TEN BOOME


         SPROKKELEN ROND WINDMOLENS   

  
De windmolen van Pieter Lodewijk Van Camp stond in de huidige Gevaertlaan
Foto: Zo was Boom, A.Vinck


Door Marcel Verboven

Marcel Vereycken

Johan Vermant (Boomse molens)  

 

Nog altijd houdt het hardnekkige verhaal stand als zouden de kruisvaarders voor het eerst windmolens hebben gezien in Palestina om ze nadien in Europa ijverig na te maken. Intussen staat al wel vast dat de verticale types niet uit het Nabije Oosten zijn ingevoerd. Perzische teksten uit 50-870 na Christus spreken over horizontale molens waarbij de wind door gaten op de schoepen blaast, dus geïnspireerd op het principe van watermolens. Doch de verticale uitvoering bleek in het Oosten niet gekend. Een zekere Ambrosius, een Duitser die met Richard Leeuwenhart deelnam aan de kruistochten, schrijft namelijk in zijn kroniek dat de Palestijnse Arabieren zeer verbaasd de windmolen bekeken die de kruisvaarders voor eigen bevoorrading hadden gebouwd. Ook in het toen Arabische Spanje kwamen dergelijke molens niet voor.   Pas  vanaf de 14de eeuw geraakten ze daar in gebruik, nog altijd ruim op tijd voor Don Quichottes gevecht.  

Anderzijds maalden onze Keltische voorouders al eeuwen vóór Christus en lang vóór de Romeinse overheersing met draaiende handmolens in plaats van handwrijfstenen. De Romeinen zelf brachten het blijkbaar niet verder dan een rosmolen en de toen al lang ingeburgerde watermolens. De eerste berichten over watermolens  bij ons dateren uit de 8ste en de 9de eeuw.  Vóór de tiende eeuw zijn er enkel mondelinge overleveringen over windmolens. De eerste akte die werkelijk over het bestaan ervan spreekt, dateert uit 1183:  Filips van den Elzas ordonneert daarin dat niemand een wind- of watermolen mocht bezitten op het gebied van de abdij van Sint-Winoksbergen zonder de toelating van de abt; dus toen bestonden ze al. De oudste afbeelding van zo’n windmolen is al te vinden in een tekst van 1270.  Daarin staat de staakmolen van Pamele bij Oudenaarde. Meldingen over molens nemen nadien hand over hand toe, eerst in onze omgeving – Nederland, Frankrijk, Duitsland - daarna elders in Europa.

  Verticale windmolens hadden dus blijkbaar hun oorsprong in West Europa.  Vooral in de Lage Landen gaven ze de toon aan en het is juist daar dat ze uitgroeiden tot technische hoogstandjes. In dit tijd had Vlaanderen een geavanceerde landbouw, zeer bekwame ambachtslui, goede grond voor graanteelt en, ook toen al, wind in overvloed; en het moest een dichte bevolking voeden die van stevig aanpakken wist. Die unieke samenloop van omstandigheden vroeg als het ware om het uitvinden van windmolens.

 

In tegenstelling met wat tot voor kort werd aangenomen, is de verspreiding van de windmolen dus niet van zuid naar Noord gebeurd, maar wel omgekeerd. En de molens rond de Middellandse Zee met hun nogal eterische gevluchten en soms wankelogende constructies zouden de jongere en merkbaar zwakkere broertjes zijn van de robuuste bouwsels die tegen de fikse Noordzeewind bestand moesten zijn.

 

Oorspronkelijk waren het allemaal houten standaardmolens die dus in hun geheel om een sokkel in de windrichting kunnen worden gedraaid. Kronieken, tekeningen en schilderijen bevestigen dat er in de omliggende Westeuropese landen vanaf de 13e eeuw al stenen bovenkruiers ( molens waarvan alleen de kap met de wieken draait) bestonden.  Merkwaardig genoeg bestaan er in Vlaanderen voor die periode geen aanwijzingen in die zin. De enige uitzondering is een illustratie uit de 15e eeuw met een Gents stadsgezicht waarop drie bovenkruiers staan maar dan wel in een opvallend uitheemse uitvoering ( kegelkap en cilindrische molenromp) zodat het er alle schijn van heeft dat de tekenaar er voor de gelegenheid een Frans model heeft bijgesleurd. Pas vanaf de 17e eeuw komen ze sporadisch voor op schilderijen.

 

Dit eerste vroege staaltje van technisch vernuft -energie onder de vorm van water of wind via een raderwerk omzetten in een draaiende beweging van molenstenen - maakte het voor de middeleeuwers mogelijk voortaan heel wat handwerk te vervangen door een grootscheepse industriële aanpak. We denken dan aan het malen van graan, pletten van oliehoudende zaden (olie voor de verlichting), persen van linnen, hout zagen, verpulveren van grondstoffen tot kleurstoffen, winning van papier. En dank zij die: energie konden de wapenmakers hun lanspunten en hakken slijpen.

De molen was in feite een machine die voorzag in een groot debiet van noodzakelijke basisproducten, als het ware een middeleeuws anachronisme. Zeggenschap over molens betekende dus macht en vette verzekerde inkomsten. Om het onderste uit de kan te halen, pasten de vorsten, hertogen en graven er dan ook moeiteloos een mouw aan. Bij de opkomst van de molens breidden ze hun erfrecht op de grond gewoon uit tot de waaiende wind en het stromende water. Aan lef ontbrak het die leenheren duidelijk niet, want je moet maar durven om zelfs Gods vrije wind als eigendom in te palmen! Trouwens, dat beslag leggen op energiebronnen klinkt heel bekend .

Hoe dan ook, er kon niet gemalen worden zonder de toelating van de heer, "den heere competeerde de vrije wint" .Aanvankelijk werden de molens gebouwd door de graaf of de plaatselijke heer omdat alleen zij over de nodige fondsen beschikten. Mits toelating van de heer konden ook kloosters en hospitalen met een eigen molen starten. 

De molenaar pachtte de molen dan voor zes of negen jaar. Zag de molenaar het zelf zitten om er eentje te bouwen, dan vroeg hij om een windbrief aan zijn heer. Hij betaalde daarop cijns voor de 'afgestane wind' of wat we nu een bouwvergunning zouden noemen. Bij de verpachting stond de huurder in voor het onderhoud van het draaiende werk. De heer moest het staande gedeelte voor zijn rekening nemen.

Het windrecht, via een fiscaal foefje hard gemaakt in een pachtovereenkomst, had meteen de molenban tot gevolg. Dit hield in dat alle bewoners van het leen hun graan moesten laten malen op de molen van de heer, de plaatselijke ban- of dwangmolen. De baljuws zagen erop toe dat het zo gebeurde ; ze bestraften de onwilligen met een boete, en het graan werd verbeurd verklaard. Alleen de onderhorigen van het leen waren onderworpen aan die molenban. Als het hen echter beter uitkwam om het graan elders te laten malen, dan kon dit mits het betalen van een jaarlijkse rente aan de leenheer. De molenaar mocht evenmin graan malen van boeren buiten het bangebied zolang er binnen het leen nog aanbod was .

Dat dubbele molenrecht van de heer gaf dikwijls aanleiding tot nogal wat heibel en processen -tot in de Raad van Vlaanderen!- tussen de graaf en de plaatselijke heer, of tussen heren onderling omdat er al 'sinds onheuglijke tijden' een overeenkomst of afspraak liep met de omwonenden. Het ging in dit geval meestal om abdijen die in hun heerlijkheden dat windrecht opeisten.

In Vlaanderen wilde de graaf dat molenrecht maximaal in eigen handen houden. Hij beschikte inderdaad over ettelijke 'domaniale' molens en dito inkomens. Die drang naar centralisatie was minder uitgesproken in Brabant en Limburg . Zoals de graven , de Bourgondiërs en de Habsburgers voor hem, behield ook Karel V zich dat recht voor. Hij verscherpte het bovendien nog omdat het zo'n interessante melkkoe was. Hij kwam namelijk erg hebberig uit de hoek en vaardigde een molenplakkaat uit waarin stond dat hij alleen octrooien kon geven.  Water en wind werden zijn hoogst persoonlijk bezit. Dat gaf behoorlijk wat gefoeter met de plaatselijke heren die allemaal voor schut stonden en die alle mogelijke formuleringen uitprobeerden om een uitzondering op dat plakkaat te verkrijgen. Knesselare kwam aanzetten met 'rechten op vrije wind en maalderij' , Koolskamp  had het over de maalwind van het leen en Loppem verwees naar bestaande octrooien van wind- en waterrecht. Het mocht echter allemaal niet baten. Wel bleef dat gehakketak tussen de heren en tussen de heren en hun onderhorigen onverminderd aanhouden tijdens heel het Ancien Régime. Jozef II reikte de laatste windbrief uit, maar in die periode was er al geen sprake meer van ban- of dwangmolens.

In de steden lag het allemaal wel iets anders. Die hadden, zoals op velerlei andere gebieden, hun eigen regelingen voor het uitbaten van molens. Iedereen kon er zijn graan laten malen waar hij wenste; ophalen en weer thuis brengen waren er echter niet bij.

Zoals alle ambachten vormden ook de molenaars een zichzelf beschermende groep met een eigen opleiding. Na een leertijd van twee jaar, mits het slagen in de voorziene proeven en het voldoen aan de bijkomende voorwaarde dat je poorter was van de stad, kon je opklimmen tot meester-molenaar. Een erfrecht voorzag dat het bedrijf in de familie bleef. Te Brugge kon ook de weduwe het bedrijf verder uitbaten. Sommige molens bleven in "dode hand" , d.w.z .dat ze eigendom waren van instellingen of gemeenschappen. Die 'rechtspersonen' hadden het grote voordeel te ontsnappen aan de successierechten want verenigingen 'sterven' immers niet!

Eens dat de molenaar zijn gepacht ,of afgekocht windrecht op zak had, moest hij er natuurlijk ongehinderd over kunnen beschikken.Meestal gaf dat weinig problemen omdat molens per definitie op hoogten stonden:

wallen, bestaande heuvels of opgeworpen terpen.

Anderzijds waren de boeren verplicht de houtgroei in stand te houden en konden er mettertijd vervelende bomen in de weg staan. Om dat te voorkomen bestonden er voorschriften over bomen in de omgeving van de molens.

In Vlaanderen werden die windvangregels zeer strikt toegepast, zowel voor bomen als voor gebouwen. Zelfs na de Frans Revolutie bleef dat zo, hoewel de moleneigenaars van langsom mee verplicht waren om het zelf op een akkoordje te gooien met de aangelanden, indien ze wilde voorkomen dat hun molen door bomen werd ingesloten. Voor de molen bestond dan weer het voorschrift dat ze verder dan 75 meter van de hoofdwegen moesten staan. Als ze er te dicht bij stonden, maakten ze immers de paarden aan het schrikken.

Na het nemen van al die hindernissen kon de molenaar dan eindelijk aan de slag. Maar hij moest daarbij wel rekening houden met de kerkelijke geboden. Rust op zondag en hoogdagen gold immer voor alle ambachten. Als hij toch maalde op die dagen kreeg hij drie Parijse ponden boete opgelegd.

Er waren wel tegemoetkomingen. Veurne voorzag een uitzondering "als' t lange awindt (windstil) was geweest". In Gent mocht je "om schaarste te voorkomen" wel malen met hand- en rosmolens.

In de 18 de eeuw kwam er een verder versoepeling "om de nood van ‘t arm ‘gemeyne te leningen", maar dan moest er wel 's nachts worden gemalen. In elk geval bleef er het algemeen maalverbod, handmolen inbegrepen, op een twintigtal heiligdagen. Na het afzwakken van die kerkelijke beperkingen bleven toch nog bepaalde gewoontes hangen: de molens werden stilgezet tijdens de consecratie van de hoogmis; en op Goede vrijdag stonden de wieken in rouwstand.

Als de mulder ten slotte aan malen toekwam, dan was zijn broodje letterlijk gebakken. Voor zijn werk kreeg hij een vergoeding in natura: hij mocht 'multeren', wat erop neerkwam dat hij meestal een zestiende deel van het gemalen meel voor zichzelf hield. Die hoeveelheid was gebruikelijk in het Brugse Vrije, in de Kasselrij van Ieper en in Veurne Ambacht. In slechte tijden verminderde dat deel tot een vierentwintigste. Het graan moest vóór het malen gewogen worden zodat de boer in elk geval bij benadering terugkreeg waarop hij recht had. Afhankelijk echter van zijn graad van eerlijkheid had de molenaar zo zijn verliesmarges en zijn eigen manier om zijn deel van de rest te scheiden .

De molenaars hadden al vlug door dat ze met die wieken en zeilen handig konden telegraferen. Zo ontstond een hele reeks overeengekomen signalen.

Lag het zeil van de onderste wiek een paar voet naar links geslagen, dan verwachtte de familie een geboorte of hing er een feest in de lucht. Zat het opgevouwen zeil op dezelfde wiek naar rechts, dan kapte de molenaar zijn steen, of was er een sterfgeval. Wieken in een recht kruis en met opgerolde zeilen wezen erop dat de molenaar op wind zat te wachten. Waren de zeilen opgespannen, dan ging het om een nadrukkelijke aanmaning voor de hemel dat hij wind wou.

Wieken in een Sint-Andreaskruis, golden als stormvoorspelling. Als ze echter op een rustdag of tijdens de hoogmis in die stand stonden, dan kreeg iemand de H. Olie toegediend of was er een lijkwagen op komst. De molenaars gebruikten ook afgesproken seinen om hun klanten te verwittigen dat ze hun meel mochten ophalen.  

Versierde molenwieken zijn altijd aantrekkingspolen bij uitstek geweest om daar rond massafeesten te organiseren. De boogschutters bijvoorbeeld maakten er dankbaar gebruik van: ze prikten de papegaai of koningsvogel op de hoogste wiek en hij die hem eraf schoot was de koning.

Een molen als seinpost gebruiken draaide soms nefast uit. Tijdens de wereldoorlog 1914-18 zijn er ettelijke molens vernield omdat de vijand al vlug doorhad dat ze als clandestien seinmiddel werden ingezet.

Eeuwenlang zijn water- en windmolens gemeengoed geweest in onze samenleving. Het ligt dan ook voor de hand dat ze ons taalgebruik hebben beïnvloed, en dit, merkwaardig genoeg, meestal onder de vorm van wijze en ironische gezegden.

De volkswijsheid zag blijkbaar nogal wat overeenkomsten, maar ook tegenspraak tussen vrouw en molenbedrijf: "een vrouw en een molenrad, daaraan ontbreekt gewoonlijk wat"; "molens draaien met de stroom, vrouwen gaan er tegenin" ; "de vrouw wordt licht gram maar wordt ook licht gepaaid, omdat haar meuleke met alle winden waait" ; "lopende winden en uitgaande vrouwen zijn niet te vertrouwen".

Al vroeg leefde de sterveling in het besef dat God alle tijd heeft, dat zijn molen dus langzaam maalt. Ook de ambtelijke molens hebben die neiging, maar "eens dat het in de molen zit", dan is er hoop!

De alsmaar wisselende wind en het veelvuldig meedraaien van het molenhuis deden denken aan personen die zich aanpassen aan de omstandigheden of die licht van mening veranderen. Zij keren de molen naar de wind of draaien als een molen. Als hun gedragingen deden twijfelen aan hun geestelijk evenwicht dan hadden ze het eufemistisch over "een slag van de molen krijgen" of "ze liepen met molentjes" .

Idealisten zijn nog altijd Don Quichottes die vechten tegen de

windmolens. En een gebuur die het onmogelijke wou, brachten ze onder ogen dat het kwalijk is een molensteen ver te werpen of dat hij een molensteen wou leren zwemmen.

Je kunt ook niet malen met de wind die voorbij is en als er iets uit de hand loopt dan is de molen door de vang of rem (in dergelijke gevallen kon je de molen wel vergeten) en de mizerie die daarop volgt ligt als een molensteen op het hart.

Over iemand die het hoog in zijn bol had, werd gefluisterd dat een muis die in een meelzak zit, al vlug denkt dat ze een molenaar is.

En een blaaskaak kreeg meteen de eigenschap toebedacht dat hij zoveel wind maakte dat een molen ervan zou kunnen draaien.

Molens waren bekend als bakermatten van geroddel, leugens en bedrog, want "in de molen en de smis zijn de leugens gewis " .De boer had even weinig verhaal op het arbitraire handelen van de molenaar als op Gods Laatste Oordeel, wat hem filosofisch en gelaten deed verzuchten: "dat zullen we God en de mulder laten scheiden"; want zoals de molenaar met zijn meelplank het maalgoed van de boer scheidt -iets waartegen geen protest mogelijk was- zo zal God uiteindelijk alles rechttrekken. De boer zei ook wel vergoelijkend "dat niet alle molenaars dieven waren, ofschoon ze de naam dragen" .

Enkele taaljuweeltjes maken echter hakhout van dit laatste:

een begijnenpater, een visserskater en een molenaarshaan: als die drie van honger sterven zal de wereld vergaan.

nog straffer:

een woekeraar, een molenaar, een wisselaar en een tollenaar, dat zijn de vier evangelisten van Lucifaar.

en categoriek:

honderd bakkers, honderd molenaars en honderd kleermakers: driehonderd dieven!

Zoals alle ambachten hebben ook de molenaars hun patroon, ze hebben er zelfs dertien (o.m. de HH. Crispinus, Crispinianus, Jacobus de Mindere, Sint-Victor van Marseille, e.a.). Ze hebben bijna allemaal hun patroonschap te danken aan de molensteen waaronder ze werden geplet of die ze aan hun hals gebonden kregen voor ze in het water werden gegooid. Met onze eigen Sint-Arnoldus hebben we echter al wat meer houvast. Hij moet een liefdevolle en sociaal erg gemotiveerde man zijn geweest die daarom wel eens wordt afgebeeld terwijl hij brood en drank uitdeelt aan de armen. Omwille van dat brood vonden de molenaars hem de geschikte patroon. En die drank: dat was bier, zeiden de brouwers en de herbergiers, dus was Sint-Arnoldus ook voor hen de aangewezen heilige.  

Omwille van de vele persoonlijke en gemeenschappelijke belangen die ermee gepaard gingen, mocht het molenaarsbedrijf zich doorlopend verheugen in de belangstelling van machthebbers en uitbaters. Zij keken er allemaal begerig op toe dat ze een ruim deel van de koek toebedeeld kregen. Trouwens, de molens waren van doorslaggevend belang voor de middeleeuwse economie. In hun diverse uitvoeringen en toepassingen waren ze de eerste en, gedurende eeuwen, de enige industriële machines. Daar ze een hele lijst massaproducten afleverden, hebben ze in feite de middeleeuwen mogelijk gemaakt. De poorter was niet meer onderworpen aan de reeks tijdrovende karweien die voordien noodzakelijk waren voor zijn dagelijks overleven. Door die 'machine' kreeg hij armslag voor allerhande nieuwe bezigheden, ze gaf hem ook wat meer tijd om te leven.

  We gingen te rade bij:

A. Ronse, De windmolens, Antwerpen, 1934

P. Bauters, Vlaamse molens, Antwerpen, 1978

R. Desart, Windmolens van België, Brussel

P. Bauters, Kracht van wind en water. Molens in Vlaanderen, Leuven  

 

EN KUNNEN AL DEZE SPROKKELS TOEPASBAAR GEMAAKT WORDEN

OP ONZE BOOMSE MOLEN ?  

Het is algemeen bekend dat in vroeger tijden bijna elke gemeente één of verschillende windmolens bezat. In de nabijheid van beken en rivieren trof men ook watermolens aan. De molens werden gebruikt om graan te malen of om olie uit zaden te persen.  

Heel dikwijls wordt Boom geassocieerd met klei en steenbakken. Maar bedenken we dat dat alles slechts kleinschalig was! We moeten tot na de eerste wereldoorlog wachten voordat de industriële revolutie zijn werk deed en men alles begon te mechaniseren. Voordien was onze gemeente een bosrijke plaats waarin de landbouw een voorname plaats had. En in die landbouw speelde de molens een zeer belangrijke rol uiteraard.

Enkele gegevens uit het jaar 1824 [1] : de veldgewassen der gemeente bestonden in terwe, rogge, gerst, haver, boekweit, vlas, aardappelen, en klaveren; bovendien in wortelen en rapen dienende voor voedsel van hoornbeesten.

Heide bestond niet in de gemeente. De bevolking was verspreid op 685 bunderen, waarvan 540 BUNDEREN AKKERBOUW, 25 schaarbosch, 19 beemd, en voorders huizingen, fabrieken, enz. In 1824 waren er ongeveer 5.300 inwoners!

In hetzelfde jaar 1824 vermeldde Steenackers: Den landbouw is bloeyende, GEENE LANDEN, alhoewel die hier niet zyn van den besten aard, blijven ZONDER VOORTBRENGSEL, de oogsten zyn generalyk overvloedig geweest, maar ongelukkiglyk by gebrek van verzending naar vreemde landen zyn de granen van te lagen prys geworden, hetgene den landbouwer veel nadeel toebringt en ingeval van geene verbeternis hem welhaast zal buiten staat stellen zynen huurprys en belastingen te kunnen voldoen.

 

Het bestaan van de molens bewijst met zekerheid dat onze streken vooral landbouwgebieden waren. De kleine, ambachtelijke steenbakkerijen bestonden reeds lang, maar de massale mechanisering ervan was pas voor later. Denken we er maar aan dat de ringoven (= Hoffmann-oven) pas in 1868 voor de eerste maal in gebruik werd genomen. De eerste kleibagger verschijnt pas in 1911 en een volledig automatisch proces van steenbakken kwam er pas in het jaar 1966.

De voor Boom belangrijkste soorten molens zijn:

1.      de standaardmolen of staakmolen

2.      de getijdewatermolen.

 

  1. De standaardmolen

 

De standaardmolen draaide in zijn geheel om de sokkel in de windrichting. Hij kreeg een draaibare kap en een buitenkrui-inrichting (zie hierboven).

  1. De getijdenwatermolen

 

Daar Boom aan de Rupel ligt, is het ook begrijpelijk dat men van het water van deze rivier gebruik maakte om watermolens in beweging te zetten. De Rupel is echter onderhevig aan getijden. Daarom ook deze ‘getijde’-watermolens. Het wassende water (vloed) kon een watermolen in beweging brengen en dit gedurende ongeveer de tijd van de vloed.

Soms was er ook een groot waterreservoir in de vorm van een bassin of een kil aanwezig achter de watermolen. Dit vergemakkelijkte ook het draaien van de watermolen wanneer het water wegvloeide (eb). Zo kon men tot ongeveer drie tot vier uren werken per getijde.

Meestal had de getijdenmolen mar één rad (of omgang) maar wel meerdere stenen. Die konden al dan niet met verschillende tegelijk in beweging gebracht worden. Zodat er verschillende granen tegelijk konden gemalen worden of men maakte een combinatie met een schorswatermolen.  Deze laatste maalde eikenschors waaruit men een chemische stof haalde die gebruikt werd bij het looien van huiden.

Sommige van deze getijdenwatermolens werden aan de monding van een beek geplaatst (bijvoorbeeld de Steils(ch)e Beek); hierdoor kon de bijkomende kracht van het afvloeiend water van de beek gebruikt worden.

 

 

BOOMSE MOLENS

 

De molen uit de Molenstraat

 

Deze standaardmolen werd opgericht op de plaats ‘Den Brandt’ waar nu de Molenstraat ligt.

In 1775 (zie de kaart van Ferraris) bestond hij nog niet. Hij wordt voor de eerste keer vermeld in 1788.

De heer Aerts (grondeigenaar, wonende te Anderlecht) verhuurde hem in 1827 aan Frans Verelst (toen molenaar te Waarloos).

Op 31 juli 1839 erfden Alfred en Henriette Aerts de windmolen en op 18 maart 1849 werd Alfred Aerts de ‘alleen’ eigenaar ervan.

De molen werd eigendom van Camille Willamé (ook een molenaar) op 16 augustus 1867. Nog later ging de molen over in handen van jozef De Doncker-Verrept.

In 1875  kocht de heer hendrik Zels-Weytjens deze standaardmolen. Hendrik Zels was echter molenaar te Zutendaal en Limburg, Nederland! Hij brak de molen in de Molenstraat af en herbouwde hem in de huidige Windmolenstraat te Zutendaal. Daar stond hij tot 1925.

 

De windmolen uit de Gevaertlaan (hoek Van Leriuslaan)

In 1901 (?) werd op de plaats “De Rest” aan de Gevaertlaan een open standaardmolen gebouwd. De grond waarop de windmolen werd opgetrokken, behoorde toe aan Frans Van Camp-Eeckeleers. De eigenaar van de molen werd in 1904 zoon Pieter Lodewijk Van Camp.

 

In 1914 werd de windmolen zo ernstig beschadigd dat hij ook afgebroken werd. Hij kende dus maar een kort bestaan. Toch heeft de gemeente Boom in haar fotoarchief een prachtfoto van deze molen waarop mevr. Claes-Sel, haar dochter Marcel en Moenske te herkennen zijn.

De Sint-Annamolen  

Deze standaardmolen werd gebouwd op het “Capelleveld” in de huidige Kapelstraat. Hij lag ongeveer aan de overzijde van de straat op de plaats waar de oude Sint-Annakapel stond, dus an de linkerzijde van de Kapelstraat. Na het afbreken van de molen in 1855, bouwde Frans Wuyts er zijn smidse.

Daar de molen nog niet op de kaart van Ferraris (1775) staat, moet hij waarschijnlijk kort daarna gebouwd zijn. Tot 1834 was hij eigendom van Jan Baptist Van der Cruyssen, molenaar te Boom. Het jaar nadien ging hij over in handen van Frans Van Reeth-Cop.

Bij de openbare verkoop van 19 mei 1867 [2] werden “de steenbakkerijen, droogplaatsen, 4 huisjes en de WINDMOLEN op de Vlietmanshoek” toegewezen aan steenbakker Jab Spillemaeckers-Pauwels. In 1855 werd de molen afgebroken.

De stenen windmolen

Op het einde van de ‘Blauweroot’ (= waar nu enkele mooie woningen staan aan het sport- en recreatiegebied De Schorre)werd in 1846 een stenen windmolen opgericht. Deze molen lag dus niet zo ver van de Sint-Annamolen.

De weduwe van Jan Baptist Joos-De Corte liet deze graan- en oliemolen bouwen. Bij haar overlijden in 1867 kwam de molen in het bezit van Jozef De Backer, ongehuwd rentenier te Boom. Deze overleed op 14 oktober 1876.  In zijn eigenhandig geschreven testament op datum van 10 april 1876 liet hij zijn bezittingen na

1° aan de kerk van Boom

2° aan den armen van Boom

3° aan ‘t Gasthuis van Boom

ieder voor 1/3 deel in en graanwindmolen met circa 31 are potaardegrond, gelegen omtrent de kapelstraat wijk C n° 358b – 358g – 358c en 358f en ieder voor 1/3 deel van een stuk potaardeland groot 1 ha 84 are 20 care, gelegen omtrent de boschstraat wijk D n° 274

op last voor heet Gasthuis van jaarlijks te doen celebreren zes gezongen missen en na de zes missen een traktement aan alle menschen die in het Gasthuis zijn van eenen kafé met tarweboterhammen en ieder een snee peperkoek.”

 

De molen raakte snel in verval. In 1880 werd de “molen in puin” door de drie instellingen verkocht aan Maria Verstrepen (weduwe van Alex Van Reeth) en aan Michel verstrepen (steenbakker te Boom). In 1886 werd het puin volledig afgebroken.

 

De getijdenwatermolen Van der Cruyssen

Deze molen dateert van 1831. Frans Van der Cruyssen-Van Reeth, maalder te Boom, had te Noeveren een stuk grond gekocht van Willem Verstrepen en deelhebbers, steenbakkers te Boom.

Door schenking kwam de ‘naakte eigendom van de molen’ alsook het huis en het land in handen van Gerard Van der Cruyssen-van Reeth (zoon uit het eerste huwelijk van Frans). Frans Van der Cruyssen was intussen hertrouwd met een Peeters, vandaar deze schenking waarschijnlijk. Frans behield wel het vruchtgebruik ervan, samen met zijn nieuwe echtgenote. Het vruchtgebruik eindigde in 1872. Twee jaar later (1874) werd de molen voorzien van een stoommachine (40 pk) zodat het rad verwijderd werd.

In 1885 werd er een nieuwe stoommachine geïnstalleerd. Er kwam een nieuwe eigenaar in 1897, nl. Edward van den Wijngaert-Van der Cruyssen. De molen veranderde nog eens van eigenaar in 1898 (Maatschappij “A. Van der Cruyssen en Cie”). De molen werd vergroot in 1904 en kwam zo voor een stukje op grondgebied Niel te liggen.

 

In 1922 werd Waldemar Lewie-Blankaert eigenaar en in 1941 werd de molen gedeeltelijk afgebroken.

De getijdewatermolen Verelst

Deze watermolen lag op de Steilse beek (kil). Schuin over de Emiel Vanderveldestraat ligt nu nog een klein steegje om naar de firma Cop (gereedschappen) te gaan, daar is nog een klein stukje van de Steilse beek open (bruggetje). Rechts lag deze molen.

Reeds in 1725 werd op het verzoek van dominicus Verelst, maalder te Niel, ingegaan om op de Steilse Kil een watermolen te bouwen mits een jaarlijkse vergoeding van 21 gulden. De uitbating mocht 21 jaar gebeuren en daarna zou de staat de eigendom kopen voor 800 gulden.

Op 9 augustus 1726 begonnen de werken voor de watermolen en op 20 september 1727 begon het malen. De molen werd dus aangedreven door het water van de Steilse Beek. De eerste jaren lag de molen dikwijls stil omdat er niet genoeg water was. Daarom besloot men de molen meer stroomafwaarts te verplaatsen.

Dominicus Verelst was toen huurder van de windmolen aan de grens tussen Reet en Boom. De tweede eigenaar werd Petrus Verelst (zoon van Dominicus); hij werkte op de molen van 1762 tot 1784. In 1766 kocht hij de molen af van het domein.

Daarna kwam Francis Verelst (zoon van Petrus) van 1784 tot 1824; daarna zetten zijn zonen Jan Baptist en Petrus de zaken verder, maar het was Jan Baptist die de molen uitbaatte van 1824 tot 1854.

In 1830 werd het gebouw als volgt beschreven: “graen- en schorswatermolen hebbende één omgang (= één rad) en vier paer steenen waarvan er drie tot het malen van graen en één voor schors gebruikt worden; slechts twee paer kunnen gelijktijdig werken. Het gebouw is niet ruim, maar wel sterk en is op de oever van de Rupel en bij het dorp gelegen op eene kanaal langs welke ook eene kom, bij iedere vloed genoegzaam gevuld wordt en gedurende denselve tijd alsdien te malen.”

Trouwens werd Francis Verelst onze eerste burgemeester van Boom na de onafhankelijkheid van 1830. Hij bleef burgemeester tot 1848 toen advokaat jean Tuyaerts het ambt overnam.

De schoonzoon van Jan baptist Verelst, nl. Michaël Serenus-Van Heymbeek zette het werk verder vanaf 1854 tot in 1882 de molen haast volledig vernield werd door brand. De molen werd niet meer hersteld en de eigendommen werden aangekocht door de gebroeders de Wachter-Cole die er een scheepstimmerwerf oprichtten.

De Getijdewatermolen Meeus  

 

De getijdewatermolen Meeus lag aan het bassin Vermeulen in de hoek van de Bassinstraat en de Pachterslei [3]

 

De Molens Rijpens  

Het gaat hier in feite om drie molens! Een maïsmolen, een oliemolen en later een bloemmolen. Geen van de drie waren wind- of watermolens, maar wel stoommolens.

In 1857 begonnen de gebroeders Louis en Camille Rijpens met de bouw van een maïs- en oliemolen in de Bassinstraat op de plaats waar nu de nieuwe gebouwen staan van het Onze-Lieve-Vrouw-Presentatie Instituut. Tegenover deze molen(s) werd in 1881 de eerste bloemmolen gebouwd. Tussen de Bassinstraat en de Rupel kwamen de nieuwe gebouwen te liggen.

In 1901 werden de molens eigendom van Camille Rijpens; ook de naam “Rijpens Frère” veranderde toen in “Anciens Moulins Rijpens”.

In 1908 verwoestte een enorme brand de olie- en maïsmolen. Vier jaar later in 1912 waren ze volledig herbouwd.

GROOTE BRAND TE BOOM [4]

Eene olieslagerij vernield

 

Te laat om in ons vorig nummer op te nemen ontvingen wij voorlaatsten vrijdag het bericht, dat de groote olieslagerij van M. Reypens maalder en olieslager te Boom, door eenen geweldigen brand werd vernield.
M. Reypens heeft aan den eenen kant der straat, op den oever van den Rupel, de maalderij en aan den anderen kant de olieslagerij staan; deze laatste, een groot gebouw van verscheidene verdiepen, dat over 11 jaar ook is afgebrand, was dus nog betrekkelijk nieuw.

Zodra het alarm was gegeven, snelden de pompiers deer gemeente toe met twee spuiten, die van Noeveren met eene en die van Willebroeck met twee, waarbij zich dan nog eene spuit van het nijverheidsgesticht zelf aansloot, zoodat er in ’t geheel zes spuiten werkzaam waren.

Men kon niets meer doen dan de omliggende gebouwen vrijwaren. Dit belet niet dat de geburen reeds met hunnen huisraad de vlucht namen.

Onder de bedreigde gebouwen waren ook de stallen, waarin een 20 tal paarden stonden. Ook deze zijn gespaard. Maar de eigenlijke fabriek is geheel uitgebrand. Dak, platfonds, binnenmuren, ramen en deuren, alles is verdwenen, alleen de buitenmuren staan nog recht. De schade, die door de verzekering is gedekt, is zeer groot. Zij zal zeker 100.000 fr. bedragen. Behalve de brandschade is ook veel schade aangericht aan de serren, door het instorten van stukken muur, balken en ander puin. De ramp heeft eene groote ontroering bij de bevolking te weeg gebracht.  

 

Maar op 8 oktober 1912 sloeg het noodlot nog eens toe in de vorm van een grote brand die heel de bloemmolen vernielde. Onmiddellijk werd de bouw van de nieuwe bloemmolen aangevat en nog voor de eerste wereldoorlog was de nieuwe bloemmolen in werking.

In 1922 werd de naam “Anciens Moulins Rijpens” veranderd in “N.V. Molens Rijpens”. Door de fusie met en overname van de “Molens van Ruisbroek” (Brabant) in 1979 werkten de molens van Boom niet langer. De activiteiten werden immers helemaal naar Ruisbroek verlegd.


BLOEMMOLENS

 

In achttienhonderd een en tachtig

Rezen gebouwen torenhoog

Aan de Bassinstraat, sterk verheven,

Zij boden daar een groot betoog.

 

            Het werd genaamd de “Molens Rijpens”

            Waar er veel graan werd heengebracht

            Om fijne bloem daaarvan te malen,

            Waarnaar ons bakkers werd betracht.

 

Daar werkten vele stoere gasten,

Waar ieders taak te wachten stond,

Om er een opdracht uit te voeren,

Van aan de top tot op de grond.

 

            Daarachter lag nog onze Veerdam

            Waar boten vaarden op en af,

            Veel werd gelost en ook geladen,

            Grote vrachten die men er gaf.

 

Zware paarden trokken de wagens

Met zakken bloem, opeen getast,

Om langs de straten wag te leiden,

Waar men dan zag die forse last.

 

            Platwagens zijn nadien verdwenen,

            Voor ’t nieuwe camionvervoer,

            Om al die zakken te bestellen

            Kreeg ieder weer zijn vaste toer.

 

De tolbrug lag er in d’omgeving,

Door tal van mensen steeds bezet,

Waar ook de wagens over reden,

En er goed diende opgelet.

 

            Die molens zijn nu stilgevallen,

            Het vele werk bestaat niet meer,

            Ook dit bedrijf is nu verdwenen,

            In die gebouwen van weleer.

 

Zij staan er kaal en gans verlaten,

Nog met hun naam en ’t jaargetal,

Zo gans ontdaan van alle streling,

Zij bieden thans een groot verval.

 

                                                Armand Bal [5]


MOLENS OP DE GRENS MET BOOM  

De Reetse molen uit de Molenstraat of de  ’s Keizersmolen  

Deze open standaardmolen was gelegen op de Berkvelden, in de huidige Molenstraat. Trouwens het huidige Molenhuis op de grens tussen Boom (einde Kerkhofstraat) en Reet (tegenover het benzinestation De Boever) verwijst er nog naar.  

Hij is de oudste molen hier uit de onmiddellijke omgeving. Hij werd gebouwd in 1618. In 1632 betaalde Everaert van den Berghe belastingen wegens het uitbaten van de windmolen die behoorde tot het koninklijk domein!  

Van 1643 tot na 1693 was Hans Vloebergh hier maalder. Dominicus Verelst huurde de molen van 1712 tot 1762. Daar zijn zaken niet naar wens draaiden, richtte hij in 1719 naast de windmolen een rosmolen op. In 1726 verhuisde hij naar Boom (zie getijdewatermolen op de Steilse kil).

 

Jan Van der Cruyssen (molenaar te Boom!) was in 1834 eigenaar van de molen en dit tot 1842 toe hij overleed. Daardoor kwam de molen in handen van zijn weduwe Joanna De Weerdt en hun beider kinderen.

 

Door aankoop werd August Van den Brande, handelaar te Puurs, eigenaar in 1878. Na zijn overlijden verkochten zijn kinderen de molen in 1890 aan Frans Vertongen-Lenaers, molenaar en vader van de Aartselaarse dokter Vertongen.

 

De windmolen heeft de eerste wereldoorlog goed doorstaan maar waaide op 20 september 1929 om in een hevige storm. Eerst werd er een wiek van de molen weggeblazen en de volgende rukwind deed heel de molen omkantelen. Op dat ogenblik was de molenaar in de molen en ook een kind uit de buurt. Gelukkig werden geen van beiden gekwetst. Van de molen bleef alleen puin over. De molen stond op een berg van 3,2 m. hoog, die later werd afgegraven. De molen zelf was 16 m. hoog.

De molen uit de Potaardestraat (Niel)

Deze open standaardmolen kwam oorspronkelijk van Mechelen, namelijk de Ziekenliedenmolen die op de Brusselsesteenweg net buiten de Brusselse poort stond. In 1861 werd deze molen heropgericht in de Potaardestraat, nabij de grens van Boom. Hij werd ook het Meulken of Koekoekmolen genoemd. De (her)bouwheer was Martin Verlinden, molenaar te Onze-Lieve-Vrouw-Waver. De grond waarop de molen kwam, had hij in hetzelfde jaar gekocht van Maria Catherina Van Outgaarden, weduwe van Willem Tuyaerts, steenbakker te Boom. Martin Verlinden bleef te Onze-Lieve-Vrouw-Waver wonen. In 1866 verkocht hij de molen uit de Potaardestraat aan Jan baptist Van Beneden-segers, landbouwer te Blaasveld.

In 1910 kocht Jules De Breucker-De Smedt de molen en in 1921 ging hij over in handen van Jan Van Noten-Cammers, landbouwer te Reet. De molen werd in 1930 afgebroken.

  Slotbeschouwing

 

Spijtig genoeg blijven er van al deze mooie sieraden uit ons verleden weinig over, wat gegevens, een afbeelding of foto en een plan.


Alleen al in de provincie Antwerpen waren er 86 wind- en 20 watermolens. Nu blijven er daar slechts enkele van over, onder andere de windmolen in Aartselaar en een watermolen in Liezele. Recent werd de windmolen in Boechout gerestaureerd. In Blegië waren er in 1846 nog 2.739 windmolens waarvan er thans slechts een 170-tal overblijven.

Vooral de modernisering die industriële maalderijen bracht, heeft de doodsteek gegeven aan de oude molens. Ook oorlog, storm en brand en vooral de ‘leegstand’ zorgden voor de aftakeling van deze oude sieraden.

Geraadpleegde bronnen:

De Belgische Molenaar. Tijdschrift.

Gemeentearchief Boom

Holemans, H. Wind- en watermolens in de provincie Antwerpen. Uitgave van de studiekring Ons Molenheem. Nieuwkerken, 1978.

Lamot, B. Hoe Boom groeide. Antwerpen, 1957.

Lemmens, P.J. Heemkundige handboekjes. Molens Arrondissement Antwerpen. VIII,2.

Molenecho. Tijdschrift.

Popp. Kadasterkaart.

Steenackers, E. Boom in het verleden. Lier, 1907.

Struye, J.

Verelst, M. De verdwenen watermolen op de Steilse Kil. In Molenecho, VI (1978).

Vinck, A. Zo was … Boom. Zaltbommel, 1973.



[1] Steenackers, E. Boom in het verleden, 173, 175.

[2] Noot van de redactie: Gezien de afbraakdatum zal dit eerder 1837 of 1847 moeten zijn.

[3] Gelieve ons te verontschuldigen voor het ontbreken van verdere uitleg over deze molen. Deze bladzijde ontbreekt in het manuscript.

[4] Uit de Belgische Molenaar, nr. 28 (1908).

[5] Ter beschikking gesteld door Edward De Clerck.

TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN