TEN BOOME


                                                             VICTOR DE MEYERE  

Door Joz. Verlinden      
(zie ook jaarboeken 1996-1997)

Volgend jaar, in 2004, zal het vijftig jaar geleden zijn dat de oud-Terhagenaar Piet Van Aken zijn merkwaardige en indringende novelle Klinkaart liet verschijnen. Dat de bibliothecarissen van de Rupelgemeenten dit feit willen herdenken en zelfs plechtig vieren is meer dan lovenswaardig; onze vereniging Ten Boome sluit zich daar graag bij aan.

Het ligt in de bedoeling om die viering enigszins te verruimen om niet alleen de aandacht te trekken op de tekst en inhoud van de novelle en de andere werken van Piet van Aken, maar ook op de algemene toestand van de Rupelstreek.  

De aandacht voor de sociale misstanden en het gebrek aan ontwikkeling en cultuur in onze streek dateert al van op het einde der 19de eeuw toen het Daensisme en socialisme hier een voedingsbodem vonden. Het is in het jaar 1898 dat priester Daens van de Gentse bisschop het verbod kreeg om nog mis te lezen omdat hij te Boom het woord had gevoerd voor de armzalige steenbewerkers in een zogezegde “slechte” herberg, nl. in een café te Noeveren, gehouden door de familie Huyck, de overgrootouders van de veelzijdige acteur  Jan Decleir, die op magistrale wijze de rol van priester Daens speelt in de gelijknamige film.

Het is ook rond die tijd dat in Vlaanderen de belangstelling ontstaat voor de volkskunde en dat de literatuur de afschuwelijke toestanden onder de gewone bevolking begint te ontdekken. In 1903 verscheen van de aristocratische auteur Cyriel Buysse het drama Het Gezin van Paemel.

   
Reeds in 1888 hadden August Gittée en Pol de Mont  het tijdschrift Volkskunde gesticht, dat na 1894 onder het hoofdredacteurschap van de onderwijzer Alfons de Cock, één der grondleggers van de wetenschappelijke volkskunde, grote betekenis krijgt. Bij zijn dood in 1921 volgt de Antwerpse stadsbeamte Victor De Meyere hem als hoofdredacteur op. Als verzamelaar van folklore en van volksverhalen en als auteur van streekromans uit de gore Rupelstreek   bleek hij voor die functie de geschikte persoon.

 

Over de betekenis van de op de 13de april 1873 te Boom geboren etnoloog, dichter en prozaschrijver Victor De Meyere is professor dr. Stefaan Top ons over enkele jaren komen spreken. De samenvatting van zijn uiteenzetting verscheen in ons jaarboek van 1996-1997.

In dit verband verwijzen we naar het artikel uit het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden , waarop Alex Ramael onze aandacht trok en dat wij hierna in extenso publiceren.

 

Zijn verhalen en romans, waaronder De Roode Schavak (1909), Nonkel Daan (1922) en De Beemdvliegen (1930) de bekendste zijn, handelen over het volk en de streek aan de Rupel, waar toen bittere stoffelijke en geestelijke armoede heerste. De steenbakkers  en plaatselijke industriëlen van toen -scheepsbouwers en brouwers- waren rijk geworden boeren, waarvoor rechtvaardig loon geen begrip was.

Over die toestanden heeft de volkskundige Victor De Meyere geschreven en zo als objectieve observator uit een hogere stand, de gewoonten en gebruiken van de lagere klasse niet veroordeeld maar als een goede conservator voor ons bewaard.

Uit een bepaalde recensie citeren we “ Zijn verhalen zijn over het algemeen evenwichtig opgebouwd, maar zijn personages missen een scherpe, volgehouden karakterontleding, zodat zij niet tot duidelijke gestalten uitgroeien.” (J.Vercammen)

We menen dat het niet de bedoeling is geweest van De Meyere om psychologisch verantwoorde romans te schrijven met “duidelijke gestalten”en karakters.

Als volkskundige heeft hij  de volkse typen beschreven in hun ware verschijning en met hun ruwe, volkse taal. Wie onder andere het boek De Beemdvliegen leest, staat versteld over de vele Boomse uitdrukkingen die hij verwerkt, -afgezien van de vele gallicismen. In dit boek beschrijft hij niet zo zeer het leven van de steenmakers en hun familie, maar gaat hij als Firmin van Boeckel, - een van de hoofdpersonages -  de belevenissen meemaken van een volkje, bijna schorremorrie,  dat tussen het station en de markt in een bedenkelijk pension verblijft. Had hij het Rupelhotel in het oog ? De Scheepvaart in de Leopoldstraat vermeldt hij later als het lokaal van de bougeoisie. De verzamelplaats van zijn helden is de Veerdam en enkele van zijn creaturen werken op een bloemmolen en brouwerij. Voor de oudere Bomenaren is dit zeker een verwijzing naar de Bloemmolen Rijpens en de brouwerij Lamot. Hij beschrijft ook een gedeelte van de Hoek, die vroeger de naam van Vlietmanshoek droeg.

Hij weet zijn onderwerpen zo goed te kiezen dat hij aardig wat Boomse folklore kan beschrijven, zodat ieder hoofdstuk bijna een afzonderlijke vertelling is. De weinige vermeldingen van steengelagen en –bazen behandelen het grote drama van een pyromaan, die van op de Rupel regelmatig houtmijten gaat in brand steken en die door jongeren uit de middenklasse zal gepakt worden.

Wanneer zal er ooit eens een student uit de Rupelstreek opduiken, die over deze grote dorpsgenoot –etnoloog en schrijver!-  een ernstig studie kan schrijven ? Het persoonlijk uitgebreid archief werd door zijn weduwe aan Kadok te Leuven overgemaakt.

 

Het toeval wilde dat wij tussen de archiefstukken van meester Armand Bal, waarover wij in onze vorige jaarboeken berichtten en waaruit wij verschillende gedichten hebben gepubliceerd, die over de steennijverheid én de streek handelden, een bundel getypte vellen hebben gevonden met de volledige tekst van De Beemdvliegen door Victor De Meyere.

Eventjes meenden we met het oorspronkelijke manuscript te doen te hebben, maar reeds bij het lezen van de eerste zin bleek dat de spelling De Vries en Te Winkel,- de oude spelling,- niet was toegepast. In plaats van “zoo goed als” staat er “zo goed als”.

Meester Bal heeft in de toenmalige nieuwe spelling de tekst van dit boekje volledig overgeschreven. Wat bewijst dat hij dat niet vóór 1946 heeft gedaan.

 

Uit deze transcriptie van A. Bal citeren we hierna enkele hoofdstukjes, die u een indruk kunnen verschaffen over de ongekunstelde manier, waarop Victor de Meyere over zijn geboortedorp schreef. Zijn taal en stijl is niet zo flamboyant als die van Piet Van Aken. Ook de inhoud van zijn werk is niet zo scherp ontledend. Maar “alles bijeen  “ –om een Boomse uitdrukking te gebruiken – blijft zijn oeuvre ons boeien omdat het een deel van ónze historie bevat, omdat het gaat over een deel van óns verleden.   

 

                                DEN HITTENTIT

   Den Hittentit hoorde toe aan het dorp, zo goed als de kerktoren. Men had zich moeilijk het rijke steenbakkersdorp kunnen voorstellen zonder den Hittentit, die er alle seizoenen, op alle dagen van de week en alle uren van de dag een kleurige illustratie van was. Men zag hem alom en overal: aan de Veerdam en op de Grote Markt, in den Hoek en op de Schomme, te Noeveren en op de Krekelenberg, in den Hollezijp en in de Bossen. Op alle uithoeken kon men  hem voortdurend aantreffen, maar aan de Veerdam wel het meest.

Iedereen kende hem. Op een lang en mager lijf  stond een grauw, ontgrond gezichtteken, bol en rond, als met een passer getrokken. Een dikke dop-neus zat er boven op de wijde, breed-opengesneden vlasmond, terwijl twee lichtloze oogskens, als krenten in wat brooddeeg, diep in hun holten waren weggedoken.

Hij was de zoon van het toeval. Nog vóór hij lopen jon, werd hij door zijn moeder de straat opgegooid. Eerst kwam hij terecht op een ashoop, achter het huis. Maanden lang bleef hij er rondklefferen, in vuilnis en drek. Zodra hij lopen kon, begonnen zijn marodetochten. Na enkele verkenningen rondom de huizen en stallingen in de buurt, toog hij verder, naar het kruis van de steenweg, naar de Markt en, eindelijk, naar de Veerdam.

Toen hij tien jaar oud was, kende hij het dorp op zijn duimken. Geen uithoek of hij voelde er zich thuis. Van dat ogenblik af won hij zijn kost als boodschapper. Ook zag men hem alsdan voortdurend in gezelschap van vagebonden of schoolknapen. Deze laatsten aan wie hij allerhande spelen en kwapatserijen leerde, koesterden een ware verering voor hem. Hij moest immers niet naar school zoals zij.Dat bleek hun een niet gering voorbeeld.

Eens, op een oktobermorgen, had de Hittentit evenwel de school bezocht, maar zijn billen waren niet gemaakt om uren aan een stuk roerloos op een bank te zitten.

“’k Wil geen apengat krijgen” zie hij. Onmiddellijk daarop had hij het aan ’t lijntje met de meester, die hem onverwijld bij ’t kruis van zijn broek greep en aan de deur zwierde. Heel de morgen bleef hij op straat lawaaien. Hij stampte geweldig op de poort, zodat men bij wijlen meende hij ze ging inbeuken. Zover kwam het echter niet. ’s Middags stond Pietje-de-Champetter op post en den Hittentit hield zich voorzichtig buiten schot.

Aan de schooljongens was het verboden met de kleine nietdeug verder om te gaan. Boter aan de galg! Allen bleven hem opzoeken en wisten hem voortdurend te vinden. In hun ogen scheen hij steeds de voorname kerel, die alles wist, alles kon en alles dierf. Wie, onder hen, had zijn eentonig leven niet willen ruilen tegen de vrijheid waarvan de Hittentit zo ruimschoots genoot. En dan, wie wist beter dan hij al wat er op het dorp omging? In de allereerste plaats kon hij zeggen voor wie de klokken over dood luidden, maar dat had hij gemeen met Rieke-de-kee, de klokkenluider.

Hij alleen kon u inlichten over de beurten die aankwamen en vertrokken, over de schepen die aan de Veerdam lagen en, vooral, over wie logeerde in de “Kater”, het grote nachtverblijf van de baanheren. Daar kwam het sjofele volkje van de marktlopers en schilderachtige gebrekkigen samen: liedjeszangers en aflezers, toveraars en bezweerders, scharenslijpers en mattenleurders, gipsheren en vagebonden. Al wat er op de grote baan van hut naar her werd gestuurd, vond er een zeker onderkomen voor de nacht en ook wat sympathie van al wie er even schamel voorzat als zij zelf. In dat midden van doolaars had den Hittentit van zijn jeugd af verkeerd. Hij kende hun leven van de hand in de tand en deelde er in. Hij, evenals zij, wist, wanneer de nood aan de man kwam, door vijf minuten schrik, datgene te bemachtigen wat hij van node had. Daar kon hij niet buiten. Aan die noodwendigheid moesten zij allen gehoorzamen. Zij hadden maar twee uitkomsten in ’t leven: de gevangenis of het gasthuis. ’t Kwam er op aan die zo lang mogelijk te ontwijken. Maar gauwer dan ze dachten, zaten ze hier of daar vastgeklist als povere meesjes op een teerroede.

In afwachting, vertelde den Hittentit alom waar hij kwam en ging, van zijn eigen leven, van het dagelijks gebeuren op het dorp en vooral wat in de “Kater” voorviel. Goed op dreef wist hij van geen uitscheiden meer en de straatjeugd bleef luisteren, de oren van de kop.

’t Was ’t grootste ongeluk dat hem overkomen kon, als hij eens, bij vroege sneeuwtijd op heterdaad op vogelvangst betrapt werd. Zijn netten werden aangeslagen. Hij weende als een kind en Firmin Van Bockel, de jongste zoon van de vrederechter, had medelijden met de sukkelaar en kocht, drie maand later, op de veiling van de aangeslagen goederen, ’t slagnet en ’t verder gerief dat de Hittentit had toebehoord. Hij moest opbieden tegen twee wildstropers. In ’t slagnet had hij zich vergist, maar hij bracht er nog een groter en beter mee. In ’t gerief had hij zich niet kunnen bedriegen, vooral niet in de fijfelaar. Denk eens, een geel-gepolitoord hazenbeentje voorzien van een  noeneken en een windblaasje. Van toen af had Firmin Van Bockel zijn vriendschap gewonnen.

Op een morgen van februari liep den Hittentit die goede vriend op ’t lijf. Hij trok fier zijn boezeroen open en zei: “Zie ne keer, meneer V.B., wat zegde daarvan?” Heel zijn borst was pas getatoueerd. Hier en daar waren nog enkele bloedvlekken van de huidprikkeling te zien. Een otterschip stond er afgebeeld. Het water sloeg er in schuim tegen de voorsteven en boven het ontplooide zeil hing een wimpel in top, waarop zijn naam stond: Den Hit-ten-tit.

Hij rilde van de kou, knoopte gauw zijn boezeroen dicht en vervolgde: - Dat kan de matroos, die pas vóór drie dagen in de “Kater” is aangekomen. Hij heeft ginder in ’t schipperskwartier geresideerd. Met honderden, mannen en vrouwen, heeft hij er getatoueeerd. Hij heeft ook een boek bij met modellen van al wat hij in zijn leven reeds gemaakt heeft. Men heeft maar te kiezen en onmiddellijk, prik, prik, prik, het staat er op. Ik heb eeb otter gekozen, een otter net gelijk die van de oude Heuvelmans, die de beurt op Mechelen en Leuven doet. Er is geen schoner schip in de wereld dan een otter met een gereefd zeil en een waaiende wimpel. Morgen avond komt de Jas van de Pitteleer aan de beurt. Ge moet komen zien. Doe me dat plezier nu. Om acht uur is het er op.

- Ik zal komen, beloofde Firmin.

- Maar zeker en vast, hé? Ik reken er op. Ge moet dat zien. Men weet nooit wat er met zulke kerels gebeuren kan. Hij zou opeens de pijp kunnen uit zijn. Hij moet weer naar Antwerpen, zegt hij. De stad, het leven dáár lokt hem terug. ’t Is hem te sterk. Alleen met aan ginder te denken, aan het leven in het havenkwartier, wordt hij weemoedig als een kind.

Den Hittentit wachtte een ogenblik, als peinsde hij na; dan hernam hij weer:

-Onder ons gezeid, ’t is er ook een waarvan men nooit weet waaraan zijn ogen denken. En wat zijn handen in ’t leven reeds hebben uitgericht, daarover zal hij zwijgen.

-’t Zijn misschien allemaal maar malle gedachten van mij, hernam hij dan sneller, en ’t is misschien waar dat het alleen de stad is die hem terugtrekt. In ieder geval er zit hem een eeuwige ongedurigheid in lijf en ziel.

 

                                                          ----- ooo O ooo -----

 

                                                             II. “DE KATER”

 

De beemdvliegen konden er niet voorbij. Zij die van het station naar de Grote Markt of naar de Veerdam gingen, vielen er als van zelf binnen. Diegenen, welke op de grote baan van Antwerpen naar Brussel slenterden, sloegen aan het kruis van de steenweg zijdelings af, de Hoogstraat in en de Grote Markt over, recht naar de grote logies. Tot laat in de nacht bleef het er een gaan en komen. Er werd altijd muziek gemaakt en gedanst. Soms zong er  een arme dompelaar zijn weemoed in klagende, slepende strofen. Heel ’t gezelschap herhaalde dat refrein in koor, want eenieder vond er in een weerklank uit zijn eigen ziel. Al de verongelijkten van het leven, die op de grote zijwegen liepen, ongebonden, ongebreideld en ongedrild, als vrije zielen ontwassen aan vooroordeel en conventie, voelden er zich onmiddellijk thuis. Zij vonden er steeds kerels als zij zelf, zonder mom op ’t gelaat, heel en gaaf, lijk God hen geschapen had, zonder valsheid of leugen. Zij die op ’t dorp van jongs af de straat werden opgejaagd, konden het alras nergens meer wennen dan in de “Kater”, te midden van de vreemde horzels, die er op een avond toegevlogen kwamen, men wist niet van waar, om ’s anderendaags in de vroegte weer op te trekken, waarheen zouden zij niet kunnen zeggen hebben. Deze oefenden de schilderachtigste bedrijven uit: ’t waren liedjeszangers en straatmuzikanten, berentemmers en scharenslijpers, valsspelers en kwakzalvers, stuiters en mirakeldokters. Gene waren vaartlopers en rivierschuimers, vogelaars en wildstropers, rattenvangers en hondenscheerders. Allen, hoe de miserie hen ook onbarmhartig vervolgde, gingen fier en ’t hoofd recht opgeheven. Ongeluk en tegenslag konden hen niet klein krijgen. Bij de eerste kennismaking met hen voelde men dat hun ziel op hun lippen, dat hun hart op hun hand lag. Teder en sentimenteel aangelegd weenden zij bij het minste ongeluk dat anderen trof. Toen de poedel van blinde Amanda stierf, rolden de tranen in de verwilderde baard van Lino, die na tien jaar disciplinestraf, uit het leger was weggejaagd geworden.

En de Hittentit? En de Tie? En de Pierewaai? Zij waren de onschuld zelf en vielen als slachtoffers van een maatschappij die hun deugden niet hadden kunnen waarderen.

En Rieke-de-kee? Die lange, magere slungel als een rammelend geraamte, een echt Pietje-de-dood, gans de dag het dorp af, op zoek naar lege biertonnen, die hij voor een cent naar de brouwerij terugrolde. Ook hij luidde de klokken bij feest en rouw. Hij was van lotje getikt, beweerde men, en daarom mocht hij zonder vaar of vrees aan iedereen de waarheid zeggen, zelfs aan de pastoor en de burgemeester. Hij zei luidop wat anderen in stilte dachten en men lachte nog met zijn vrijpostigheid. Hij had ze immers alle vijf niet.

Rieke was eigenlijk maar een gesmokkelde beemdvlieg. In de “Kater” mocht hij meedoen voor kiekenvlees, werd hij geduld vóór en ná het tonnenrollen en het klokkenluiden, wanneer er een goede gezindheid heerste. Maar de Pottefeer? Deze had een hekel aan ’t werk, net als een dronkaard aan ’t water. Onverbeterde dagdief en uitverkoren zonneklopper, bracht een donkere nacht en zijn rapheid hem af en toe voor enkele weken een onbezorgd leven. En het Peerdeken stond zo nauw bij de Pottefeer! Alleen door de zijn passie voor de duiven bleef hij de rechte weg bewandelen. ’s Zondags werd hij door een paar duivenmelkers als loper gebruikt, zodat hij, met zijn verdienste, telkens een week op logies kon blijven in de “Kater”.   

 

Djokke-Ro mocht men evenwel de beemdvlieg op-en-top heten.Elk jaar kwam hij, als voorbode van de lente, met de eerste zon op het dorp aangeland. Men beweerde dat hij telkens weerkeerde van het grote toevluchtsoord van Hoogstraten, waar men overdreef. De liefde joeg hem in ’t leven voort, een ongelukkige liefde. Hij was daarbij een dichter; een dichter die wel geen enkel poëem geschreven had en er nooit een schrijven zou, maar een dichter door Gods genade! Wanneer hij vlak bij de Veerdam, op een aangespoelde boomstam neergezeten, uren lang zijn ogen als vervuld met wondere dromen over de stroom liet varen, dan versteende heel het landschap tot een gedicht in zien ziel…

En de Prinses? De Prinses van de beemdvliegen ? ’s Avonds in de schemering trok zij de baan langs de grote baan van Antwerpen naar Brussel. Op die grote steenweg vond zij al de miseriekraaiers die zonder liefde door het leven togen.

Wellicht was zij het, en zij alleen, die hen allen naar de “Kater” lokte, waar ze, sinds lange jaren, haar intrek had genomen.

 

                                                          ----- ooo O ooo -----

                                                          III. DE MATROOS

- Ge laat op u wachten!

Met die woorden begroette den Hittentit zijn jonge vriend Firmin van Bockel en samen trokken zij de “Kater”  binnen. Een dicht rookwalm sloeg hem in ’t gezicht. Onwillekeurig trok Firmin zich terug. ’t Leek hem wel of hij een spelonk binnenviel. Hij onderscheidde niets, maar hoorde alleen, te allen kant rondom zich, een geroezemoes van stemmen. Hij wilde rondkijken, zich verkennen, maar de rook sloeg geweldig op, zodat hij zijn ogen dichtkneep en, om niet te stikken, de zakdoek voor de neus en de mond bracht. Wanneer hij opnieuw in het ’t rond dorst  te kijken, scheen hij reeds iet of wat aan de rook gewend. Alles lijnde en tekende zich duidelijker af. Een houten, rood geschilderde toog stond vóór hem en daarachter hing een rek aan de muur, geverfd met de zelfde kleur en gevuld met dikbuikige likeurflessen en grote, boertige pintglazen. In ’t midden van de herberg waren vier bonkige kerels aan ’t kaartspelen om een ronde tafel, waarop het vage schijnsel van een koperen, aan de zoldering opgehangen lamp in kringen neerviel.

Een der kaarters keek op naar Firmin en bleef hem een tijdlang brutaal aanstaren, hem monsterend van kop tot teen. Wanneer hij hem beet had, duwde hij zijn pet weer diep in ’t aangezicht, speelde voort en zei tot zijn makkers, gans gerustgesteld:

- Goe volk vanavond, Drol, ’t kan nog aardig worden. Spijtig dat we voort moeten.

- Wij moeten altijd voort, altijd voort, tot het onvermijdelijke einde.

- Bah! zei een derde, wat vroeger of wat later! Ondertussen hebben wij ’t gehad. Dat kunnen ze ons niet meer afnemen!

De kleinste en de oudste van het viermanschap, zichtbaar de aanvoerder, sprak geen woord. Hij hief zijn blikken niets eens op, al peinsde hij meer op het werk dat hem op de stroom wachtte dan op het spel. Hij prakkezeerde voortdurend en schudde bijwijlen het hoofd. Toen hij den Hittentit had opgemerkt, snauwde hij deze toe, en ’t scheen meer een bassen dan een spreken: -En de tij, Hittentit?

- Juist gevallen. Om elf uur zal ’t eerste klas zijn; donker als een inktfles, en geen sterreken in de lucht. …

’t Kaartspel ging voort.

Firmin van Bockel keek naar de overkant. Daar zat het landelijk rapaille, het raske-des-geux van de Rupelstreek in genoeglijke verstandhouding. Men kon het hen aanzien, dat al hun onderlinge vriendschap gemeend was. In de vroegere tijden zouden zij, volgens eeuw en omstandigheid, minnezangers, mirakeldoeners of heretiekers zijn geweest; nu waren het daklozen,doolaars en vagebonden.

- Kom, zei den Hittentit tot Firmin, ginder is het te doen. Van hier zien wij er niets van.

Links van de herbergtoog liep de herberg dieper in. Daar stonden enkele mannen geschaard in ’t schelle licht van een blikken stallantaarn, die aan de muur hing. Firmin wilde er heen, maar den Hittentit weerhield hem, alsof hij zich bedacht had.

- Eerst een pint, dat staalt hoofd en hart.

Hij vatte Firmin bij de arm en draaide opnieuw rechtsaf, in de richting van de toog.

- Twee glazen lambik, Melanie. Als het op is, is ’t koken gedaan.

-  Gij hebt gelijk, Hittentit,antwoordde de bazin, als al ons centen vertierelierd zijn, gaan we te zamen met de bedelzak uit.

Melanie, een struise vrouw van rond de veertig, wiegelde in haar vlees. Haar rode kop, evenals het plat voorhoofd, neergestreken haarvlechten, leek met vet ingesmeerd; de enorme kin viel met vierdubbele kwatsen in de hals. Haar voorarmen geleken onder de opgestroopte jakmouwen aan een paar kort-ineengedrongen Ardeense hespen.

Den Hittentit, die zag dat de zoon van de vrederechter zijn ogen van die monsterachtige extremiteiten niet afhouden kon, sloeg Melanie een paar malen vertrouwelijk op de voorarm en zei:

 - Hawel, meneer, zijn dat geen armen als billen? En zeggen dat het allemaal van de Jas van Pitteleer is. Ziet hem nu ginder liggen als een schaap onder ’t mes.  

- De zot! lachte Melanie. Waarom hij dat ook vandoen heeft? Wellicht om de achterlappen weer te vinden, die zijn vader in zijn tijd zowat overal verloren heeft.

De vader van de Jas van de Pitteleer, de Pitteleer zaliger, was op het dorp een ware beroemdheid; een goede drinkebroer en een Jantje Plezier van God schept de dag en ik kruip er door. Op ’t laatst van zijn leven bestond hij alleen van de krijg. Hij beweerde een der jongste Napoleonisten te zijn geweest en de veldtocht van Rusland te hebben meegemaakt. Niemand geloofde het echter, wat niet belette dat iedereen hem voortdurend zijn historie van de grote overwinnaar deed herhalen.

’s Middags, pas na het noenmaal, vergaderden de steenbakkers, alvorens naar hun gelaag te trekken, in de “Scheepvaart”, om er een koffie te nemen. De Pitteleer kwam er geregeld aangeland als de cognacfles op tafel stond. Dan mocht hij meetikken, op voorwaarde, nogmaals te vertellen wat Napoleon hem eens had gezegd. Woord voor woord kwam het er telkens uit:

- Ja, we lagen aan de Beresina enne we konnen er niet over. Enne daar de keizer had horen zeggen dat ik schipper was geweest, kwam hij mij vinden en hij zei tegen mij: Pitteleer, jongen, wat zoudt gij doen, gij die van stiel zijt, als ge nu ne keer voor de Beresina laagt?

- Ikke, Sir, antwoordde ik, ik zou een brig bouwen over de Beresina en dan kunnen de Russen ons botten kissen.

De Jas van de Pitteleer behield een ware verering voor zijn vader, die met de grote overwinnaar had gesproken. Daarom ook liet hij nu ook een Napoleon te paard op zijn borst tatoueren. Firmin Van Bockel ging met de Hittentit dat meesterstuk bewonderen. Achter hen volgden de beemdvliegen, die meteen allen waren opgestaan. Alleen de vier kaarters bleven om de ronde tafel zitten en speelden voort.

De Jas van de Pitteleer lag met blote borst achterover op een stoel. Gebogen over hem, werkte een zeeman voort zonder opzien. Met fijne naalden, die met pekdraad tot een bosje waren samengebonden, prikte hij de huid, lijn na lijn, de tekening volgend die er in buskool stond afgebeeld. Zij stelde Napoleon te paard voor, te midden van een regen van springende bommen en losbrandende kartetsen.

Iedereen hield terstond zijn adem in, vol bewondering. Zoiets hadden zij niet durven dromen. Den Hittentit stootte even tegen de arm van Firmin, als wilde hij zeggen :

- Schoon hé? Dan een stond nadien dierf hij fluisteren :

- Als ge ’t kunt is ’t maar een spel.

De matroos, die de lof had gehoord, stak de kop in de hoogte, lei zijn priknaalden op tafel en, zich uitrekkend, als moe van het lange staan in dezelfde houding, begon hij over zich zelf te vertellen. Lange jaren had hij gevaren. Aan boord van zijn eerste schip, een driemaster, waarop hij als lichte matroos had gemonsterd, werd hij voor het eerst getatoueerd. Hij zou het nooit vergeten. ’t Was met Kerstmis en ’t had hard gevroren. Als jongste matroos had hij ’s morgens vroeg de mistletoe in de hoogste mast gestoken. ’s Namiddags hield hij de wacht met een oude zeebonk, die hem tatoueerde. ’t Was niet erg: een ring om de wijsvinger van zijn rechterhand, een anker onder de duim en een armband om de polsen. Hij had het meteen beet, hoe men het doen moest en voor hem, die tekenen kon, want hij had op de Akademie gestudeerd in zijn jeugd, zou ’t maar kinderspel zijn. Eens ’t varen moe, bleef hij te Antwerpen in het Schipperskwartier hangen bij een Hollandse straatmadelief, die op de Burchtgracht, nabij de Bloedberg, woonde. ’t Was een beeldschone vrouw die ’s avonds veel geld verdiende in een boarding house van de Oude Mannekensstraat. Hij bleef ook niet werkloos. Hij zette bootjes op in flessen, maakte wijngaarden en dorelaren wijnstokken, ze ornamenterend met het mes. Eens, in zijn vrije tijd, tatoueerde hij zijn lief op de twee armen. Hij vond het schoon en zij ook vond het aardig. Toen deed hij maar voort tot zij, op ’t laatst, van de planken van haar voeten tot de hals aan een heerlijke bloem geleek, een wonder waarvan de matrozen spraken, zelfs te Rio de Janeiro en te Buenos-Aires.Meer dan twee jaar had hij er aan gewerkt. Veel andere liefdemeisjes had hij daarna getatoueerd. Allerhande tekeningen en leuzen had hij op hun lichaam geprikt. En hij toonde het album van zijn gezamenlijk werk: ruikers van rozen en anjelieren, ontluikende bloemknoppen, vrouwenbeelden; harten met initialen, ineengestrengelde handen, zeilende boten, soldaten, heelder landschappen.

Op een avond, vertelde hij voort, was de laatste boot waarop hij gevaren had, de “Wisconsin”, in de haven aangekomen. In de Schippersstraat ontmoette hij twee van zijn kameraden. Acht dagen en acht nachten bleef hij met hen op de zwier en, de negende nacht, wanneer hij thuiskwam, werd hij door zijn Hollandse Kee op scheldwoorden en slagen ontvangen. Hij kon niet tegen haar op. Zijn tong viel als lam in de mond en zijn armen hingen krachteloos aan ’t lijf. Plotseling hoorde hij ’t gefluit van vertrekkende boten. Dat reeds bracht hem van streek, en wanneer daarop de sireen van de “Wisconsin” aan ’t huilen ging, als om de achterblijvers te herinneren aan het uur van de aftocht, kon hij niet langer weerstaan. Hij moest weg. Hij had nog juist de tijd om aan boord te geraken. eerst wilde de kapitein hem niet meevoeren zonder monstering, maar hij bad en smeekte en kroop wenend op de knieën, tot hij ten slotte mee mocht. Op zee kwam het ergste aan. Daar overwon hem het heimwee. Nooit had hij, op zijn talrijke reizen, een dergelijk gevoel gekend. Ook voelde hij wel dat hij het nooit meer zonder zijn Hollandse Kee zou kunnen stellen in de wereld. Hij moest terug, onverwijld terug. Hij ontvluchtte zijn schip te Londen, waar nog een lading voor Genua en Constantinopel moest ingenomen.

’s Anderendaags kwam hij reeds met de “Harwich” te Antwerpen aan. O! toen hij op die terugreis de Onze-Lieve-Vrouwetoren door de nevel zag oprijzen, zijn ranke spits aldoor maar dieper in ’t geluchte zag dringen, tot heel de weidse havenstad vóór zijn ogen ontvouwd lag, O! toen herleefde hij. Binnen enkele uren zou hij weer in de armen van zijn schoon lief liggen en nooit zou hij haar nog verlaten. ’t Kwam anders uit dan hij verwacht had. ’t Gaat zo meestal in ’t leven. Mooie Kee was het afgetrapt met een neger uit de dancing “Old London”, “recht naar Brussel” zei de baas uit het boarding house “The Flag of all Nations”, waar zij laatst had gediend. Hij trok haar achterna, naar Brussel en verder als ’t nodig mocht blijken. Van Antwerpen was hij in één trek tot hier geraakt, drie uur lopens. Hij zou in de “Kater” enkele dagen vertoeven, om er wat geld te verdienen. En dan voort! Op Gods genade!

 

Wanneer de matroos gedaan had met vertellen, nam hij weer zijn naalden, en boog zich opnieuw over de naakte borst van Jas van de Pitteleer. De ogen half dicht geknepen onder de zware, zwarte borstelbrauwen, prikte hij een tijdlang voort, zonder spreken. Zijn lippen krulden zich; snor en baard streuvelden als verward op. Zijn kleine platneus begon zenuwachtig te trillen tussen de roodgebolde kaken. Sneller voortprikkend besloot hij dan:

- Wat wilt ge? ’t Is dom van mij achter een vrouwmens te lopen, alsof er geen meer waren in de wereld. Men mag nooit een deel van zijn leven herbeginnen; Als iets misloopt of mispakt, een punt en gedaan. ’t Is een nieuwe boot die men bevaren moet.           

De meeste beemdvliegen zaten reeds op hun plaats terug. De geschiedenis van de matroos bracht hun niets dan nutteloze woorden, die beter onuitgesproken waren gebleven. Den Hittentit werd ongeduldig. Hij ook kreeg er genoeg van en trok Firmin naar de toog.

- ’t Bierken mag niet verschralen, ’t heeft geld gekost.

Na zijn glas geledigd te hebben, fluisterde hij: Ik, meneer Firmin, geloof geen zier van wat hij vertelt. ’t Is er een die kelders heeft in zijn ziel en een sluier  vóór de ogen, dichter dan die van de Prinses dáár.

Op een bank langs de muur zat de Prinses van de beemdvliegen.

Wie haar daar zitten zag zou niet kunnen zeggen hebben of zij een muts of een kap op het hoofd had. Zij had een dichte sluier om de kop gewonden en die viel haar over ’t aangezicht, tot halverwege de borst; Firmin kon zijn ogen niet geloven, want ’t was lang geleden dat hij haar nog gezien had. Zij ging slechts op marode bij avond en ontij. Zij nam haar glas, hief de sluier even op, en dronk. Firmin verschrikte van wat hij zag. Zij had geen neus meer en haar linkeroog scheen heel en al uitgelopen.

- Een monster, dacht hij.

- Te lelijk om te helpen donderen, zei hem den Hittentit in ’t oor, alsof hij zijn gedachte geraden had. Ik zal haar historie vertellen zoals die werkelijk is; slechts weinigen kennen haar hier op het dorp. Zij is meer waard dan die van de matroos.

 

                                                          ----- ooo O ooo -----

                                                            IV. DE PRINSES

De vier rivierschuimers waren weg. Den Hittentit en Firmin Van Bockel namen plaats aan een ronde tafel. Melanie bracht twee verse potten lambik en den Hittentit begon te vertellen:

- Sinds enkele jaren noemt men haar de prinses van de beemdvliegen. Vroeger heette zij eenvoudig Trezeken Viool, omdat zij bij kermis en feestdag, de herbergen afliep en overal op haar vedel speelde en al eens een liedeken zong. Er zijn er die beweren - en den Hittentit pinkte erbij - dat het om een heel andere reden is dat men haar die bijnaam heeft gegeven en ’t is ook niet onmogelijk. Wat er nu ook van wezen, voortdurend bezocht zij kroegen en krotten, waar de ongelukkige doolaars, de gestadige verongelijkten van ’t leven samenkwamen. Wat vreugd en wat zonneschijn bracht zij in hun aller bestaan. Als men eens met volle mond kan lachen, mag de buikriem al wat dichter toegesnoerd worden. Ik zal het mij wel ten eeuwige dage geheugen, toen wij voor de eerste maal Trezeken Viool haar lijfstuk hoorden afgeven, moesten wij allen meezingen, willen of niet. Wij kenden het meteen van buiten en ’t verzeken is ons bijgebleven.

 

                                                En als dat meisken

                                                de veemol zag,

                                                de veemol zag,

                                                toen schoot zij in een lach.

 

Wij schudden en krinkelden ons. Wie zou er ook niet gelachen hebben?

Er stonden vele en rare geschiedenissen op de kerf van Trezeken Viool. ’t Kwam voornamelijk omdat er een floers van mysterie over haar geboorte hing. Hoe meer men haar uitvroeg des te minder zij over haar leven gewaagde. ’t Moest natuurlijk aanleiding geven tot allerhande verdichtsels. Wat men niet wist of te weten kon komen, fantazeerde men. Zo beweerde men, dat Trezeken afstamde van een adellijke familie en op haar achttien jaar door een cirkusrijder werd geschaakt. Na enkele jaren had deze, aangelokt door andere avonturen, haar in de zwartste armoede achtergelaten. Een tijd lang had ze hem nog opgezocht, maar ’t bleek alras verloren moeite. Zij kon van hem geen spoor meer vinden. Zij sloot zich dan aan bij een troep haveloze muzikanten, die rinkaaneen van het ene naar het andere dorp trokken en leefden van wat schamele handen als zijzelf hun toestaken. Toch behield zij de geheime hoop hem eenmaal weer te vinden. Daarom was zij hier op het dorp gebleven. Men weet nooit wie op een schone dag in een duivenpiere als de “Kater”, waarvan de vliegberden naar alle winden openstaan, ontmoeten kan.

- Ge kunt dat pakken, hé? schaterde de Hittentit uit. Trezeke Viool, de Prinses, van adellijke familie! Mede maakte hij een gebaar met de hand alsof hij een vlieg in de lucht wilde vangen.

- Neen, neen, vervolgde hij dan weer, haar geschiedenis is, op verre na, zó niet. Zij verschilt grotelijks en wel in de kleine bijzonderheden en die maken gewoonlijk alles in het leven? Trezeken Viool is een Gypte, een Gypte van rondom Roeselare, een van dat Bargoens volkje, meestal scharenslijpers en liedjeszangers. Wie iet of wat dieventaal kent, kan het nog opmerken aan zekere woorden en zegswijzen welke in haar mond voortleven. Van jongs-af reisde zij met haar vader, Janneken Teun, alle kermissen en jaarmarkten af. ’t Zijn liedjes van haar vader, die zij hier bleef voortzingen. Trezeken weet niet eens waar zij geboren is. Haar moeder heeft zij nooit gekend. Deze stierf toen zij haar baarde. Dat heeft wellicht aanleiding gegeven tot die gekke geschiedenis, die ik hierboven aanhaalde, en waarvan geen woord met de waarheid overeenstemt.

Dolend en dwalend in ’t gezelschap van haar oude vader, van de Maas naar de Zee en van de Zee weer naar de Maas, werd zij groot in voortdurend samen zijn met haveloze kribbebijters. Een bed om haar moede leden uit te strekken heeft zij wel nooit in eigendom gehad. Toen haar vader stierf, brak de grote miserie aan. Alleen kon zij niet langer meer de kermissen en jaarmarkten volgen. Wel poogde zij het te doen, maar ’t was veeleer een bedeltocht, die zij maakte.

Toen leerde zij de liefde kennen. Zij telde achttien jaar en hier in de “Kater”, waar zij zich bepaald zou vestigen, ontmoet zij een jonge nietdeug, een van die verdorven harten die er soms aangeland komen en die men nooit meer weerzit. Hij was schoon als een veulen. Beiden spraken af voor de volgende nacht. Half gekleed en barrevoets, om niemand te wekken, verliet zij voorzichtig haar strozak. Buiten wachtte hij haar op en ruw en brutaal nam hij haar mee, naar de putten ginder, tot waar die grote linde staat. Daar is ’t geschied. ’t Wasjuist bloeitijd en ’t rook er geweldig. Haar bezittend kreunde hij als een beest en beet haar in de hals, dat het bloedde. Wanneer ge haar floers moest aftrekken, zoudt ge er het lidteken nog ontwaren, daar aan de linkerkant. Die eerste minnaar ontvluchtte haar dezelfde nacht. zij heeft hem nooit weergezien. ’s Anderendaags vroeg zij in de “Kater” te mogen blijven wonen. De Jas van de Pitteleer stemde er in toe. Hij wist wel wat hij deed, want van toen af brak hier de goede tijd aan. En dan, voor het hoekje van de zolder, waar zij slapen mocht, moest zij een halve dag in dienst staan, de herberg kuisen, de slaapvertrekken reinigen. Haar eten moest zij evenwel zelf bijbrengen en zij voorzag er dan ook ruimschoots in. Bij kermis- en feestdag ging zij met haar viool uit en zong liekens in de herbergen; in de week trok zij de baan op met de bedelkorf. Van wat zij telkens meebracht, paartten de beemdvliegen rijkelijk mee.

Nu en dan leefde de zinnelijkheid geweldig in haar op. toen zocht zij de dolende alleenlopers op, die van alles gespeend in ’t leven naar wat liefde snakten. Arm aan geld is arm aan liefde. Allen vonden wat geluk en vergetelheid in haar armen. Zij gaf zich steeds in oprechte passie aan de slenteraars en dolaars zonder kluis. Zij namen haar zonder liefkozingen, maar zij was dat gewoon en zij troostte er zich in. Met heimwee moest zij dan telkens aan haar eerste liefdenacht hebben teruggedacht. Op zekere avonden kwam zij dan van die woeste samenkoppelingen terug met een aangezicht dat straalde van vreugde en wonne.

Eens –en het kon niet anders – had de vreselijke ziekte haar aangetast. Een geneesheer verbood haar toen alle vleselijke betrekkingen. Een grote smart viel op haar leven en hoe haar vlees ook opvlamde in lust en begeerte, men trof haar niet meer aan op de avondwegen. Men moest al fel aandringen vooraleer zij er, zoals vroeger, in toestemde op een fooi of feest een liedeke te zingen. En als ze het dan deed, ter wille van de verdienste, -enkele centen –die zij ’s anderendaags aan de schooiers uitdeelde, lei ze in haar woorden de wulpsheid die in haar lijf geen bevrediging meer vinden mocht.

Lange jaren heeft haar ziekte geduurd. Zij verouderde met de dag, werd lelijk, haast een monster, want zij verloor haar en tanden en een oog liep leeg. Eindelijk zorgde de dokter dat alle gevaar voor besmetting geweken was. Jandorie, toen begon zij haar gangen! Geen houden, geen binden aan! ’t Leek een echte razernij, die in haar bloed ziedde. Zó gelijk ge ze daar ziet zitten, is zij opnieuw gaan dwalen, alle dagen, onophoudend. De zwarte sluier draagt ze vóór ’t aangezicht omdat zij, die haar bezitten, niet zouden zien hoe monsterachtig zij is.

 

 

                                                        V. RIEKE – DE - KEE

De kleine uren sloegen op de toren, toen Firmin Van Bockel de “Kater” verliet.

Het stormde. Een inktzwarte lucht hing over het dorp. Op een stap afstand kon men niets rondom zich ontwaren. De Rupel huilde vervaarlijk. De wind, die steeds geweldiger en als door bovennatuurlijke kracht werd opgezweept, zocht gillend een weg langs de loodsen van de steengelagen.

Firmin Van Bockel bleef een ogenblik staan, in beraad langs waar hij naar huis zou weerkeren, langs de zekere weg, de Grote Markt, het Kerkeland en de Antwerpsesteenweg, ofwel langs de dijk tussen de ijzerenweg en de steenovens. Hij koos deze laatste, de kortste, maar op dat late uur, veruit de gevaarlijkste weg.

- Bah, peinsde hij, zo dikwijls reeds ging ik langs hier, op alle uren van de nacht en nog nooit heb ik er iets verdacht ontmoet.

Hij stapte meteen voort, maar enkele schreden verder bleef hij weer staan. Dáár vóór hem roerde iets tussen een rokende klampoven en een steenhoop, die tot tegen de straatweg gestapeld stond. De wind, die nu op de stroom zat en er ’t lichtsein boven de grote brug trachtte uit te flappen, kwam ijlings de straat opgegierd. Een stond sloeg hij tegen hem aan en ’t leek of jij wel even onder de arm werd gevat en opgetild. Mede gierde de wind reeds verder tussen de loodsen van de gelagen.

De man vóór hem op de weg, want het was een man die er stond, verroerde geen vin. Firmin wilde weerkeren. Men kon niet weten. Toen klonk schielijk een lach op, akelig en klagend, schier gillend :

- Hi, hi, hi!

Hij herkende de pijnlijke lach van Rieke-de-kee.

- Wat doet gij hier?

- Wat zou ik hier doen? Ge hoeft niet bang te zijn. Hi, hi,hi! Wie is er bang van Rieke, de klokkenluider ? Wanneer ik over de mensen luiden moet, weten ze ’t niet meer. ’t Is nochtans de enige keer dat ze boos op mij mogen zijn. Gij moet daarvoor niet vrezen!! Rieke is te oud om voor u nog aan ’t klokzeel te trekken. Laat dat maar gaan! Voor iets anders moet ik u spreken en daarom heb ik u hier afgewacht. Ik wist dat gij langs hier zoudt komen.

Die woordenvloed verwonderde Firmin. Hij had Rieke-de-kee nooit iets anders horen zeggen dan : Klokken luien, man, tonnen rollen, man. Van dichtbij had hij met hem nog niet omgegaan.

- Hi,hi,hi, lachte Rieke weer, ge moet daar niet staan als van de hand Gods geslagen. Ik ben het wel degelijk, ik, Rieke-de-kee, in eigen persoon en in levende lijve. Hoor maar: Klokken luien, man, tonnen rollen, man! Nu hebt ge wel zekerheid, hé? Hi, hi, hi……

Rieke ging dan weer voort :

- Ja, jaren lang kent men mensen en men waant ze zus en zo en op een schone dag, wanneer men ze dan weer eens bekijkt, lijken ze heel anders. Zo blijken de wijzen, op slot van rekening. Op Gods wereld is alles mogelijk! Ik heb u van avond afgewacht om u een raad te geven, een wijze raad….Rieke-de-Wijze!

- Laat horen, Rieke! 

-’t Is danig schoon van u de vriend te zijn van de arme parlesanten. ’t Gebeurt maar al te zelden dat kinderen van ginder, - Rieke wees in de richting van het dorp naar de “Kater”, - afzakken om er te verbroederen met hen die niet alle dagen weten waar zij ’s avonds het hoofd zullen te slapen leggen. ’t Doet goed aan de knoken van de rusteloze zoekers naar een korstje brood langs hier en hun dood langs daar. En toch moet ik u zeggen: doe het niet langer. Als men u van de avond gezien heeft in hun aller gezelschap dan zal men morgen bij de deftige burgers vertellen, dat gij de kop verloren hebt. Gij steekt af in dat midden als een maalder tussen schouwvagers, als een lelie in een bos paddestoelen. De burgers zouden u wel eens uit hun midden kunnen weren; u vluchten als een die de builpest meebrengt. Blijf niet in dat hol van dagdieven en rabauwen of men zal u ook onder de schranslopers rangschikken. Ik weet maar al te goed hoe het met mij is gegaan. Ik zal ’t u ook zeggen, dan weet ge ’t ook en kunt ge er een voorbeeld aan nemen. Maar we zullen opwandelen. ’t Is te koud en te kil hier. We staan vlak in ’t waaigat.

Ze gingen voort. De duisternis omringde hen dichter en moeilijk volgden zij de weg …..

- Ik was een jongen, schoon om te stelen in mijn tijd. Mijn moeder zegde het toch. Het goede mens liet mij opgroeien, zoals God mij geschapen had. Ik liep door veld en bos van de morgen tot de avond, ginder heel ver, waar nog geen steenfabrieken zijn en waar de doening van de mensen van hier, toenmaals toch, schier onbekend bleef. Ik voelde mij er vrij als een vogel in de blije lucht. Ik vermoedde niet dat mijn overgelukkig leven eens het ongeluk over mij zou brengen. Wanneer mijn goede moeder voor eeuwig heenging, bleef ik alleen op de wereld, zonder huis of kluis, met twee nutteloze armen aan mijn lijf. Een stiel kon ik niet, van werken had ik geen benul. Ik begon mijn eten te zoeken langs de wegen en zodra ik het huisje van mijn moeder verlaten moest, omdat ander mensen het gehuurd hadden, wis ik niet eens waarheen. Ik sliep dan jaren lang in schuren en stallen, want eigenlijk ben ik heel laat in de “Kater” aangeland. Ik bleef er ook nooit een geregelde bezoeker van. Alles hangt af van ’t lood in de zak. Ik zal er vandaag niet heentrekken. Ik weet een paardenstal waar het hooi altijd zacht is. De beesten ontvangen mij met liefde en de baas is goed in God.

- Eens begon ik over veel dingen na te denken. Waarom bleef ik arm en kende ik dagen zonder brood als anderen rijk waren en in overvloed leefden. Als wij beiden ter wereld kwamen, bestond er dan enig verschil tussen u en mij? ’t Is eerst van de geboorte af, dat het verschil is ontstaan. Met elke dag heeft het zich meer en meer in het licht gesteld. Daarover dacht ik na en sprak erover met de mensen, maar de mensen begrepen mij niet. Voor hen alleen bleef ik een sukkelaar, die vreemd deed en al langer hoe vreemder. Zo werd ik ten slotte Rieke-de-kee, Rieke-de-gek!

Toen ik lootte, trok ik een slecht nummer. Het kon niet anders! Toch kwam zulks mij te stade, daar ’t noopte nog meer te denken over de wereldse onrechtvaardigheden. Waarom moest ik soldaat worden en zoveel anderen niet?

Ik dacht daarover na op mijn manier, en vond woorden om de onrechtvaardigheden waarop ik voortdurend stuitte te bestempelen. ’t Lot draaide er niet beter om. Enkele maanden na de loting werd ik op het stadhuis van Antwerpen voor de militieraad ontboden. Allerhande officieren trippelden er rond als goudvinken en zilveren fezanten. ook de burgemeester en de secretaris van onze gemeente zaten er aan tafel. Alvorens tot de krijgsgeneesheren toegelaten te worden, moesten wij onze reden tot ontslaging van dienst opgeven.

Ik herinner me nog, dat een jongen van ons dorp een protest tegen de bloedwet wilde aflezen. Op een wip echter werd hij door de soldaten vastgegrepen en, naar ik later vernam, in ’t gevang opgesloten.

Bracht mij zulks van streek? Ik weet het niet, maar wanneer ik zelf opgeroepen werd, kwam er in mij een onweerstaanbare behoefte op om ook mijn woord te zeggen.

Toen een dier officieren mij vroeg of ik een reden ter vrijstelling te doen gelden had, antwoordde ik luid, met opgeheven kop: “Zeker, mijnheer de officier.” Wat ik toen zei ? Ik herinner het mij niet juist heel goed meer; er zijn te veel jaren overheen. Ja, toch, ik zei ongeveer: “Waarom van ons soldaten maken als al de mensen van de wereld feitelijk broeders zijn, die elkander moeten beminnen? Waarom ons een geweer en een sabel in de handen geven, als er zoveel spaden te kort schieten om de aarde te bewerken?”

 Wat er toen gebeurde weet ik niet meer. Iedereen sprong recht  en ik werd vastgegrepen. Een oorverdovend gelach ging op onder de militianen. Onze burgemeester stond in ’t midden van een groep officieren en riep aldoor: “Maar ’t is ne gek, ne gek…”

- Ne zot, schreeuwde een der lotelingen van achter in de zaal.

‘k Mocht tenslotte ongekeurd en zonder letsel heengaan. Ik was een man die niet over al zijn verstandsvermogens beschikte. Ik ben die arme gek gebleven. ‘k Heb lang geleden onder ’t bewijsschrift, dat men daar op mijn jas had gespeet, maar men gewendt zich aan alles op de duur.

Twee dingen had ik ondertussen met mijn optreden gewonnen: ik moest geen soldaat worden en ‘k werd zegvrij op het dorp. Ik mocht voortaan de waarheid zeggen aan God en alleman. Niemand zou ’t mij kwalijk nemen. Van dat recht heb ik ruimschoots gebruik gemaakt. De eerste maal geschiedde het met de burgemeester, die, gij weet het, ook volksvertegenwoordiger is. ’t Gebeurde toen de leden van de Kamer en de Senaat de werken op het zeekanaal op Brussel kwamen afzien. Ze waren vergezeld van hogere bedienden, ingenieurs, vertalers, snelschrijvers en wat weet ik al; ook van een hele boel journalisten. Ik liep met hen mee, alom waar ze gingen; ik kon mijn ogen van die snuiten niet afhouden. Dat waren nu de heren volksvertegenwoordigers en senators, dat waren ze nu! God, wat stroelmuilen!

Ik zeg u maar dat! Ik zou, op een donkere nacht, zoals nu vandaag, ze niet graag alleen op de baan ontmoet hebben.

’s Anderendaags zei ik tegen de burgemeester: “Meneer de burgemeester, ik heb nu gisteren al die meelkoppen van Kamer en Senaat samen gezien en ‘k wens u geen proficiat! Men kan ’t allemaal aanzien, dat ze maar uit een kale broek zijn geschud.”

De burgemeester heeft het mij niet kwalijk genomen. Hij lachte om mijn oordeel en enkele dagen later gelastte hij mij de ledige biertonnen bij zijn klanten te gaan afhalen. Voor elke ton die ik aanbreng, betaalt hij mij nog altijd vijf cens.

Op het dorp hadden mijn woorden een onverhoopt succes. Men vond het leuk dat ik de burgemeester op zulke wijze had aangesproken. In de laatste kiesstrijd duikten mijn woorden nog eens op. De schoolmeester Van der Wulgen van de grote school, ge weet wel, hij loopt wat mank en maakt verzen, gebruikte ze in een liedje op de burgemeester. Ge kent het voorzeker; heel het dorp heeft het verleden jaar gezongen:

 

                                    En dan hebben we nog een andere

                                               ’t Is een manneken uit den Hoek

                                    En we noemen hem Sus de Brandere,

                                                Eertijds was ’t een kale broek.

 

Waren ’t mijn woorden niet, rats mijn eigen woorden?

Met de pastoor ging het anders. Ik luimde reeds lang op hem; ‘k moest hem toch ook de waarheid zeggen! Eens, toen er twee elfurenlijken te gelijk waren en de klokken luid bimbamden, botste ik op hem, juist aan de hoek van ’t Kerkeland en de Grote Markt. Hij scheen overgelukkig en wreef zich van geneugte in de handen.

- G’ hebt gelijk blij te zijn en opgeruimd, meneer pastoor, in uw plaats zou ik het ook wezen als de grote klepels over dood luiden.

Ook de pastoor lachte om wat ik zei. Hij lachte dat zijn buik er van daverde. En in zijn mouw heeft hij het ook niet gestoken. ’s Anderendaags werd ik bij hem ontboden en ik werd officieel als klokkenluider aangesteld. Nu heb ik er telkens ook mijn paart van wanneer de klokken met volle monden over de doden tampen. En ik ook wrijf me dan vergenoegd in de handen. Op die dagen logeer ik ’s nachts in de “Kater”.

Maar ik kom terug op de raad, die ik u daareven gaf.

-  Doe niet lijk ik -  ik ben gedoemd om in ’t midden der beemdvliegen te blijven voortleven – maar vlucht de armen zonder thuis of t’onzent. Zij hebben te veel gedacht aan de woorden van Jezus, die, indien Hij weerkeren moest, voorzeker in de “Kater” op logies zou liggen. En wie zou ’t durven zeggen of Jezus niet op aarde is weergekeerd? Misschien leeft Hij hieronder ons. ’t Kan zijn dat ik het zelf ben. De tijden zijn nu zó veranderd, dat Jezus op de wereld een arme dompelaar moet blijven; geschuwd door de rijken en geschuwd door de armen, die nog enige kans zien zich nog eens bij de rijken te scharen. En daarom herhaal ik: schuw de armen, of de rijken zullen uw ergste vijanden zijn.

 

                                                                  ----- oooo O ooo -----

                                                                                                                                                        
VI.  DE GELEERDE

  In de vroege morgen werd de matroos in de “Kater” aangehouden en , geboeid, tussen twee gendarmen naar de gevangenis gebracht. Al de beemdvliegen werden op het politiebureel ontboden.

’t Begon slecht. Rieke-de-kee had aan Firmin Van Bockel een grote waarheid gezegd. Hij moest het rap en ruig opzij laten liggen, wilde hij er zelf niet door begaaid worden. Hij nam het voornemen voortaan voorzichtiger te zijn en de verdachte herberg zoveel mogelijk te mijden. In de loop van de dag, toen de matroos bij hoogdringendheid naar Antwerpen werd overgebracht en het onderhoor van de beemdvliegen van geen nut meer bleef, verademde hij. De geschiedenis van de matroos bleek weldra ook heel anders dan hij ze verteld had. Wel had hij te Antwerpen veel liefdemeisjes getatoueerd, maar op zee had hij nooit gevaren en de mooie Hollandse Kee bestond alleen in zijn verbeelding.

De waarheid werd broksgewijze achterhaald en men vernam dat hij als knecht had gediend in een opiumrokerij, in de Beenhouwersstraat, die door een Chinees werd opengehouden. Chinezen, Japanners en enkele liefdemeisjes waren er de gewone bezoekers. Ook werd de inrichting schier dagelijks bezocht door een bekend figuur uit de Antwerpse wereld, een bejaard en welhebbend man, die men Jan-zonder-hemd noemde. In alle stoeten voor algemeen stemrecht en betogingen voor sociale hervormingen stapte hij vooraan in de eerste rijen. Men merkte hem trouwens onmiddellijk op, lang en smal als hij was, het knokerig lichaam in een dichtgeslagen zwarte macferlan gehuld, de grijze vilten hoed met brede randen op het spierwit gebaarde en bleek doorzichtig aangezicht. Men beweerde dat hij in 1871, te Parijs aan de Commune had deelgenomen, en er op de barricaden had gevochten. Nu, op een morgen had men Jan-zonder-hemd onder de brug van de Bloedberg vermoord gevonden, gewurgd met zijn eigen, zijden das. De man, zoals uit het eerste onderzoek bleek, had een gedeelte van de nacht in de opiumrokerij doorgebracht. Die morgen was ook de knecht verdwenen, zodat er tegen deze laatste door het Parket een aanhoudingsmandaat werd afgeleverd.

- Ik zal best doen mij voortaan in de “Kater” niet meer te laten zien, dacht Firmin.

De zaterdag daarop echter welde de verzoeking te sterk op. Hij moest er heen. Hij wilde nieuws vernemen over de aanhouding van de matroos. Daarover kon men hem echter niet verder inlichten en ondertussen ontspon er zich een andere geschiedenis.

Nevens hem zat een kerel van rond de vijftig, groot en bonkig, met een aangezicht als uit arduin gekapt. Zijn baardeloos wezen had brede, wijd uiteengezette kinnebakken en boven een dikke met platte vleugels neergehaalde neus welfde zich een hoog gebold voorhoofd. Hij had die kerel nog meer gezien, maar bekommerde er zich op dat ogenblik niet verder om. Hij keek rond en aan de overzij ontwaarde hij een man met een zwarte plaaster op het oog. Hij had hem, twee weken vroeger, wanneer hij het logies voorbijtrok al zingend op een tafel zien staan. Nevens hem zaten nu twee vrouwen met opengereten jurken, tot wie hij stil fluisterde, iets dat niemand horen mocht. Onrustig gingen zijn ogen weg en weer en loerden bijwijlen naar Firmin, als bang dat deze hem zou afgeluisterd hebben. De deur werd eensklaps, met heftig ruitengerinkel opengegooid en twee vrouwen haastten zich binnen.     

Firmin kende ze beiden: Fieken van Fransken en Mieken Maai, de stroelbindster.

- Ha, daar is de geleerde, zei Fieken van Fransken de Stuiter en zij wees naar de bonkige kerel nevens Firmin op de bank. Heel de dag zoeken we achter u.

- ‘k Heb ook zoveel om mijn oren! antwoordde de man.

Firmin bezag deze laatste op zijn beurt. Hij had zoveel reeds over hem gehoord. Zo wist hij dat de geleerde eens een als steenschuurder op een gelaag had gewerkt en toen reeds bekend stond als genezer en aflezer. Zijn faam had zich maar aldoor verspreid, uren ver in ’t rond. Op ’t laatst kwam men van heinde en ver om zijn hulp af te smeken. Hij had er zijn werk op de fabriek bij neergelegd en van de morgen tot de avond leek een begankernis in zijn huizeken in de Hollezijp. Voor elk geval bladerde en zocht hij in dikke folianten, tot hij eindelijk het probate, onfeilbare middel vond.

Firmin herinnerde zich ook, dat de Nellekens eens de ziekte in hun stallingen hadden. Het ene beest stierf na het andere en niet zodra werd er een nieuw op stal gebracht of ’t leek, van het eerste ogenblik af, dat er reeds een doodwaas in zijn ogen lag. Zij hadden van alles gedaan, waren overal geweest, maar niets of niemand bracht baat.

Toen de geleerde aangesproken werd, zegde hij zonder aarzeling: “uw stallen zijn betoverd; men heeft er de duivel ingejaagd; heel de kwestie is het nu hem te verdrijven; we zullen daar wel een middel opvinden.”

Hij beval dan dag voor dag tegen middernacht de deuren te sluiten en te vergrendelen, buiten een enkele, de grootste en de breedste, die wagewijd moest openblijven. Heel het huisgezin moest zich daarop, onder het lezen van gebeden, in de stal begeven en te allen kant wijwater sprenkelen, ten einde de duivel te verplichten de plaats te verlaten.

Hij had hen op voorhand verwittigd dat het vele en lange dagen moeite zou vergen, maar de kwade geest moest en zou verdwijnen. Ook, daar hij zich in de kleinste opening of oneffenheid verschuilen kon, moesten alle putten in de stal aangevuld worden. Wanneer de duivel, overwonnen, de boerderij bepaald verliet, zou men zulks onmiddellijk vernemen, daar hij, eens in de vrije lucht, herhaaldelijk moest krijsen als een uil, alvorens vandaan te kunnen vluchten.

En de derde dag, toen het huisgezin van de Nellekens al biddende de stalling langs alle kanten met gewijd water besprenkelde, en van het uiteinde van de stal naar de enig openstaande deur ging, geen enkel plaatsken onverlet latend, klonk het gekrijs van de nachtuil op de koer.

Ze bleven allen ontsteld staan. Nog driemaal achtereen klonk het gekrijs. Mede hoorde men een geruis in ’t schaarhout nevens de boerderij: de duivel ontvluchtte.

In de loop van de week kwam de geleerde verder de stalling reinigen en ontsmetten. Hij kaleide een kruis boven elke opening van de stal om er de duivel voor eeuwig de toegang te ontzeggen.

Een andere vrouw beweerde behekst te zijn.

Elke nacht, om klokslag twaalf uur, sloop er een zwart beest in haar kamer, sprong haar op ’t lijf en poogde haar te wurgen. Zij had er telkens een strijd op leven dood tegen te voeren en wist niet of zij ’t nog lang zou kunnen uithouden. De geleerde kwam alle nachten met een boek aan haar bed zitten en luidop las hij bezweringsformulieren tegen de duivel.

Te middernacht werd er telkens aan de voordeur een geweldig gevecht geleverd. Men hoorde een vervaarlijk beuken en bonken, een jammerend kermen en kreunen. En de geleerde, bij het bed van de behekste, begon op hetzelfde ogenblik te stenen en te zuchten en ’t zweet liep hem bij beken van het aangezicht. ’t Leek of er in zijn binnenste eveneens een geweldige strijd werd geleverd. Met elke nacht verminderde ’t gevecht in hevigheid, tot eindelijk, de zevende dag, de duivel bemeesterd was.

Firmin dacht aan die feiten en benieuwd naar wat Fieken van Fransken de Stuiter met de geleerde had af te haspelen, spitse hij de oren. Niets mocht hem ontsnappen. ’t Viel beter mee dan hij verhoopte.

Fieken, die heel de wereld tot haar hulp zou geroepen hebben, begeerde hem tot getuige bij de aanklacht die zij zou doen.

Ik moet niet zeggen dat mijn Fransken een brave vent is. Meneer kan het getuigen dat er zo geen meer zijn. En nu is hij betoverd, och arme! door die feeks uit de “Drie Gapers”.Lacht er maar niet om, ik weet wat ik zeg. Altijd zat zij in mijn huis. Altijd bleek er iets te kort of te lang waarvoor zij mij of mijn Fransken nodig had. En eens binnen, wist zij het zodanig aan boord te leggen dat zij op de slaapkamer geraakte. Uren aan een stuk bleef zij daar aan ’t bed van ons Fransken zitten. Niet eens ging zij heen of er bleek achteruitgang. Sinds lang had ik achterdocht. Verleden zaterdag ging ik alles goed na en luistert nu wat ik gevonden heb in de matras, juist op de plaats waar zij gewoonlijk zat: drie haarspelden, zeven koffiebonen aan een rood zijden draadje geregen en dan nog drie spelden van kantwerksters in driehoek, punt tegen kop door de tijk gestoken.  

 - Hij is betoverd, zei de geleerde, ge moet geen verdere uitleg geven. Ge moet van avond, zodra ge thuis komt, matras en hoofdpeul en kussens verbranden. daarin zult ge nog wat anders vinden , dat niet pluis is. En morgen vertrekt ge met de eerste trein naar de witte paterkens van Bornem; men zal er u een fles wijwater medegeven om de beheksing weg te nemen. Ge gaat er onmiddellijk mee naar huis, maar ge moogt met niemand spreken over wat gebeurd is, noch over wat ge hebt gedaan, want dan eerst zou het gevaarlijk kunnen worden.

- En nog iets waarop ik uw aandacht vestig, zei de geleerde, wanneer ge met de fles wijwater weerkeert en hier aan de statie zijt afgestapt, moet ge u rechtstreeks en langs de kortste weg naar huis begeven. Onderweg moogt ge niet omzien. Onthoud het maar goed, niet omzien wat ge achter u ook horen zoudt. Wellicht hoort ge niets, zoveel te beter dan, maar er kunnen dingen voorvallen, waarvan gij of ik geen besef hebben. Door uw omkijken zou Fransken het dan erg kunnen beboeten. Zijn leven ligt in uw hand. En als ge ongedeerd thuis aanlandt, zal de heks onverwijld binnenkomen. Zij moet en zij zal zich neerzetten op den stoel waar zij reeds zo dikwijls gezeten heeft, om haar toverkracht verder op uw man door te voeren.

Dáár zult ge haar vastkluisteren, dat ze op noch weg meer kan, door de fles met wijwater, zonder dat zij ’t hoort noch ziet, onder diezelfde stoel te schuiven.    

Fieken van Fransken de Stuiter stond op; zij was bleek als een lijk.

- Heb ik ’t niet gezegd, kreet zij uit; Ik vermoedde ’t wel, maar de mensen lachten mij uit, overal waar ik er over sprak. De meeste mensen hebben geen benul van de dingen, die er op de wereld gebeuren.

De geleerde schonk geen aandacht op al haar gelamenteer, maar herhaalde langzaam, in korte, half afgekapte zinnen, wat hij hierboven reeds gezegd had. Hij sprak met een stem , die van elders scheen te komen.

- Wel verstaan,hé? Vanavond nog matras en peul en kussens verbranden. Morgen naar de paterkens van Bornem. Wijwater meebrengen. Niet omzien onderweg, onder geen voorwendsel. De heks op haar stoel vastbinden.

Fieken en Maai gingen heen, teneergeslagen. De geleerde dook weer in zijn stilzwijgen weg, ’t hoofd in de handen, de ogen vóór zich op tafel gericht, als in diepe overpeizing.

De man met de zwarte plaaster op het oog, die af en toe geluisterd had naar wat de geleerde en Fieken van Fransken de Stuiter vertelden, maar er geen verdere aandacht aan schonk, fluisterde weer tot de twee vrouwen nevens hem.

De glazen deur van de “Kater” werd opnieuw geopend en de Pierewaai stond op de drempel als te voeten uit omlijst. Hij bromde een groet, die niemand verstaan jon. Toen hij echter de man met de zwarte plaaster ontwaarde, kreet hij luid: 

- Wie dat daar is, miljard de miljard! Ciesse de Gentenaar!

- Zoals ge ziet, ik ben hier bijna niet meer weg te slaan. Morgen loopt er een schip af op de werf. De baas, Wieterken Wiet, heeft me gevraagd om te komen zingen. ‘k Heb maar ja gezegd. Ook een plezierige breugel, die baas. De aardigste en leutigste liedekens van mijn repertorium mag ik er uit halen en liefst geen ander. Daar doet men al iets voor. En dan, hij zelf en zijn dochters begeleiden mij; zijn dochters één voor één aan de piano en hij op de trombon. Zo chic heb ik het alle dagen niet. Ik ben een dag vroeger aangekomen om te vernemen, wat nieuws er zoal is. Men weet hier gewoonlijk meer over wat er in de wereld omgaat dan te Gent.  

- Dat zou ik geloven, bevestigde de Pirrewaai.

Dan , zich kerend naar de toog riep hij:

 - Baas, kunt ge raden wie ik daar ontmoet heb?

- De matroos?

- De matroos, neen, die zullen we hier niet meer zien, maar de Tie. Ik dacht waarachtig dat het een spook was!

- Wat? De paardendief?

- Hij en niemand anders. Hij was ’t in eigen persoon. Eerst twijfelde ik nog. Hij trok af naar de Veerdam en ik volgde hem op de hielen. Ik liep hem een eindje achterna tot ik hem in ’t licht van een lantaarn beter bekijken kon. Torn had ik geen twijfel meer. Hij is geen dem veranderd. We zullen hem weer gaan horen in de eerste tijd. Maar dat hij hier nog niet is geweest, daar bergrijp ik niets van.

- Als ge hem waarlijk hebt gezien, zal hij wel komen, Pirrewaai; dat staat vast als een huis.

   

                                                          ----- ooo O ooo -----

 

                                                             VII.  DE HEKS

  Fieke Van Franske de Stuiter stond aan haar deur en wenkte Firmin Van Bockel.

- Meneer! meneer

Zij liep naar hem toe en klamde hem vast. ’t Was ’t nieuws van gisteren, een geschiedenis zonder end, die zij te vertellen had.

- ’t Is precies gegaan gelijk de geleerde het voorspeld had. Alles is uitgevallen. In het klooster van de Witheren te Bornem moest ik op de kommuniebank plaats nemen. Wel dertig personen zaten er hun beurt af te wachten, boeren en boerinnen, meest uit de Vlaanderen. Er kwamen er maar aldoor bij. Daar eerst kan men nagaan wat al ongelukkigen er op de wereld lopen. Als de pater verscheen, een man als een boom, toen gingen ons ogen vol ontzag en verering naar hem toe, want wij voelden allen dat hij ons de redding brengen ging. Eén voor één begonnen wij onze nood te klagen. Al de menselijke miseries kwamen aan de beurt. Niet één of er was toverij mee gemoeid.

Hier stierven de beesten in de stal aan een ongekende ziekte, daar leden en verkwijnden de kinderen aan een geheimzinnige kwaal. Zie ik heb daar iets vernomen en nu nog, alleen met er aan te denken, schiet mijn gemoed weer vol. een boer die in de Kempen, ergens volop in de heide een kleine hoef bewoonde, had reeds drie kinderen die gestorven waren en ’t vierde, ’t laatste kind verkwijnde ook. En weet ge wat? Zijn eigen vader, die meer dan tachtig jaar telde, had de kwade hand op die arme dutsen gelegd. Zijn leven verlengde hij door de dood van die ongelukkige schapen. ’t Is gelijk ik zeg. Ik heb het de man zelf, toen hij nevens mij op de kommuniebank zat, aan de pater horen zeggen. Ik rilde bij ieder woord dat hij sprak.

Ook bij mijn eigen geval stond de pater niet weinig versteld. Hij zegde mij juist hetzelfde als de geleerde. Wij moesten de toverheks afvangen en daarna de pastoor ontbieden. Ik kreeg een fles wijwater mee en moest onmiddellijk vertrekken, daar ik niet rap genoeg kon thuis zijn. Nauwelijks had ik het klooster verlaten of ik voelde mij half verlicht. Ik kreeg de zekerheid dat ons Fransken genezen zou. Ik bleef evenwel op mijn hoede, want ik dacht aan al wat de geleerde mij had gezegd. Er geschiedde echter niets te Bornem en niets op de trein. Maar, hier, toen ik hier aan de statie aankwam, was het anders! ’t Leek of er iemand mij volgde. Niet zodra had ik drie stappen op de kasseide gezet of daar gebeurde het. ’t Leek of er iemand mij volgde met luide stap. Ik dacht bij mij zelf: daar is ‘t. Ik stapte sneller voort en met een stapte men sneller en luider achter mij. Ik spoedde mij sneller en sneller en men volgde mij meteen even snel op de hielen; O! die stappen! Ik kan aan geen mens zeggen hoe geweldig zij hier in mijn lijf weerklonken. Ik drukte de fles met wijwater tegen mijn hart te pletter, want langer kon ik dat bang gevoel niet meer uitstaan. Maar daarop geschiedde er weer wat anders. Er kwam geen eind aan mijn folteringen! Gelijk ik zonder omzien voortholde en de stappen met luide kadans achter mij weerklonken, hoorde ik gestadig aan het schellen van een bel. Men zou gewaand hebben dat een berechting mij volgde. waarlijk, ik meende dat mijn hoofd ging stuk springen. Ik kon het niet langer meer uithouden en schoot op een loop. Lopen dat ik deed, ’t is om aan geen mens te vertellen! Zij die mij gisteren na de noen door de Vrijheidstraat en over de Grote Markt hebben zien hollen, en verder het Kerkeland in, en altijd maar verder, tot mijn huis toe, moeten gedacht hebben dat ik horendul was geworden. Misschien hebben zij toch bemerkt, dat er met mij iets vreselijk gebeurde. Zo loopt men alleen om aan een onheil of, erger nog,  om aan de duivel te ontsnappen,. Als ik thuis  was, kon ik niet meer! Ik viel hijgend en haast zonder kracht op een stoel neer.

Hoelang ik daar half bewusteloos, snakkend naar wat adem en met knikkende benen gezeten heb, zou ik niet kunnen zeggen. Alleen dit weet ik met zekerheid: toen ik tot mij zelve kwam, stond Jo uit de Drie Gapers voor mij.

- Dag Fie, zegde zij, ik kom eens naar Fransken zien.

Zij vloog het opperkamerken binnen en zette zich, gelijk altijd, aan ’t bed neer. Maar ik haar achterna. De woede had mij weer kracht gegeven.

- Wacht maar, venijnige feeks, dacht ik, uw laatste uren zullen hier wel geteld zijn.

En ik deed wat de geleerde en de pater mij bevolen hadden te doen; ik plaatste het wijwater onder de stoel. Toen moest ge haar gezien hebben. ’t Is met geen pennen te beschrijven! ’t Viel op haar als de bliksem, ze kromp ineen van smart. Wel trachtte zij zich op te heffen, de handen als twee gierklauwen op de zit van haar stoel geklampt, maar ’t gaf geen zier. Zij bleef zitten waar zij zat. Zij kon niet op, hoe zij zich ook keerde en wrong. Ik stond haar maar aldoor spraakloos aan te staren en kon geen woord uitbrengen en ons Marie en onze Jeppe evenmin. ‘k Wist niet of dat alles vóór mijn eigen ogen geschiedde of niet. Eindelijk toch geraakte mijn tong los.

Dan heeft zij geweten aan wat prijs! Meer zeg ik u niet.

Op een gegeven ogenblik zijn wij er tegelijk en bovenarms opgevallen.

Onze Jeppe, die het echter niet langer meer aanzien kon, bevrijdde haar daarop door het wijwater van onder de stoel weg te nemen. Huilend vloog zij op en weg, de deur uit, recht naar huis, als een opgejaagde haas.

Ik schoot haar toe en toen werd het een herrie. In een ommezien stond de buurt in rep en roer. Van heinde en ver kwam men toegelopen. Er werd gejouwd  en getoet en geschraminkeld. De kinderen brachten blikken emmers en ijzeren potten aan. Al wat maar lawaai kon maken, werd bijgehaald. De honden zelfs deden mee. Zij huilden en basten alsof zij blij waren dat de toverheks eindelijk ontmaskerd was. Ik ben onmiddellijk de pastoor gaan halen, want men kan nooit met zekerheid weten, waar het ophoudt.

Hij kwam mee en zuiverde ons huis verder door het lezen van gebeden. Ge moet ons Fransken nu eens zien. Hij bekomt dat het een plezier is! 

En ja, ik vergat haast te zeggen, dat de pastoor van ons huis naar de “Drie Gapers” is getrokken. Maar daar liep het zo gemakkelijk niet van stapel, wel een bewijs dat het er niet pluis zat. Hij wilde eerst naar boven gaan, naar de kamer van de toverheks, maar dat was mis, hoor! De kwade geest versperde hem de weg.

Hij moest naar de kerk terug en eerst een uur later is hij weergekeerd met een groot gebedenboek en vergezeld van de koster. Toen geraakten zij boven, tot bij haar.

Fieken zweeg een ogenblik.

-Wie weet, zuchtte zij dan, ’t is misschien ook maar een sukkel, meneer. Zij was wellicht ook maar een werktuig van de  duivel en verplicht kwaad te stichten, buiten wil en weten. Wij,mensen, kennen nog zo weinig van al wat er met ons en in ons geschiedt. Wij zijn misschien allen, zoveel als we op de wereld lopen, maar speelballen van slechte en goede geesten. En als het lot op u valt, wat dan? ’t Is verschrikkelijk! De haren rijzen er van te berge, alleen van er aan te peinzen.  

                                                    ----- ooo O ooo -----

   

                                                              VIII.  DEN TIE

   

Den Tie trok schuw de deur van de “Kater” open en loerde loens rond, al vreesde hij, daar vóór zich, de man te zien oprijzen, die hem opnieuw voor lange maanden achter slot en grendel zou steken. Hij wilde zijn vrijheid zolang mogelijk behouden. Al kon hij maar een uur of wat verlengen, ’t was zoveel gewonnen op de vijand. En zoals altijd, wanneer hij niet meer uit de litsen kon, zou hij het de politie en de gendarmen zo moeilijk mogelijk maken.

Iedereen wendde de ogen af. Men wilde zijn blikken niet ontmoeten.

Den Tie bleef voor hen allen een gebrandmerkte, die heel de bende tot schande en oneer strekte. Hij was en bleef een paardendief. Wie steelt er nu paarden? Daarvoor moest men dief zijn in de ziel.

Den Tie bezag niemand en stoorde zich niet aan zijn omgeving. Hij ging recht naar de toog, bestelde een pint, die hij met gereed geld betaalde, en bleef er staan, een weinig voortover gebogen, de twee armen op het zinken blad geleund, de ogen koud en strak vóór zich uitstarend.

Firmin Van Bockel kon hem van uit zijn hoek, in ogenschouw nemen. ’t Was om den Tie te zien van nabij dat hij gekomen was. Deze, gelijk hij daar stond, scheen een man van in de veertig, middelmatig van gestalte maar kloek van lichaamsbouw, de schouders breed uiteengezet en hoekig opgeheven. Zijn glad-geschoren gelaat met zijn vooruitspringende mond en sterk ontwikkelde kinnebakken was van een ziekelijke bleekheid; geen vezeltje roerde er en de staalgrijze ogen staarden koud en star voor zich, met uitgezette pupillen.

Men kon het hem aanzien dat hij in zijn lot berustte. Nog enkele dagen, nog enkele uren en hij moest voort, naar ginder weer, altijd naar ginder….

Hij wist wel dat het werk hem redden kon uit de maalstroom, waarin het leven hem geslingerd had. Maar niemand begeerde hem. Hij had het reeds te dikwijls ondervonden en aan nieuwe illusies wilde hij zich niet overgeven.

Van vóór twintig jaar werd hij gestuwd van het dorp naar de gevangenis of weldadigheidskolonie en van de gevangenis of weldadigheidskolonie terug naar het dorp. De weldadigheidskolonie schrikte hem wel het meest af. Daar zat hij te midden van een volkje, dat hij met hart en ziel verachtte, kerels waarop hij spoog, omdat zij niet eens in staat waren een schone diefstal of een heerlijke moord te plegen. Tot een daad, een flinke daad, waren zij niet bij machte.

In de strafkolonie had hij ze allen in hun ware gedaante leren kennen. Wanneer een opzichter zich maar even vertoonde, bogen ze zich gedwee tot de grond, onderdanig en gehoorzaam, lopend de benen van onder’ t lijf bij het minste bevel. Hij had er genoeg van, van hen en van de kolonie. Hij wist wel beters.

Een goed beraamde en zuiver uitgevoerde diefstal kon een mens er nog bovenop brengen, hem gelegenheid geven naar de vreemde uit te wijken, ofwel kwam men in de gevangenis terecht, wat hij tenslotte nog verkoos, nu het noodlot al zoveel keren achtereen had uitgemaakt, dat hij er nimmer bovenop geraken zou.

Maar ook vreesde hij soms voor zich zelf. Te dikwijls bleek hij ook een zwakkeling, die hier lamlendig zijn terugzending naar de kolonie zat af te wachten.

Toch lagen er glanspunten in zijn verleden: de paardendiefstal en de inbraak bij Kamol Vermaelen. Daarmee kon hij uitpakken; daarmee blonk hij uit in de bende van de beemdvliegen. ’t Waren twee hanenveren op zijn hoed.

Bleef het volk hem niet “Tie-den-Paardendief” heten?

Hoe hij aan die naam was geraakt, kon het kleinste kind op het dorp vertellen.

’t Gebeurde in de tijd toen zijn ogen nog niet zo koud en star als nu in hun holten stonden, maar nog flikkerglansden en met jeugdige overmoed om zich heen keken. Toen, de laatste nacht van augustus-kermis, zat hij met enkele vrienden in de herberg van Jan Ramonkel aan Sint-Annakapel. De muziek had opgehouden. Ze zaten daar met zeven bijeen, moe van ’t kermisvieren; zeven dwaashoofden waarin, op dat uur, nog de gekste gedachten huisden. Die naakte herberg, waar ’t rook naar zweet en stof en verschraald bier, spande bovendien een eendelijke stemming over hen.

Alle zeven hunkerden naar vreugde, wilde vreugde, luide, uitbundige vreugde. En toen kwam één hunner op de gedachte een paard uit de potaardemolen van de gebroeders Van de Streepen te halen en een harddraverij in te richten, om het eerst naar de Varkensmarkt en terug. Wie eigenlijk het plan van de loopwedstrijd heeft opgevat, heeft niemand verder meer geweten met juistheid. Misschien de Tie zelf. Alleen werd er verteld dat Dree van de smid het paard had aangebracht en er de eerste rit mee deed. Op zes minuten was hij terug. Toen hij in ’t midden van de nacht de Varkensmarkt kwam opgereden, werd de hele buurt wakker geschud. ’t Volk stroomde toe. Mannen, vrouwen en kinderen kwamen aangelopen om ooggetuigen te zijn van die ongewone nachtbrakerij.

De wedstrijd ging voort en Jan Ramonkel tekende nauwkeurig voor elke mededinger het uur van vertrek en aankomst aan. De Tie kwam het laatst. Op vier minuten en dertig seconden legde hij de weg af en als overwinnaar werd hij, bij zijn terugkomst, met gejuich begroet. Zoals op voorhand was overeengekomen, mocht hij nu een tocht naar eigen goesting ondernemen, al ware het naar de verste uithoek van de wereld.

- Welnu, riep de Tie tot de steeds dichter toegestroomde menigte, dan heb ik het naar ginder, naar de zon.                     

Den Tie wees in de richting van Mechelen, waar de zon elke morgen de gezichtseinder kwam opgekropen. Hij sprong daarop zonder dralen te paard en wilde in galop voortrijden, maar hij bedacht zich. Hij ontdeed zich van zijn kleren, wierp ze zover  ze wilden en riep :

- Paddebloot wil ik naar de zon, paddebloot gelijk een God.

Naakt als een pier zat hij nu te paard en rende vandaan in de richting van Mechelen naar Tehagen en Rumst, waar boven de einder de eerste morgenklaarte lichtte.

Een luid gejuich steeg op: “Bravo Tie! Bravo Tie!”

Maar allen zwegen meteen. En in de invallende stilte hoorden ze ’t hoevengekletter versterven, heel ver op de steenweg.

Den Tie keerde van zijn tocht niet weer.

Te Rijsel werd hij enkele dagen later aangehouden. Men vernam, na zijn uitlevering aan de Belgische politie, dat hij in ’t dagen te Mechelen aangekomen was, en ten einde raad, het paard van de Van der Streepens had verkocht, om zich kleren aan te schaffen.

  TERUG NAAR INDEX JAARBOEKEN

                                                         ----- ooo O ooo -----