TEN BOOME


LIED VAN DE K.A.J. – BOOM O.L.VROUW


Stichters van de K.A.J. van Boom, ca.1925 (Jef De Saeger, Raymond Roelandts en Hendrik Laureyssens)
Foto: Van de oudheid tot het jaar 2000, A.Vinck

Wijze: Dit is het liedje der matrozen

 

De K.A.J. is hier

Te Boom in vollen zwier.

Zij schaart de jonge werkers

Rondom haar strijdbanier (bis)

In reine vreugde sterk

Schieten wij aan het werk

En zetten blij van zin

Een schooner toekomst in!

Refrein:

Wij willen deftig ons vermaken

en tezamen hand in hand,

in een hechte broederband

de maatschappij gelukkig maken

door ’t begrip van Christus’ leer

Die moet heerschen meer en meer.

De Christi’zonen willen toonen

Dat zonder geld men ’t ook goed stelt

als men maar krachtig wil verzaken

aan het goddeloos gedrag

dat verminkt den blijden lach.

 

II. De wereld ligt gebukt

Door crisis-last bedrukt

En niemand die in ’t leven

In zijne zaken lukt (bis)

Arbeid en nijverheid

Staan om ter meest in ’t krijt

En ieder wordt bekeven

Maar niemand heeft er spijt!

 

Refrein:

Van wat gebeurt in de geburen

waar de menschen altegaar

schokkeneeren gansch het jaar.

De werkersstand in (is?) aan ’t verzuren

want te zeer onbroederlijk

sleurt men ieder door het slijk.

Uw beste zonen willen toonen

dat zonder geld men ’t ook goed stelt

als men maar rustig wil verduren

de miserie van den tijd

die alvast toch stilaan slijt

 

III. De menschen klagen luid

Maar dit helpt niets vooruit

Zij moeten eerst vermijden

Waaruit het onheil spruit! (bis)

Ieder luister nu wel,

verzorgt zijn eigen vel

en andermans lijden

is dan van geenen tel!

 

Refrein:

Dat is het onheil onzer dagen

Want de menschen altegaar

schokkeneeren gansch het jaar.

De een kan de andere niet verdragen

En te zeer onbroederlijk

sleurt men ieder door het slijk.

Uw beste zonen willen toonen

hoe zonder geld, men ’t ook goed stelt

als men maar rustig, zonder klagen,

de miserie van den tijd

wil verdragen met meer vlijt.

 

- - - - - - - - - - - - - - - - -

N° 20 / II

Hopsa, makkers, laat ons altijd vrolijk zijn.

Laat de stakkers brouwen hun azijn.

Wilt de menschen toch eens toonen

Dat ook zonder geld of kroonen,

’n jonge werkman ook nog lachen kan.

III. Flinke snaken, de gezonde vreugd, jochei,

Zult ge smaken, bij de werkersjeugd,

Zoekt ge ware, echte vrienden,

K.A.J. zult gij dan vinden.

Wees een werkman die nog lachen kan.

N° 23 / II

Om den boog na ’t dagwerk te ontspannen

smeden wij te gaar veroeveringsplannen.

K.A..J. krijgt onze vrije uren

en de ondeugd krijgt het te verduren.
Schuwt de muffe zaal, valleralla,

weg met pracht en praal, valleralla,

film noch dans verdient, dat ‘k een duit betaal.

III. De werkersstand willen wij gansch bereiken

En hem met een ideaal verrijken.

d’ Arbeid weze een troostende bede

Zooals weleer onz’ vrome vaadren deden.

Liefde baart de vreugde, valleralla,

En de werkersjeugd, valleralla

Voelt Gods liefdebrand in eer en deugd.

N° 149

Als we gaan langs de baan

met ons hamdeken aan

en ’t potsken op onze flinke Vlaamsche kop.

Voelen wij ons zòò blij / in die jolie rei

Der werkersjeugd, vol van spetterende vreugd.

Want ons leven heeft een heilig doel

dat verwekt een jubblend gevoel.

Zoo wij gaan langs de baan

met ons hemdeken aan

en ’t potsken op onze flinke Vlaamsche kop.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN