TEN BOOME


EN WAT WIST EEN SPECIALIST TER ZAKE ONS TE VERTELLEN

OVER DE MOLENS ?  

ONZE WINDMOLENS, VAN WAAR KOMEN ZIJ ?

 

Door Frans Brouwers

Vzw Levende Molens

Lezing 12 november 2002  

Oorsprong  

Eén van de hardnekkigste verhalen dat de ronde doet is dat van het ontstaan van de windmolens. Volgens dit verhaal zouden de windmolens van uit het Nabije-Oosten door de Kruisvaarders naar onze streken zijn gebracht. Niets is minder waar want de Arabieren kenden geen windmolens. Wel is het zo dat de Kruisvaarders windmolens hebben opgetrokken in Palestina. Dit kan men lezen in verslagen die dateren van 1190 en opgesteld werden door  een zekere Ambrosius, een kruisvaarder die deelnam aan de derde kruistocht.

Rond 950 werd er door Arabische schrijvers wel melding gemaakt van het bestaan van windmolens in het veraf gelegen Seistan (nu een deel van Afghanistan). De molens waarover zij spraken zijn horizontale windmolens en gelijken helemaal niet op de molens zoals die duizend jaar lang in Vlaanderen werden opgetrokken.

  In 1183 werd in het toenmalige graafschap Vlaanderen voor het eerst melding gemaakt van het bestaan van een windmolen. In een officiële akte bevestigt Philips van de Elzas, Graaf van Vlaanderen, de rechten en de bezittingen te Wormhout van de abdij van Sint-Winoksbergen. In de akte staat duidelijk dat niemand zonder de toelating van de abt een wind- of watermolen mag bezitten. Het gaat hier dus niet over het oprichten van een windmolen maar over het bezit ervan. We kunnen er van uit gaan dat deze akte werd opgesteld omdat de toen reeds bestaande windmolens werden opgetrokken zonder toelating van de heer of de abt. Of, eenvoudiger gezegd, er waren in 1183 reeds windmolens in Vlaanderen.

Het ontstaan van de windmolens kan verklaard worden door de rijkdom van het Vlaanderen van toen.

Vanaf 1190 komt er geen einde meer aan aktes die handelen over de oprichting van windmolens in Vlaanderen.

  Naast de houten molens werd in Vlaanderen reeds zeer vroeg melding gemaakt van stenen molens. Zo kocht Filips de Stoute in 1389 de vervallen stenen molen van Sekelin aan. Deze stenen molen was een bovenkruier met een staart. De oudste bovenkruiers waren cilindrisch en werden dan ook torenmolens genoemd. In het huidige Vlaanderen zijn de torenmolens allemaal verdwenen. De opvolger van de torenmolen was de conische bovenkruier. Reeds in het begin van de18de eeuw werden verschillende conische bovenkruiers opgetrokken in Vlaanderen.

Vlaanderen kende ook zijn houten bovenkruiers of houten achtkanten. Vooral in de Kempen kwam dit type molen veel voor.

   

Hoe belangrijk was een molen?

  Eeuwen lang waren de molens en hun molenaars een essentieel onderdeel van de economie in Vlaanderen. Het beste bewijs hiervoor is terug te vinden in de vele spreekwoorden en gezegden die betrekking hebben op de molen en de molenaar. De belangrijkheid van het molenaarsberoep, en deels ook de "deugdzaamheid" ervan, is terug te vinden in honderden gezegden en spreekwoorden.

Zo mocht de molenaar, als betaling voor zijn werk, een deel van het graan van iedere klant voor zich houden. Heel wat mulders konden blijkbaar niet aan de verleiding weerstaan en namen meer dan waar ze recht op hadden. Hun "eerlijkheid" bij het scheppen was uiteraard een dankbaar onderwerp voor heel wat gezegden. De uitspraak dat "er geen haan is zo vet als een muldershaan" is wel veelzeggend.

Ook met de vrouwen had de molenaar blijkbaar wat problemen want in heel wat gezegden werden de dingen op en rond de molen vergeleken met vrouwen. Zelden (of beter gezegd nooit), werd de vrouw een positieve eigenschap toegekend. Het beste voorbeeld hiervan is het gegeven dat de oude windmolenaars over hun molen spraken alsof het een vrouw was. Bij de oude garde stond "hij" (de molen) niet in de wind maar "zij" stond in de wind en draaide.

Voortdurend waren de molenaars bezig met en in een natuur die hen het leven niet echt eenvoudig maakte. Dan weer te veel wind of water, dan weer te weinig. Wind uit de verkeerde hoek of op het verkeerde moment van de dag. Zelden was het zoals de molenaar het wenste. Bij een wispelturige of "scharrellende" wind had een molenaar heel wat werk om zijn molen op de wind te houden. Uit veiligheidsoverwegingen kon de molenaar zijn draaiende molen maar moeilijk alleen laten. De arme vrouwen kregen het daarom te verduren want de molenaar had het over "een molen die is als een vrouw, eens ermee getrouwd mag men ze ook niet alleen laten".

   

Bouw van de standerdmolen

  De bouwwijze van de houten windmolens was (en is nog steeds) een staaltje van moderne "pre-fab". Alle elementen zoals gebinte (deel waarop de molen steunt), gevels (of in molenaarstermen "wegen") en dak (voor de molenaar een "kap"), werden eerste door de molenmaker plat op de grond gemaakt. Eens de verschillende delen in elkaar staken, werden ze "opgetrokken" met behulp van primitieve takels en kaapstanders. Voor een molen werd al vlug een dertig ton hout gebruikt. Het grootste deel was eikenhout. Voor het gaande werk (de tandwielen) werd eik en olm gebruikt. De kammen en spillen werden hoofdzakelijk gemaakt van mispel, haagbeuk en hout afkomstig van fruitbomen.

  Opmerkelijk is dat de constructie van de standerdmolen in de loop der eeuwen zo goed als geen wijzingen onderging. Waar het gebinte eerst gewoon op de grond stond of gedeeltelijk ingegraven zoals in het Verenigd Koninkrijk, werd dit deel al snel op stenen stippen of teerlingen geplaatst om het snelle wegrotten van het hout te voorkomen.

Het molenkot kreeg al zeer vroeg de afmetingen die we nu nog kennen.

Enkel het gevlucht (de wieken) werd in de loop van de 16de eeuw aangepast. Rond die tijd ging men van een symmetrische ophekking over op een asymmetrische ophekking. Berekeningen en proeven die rond de jaren 1950 werden uitgevoerd hebben aangetoond dat de oude molenmakers er vierhonderd eerder in geslaagd waren om het gevlucht zijn meest efficiënte vorm te geven. Pas in het midden van de 20st eeuw werden er nog enkele kleine verbeteringen aangebracht aan het gevlucht. Voor de windmolens was het toen reeds te laat. Hun tijd was voorbij.

Wat deden onze molens?

  Wat onze molens deden raakt meer en meer in de vergetelheid. Dat windmolens werden gebruikt om graan te malen weten de meeste mensen nog wel. De eerste windmolens waren trouwens graanmolens. Het ontging de mensen van vroeger niet dat de windmolens hen veel werk uit handen konden nemen. Waarom zouden ze zelf het zware langdurige slagen en trappen van wollen stoffen doen als een volmolen op de wind het voor hen kon doen.

Zo kregen de windmolens in de loop der eeuwen meer functies en kwamen er naast graanmolens en volmolens ook houtzaagmolens,  kruitmolens, verfmolens, olieslagmolens, poldermolens, pelmolens, enz... Voor bewerkingen waar een constante en repetitieve beweging nodig was, kon de windmolen een oplossing bieden.

 

Waar staan we nu?

 

In de loop der eeuwen werden in Vlaanderen duizenden windmolens opgetrokken. Ieder dorpje had minstens één en soms wel meerdere windmolens. Zo bezat Lokeren ooit 47 windmolens. Iedere molenaar kon van op zijn molen minstens enkele ander windmolens zien draaien.

De toestand veranderde toen in het midden van de 19de eeuw de stoommachine zijn intrede deed. Met de stoommachine kreeg de molenaar de mogelijkheid om, onafhankelijk van de grillen van de natuur, zijn werk te doen. Na de stoom kwamen de armgasmotoren, de dieselmotoren en tenslotte de zo eenvoudig te bedienen elektrische motoren.

In snel tempo verdwenen de windmolens uit het Vlaamse landschap. Enkele tientallen werden nog verkocht aan Nederlandse molenaars; de meeste werden eenvoudig afgebroken.

De eerste Wereldoorlog zorgde er ook voor dat het molenbestand flink werd uitgedund. Alle legers beschouwden de hoge windmolens als "gevaarlijk" en daarom werden ze opgeblazen of in brand gestoken. Dat Nederland nu nog zoveel windmolens telt is uitsluitend te danken aan het feit dat Nederland neutraal was gedurende deze "grote oorlog".

De nu nog ongeveer tweehonderd Vlaamse windmolens zijn meestal in werkende en dus maalvaardige toestand. Als werktuig moeten de molens zo veel mogelijk in werking gezet worden. Door de inzet van veel vrijwillige molenaars kunnen de molens levend gehouden worden.

 

Bibliografie

Paul Bauters. Van zadelsteen tot zetelkruier. 2000 jaar molens in Vlaanderen. Provinciebestuur Oost-Vlaanderen.

  TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN