte straffen uitspreken en beschuldigden vangen, boeien, ketenen en geselen, maar dit alles zonder bloedvergieten. Zaken van hoger recht dienden behandeld te worden onder toezicht en voorzitterschap van de drossaard van Rumst. Hier werden dan de grove misdaden behandeld, doodvonnissen uitgevoerd, verbeurd verklaarde goederen aangeslagen en de erfenis van eigendommen van bastaards geregeld. De onderdanen konden hier ook in beroep gaan tegen de uitspraken van het laathof. De heer van Rumst had de gehele rechtspraak in handen: "nouw avons toute justice hoult, moyenne et basse" schreef Jan van Luxemburg in de reeds vernoemde overdracht van het land van Rumst.

We vinden het bestaan van de schepenen terug in oorkonden en op zegels: "Wij scepenen van buyten de vryheyt van Rumst", "so hebben wij scepenen onses gemeyen scependoms seghel hier onder aangehanghen." (11/08/1305). We beschikken over verschillende schepenbrieven van "Rumste van Buten". Twee voorbeelden vonden we in het fonds Leliëndaal: het eerste van 1318 waarin een jaarlijkse cijns op het particulier huis en tuin te Rumst wordt besproken ; een tweede over cijns en gronden te Heindonk.

 

Het zegel van de buitenvrijheid had als opschrift: S. SCABINORUM ALI …VILLE…", "SCABINORUM (DE RUMàESTA EXTRA LIBERTATUM VIILE". In het midden van de zegel bevond zich een schild met een schuinbalk met er overheen een schuinkruis.

 

 

2.5. Geografische situering van het Land van Rumst

Er kwamen reeds meermaals verschillende dorpsnamen ter sprake. Het Land van Rumst bestond uit verschillende dorpen met Rumst als kern, de andere dorpen waren Terhagen, Boom, Ruisbroek, Willebroek en Heindonk. Er waren tevens twee appanagegebieden, namelijk Hoboken en Ekeren, die ook door de heer van Rumst werden beheerd. We vonden deze plaatsen terug op verschillende oude kaarten, onder andere bij Deventer en Popp. Onderstaande kaart van de provincie Antwerpen van 1976 (vòòr de doorvoering van de gemeentefusies) verduidelijkt de situatie.

 

 

HOODSTUK 3:

DE ECONOMISCHE POLITIEK VAN DE HEREN VAN HET LAND VAN RUMST

 

3.1. De marktrechten

In de middeleeuwen betaalden de onvrije boeren hun pacht met een deel van hun landbouwopbrengst. Dit werd dan samengebracht in stapelplaatsen van de heer. Het is zeer waarschijnlijk dat het Laathof van de familie van Immerseel hiervoor dienst deed in het Land van Rumst. Sel maakt immers melding van verschillende kelderingen en stapelplaatsen. De overschotten van de heer werden verkocht op de markt, hij bepaalde hiervoor zelf de plaats en datum. Op andere dagen mocht er niets verhandeld worden. Vrije lieden en vreemden kwamen dan met ruilwaren of geld.

Vreemde kooplui dienden tolrecht te betalen aan de heer. In een charter van Walter Berthout van 1180 lezen we echter dat de monniken van de St.-Michielsabdij te Antwerpen vis tolvrij mochten aankopen op de markt van Rumst. Vanaf de 12de eeuw werd de noodzaak van deze openbare markten groter, te meer omdat iedereen het recht kreeg zijn overschotten te verkopen. Rumst moet al heel vroeg zo’n openbare markt gehad hebben. We vinden hiervoor aanwijzingen bij het bestaan van een eigen Rumstse maat in de 12de eeuw: "In Mermer de terra Reizonis sextarium siliginis, sextarium ordei et duo sextaria avenae mensura Rumestensi" (1155).

De heer van Rumst mocht een recht eisen op alle koopwaren die op zijn gebied vervoerd of verkocht werden. Als tegenverplichting beveiligde hij alle koopwaar op zijn grondgebied tegen struikrovers tussen zonsopgang en zonsondergang. Men noemt dit "warra". We herkennen er onze Nederlandse woorden "bewaren" en "waarborgen" nog in. Buiten de grenzen van het Land van Rumst geldde deze bescherming niet meer! Wanneer ze in het gebied "van tegen Waelhem tot over de Vosberg" gevoerd waren, werden ze "Warelos" of "waarloos". Waarschijnlijk heeft de gemeente Waarloos zijn naam aan deze omstandigheden te danken.

Het stichten van het kasteel en het verblijf van de Berthouts in Rumst heeft waarschijnlijk veel bijgedragen tot de groei en belangrijkheid van de markt. Rumst lag natuurlijk op een zeer gunstige geografische plaats. Nethe en Dijle kwamen er samen en vormden zo de Rupel. Deze mondde uit in de Schelde. Dit maakte contacten mogelijk met Antwerpen en Gent. Vanaf de 14de eeuw verloor de markt in Rumst veel van zijn belangrijkheid. De grootste oorzaken waren waarschijnlijk de lange periodes van afwezigheid van de heren. Ook allerlei problemen buitenaf beïnvloedden deze evolutie.

Sel veronderstelde dat er een jaarlijkse ‘foir’ opgericht werd. Hij had hierover geen rechtstreekse bewijzen, maar leidde dit af uit de in zijn tijd nog bestaande jaarmarkt (1873) tussen de feestdag van St.-Pieter, beschermheilige van de kerk op 23 juni en de kermis, de zondag van 10 juli. Hierbij zouden dan op lakenfabrikanten van Duffel en Waelhem en de geldwisselaars van dit laatste dorp aanwezig zijn geweest.

3.2. De tol op de Rupel en de disputen hieromtrent

De heren van Rumst bezaten het tolrecht op de Rupel, één van de fiscale rechten die behoorden tot de banheerlijke rechten van de heer. Het ging hier om een doorvoerrecht dat door de schippers die langs Rumst vaarden, moest betaald worden. We weten dat dit recht al in de 12de eeuw bestond, omdat de abdij van St.-Michiels te Antwerpen vrijgesteld werd van deze tol in 1180. Ook de St.-Bernardusabdij kreeg vrijdom van deze tol door Walter Berthout, heer van Mechelen, in 1264. In 1669 schreef J. Bals in een goederenbeschrijving van deze abdij: "De principaelen vrijdom, die ons meest dient, ende profijteijcste is, is ons gegeven ende vergunt van den edelen heere Waltherus Berthout, heere van Mechelen in de jaere 1264, ende is noch hedendaeghs in possessie ende in gebruijck".

 

Filips van Vianden kwam in conflict met het Gentse stadsbestuur omdat Gentse schippers de roedertol (schatting geheven op ieder voorbijvarend schip) te Rumst weigerden te betalen. Deze zaak bleef vijf jaar aanslepen en werd uiteindelijk door de graaf van Vlaanderen beslecht. Hiervan zijn vier charters bewaard te Gent, ze werden integraal uitgegeven door Sel. Een eerste charter was afkomstig van de Gentse schepenen (8 december 1304). Ze stelden voor vier scheidsrechters aan te stellen die een bindend oordeel zouden uitspreken. In een charter van 11 augustus 1305 lezen we dat de twee Gentse scheidsrechters niet zijn komen opdagen. Zo blijft de zaak aanslepen. Op 30 april 1308 deed Filips een voorstel: twee scheidsrechters zouden de zaak onderzoeken en de graaf van Vlaanderen zou dan een uitspreek doen. In het vierde charter van 25 november 1308, lezen we dat de zaak opgelost was en dat de stad Gent 550 gulden schadevergoeding moest betalen. Ze mochten dit in drie afbetalingen doen: "dat er te wetene dat die van Gend sullen gheven den heere van Ruemste vyftech (50) groete florine voernoets ende onderd (100) groete florine binnen eene maend daerna ende vier onderd (400) groete florine te sinte Marien lichtmisse noest comende ende mits so sal de heere van Ruemste verwaen alle liede die scade ofte coste mochten heeschen an de stede van Ghend in wat maniere ende waer dat die scade gevallen es."

Dit alles was een overwinning van de heren van Rumst en een versterking van het recht op de tolheffing op de Rupel. De problemen hieromtrent zouden echter opnieuw opwakkeren.

 

 

In 1409 richtten de Mechelaars een smeekschrift aan hun heer, de hertog van Boergondië om de tol in Rumst af te schaffen voor de schepen die van of naar Mechelen vaarden. Zij baseerden hun klacht op het feit dat de heren van Rumst vrijwillige aalmoezen als wettelijke tolgelden zouden omgevormd hebben. Een melaatse man zou in een hutje op het water geleefd hebben en van de voorbijvarende schippers voedsel en aalmoezen gekregen hebben. De Mechelaars meenden dat de heer van Rumst bij de dood van deze man zijn ambtenaar de plaats van de bedelaar liet innemen.

Wat moeten we nu als waarheid aanvaarden in dit verhaal? Het is natuurlijk niet uitgesloten dat er een melaatse leefde op de Rupel, maar dit was zeer zeker niet de oorsprong van de tol op de Rupel. Wanneer de St.-Michielsabdij te Antwerpen bijvoorbeeld in 1180 vrijgesteld werd van de markttollen, werden haar ook de tollen op de Rupel ontzegd. Neyens meent zelfs dat deze traditie zijn oorsprong vond in een doorgangsgeld dat de Romeinen vroegen voor de reizigers en goederen die door Rumst kwamen, zowel over het land als over de Rupel. Wanneer we dit alles bekijken vanuit het leenroerig stelsel, had de heer vanuit zijn eigendomsrecht en banheerlijke fiscale rechten natuurlijk ook het tolrecht.

In 1411 stelde de hertog voor de geschillen te laten vallen door het voorstel van Robert van Bar te aanvaarden. We beschikken echter over geen verdere concrete informatie op dit vlak. In 1436 schafte de hertog het tolrecht af. Het geding moest nog wel voor de Raad van Brabant komen. Zolang er geen uitspraak was, moesten de schippers alleen de roedertol betalen. We vinden dit terug in een brief van Filips de Goede van 16 februari 1436. Op 12 mei van datzelfde jaar liet de magistraat van Mechelen weten dat hij de Mechelaars, die in verband met deze zaak waren gevangen genomen, had vrijgelaten, ondanks de weigering van de seneschalk van Brabant. Op vraag van de Mechelaars zond de magistraat van gent op 13 december 1436 een getuigenis in verband met de melaatse man. Hij schreef dat enkele schippers 40 tot 50 jaar voorheen deze man steeds aalmoezen hadden gegeven. Op het einde van 1438 was er nog steeds geen definitieve uitspraak. Op 15 oktober vroeg Filips de Goede de zaak vriendschappelijk op te lossen en anders toch voor 15 februari van het volgende jaar tot een uitspraak te komen. Op 22 december besliste hij om in afwachting van de uitspraak alles bij het oude te laten.

Pas vijf en half jaar later kwam er een akkoord tussen Joanna van Bethune (8*), vrouw van Rumst en Mechelen. De goederen, vervoerd van en naar Mechelen waren tolvrij, maar de stad Mechelen moest als compensatie jaarlijks een pond fijn goud betalen. In de archieven van Mechelen vonden we eeen ontvangstbewijs van de heer van Rumst voor deze som in het jaar 1476 en 1606. Een tweede belangrijk punt in dit akkoord was de vrijlating van de gevangenen in deze kwestie langs beide zijden.

In het archief van de St.-Bernardsabdij te Bornem wordt een afschrift van het tolboekje van Rumst bewaard. Een tweede kopie wordt bewaard te Brussel. Het tolboekje werd in maart 1470 door Willem van Konincroy, rentmeester van het Land van Mechelen voorgebracht in de rekenkamer te Brussel. Het vormde een geheel van regels en wetten waardoor de tollen op verkoopwaar vastgesteld waren. De Schepper gaf deze tekst uit omwille va,n het grote belang voor de studie van de Brabantse tollen.

 

3.3. De schulden van Maria van Luxemburg en de verkoop van het land van Rumst

In de late middeleeuwen kregen vele adellijke families grote financiële problemen. Vele gingen zelfs bankroet. Door grote uitgeven en hypotheken op goederen in Frankrijk had Maria van Luxemburg (11*) een zware schuldenlast opgebouwd. Om dit op te lossen, had ze zware renten op het Land van Rumst moeten nemen. Zo was er onder andere een rente van "1,000 livres de 40 gros de flandres" per jaar in het voordeel van Antoine van Lalaing, graaf van Hoogstraten (verhef van 18 febrauri 1526) en een rente van "1,200 livres" in het voordeel van jan van Marnix, heer van Toulouse en schatbewaarder van Margaretha van Oostenrijk (verhef van 17 oktober 1528).

In 1535 was de nood zo groot dat Maria van Luxemburg zich genoodzaakt zag het Land van Rumst te verkopen. Zij deed dit in functie van voogd voor haar dochter Margaretha van Bourbon (13*). Het Land van Rumst ging hierdoor op 25 februari voor de prijs van 30.000 gouden carolussen over in handen van graaf Henry van Nassau, eerste kamerheer van de Duitse keizer. We vinden de desbetreffende bronnen hiervoor in het Leenhof van Brabant.

Het grondgebied bleef niet lang in handen van de familie, Henry’s zoon Willem van Nassau, prins van Oranje, verkocht het in 1559 verder aan Melchior Schets..

BIBLIOGRAFIE

 

Onuitgegeven bronnen

Antwerpen. Rijksarchief. Leenhof van Brabant, Nr. 120: Leenbrief van Filips van Boergondië

Nr. 121: Leenbrief van Filips van Boergondië

Nr. 124: Verhefbrief van Pieter van Luxemburg

Nr. 128: Leenbrief van Filips van Castilië

Nr. 170: Overdracht van Jan van Luxemburg

Nr. 347: Acte van Karel van Luxemburg

Nr. 348: Verhefbrief

Reg. 2: Stootboek

Reg. 4: Spechtboek

Antwerpen. Rijksarchief. Rumst, reg. 1029, nr. 2.

Boom. Gemeentearchief. Reg.133, 58.

Brussel. Algemeen Rijksarchief. Spoelberg, reg. 18.

Grimbergen. Schepengriffie, nr. 1559, 3559.

 

Uitgegeven bronnen

Bal, J. Landboek van Klein-Brabant en omgeving van de abdij Sint-Bernardus 1668-1669. Heemkundig

jaarboek, jubileumuitgave. Bornem, 1984.

Bekers, J. Regestenlijst van de oorkonden van het O.-L.-Vrouw-kapitel te Antwerpen.

Beten, F.X. Beknopte verhandeling en geschiedenis van de parochie Boom. (Dekenij Boom, 1901).

Beterams, G. Antwerpse schepenbrieven bewaard op het Rijksarchief te Antwerpen, 1300-1794. Brussel, 1959.

Coutumes de Santhoven, de Turnhout et de Rumpst. G. De Longe, ed. Coutumes du pays et duché de Brabant.

Quarter d’Anvers, VI, Brussel, 1877.

De provincie vroeger en nu. Antwerpen, s.l., 1976.

D’Hoop, A. Inventaire général des archives écclésiastiques du Brabant. 8 dln. Brussel, 1905-1932.

De Marneffe, E. « Cartulaire de l ‘abbaye d’Afflighem ». Annalecta pour servir à l’histoire écclésiastique,

reeks 2,I-V (1894-1901).

De Schepper, L. "De tol van Rumst, 1470" Tijdschrift voor geschiedenis en folklore, IV(1941)157-160;

V(1942)91-106.

De Vlaamse Provinciën. Het Rijksarchief in de Provinciën. Overzicht van de fondsen en verzamelingen. I.

Brussel, 1975.

Erens, A. "De oorkonden van het Norbertinessenklooster St.Catharinadal te Breda-Ooosterhout-Tongerloo

1928-1929" Analecta Praemonstratensia, XIV.

Galesloot, L. Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant. Brussel, 1865.

Galesloot, L. L’Inventaire des archives de la cour féodale de Brabant. Inventaire des archives de la Belgique.

Brussel, 1884-1890.

Goetschalckx. Oorkondenboek der abdij van St Beernaard aan de Schelde. Antwerpen, 1326.

Goetschalckx. "Oorkondenboek der abdij van St Beernaard aan de Schelde. Deel II". Bijdragen tot de

geschiedenis van het aloude Hertogdom Brabant, XII(1913)339-384; XIV(1914)221-272;

XX(1929)332-354; XXI(1930)86-118, 181-223.

Goetschalckx. Oorkondenboek der Witheerenabdij van St Michiels te Antwerpen. Eekeren-Donk, 1909.

Idem. Deel II in: Bijdragen tot de geschiedenis van het aloude hertogdom Brabant, IX(1910)345-364;

X(1911)347-400; XI(1914)527-536; XIII(1914)88-120; XXII(1931)12-41.

Hautcoeut, E. Cartulaire de l’abbaye de Flines. II,586.

Hautcoeut, E. Cartulaire de l’église collegiale Saint-Pierre de Lille. Lille , 1894.

Hermans, V. Inventaire des Archives de la ville de Malines. 2 dln. Mechelen, 1885-1894.

Installe, H. "Inventaris van het fonds Leliendal op het stadsarchief te Mechelen". Handelingen van de

Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, letteren en Kunst van Mechelen, LXXXVII(1923)41-136.

Janssens, L. Repertorium van prekadestrale handschriftlijke kaarten en plattegronden bewaard op het Algemeen

Rijksarchief te Brussel. De Antwerpse gemeenten. Deel II. Turnhout, 1987.

Leuridant, F. Les collations de cures et de bénéfices de la Maison de Ligne. Brussel, 1921.

« Lettres patentes du roi Louis XI conferant la seigneurie de Béthune à Antoine de Chaurses, son chabellan

(1477) ». Bulletin Historique et philosophique du Comité de travaux Historique, (1897)784.

Martens, M. Actes relatifs à l’administration des Revenus domaniaux du Duc de brabant (1271-1408). Brussel,

1943.

Manuscripts de la bibliothèque de Béthune. Parijs, 1886.

Miraeus, A. en Foppens, J.F. Opera Diplomatica et historica … 4 delen, Leuven, 1723-48.

Nijs, C. Inventaire de chartes et documents appartenant aux archives de la Ville d’Anvers. Antwerpen, 1838.

Persoons, E. Kerkelijk archief van Brabant. Beknopte inventarissen van archieven door kerkfabrieken aan het

Algemeen Rijksarchief in bewaring gegeven. Brussel, 1969.

Piot, C. Inventaire des archives de la Cour Féodale du Pays de Malines. Brussel, 1879.

Steurs, W. "Les frachises du duche de Brabant au moyen age, catalogue alphabetique et provisoire".

Handelingen van de Koninklijke Commissie voor de uitgave der oude wetten en verordeningen van

België. XXV(1971-1972)139-295.

Van Den Nieuwenhuizen. Oorkondenboek van het Sint-Elisabethhospitaal te Antwerpen (1226-1355). Brussel,

1976.

Van Berensteyn, E.A. Repertorium van gedrukte genealogieën en genealogische fragmenten aangeboden aan

het Koninklijke Nederlands Genootschap voor geslacht- en wapenkunde bij zijn 50 jarig bestaan.

Haarlem, 1833.

Van Doren, P.-J. Inventaire des Archives de la Ville Malines. 6 dln. Mechelen, 1853-1876.

Van Duyse. Inventaire des chartes et documents de la Ville de Gent.

Vannérus, J. Inventaire des archives de l’Abbaye de Saint-Michel à Anvers. Leuven, 1913.

Vannérus, J. « Inventaire des Empreintes de Sceaux existant aux Archives de l’Etat à Anvers. Bijdragen tot de

geschiedenis, VII(1908)422-446, 485-504.

Verachter, F. Inventaire des anciens chartes et privilèges et autres documents conservés aux archives de la ville

d’Anvers (1193-1856). Antwerpen, 1860.

Verkoren, A. Inventaire des chartes et cartulaires des duchés de Brabant et de Limbourg et des pays

d’Outre-Meuse. Brussel, 1976.

Verkoren, A. Inventaire des chartes et cartulaires du Luxembourg (comté puis duché). 5 dln. Brussel,

1914-1921.

Wauters, A. Table chronologique des chartes et diplômes imprimés concernant l’histoire de la Belgique.

Brussel, 1966-1971.

Wijmans, G. Inventaire analytique du chartier de la Tresorerie des comtes de Hainant. Brussel, 1885.

 

 

Werken

« Azincourt ». Winkler Prins encyclopedie, III(1979)199.

Baerten, J. "De Berthouts in de XIIe eeuw". Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, LXIII(1959)17-23.

"Bar". Winkler Prins encyclopedie, III(1979)344.

Best, E. "Bornhem, sa chatellenie, son chateau, ses seigneurs". Annales du cercle archéologique du pays de

Waas, VI(1876)299-401.

"Boom". Winkler Prins encyclopedie, IV(1978)535.

Bonenfant, P. en Despy, G. « La noblesse en Brabant aux XIIe et XIIe siècles » in Le Moyen Age,

LXIV(1958)27-60.

Brams, V. « Onze dorpen tijdens de Brabantse periode, boutersem". Velpeleven, XII(1985)79.

Brassart, F. Histoire Douai.

Brenier. « Epitaphes recueillés à Boussoit et à Lignes ». Bulletin à Cercle Archéologique de Mons, reeks 2

(1866-1868)51-52.

Butkens, C. Trophées tant sacrées peu profanes du duché de Brabant, 3de herziene uitgave door Jaerens, 2 dln.,

‘s Gravenhage, 1724.

Carpentier. Histoire de Cambrai.

« Comtes de Vianden ».  Nederlandse Leeuw, VII(1960).

Coomans de Brachene, B. Algemene en alfabetische kaart der steden, dorpen en vrije gronden van het

hertogdom Brabant. Aarschot, 1980.

Cornet, E. Histoire de Béthune. Brussel, 1976.

Cuvelier, J. Les dénombrements de Foyers en Brabant XIVe-XVIe siècle. Brussel, 1912.

Dancoisne, L. Numismatique Béthunoise; receuil historique monaies, mereaux, médailles et jetons de la ville et

de l’arrondissement de Béthune. Atrecht, 1859.

David, J.B. Geschiedenis van de stad en heerlijkheid van Mechelen. 2de druk, Leuven, 1985.

Decamps, G. Les hérauts de Sicile et Saint-Pol. Enghien, 1905.

De Chestret de Haneffe, J. Histoire da la maison de la Marck. Brussel, 1982.

De Cantillon, M. Délices du Brabant et de ses Campagnes. Amsterdam, 1757.

De Cantillon, M. Vermakelijkheden van Brabant, en deszelfs onderhoorige Landen. Amsterdam, 1770.

De Ghellinck De Vaernewyck. "S.A. le prince Antoine de Ligne et S.A.R. La Princesse Alix de Luxembourg".

Sceaux et armoires des villes, communes, echeirnages, chatellenies, métiers et seigneuries de la

Flandre ancienne et moderne, IV(1935)104-106.

De Herckenrode, J.L. Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne. 4 dln. Gent, 1865-1918.

De Herckenrode, J.L. Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne. Armorial. Gent, 1865.

De La Chenaye-Desbois, F.A. « Béthune ». Dictionnaire de la noblesse, II(1980)98-99.

De La Chenaye-Desbois, F.A. « Bourbon ». Dictionnaire de la noblesse, II(1980)753.

De La Chenaye-Desbois, F.A. « Ligne ». Dictionnaire de la noblesse, VI(1980)94.

De La Chenaye-Desbois, F.A. « Luxembourg ». Dictionnaire de la noblesse, VI(1980)601-603.

De Ligne, A. Histoire généalogique de la Maison de Ligne.

Demay, G. Inventaire des sceaux de la Flandre. 2dln. Parijs, 1873.

De Nave, F. « Boom ». Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek.

Vlaanderen. I(1980)124-125.

De Nave, F. « Rumst ». Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek.

Vlaanderen. II(1980)942.

De Neubourg, L. Boom, koningin van de Rupel. Antwerpen, 1965.

De Raadt, J.T. Sceaux armories des Pays-bas et des pays avoisinantes. Receuil historique et heraldique. 4 dln.

Brussel, 1893-1903.

De Raadt, J.T. en Stockmans, J.B. Geschiedenis der gemeente Schelle. Lier, 1894.

De Schepper, L. "De Heren in Hemiksem". Tijdschrift voor geschiedenis en folklore, 1956.

De Schepper, L. "Hemiksem, Heren en Heerlijkheid". Tijdschrift voor geschiedenis en folklore, 1950.

De Schepper, L. "Heymissen" met de Sint-Bernardsabdij, nijverheid, lusthuizen, kastelen, bevolking, legenden.

(s.l.)1974.

De Schepper, L. Oud en nieuw Hemiksem met de Sint-Bernardsabdij. Antwerpen, 1957.

De Seyn, E. "Rumst". Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten, II(s.d.)1175.

De Wachter, L. Repertorium van de Vlaamse gouwen en gemeenten. 6 dln. Antwerpen, 1942-1957.

De Win, P. "De adel in het hertogdom Brabant van de 15de eeuw. Een terreinverkenning". Tijdschrift voor

geschiedenis, XCIII (1980)391-409.

De Winter, J. "Adel, ministerialiteit en ridderschap, 12de – 14de eeuw" in: Algemene Geschiedenis der

Nederlanden, II(1982)123-147.

Dierickx, H. Geschiedenis van Hoboken. Evolutie van plattelandsgemeente tot industrieel centrum 1100-1950.

Antwerpen, 1954.

Duchesne, A. Histoire de Béthune.

Du Fourny, M. Histoire des Grands officiers de la Couronne . 1712.

« Eduard III», Winkler Prins encyclopedie, VIII(1980)85.

"Filips, koning van Castillië", Winkler Prins encyclopedie,VII(1980)552.

Freytag Von Loringhoven. Europaïsche Stammtafeln. Stammtafeln zur Geschichte europaïschen Staaten. 5 dln.

Marburg, 1960-1978.

Gabriel, R. "Ch. Jg. Prince de Ligne". Révue Nationale, CCCCXIII(1969)87-91.

Ganshof, F. « De Vlaamse instellingen in de XIIe – XIIIe en XIVe eeuw ». Geschiedenis van Vlaanderen,

II(1937)109-161.

Gazet van Antwerpen. 97e jrg, 23/02/1988. "Belangrijke Archeologische opgravingen te Rumst – Molenveld".

Goethals, F.V., Dictionaire des familles nobles de Belgique. Brussel, 1849.

Goetschalckx, J.P. "Abdij van S.Michiels te Antwerpen". Bijdragen tot de geschiedenis van het aloude

hertogdom Brabant, IV(1905)549-600.

Goetschalckx, J.P. «Ekeren ». Bijdragen tot de geschiedenis van het aloude hertogdom Brabant, XI(1912)171,

363, XII(1913)193.

Goetschalckx, J.P. Kerkelijke Geschiedenis van Ekeren bevattende de geschiedenis der Parochiën van Ekeren,

Hoevenen, Kapellen, Brasschaat, Ertbrant, Brasschaat ter Heide, Hoogboom, Donk, St. Mariaburg en

Rustoord. Ekeren-donk, 1910.

"Grimbergen". Winkler Prins encyclopedie, X(1981)255.

"Gulden Vlies". Winkler Prins encyclopedie, X(1981)377-378.

Gysseling. Toponymisch Woordenboek.

Histoire de la ville de Vianden et des ses comtes. Luxembourg, 1851.

Histoire généalogique de la maison de Béthune. Parijs, 1739.

Historische schets van Reet. 1961.

Huyttens, J. L’art de vérifier les généalogies des Familles Belges et Hollandaises. Brussel, 1895.

« Karel VI ». Winkler Prins encyclopedie. XII(1981)504.

Kluyt. Historia critica comitatus Hollandiae et Zeelandiae.

Kreglinger. Mémoire historique et étymologique sur les noms de communes de la province d’ Anvers. Brussel, 1847.

Laenen, J. Geschiedenis van Mechelen tot op ’t einde der Middeleeuwen. Mechelen, 1926.

Laenen, J. Histoire de l’Eglise Métropolitaine de Saint-Rombaut à Malines. 2 dln. Mechelen, 1919-1920.

Lamot, B. Hoe Boom groeide. Antwerpen, 1957.

Laurent, M. "Pair de France", La Grande Encyclopédie. Inventaire raisonné des sciences, des lettres et des arts,

XXV(s.d.)433-503.

Lavoine, A. « Sceau de Béthune (XIVe eeuw) ». Bulletin de la Commission Monum. Pas-de-Calais, V(1932)88,

105.

Leenaerts, R.J. Algemeen genealogisch – heraldisch repertorium voor de zuidelijke Nederlanden. 5 dln.

Handzame, 1969-1979.

Le Roy, J. Groot Wereldlijk Toneel des Hertogdoms van Brabant. ’s Gravenhaage, 1730.

Le Roy, J. Kastelen en Heeren Huysen der Edelen van Brabant.

"Lodewijk XI". Winkler Prins encyclopedie, XIV(1981)235.

Loutsch, J.C. Armorial de pays de Luxembourg. Luxemburg, 1974.

Mees, J. Heemkundig Jaarboek. Uitgave van de Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant, X(1975).

Mees, J. Geschiedenis der gemeente van Hingene. Brugge, 1974.

Mertens, F. en Torfs, L. Geschiedenis van Antwerpen. 8 dln. Antwerpen, 1845-1854.

Mortet, Ch. "Conseil du Roi", La Grande Encyclopédie. Inventaire raisonné des sciences, des lettres et des arts,

XII(s.d.)493-503.

"Murten". Winkler Prins encyclopedie, XVI(1982)62.

Neubecker, D. Heraldiek. Bronnen, symbolen en betekenis. Amsterdam, Brussel, 1977.

Neyen. Histoire de la ville de Vianden et de ses comtes. Preuves, p. XVIII.

Neyens, J . Rumst van de Romeinse Nederzetting tot Nijverheidsgemeente. Lier, 1958.

"Nikopol". Winkler Prins encyclopedie, XVI(1982)406.

"Notes sur les membres de la maison de Ligne". Annales de l’Académie royale d’archéologie de Belgique,

IV(1846)311.

« Notice sur la famille de Ligne ». Biografie Nationale, XII’1892).

Pama, C. Rietstaps handboek der wapenkunde. Leiden, 1963.

Pastoureau, M. Traité d’ héraldique. Parijs, 1979.

Peeters, H. Oorsprong der namen van de gemeenten en gehuchten der provincie Antwerpen. Antwerpen, 1892.

Prims, F. "Het Bolwerk te Boom". Antwerpiensia, IX(1936)69-75.

Prims, F. "het Cartularium van O.-L.-Vrouw kapittel te Antwerpen". Bijdragen tot de geschiedenis van het

aloude hertogdom Brabant, XVII(1926)302-334.

Riepstap, J.B. Armorial général. 2 dln. Gouda, 1884-1887.

Roger, E. Noblesse et chevalerie du comté de Flandres, d’Artois et de Picardie. Amiens, 1843.

Rolland, H.V. en V. Illustration to the Armorial général by Riepstap, J.B. Den Haag, 1903-1926.

Rolland, H.V. en V. Supplement to the Armorial général by Riepstap, J.B. 9 dln. Parijs - Den Haag, 1904-1954.

Runcker, D.R. en Weiss, H. Het hertogdom Brabant in kaart en prent. Tielt, 1983.

Schennicke, D. Europaïsche Stammtafeln. Neue Folge. 6 dln. Marburg, 1978.

Sel, H. Proeve van historische mengelingen over ’t land van Rumst en in het bijzonder over de heerlijkheid van

Boom. Leuven, 1872-1878.

Servais, M. « Boom ». Wapenboek van de provinciën en gemeenten van België, I(1955)299-300.

Servais, M. « De familie van Grimbergen ». Wapenboek van de provinciën en gemeenten van België,

I(1955)865.

Servais, M. « Het huis van Ligne ». Wapenboek van de provinciën en gemeenten van België, I(1955)645-648.

Servais, M. «Rumst ». Wapenboek van de provinciën en gemeenten van België, I(1955)682-683.

Sivery, G. Structures agraives et vie rurale dans le Hainaut à la fin du Moyen-Age. Lille, 1980.

Steenackers, E. Boom in het verleden. Aantekeningen uit de geschiedenis van Boom. Lier, 1907.

Steenackers, E. "La seigneurie de Rumpst et ses premiers seigneurs". Mechelinia, III(1924)1-3, 22-25, 42-45,

53-57.

Stockmans, J.-B. "De kerk van Contich en het Cartularium van Lobbes". Bijdragen tot de geschiedenis van het aloude hertogdom Brabant, XIII(1914)273.

Stockmans, J.-B. Deurne en Borgerhout sedert de vroegste tijden tot heden. Antwerpen, 1900.

Stockmans, J.-B. Geschiedenis der gemeente Berchem. Brussel, 1975.

Stockmans, J.-B. Geschiedenis van de gemeente Mortsel. Brussel, 1975.

Stroobant, L. Oudheid en Kunst. XXVII(1936)64.

Tuchman, B. A distant mirror: the calamitous 14 th. Century. New York, 1978.

Tuchman, B. De waanzinnige 14e eeuw. Amsterdam, 1980.

Uyterhoeven, J. De toerist, II(1937)55.

Van Berensteyn, E.A. Repertorium van gedrukte genealogiën en genealogische fragmenten aangeboden aan het

Koninklijk Genootschap voor geslacht- en wapenkunde bij zijn 50-jarig bestaan. Haarlem, 1933.

Van der Horst, H. Geschiedenis van Brabant. Nijmegen, 1983.

Vanderkindere, L. Formation Territoriale des principautés belges au moyen-àge. Brussel, 1981.

Van Deventer, J. De kaarten van de Nderlandsche Provinciën in de Zestiende eeuw. ’s Gravenhage, 1941.

Van Ermen, E. "Heerlijkheden in het Hertogdom Brabanr in de 13de eeuw". De Brabantse Folklore, (1987)

44-70.

Van Mingroot, E. Geschiedenis van de instellingen. Studentencursus. Leuven.

"Vendome". Winkler Prins encyclopedie, XII(1983)529.

Verbesselt, J. Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw. Tussen Zenne en Rupel, IX(1969).

Verbesselt, J., Van Ermen, E. en Van Uytsel, R. "De oudste Brabantse adel en Feodaliteit". De adel in het

hertogdom Brabant. (1985)17-27.

Vincent, A. "Boom", Les noms de lieux de la Belgique, I(1927)130.

Vincent, A. "Rumst", Les noms de lieux de la Belgique, II(1927)679.

Von Volborth, C.-A. Heraldiek. De Bataafse leeuw. 1985.

Waricher, J. L’abbaye de Lobbes depuis les origines jusqu’en 1200. Leuven, 1909.

Warlop, E. De Vlaamse adel voor 1300. 3 dln. Handzame, 1968.

Wauters, A. De l’origine et des premiers developpements des libertés communales en Belgique. Preuves.

Brussel, 1869.

Wauters, A. Histoire des environs de Bruxelles. Brussel, 1971-1975.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN