TEN BOOME
ANNEKE
FAES, EEN HEKS IN DE FAMILIE ?
Door Karin Blommaert

“Ik heb een heks in de familie”.
Zulke verklaring kan je als vrouw niet zonder risico’s verspreiden, je wordt
dan al vlug vreemd bekeken… Maar als er wetenschappelijke bewijzen
voorgelegd worden, wat doe je er dan aan?
Het begon allemaal in 1983, toen ik zo’n
15 jaar was. Ik logeerde regelmatig bij mijn grootouders langs vaderskant, ‘moemoe
en vava Boom’, Maria Faes en Charel Blommaert. Moemoe had een boek besteld
over haar familie: “De Familie Faes uit ’t Land van Rijen”
[1]
. Toen het geleverd werd – ’t was een mooie zonnige dag –
gingen we vlug neuzen of onze namen ook in dit stamboomboek stonden. Ja hoor,
moemoe en vava stonden er in en ook ‘de vader en de moeder’ en ‘petre en
pète Nijlen’ (en al haar overige voorouders). We konden moemoe haar familie
uit Nijlen, waar ze altijd zo veel over vertelde, reconstrueren in de tijd.
Maar wat me uiteindelijk het meest bezighield, was het verhaal van Anneke
Faes, die misschien wel een echte toverheks was geweest!
Dit heksje, het was immers nog een jong meisje, bleef mij achtervolgen, ook toen ik in Leuven Geschiedenis studeerde. Mijn medestudenten, die voor het tijdvak ‘Nieuwe Geschiedenis’ hadden gekozen, dienden bij prof. Jos Momballyu archiefonderzoek te doen naar het proces van Anneke Faes en enkele andere heksen [2] . En nu ik recent weer wat meer met genealogie bezig ben, wil ik het verhaal voor mezelf en voor de lezers van ons jaarboek opnieuw tot leven brengen. Ik contacteerde de auteurs van het bovenvermelde boek en kreeg van de heren Jos Smits en Lodewijk Faes nog heel wat bruikbare tips en verwijzingen naar literatuur rond dit onderwerp, waarvoor mijn hartelijke dank!
Wanneer je de juridische documenten leest, blijft het allemaal nog “ver van mijn bed”, maar toen ik tijdens het schrijven van dit artikel het jeugdboek “Het Duivelskind” van Kolet Janssen, het geromantiseerd verhaal van Anneke Faes, bijna in één ruk uitlas, werd het allemaal erg levendig in mijn verbeelding. Je historische, kritische geest moet in zo’n geval wel scherp blijven: wat is historisch gebeurd en wat vult de gegevens aan tot een leesbaar geheel. Laten we proberen ’t een en ’t ander te reconstrueren…
Wie was Anneke Faes?
Anneke
Faes werd rond 1575 geboren, vermoedelijk in Nijlen. Ze was de dochter van
Lijsbeth Strijckaerts en Broos (‘Ambrosius’?) Faes
[3]
. De auteurs van de genealogie van de familie Faes
konden Anneke niet in onze stamreeks inschakelen. Wat ik persoonlijk toch wel
spijtig vind. De oudste stamvader van het geslacht Faes was Jan Vaes of Faes, die ca.
1500 geboren werd in de streek van Kessel, Nijlen en Bevel. De familie Faes
genoot in de 16e eeuw reeds groot aanzien in de « Bijvang van Lier», waartoe
deze gemeenten behoorden. De Faes-en bekleden functies als schepenen van Lier,
kerkmeesters van hun parochiekerk, H. Geestmeesters, meiers, collecteurs,
rentmeesters, enz.
Uit
de gegevens van de processtukken zou men een portret kunnen schetsen van de
beschuldigde, maar ze vertellen weinig over de persoon van Anneke, te meer
omdat de getuigenverhoren niet bewaard gebleven zijn. Wel blijkt dat haar
ouders arm waren en dat Anneke de koeien moest hoeden op de gemeenteweide. Op
een gegeven moment is ze ook naar Holland getrokken waar ze ronddoolde. Ze zou
dit gedaan hebben omwille van de armoede en het feit dat haar stiefvader haar
zo streng behandelde. Haar advocaat beschrijft haar als een jonge maagd met
tere leden, niet bestand tegen de pijnigingen. Hij zegt in zijn betoog dat ze
niet in staat is goede en slechte geesten te onderscheiden omdat dit haar
verstand te boven gaat. Ook wordt er van haar gezegd dat ze onnozel, simpel
van geest en kinderlijk is
[4]
.
Het
proces van Anneke Faes
Anneke is een jong meisje van 14 jaar wanneer zij beschuldigd wordt van toverij. Ze wordt op 26 augustus 1589 opgepakt en opgesloten in de gevangenis van Lier in afwachting van haar proces. Gelijktijdig met haar verblijven nog drie andere vrouwen in de Lierse gevangenis: Lijsbeth Strijckaerts (ca. 35 jaar), Cathelijne Van den Bulcke (ca. 60 jaar) en Anna Cops, echtgenote van Willem Liekens (60 jaar). Hoewel de afkomst van de beklaagden niet vermeld wordt, is uit bepaalde teksten en uit het feit dat de schepenen van de stad Lier en van de Bijvang als rechters optraden af te leiden dat ze inderdaad uit de Bijvang van Lier afkomstig waren, vermoedelijk uit Nijlen. Van het procesdossier zijn spijtig genoeg niet alle stukken bewaard gebleven, maar het bewaarde geeft toch al een mooi beeld van wat zich in Lier afgespeeld heeft [5] .
Op 4
september 1589 brengt de openbare aanklager, Willem Brandt, Heer van
Bouwel en schout van Lier
[6]
, het resultaat van zijn “Informatie genomen opde feijten”
(vooronderzoek) tegen Anneke Faes. Haar advocaat Verwilt eist dat de personen
die de beschuldigingen jegens Anneke geuit hebben met naam en toenaam zouden
bekend gemaakt worden zodat de beschuldigde zich zou kunnen verweren en
eventueel een klacht wegens laster zou kunnen indienen. De schout weigert dit
, maar verklaart wel dat de advocaat inzage zal krijgen van de akte van
beschuldiging en van het vooronderzoek. De advokaat zegt dat, indien hij met geen concrete namen komt, de
openbare aanklager zelf zal verantwoordelijk gesteld worden voor onbewezen
beschuldigingen. De openbare aanklager moet dan bekennen «geen singuliere
accusateurs te weten dan de gemeijne fame en straetmare»: ze heeft de naam en
faam een heks te zijn. Daarbij stelt hij dat het beter is daardoor ook al eens
een onschuldige te vatten, dan echte heksen te laten lopen.
Smits
en Faes noteren dat de beschuldigingen tegen Anneke Faes niet worden vermeld
in de akten
[7]
. Bij
Maenen lezen we dat de aanklager verschillende feiten, die moeten bewijzen dat
ze werkelijk een heks is, aanhaalt
[8]
. Anneke sprak met geesten, die haar bepaalde geheimen verklapten.
Ze zou het paard van Geraert Willems niet hebben willen genezen vooraleer die
een lijkdienst zou doen voor zijn eerste vrouw, koren zou geven aan de armen
en 6 gulden en een paar schoenen aan haarzelf. Bovendien zou ze voorspellingen
gedaan hebben in verband met de terugkeer van de wagen van de Bijvang die in
het leger was en waarover men bezorgd was. Ze zou ook Huybrecht Vandepoel
geholpen hebben met het zoeken van een schat.
Op
6 september reageert Anneke Faes, bijgestaan door haar advocaat, op de ten
laste gelegde feiten
[9]
. Ze ontkent de aantijging van de naam en faam van heks te hebben.
De aanklager kan hierover trouwens geen feiten aanhalen zoals het betoveren
van beesten en dergelijke. Ook het spreken met geesten is geen bewijs, sinds
mensenheugenis bestaan er immers reeds geesten, namelijk mensen die in hun
leven bepaalde godvruchtige taken tegenover God niet hebben kunnen volbrengen.
Zij vragen aan hun nog levende vrienden en familie dit alsnog te doen, aldus
advocaat Verwilt. Hij gelooft dus in het bestaan van geesten en probeert dit
als iets normaals voor te stellen. Het is dus niet te verwonderen dat aan
Anneke meerdere geesten verschenen zijn. Onder deze geesten waren verwanten,
zoals haar vader, haar grootvader en grootmoeder, de vrouw van haar stiefvader
en dorpsbewoners als de vrouw van Geraert Willems, de moeder van een simpel
meisje. Deze geesten verschenen haar telkens ongevraagd als ze op de
gemeenteweide in Nijlen de koeien aan het hoeden was. Ze vroegen aan Anneke en
aan andere mensen om bedevaarten en lijkdiensten te doen, te vasten en kaarsen
te laten branden. Daarnaast moest Anneke van de geesten voor zichzelf een
vergoeding vragen. Anneke wordt als bode van de geesten voorgesteld. Volgens
de advocaat wijst hier niets op toverij.
Verwilt
weerlegt ook de andere beschuldigingen. In verband met het paard van Geraert
Willems was het zo dat Anneke niet geweigerd had zijn paard te genezen. Wel
was de geest van zijn vrouw aan haar verschenen met de vraag haar man Geraert
mede te delen dat zijn paard niet zou genezen mits hij enkele daden zou
stellen. Ook in de zaak met de wagen van de Bijvang was Anneke de
tussenpersoon van de geesten.Annekes moeder was ongerust over de wagen waarmee
haar man in het leger was en die waarschijnlijk aangevallen was door de
vijand. Anneke werd gevraagd te informeren bij de geesten. De moeder van het
simpel meisje heeft hierop geantwoord dat alles goed zou zijn met de wagen als
een tortelduif over het veld zou vliegen en daar een “bloedige” letter “A”
zou laten vallen. Dit blijkt ook gebeurd te zijn… Ook bij het gestolen
linnen kleed en de schat van Huybrecht Vandepoel waren geesten in het spel. De
schat kon niet gevonden worden op de plaats, die aangewezen was door een
geest. De advocaat concludeert dat Anneke niets te maken had met toverij, ze
sprak enkel met geesten!
De
aanklager vindt het aantal geesten verdacht en beschuldigt Anneke van bedrog
omdat ze vergoedingen vraagt voor haar diensten. De argumentatie van de
advocaat wordt door de vierschaar niet gevolgd, want tot tweemaal toe wordt
een verzoek tot ontslag van rechtsvervolging verworpen (op 15 en 22 september
1589).
Nadat
dan op 24 oktober 1589 getuigen ten ontlaste (geen namen) gehoord werden,
besluit de schepenbank op 30 oktober dat «die voers gevangene gecondempneert
wordt ter scerper examinatie te geschieden ter presentie van twee oft meer van
hen Scepenen ». Die “scherpe examinatie” houdt een ondervraging onder
foltering in. De aanklager brengt op 13 november 1589 de nieuwe feiten, die
onder foltering bekomen zijn, naar voor
[10]
. Anneke heeft verklaard dat ze God heeft verlaten en zich met ziel
en lichaam aan de duivel heeft gegeven. Kort daarna heeft ze dan met
verschillende geesten gesproken. Ze geeft ook toe allerlei tover-praktijken
uitgevoerd te hebben. Ze heeft geprobeerd om donder en bliksem te maken en ze
heeft met een mes een gaatje gemaakt in een raap, welk verschijnsel zich dan
ook bij de koeien van haar ouders vertoonde. Ze heeft ook de koeien van
Gheerdt Willems betoverd. Ze heeft tevens zijn paard zelf betoverd omdat hij
geen 6 gulden en een paar schoenen wilde geven. Deze bekentenissen staan
lijnrecht tegenover haar eerste verklaringen. Nu heeft zij zelf het initiatief
genomen en niet de geesten. De aanklager trekt zijn conclusies: ze heeft
verklaard een eeuwig verbond gesloten te hebben met de duivel en ze heeft God
uit haar verbannen. Hij eist dat haar goederen verbeurd worden verklaard en
dat zij ter dood wordt veroordeeld, met name op de brandstapel.
Wat
Anneke Faes op de pijnbank verklaard heeft, kunnen we ook onrechtstreeks
afleiden uit de beschuldigingen aan het adres van de andere « heksen ». Zij
heeft tijdens de foltering Cathelijne Van den Bulcke en Anna Cops als heksen
aangeduid, hen beschuldigd heksenbijeenkomsten te hebben bijgewoond en haar
daarbij betrokken te hebben en haar ingeleid te hebben in de toverij. Prompt
worden de beide vrouwen dan ook aangehouden en op 13 november begint hun eigen
proces. Dit was de gewone gang van zaken in heksenprocessen : zwakke personen,
in dit geval een kind van 14 jaar, werden opgepakt, bedreigd en gefolterd om
daardoor namen los te krijgen van nieuwe beschuldigden, zodat de reeks
heksenprocessen kon voortgaan en zo tot een ware epidemie uitgroeide.
Drie
dagen later, op 17 november dient Anneke Faes een smeekschrift in om genade te
vragen en heeft ze op haar knieën om gratie en genade gesmeekt.
Ze ontkent de feiten die haar ten laste worden gelegd niet en zegt dat
ze verkeerd gehandeld heeft. Ze hoopt echter
terug opgenomen te worden in de Christelijke gemeenschap. Ze brengt
tevens enkele verzachtende omstandigheden naar voor: de armoede van haar
ouders, haar tocht naar Holland, waar ze moest vechten tegen de honger en het
feit dat ze verleid is door Cathelijne toen ze terugkeerde. De schout blijft
zijn beschuldiging handhaven, maar dringt echter niet aan op strenge
bestraffing, nu hij nieuwe slachtoffers heeft. De vierschaar sluit de zaak dan
ook voorlopig af in afwachting van een uitspraak.
Het
uiteindelijk vonnis wordt pas 5 maanden later, op 19 april 1590 geveld
[11]
. Ondertussen heeft het proces van Cathelijne
Van den
Bulcke, die door Anneke beschuldigd is, plaats gehad en is de vrouw op de
brandstapel gestorven. Voor het vonnis van Anneke Faes hebben de
schepenen beroep gedaan op de vicaris van de Bisschop van Antwerpen en op
andere geestelijke heren en tevens het advies van rechtsgeleerden ingeroepen.
Anneke
Faes bidt God en de rechters om genade
[12]
.
Het
vonnis luidt aldus: «dat die voerschreven gevangene schuldich en gehouden
sal sijn te compareren tot eenen zekere daghe en plaetse bij hen te
ordonneren, en daer toe roepende die hen (schepenen) dunken sal dat daer over
en bij geroepen te wesen en aldaer op hair knijen te bidden gode almachtich en
der Justitie vergiffenisse met abrenuntiatie en behoirlijcke verthijdinge van
den feijten
bij hair gedaen en dat zij voirts sal schuldich wesen een geheel Jaer lanck
duerene Ingaende op morgen goeden vrijdach ende eijndende opten goeden
vrijdach in een jaer naestcomende beijde Incluijs alle weken des vrijdaechs
dan geheelen dach deur, te vasten te water en te broode ».
Anneke Faes wordt dus veroordeeld tot boetedoening: op haar blote knieën aan
God en de schepenen vergiffenis vragen en een jaar lang elke vrijdag vasten op
water en brood. Op 20 april 1590 heeft Anneke aan deze opgelegde straffen
voldaan en mag ze de gevangenis verlaten.
Of
dit, in het licht van de wreedheid van de heksenprocessen, redelijk lichte
vonnis het gevolg is van haar jeugdige leeftijd, van de tussenkomst van de
bisschop of gevolg van de gewetens-wroeging van de schepenen is uit de tekst
niet op te maken. In elk geval vermeldt de akte in de marge nog enkele
aanduidingen over de verdere levensloop van Anneke Faes : « anneken heeft
desen poincten gesubvigneert voldaan den XXen April 1590» en vervolgens
wordt vermeld dat op 13 december 1600 een kopie van het vonnis gemaakt werd
voor «mijne vrouwe van bouwel». Deze laatste opmerking kan twee
betekenissen hebben: ofwel heeft
Anna
Faes zich later (op ca. 25-jarige leeftijd) op het domein van de heren van
Bouwel gevestigd en moest bij die gelegenheid haar dossier overhandigen; ofwel
is het mogelijk dat Mevr. van Bouwel, vermoedelijk weduwe of dochter van
Willem Brandt, Heer van Bouwel, die bij het vonnis schout en openbare
aanklager was, aan de ongelukkige slachtoffers van haar man of vader enig
eerherstel wilde doen.
De vrijspraak voor haar zwangere
moeder
Lijsbeth
Strijckaerts, die samen met Anneke Faes werd gevangen genomen, zou volgens
bepaalde aanwijzingen haar moeder geweest zijn
[13]
. Zij is inderdaad gearresteerd op de beschuldiging «dat de
gevangene haer dochter opgeroeijt heeft bij haer is gedaen alles tegen godt,
recht en reden sdaechs voerde voorschreven apprehensie (= arrestatie van
Anneke Faes?) hair voortvluchtich maeckte, mits dat de Inwoonderen vande
schanse, daer zij hair was houdende, seer waren op hair tierende als hair
suspecterende van Tooverije oft dijergelijcke». Haar
vlucht voor de meedogenloze vervolging, die onveranderlijk op de
pijnbank en meestal op de brandstapel eindigde, werd als een schuldbekentenis
aangezien.
Gelukkig
voor Lijsbeth Strijckaerts volgde de rechtbank de redenering van haar
advocaat, die argumenteerde dat er geen ernstige gronden van beschuldiging
waren, dat de drie getuigen openlijke vijanden van haar waren, en dat de
schout haar wederrechtelijk gearresteerd had, doordat na het vooronderzoek «mijn
heeren Scepenen nae voergaende visitatie (= inzage) der selver den aenleggere
nijet en hebben gepresenteert oft bij vonnisse georloft dat die verweerderesse
soude worden geapprehendeert». Op 19 september verklaren de schepenen
dan
ook dat de gevangene wordt vrijgelaten op
voorwaarde dat ze onder ede belooft zich
ter
beschikking
van de schout te houden. Dit doet zij dan ook en na 25 dagen mag zij de
gevangenis verlaten. Uit de teksten blijkt tevens dat ze op dat moment zwanger
is en eigenlijk hierdoor aan de pijnbank ontsnapt. Daar het tij der
heksenprocessen nadien in Lier reeds gekeerd is, zijn er geen vermeldingen van
latere strafvervolging gevonden.
Maar
de heksenprocessen gaan door…
Minder
gelukkig vergaat het de twee vrouwen, die door Anneke Faes als heksen worden
aangeduid:
Cathelijne Van den Bulcke en Anna Cops
.
Cathelijne
Van den Bulcke wordt na de beschuldigingen opgepakt op 8 november. Haar
positie is de meest hachelijke. De argumenten over «quade naem en fame», die
bij de andere ‘heksen’ algemeen gebruikt worden, en door gelijk wie naar
voor kunnen gebracht worden, concretiseren zich bij haar door het feit dat
zowel haar grootmoeder als haar moeder als heks bekend hebben gestaan en
daarenboven dat haar moeder destijds op de brandstapel is gebracht.
Daarenboven hebben de verklaringen van Anneke Faes, weliswaar op de pijnbank,
haar als heks aangeduid en haar ervan beschuldigd dat ze anderen in haar
misdrijf trachtte mee te slepen. Aldus de akte van beschuldiging van 17
november 1589
[14]
. Haar verwanten zouden daarenboven toegegeven hebben dat er zich
bij de haard in huis een pad ophield.
Advokaat
Van den Zype wijst op het onbetrouwbaar en gevaarlijk karakter van geruchten.
Men moest er erg mee opletten, vooral in oorlogstijd. Hij meent dat de roddels
ontstaan uit een lichtzinnig, boosaardig en kwaadwillige geest en door anderen
met nog meer overtuiging worden verspreid. Dit gebeurt te meer omdat
Cathelijne op het platteland woont, waar leugenachtige geruchten courant zijn
onder de dorpsbewoners
[15]
.
Haar
advocaat probeert haar van de pijnbank te redden door te wijzen op de
onbetrouwbaar-heid van de verklaring van Anneke Faes wegens haar jeugdige
leeftijd. De schout verwerpt deze opmerking echter. Dat de verklaring onder
foltering werd afgedwongen, is blijkbaar geen rechtsgeldig argument en wordt
dan ook zelfs niet vermeld. Op 11 december 1589 worden alle 38 argumenten van
Cathelijne Van den Bulck nog eens samengevat
[16]
; de voornaamste zijn:
—
de verklaring van Anneke Faes is onbetrouwbaar ;
—
haar man en zoon verklaren onder eed «van de belastinge der padde
vande
zelve noijt bij der vier oft in huijs gezien te hebben » en « noijt gehoirdt
of
geweten
te hebben dat der gevangene iij susters die hij wel heeft gekent van
eenigen
tooverijen souden sijn gesupposeert geweest» — «noijt gehoirdt te hebben
van
eenig geeste die de gevangene souden hebben gesproken dan vander
huijsvrouw
van jan van ballaer»
;
—
« dat de pastoir van nijlen geweest sijnde is woonachtich tot meerhout
bij
gheel en alsoe ongelegen omme met zijn getuichenis te doen blijcken dat de
gevangene
Jaerlijcx heeft gebruict de heijlige sacramenten zonder penitentien als
den
outairs ».
Het
was in die dagen een wel bekend feit dat een heks niet te communie kon gaan
zonder dat haar duivel zich met uitwendige tekens, zoals kramptrekkingen,
daartegen verzette. De vroegere pastoor van Nijlen, die nu in
Meerhout woont, heeft niet de moeite genomen om te komen getuigen ten
gunste van zijn oudparochiaan. Misschien heeft hij angst gehad om zelf in het
heksenproces verwikkeld te geraken ?
Al
deze argumenten mogen echter niet baten, want op 18 december 1589
[17]
beslissen de schepenen dat Cathlijne vanden Bulcke ‘scherp’
zal ondervraagd worden. Cathelijne heeft de foltering met succes doorstaan en
heeft niet bekend
[18]
. Nu haalt de schout van Lier daaruit juist
nieuwe
argumenten om tot de veroordeling te doen overgaan. Zij zou namelijk de
folteringen doorstaan hebben en « Inder torturen nijet en willen bekennen
eenige feijten die d'aenleggere haer was opleggende, ende dat deur d'lngeven
ende onderstant vanden duijvel (Zoe zij mondelinge heeft verclaert) ».
Men ziet duidelijk dat een heks een heks bleef, of ze nu bekende of niet. De
duivel heeft haar immers gesteund! Bedreiging met nieuwe folteringen moeten
echter de weerstand van de arme Cathelijne gebroken hebben. In de
eindconclusie van de schout lezen we dat ze, hoewel ze onder de tortuur de
haar ten laste gelegde feiten niet heeft willen bekennen, ze toch na de
tortuur en nadien buiten (‘onder de blauwe hemel’) goedwillig heeft
toegegeven en bekend dat ze de ongoddelijke toverkunst machtig is en gedurende
een aantal jaren heeft toegepast; dat ze die geleerd heeft van een duivel die
ze “mooij vader” noemt; dat ze Anneke Faes daarbij betrokken heeft en in
dezelfde toverkunst heeft ingewijd, verder dat ze diverse toverpraktijken
beoefend heeft, met de duivel is omgegaan en met hem geslachtsverkeer heeft
gehad.
De
openbare aanklager eist dan ook de doodstraf (levend verbranden) en de
confiscatie
van
haar goederen: «dat die voerschreve gevangene sal om haire ongoddelijcke
feijten en misdaden bij mijne heeren scepenen worden gecondempneert
verbeurt
te hebben lijff en goet te zijne Majesteits behoeffs en geïnsticeert aan eenen staek al levende gebrant te worden ».
In de zitting van 2 januari 1590 blijft de ongelukkige en levensmoede Cathelijne Van den Bulcke bij haar bekentenissen « buijten torture gedaen » en «bidt ootmoedelijck om genade, gratie en geen recht op haer knien sittende». Haar advocaat Van de Zijpe voegt daar nog aan toe rekening te houden met het ‘placcaet’ [19] .
De
uitspraak van de rechters is niet bewaard gebleven. Mogelijk heeft iemand in
een latere periode, wanneer men tot het besef was gekomen welke gerechtelijke
dwaling hier begaan werd, dit document doen verdwijnen om de schepenbank en/of
de openbare aanklager van deze schandelijke rechtspraak wit te wassen. Dit
gebeurde in die tijden al wel eens meer. Toch kennen we de dramatische afloop
van dit proces. In de documenten
over de eerstvolgende rechtszitting tegen de beklaagde Anna Cops (10 april
1590) worden verklaringen ten laste gebruikt, afgelegd door «Cathelijne Van
den Bulcke, geexecuteert door het vuer», wat ons doet besluiten dat de
openbare aanklager door de schepenen in hun vonnis wordt gevolgd en dat de
ongelukkige Cathelijne op de brandstapel te Lier omkomt tussen 2 januari en 10
april 1590. Janssen beschrijft dit gebeuren in haar roman
[20]
. Cathelijne zou eerst gewurgd zijn door het knopentouw van de
beul, vooraleer het vuur werd aangestoken. Deze gunst stond men vaker toe aan
tot de brandstapel veroordeelde heksen. Op 19 april volgt dan het vonnis van
Anneke Faes en de volgende dag mag ze de gevangenis verlaten.
De
kentering: ontsnapt aan de brandstapel
Vermoedelijk
is de gewelddadige dood van Cathelijne aanleiding geweest tot reactie van
verschillende zijden, zodat de volgende vonnissen, in de eerste plaats dat van
Anna Faes zelf, maar ook dat van Anna Cops, milder uitvielen. Terwijl Anneke
Faes slechts met kerkelijke straffen (vergiffenis vragen en vasten) werd
bedacht, werd de laatste beschuldigde toch nog redelijk zwaar gestraft.
Anna
Cops was de vrouw van een zekere Willem Liekens en had toegegeven dat «zij
van diversche persoonen is nae geroepen geweest en in heur facie op Is geseijt
dat zij waere een tooversse, waer deur zij is staende tot quaeden name en fame
»
[21]
. Dit was voor de schepenen voldoende grond, samen met de
verklaring van Anneke Faes, om in hun zitting van 24 november 1589 tot verdere
voorhechtenis te besluiten, ondanks de pogingen tot voorlopige
invrijheidstelling onder borg van haar man Willem Liekens.
Het
pleidooi van Mr. Van de Zijpe gehouden op 23 december 1589 loont de moeite om
uitvoerig geciteerd te worden.
Vooreerst
wordt haar echtgenoot Willem Liekens onder eed gehoord, waarbij deze verklaart
«dat
hij binnen den tijde is gehauwt geweest metter gevangene wesende over iiiij Va
Jaeren het minste noijt en heeft geconsidereert oft gemerct waer vuijt men
soude mogen achterdencken hebben van tooverije. Maer ter contrarien soude wel
bij eede concluderen dat duerende den zelven houwelijck de gevangene In desen
noijt oft selden des morgens en Is opgestaen oft des avonts slapen gegaen sij
en heeft altijt heuren man en hairen huijsgesinne gegroet met een godlijcke
groete en daerenboven altijtt smorgens en tsavonts godt den heer geloeft en
gedanckt van zijne weldaden, doende tselve zeer dicwils met geboochde knijen
en
gevouwen handen ». Dit
was reeds een mooie poging om het door en door christelijke gedrag van zijn
cliënte te laten uitschijnen; op zichzelf was dit natuurlijk nog geen
afdoende argument, zoals uit de lotgevallen van Cathelijne Van den Bulcke
bleek.
Om
aan te tonen dat Anna Cops niet kon toveren, wordt door haar man naar voor
gebracht «dat duerende den voerleden dieren tijt die gevangene en hair man
hebben geweest In eene zoe extreme armoede als nijemant In desen quartier van
heurder qualiteijt mach sijn geweest alsoe dat zij van broothonger bijna sijn
vergaen ». Indien Anna kon toveren, zou ze tenminste wel wat eten hebben
kunnen te voorschijn halen !
De
beschuldigingen aan haar adres door Cathelijne Van den Bulcke hebben een
diepere oorzaak : zij lagen reeds lange tijd met elkaar in ruzie, namelijk van
in de tijd dat zij samen in de stad Lier het huis genaamd « den haeze »
betrokken. Cathelijne had haar toen gedreigd « dat zij des gevangene
alnoch soude te passé brengen het ongeluck dat zij pretendeerde bij der
gevangene haer aengedaen te sijne, gelijck terstont daerna die gevangene aen
haer suijvel zoe is betoonet geweest zo zij verstaet, dat zij binnen viiiy oft
X dagen tijts geen kaesen en heeft connen maeken ».
Tenslotte
komt het hoogtepunt: een juweeltje van redeneerkunst om de duivelse cirkel te
doorbreken waarin de ongelukkige beschuldigden terechtkwamen eens dat ze door
de schout gevangen genomen waren. Van de Zijpe zegt dat de bezwarende
verklaringen van heksen juist niet mogen geloofd worden omdat de duivel hen
dingen doet zeggen die rechtschapen lieden in het gedrang brengen: «
voirts is te considereren dat Anneke faes en Cathelijne vanden bulcke bekent
hebben den vijant vander hellen te hebben overgegeven lijff en ziel, waer deur
zij In de macht en plicht gevallen sijnde vanden zelven, Is wel te gelooven
dat zij deur zijn bedwanck der gevangene met leugentale daeraff hij de vader
is geaccuseert en belast hebben».
Ondanks
dit schitterend pleidooi wordt ook Anna Cops op 30 december tot de pijnbank
veroordeeld. Ook zij is daar door de knieën gegaan, want in zijn
strafvordering van 10 april 1590
[22]
noemt de schout naast
de verklaring van Cathelijne en Anneke ook «de confessie ende bekentenisse
der gevangene buijten der torturen met goede circumstantien wille en
wetenschap gedaen» en eist eveneens «dat degevangene sal hebben
verbeurt Lijff en goet, ende geexecuteert te wordden metten brande ».
Het
vonnis van 19 april 1590
[23]
noemt haar weliswaar
schuldig aan de ten laste gelegde feiten, maar veroordeelt haar toch slechts
tot 7 jaar verbanning : « dat deselve gevangene sal bij openbaeren
bannissemente gebannen worden binnen sonnenschijne naerde pronunciatie vanden
selven bannissemente hair te moeten vertrecken vuijter stadt en binnen XXiiij
uren nae dese ure te vertrecken vuijten bijvange van Lijere en daer vuijt te
sijn en te blijven
den
tijt van seven Jaren, sonder daer wederomme Inne te comen opte pene van
gehouden en gepacht te worden als geconvinceert en verwonnen van de feijten en
actiën hair bij den voorschreven mijnen heere den schouteth opgeleet en
oversulcx gecorrigeert en gepunieert te worden anderen ter exemple».
Was
dit nu een eenmalig gebeuren?
Het
heksenproces van 1589—1590 te Lier eist uiteindelijk slechts één
mensenleven. Het leed dat in vele
families door bijgelovige vrees met wreedaardige gevolgen veroorzaakt werd, is
echter niet te overzien. Dit proces is een mooie illustratie van de tijd
waarin onze voorouders leefden en hoe weinig rechtszekerheid er voor arme
ongelukkige vrouwen in die
tijd
bestond.
Het
geloof in heksen en tovenaars is een universeel verschijnsel. Bij alle
volkeren en culturen vinden we op een bepaald moment in hun geschiedenis het
geloof in duistere machten die de natuurkrachten beheersen en de normale
levensloop van de mens beïnvloeden. Eeuwen lang hebben onze voorouders geloof
gehecht aan het actief en materieel optreden van de duivel in menselijke
aangelegenheden, om schade aan goederen, dieren en mensen te berokkenen. De
gebrekkige kennis van de natuurkrachten door de gewone man leidde er toe dat
alle onverklaarbare verschijnselen rechtstreeks of onrechtstreeks door het
bovennatuurlijke werden tot stand gebracht. Hoe minder men weet, hoe meer
onverklaarbaar wordt!
De
grote heksenvervolgingen hebben echter alleen in de Westerse wereld
plaatsgevonden. Deze collectieve geestesverbijstering overwoekerde West-Europa
en ook onze Vlaamse dorpjes ontsnapten niet aan de heksenprocessen. De
vervolgingswaanzin nam onder invloed van boeken als «De Heksenhamer»,
geschreven door de Pauselijke Inquisiteurs in Duitsland soms zulke omvang aan
dat tientallen mensen tegelijk voor de rechtbank gesleept werden, door
foltering ertoe gebracht werden te bekennen alles wat men hen voorzegde en
tenslotte via de brandstapel ter dood gebracht werden. In Engeland bestond
zelfs een officiële «grootheksenvinder», die een vast honorarium kreeg voor
elke heks die hij vond : op veertien maanden joeg deze honderden mensen de
dood in voor twintig shilling het stuk . De angst om van hekserij beschuldigd
te worden was zo groot, dat de eenvoudige lieden, die de schepenbank vormden
niet durfden protesteren bij het vaststellen van deze systematische
rechtsverkrachting, om geen gevaar te lopen van medeplichtigheid beschuldigd
te worden. Alleen enkele hoog in aanzien staande lieden konden het wagen de
verdediging van de zogenaamde heksen ook buiten de vierschaar op te nemen. Zo
gelukte het de beroemde sterrekundige Johann Keppler zijn eigen moeder
uiteindelijk na een jarenlange strijd (1615—1621) tenslotte vrij te krijgen.
De andere kinderen van moeder Keppler wilden tijdens het proces niets meer met
haar te maken hebben. Het was toch al zo gevaarlijk een heks in de familie te
hebben
[24]
.
Het
waren in die periode al erg woelige politieke tijden met de Spaanse
overheersers in onze streken. De Hertog van Alva werd naar hier gestuurd om
het Spaanse absolutisme sterk te vestigen en alle ketterij uit te roeien. De
rustige christelijke samenleving werd bedreigd door oorlogen, rampen,
hongersnoden en epidemieën. Het kwaad, verpersoonlijkt in heksen, moest
uitgeroeid worden. In de jaren 1590 vaardige Filips II ook in de Zuidelijke
Nederlanden ordonnanties uit op de hekserij. In 1532 had zijn vader Karel V in
de Carolina al het strafrecht uiteengezet en de doodstraf met vuur bepaald
voor personen die door toverij schade berokkenden. Maar hij had deze Carolina
nog niet durven afkondigen in de Nederlanden. Door de nieuwe wettelijke
instrumenten werd een doorgedreven vervolging van de heksen mogelijk. Filips
II wenste wel de controle over de uitroeiing van heksen te behouden, maar hij
keurde de uitwassen in de procedures af. Hij wilde bijvoorbeeld niet dat
verdachten aan handen en voeten gebonden in het water werd gegooid om hun
schuld te bewijzen
[25]
.
Hoe
verliep een heksenproces?
Het
hierboven beschreven proces vertoont alle eigenschappen die kenmerkend zijn
voor de aard van de beschuldiging, de manier van ondervragen, het afdwingen
van bekentenissen en het weerleggen van de argumenten van de beschuldigde in
alle gelijkaardige processen over heel West-Europa en zelfs in het nog jonge
Amerika van die dagen
[26]
.
De
rechterlijke organisatie tijdens het Anchien Regime in de Nederlanden was een
erg onoverzichtelijk kluwen
[27]
. In de steden en gemeenten sprak de schepenbank recht in naam van
de vorst. Deze waren samengesteld uit 7 schepenen en voorgezeten door een
ambtenaar (schout, meier, baljuw of drossaard genoemd). Zij stonden in voor de
opsporing van misdrijven, de dagvaarding van misdadigers en de uitvoering van
de vonnissen. Daarnaast waren er ook heerlijkheden en vrijheden waar de
plaatselijke heer bevoegd was voor de rechtspraak. Deze rechtbanken waren
naast de provinciale gerechtshoven, zoals de Raad van Vlaanderen en de Raad
van Brabant, belast met de vervolging van de heksen.
De
rechters speelden een hoofdrol in de heksenprocessen, zij oordeelden over
leven en dood. Het opleidingsniveau van de rechters was erg ongelijk. In
kleine dorpjes waren gewone dorpelingen zonder veel opleiding rechter, maar
ook in de steden waren universitair geschoolden dikwijls in de minderheid.
Daarnaast kenden deze volksrechters de beschuldigden dikwijls persoonlijk en
konden zij meegesleurd worden met de hysterie van het moment. Aangezien een
effectieve controle door een centrale overheid ontbrak, hadden de plaatselijke
rechters en inquisiteurs een grote vrijheid in de heksenprocessen.
Een
heksenproces kwam dikwijls op gang door roddels in het dorp
[28]
. Sommige vrouwen verwierven in de loop der jaren de reputatie van
heks, maar werden door de kleine gemeenschap aanvaard. Een klein incident kon
daar echter vlug verandering in brengen. Zij werden dan nauwkeurig en
argwanend in de gaten gehouden, want ze waren de incarnatie van het kwaad.
Karakteristiek was dat vooral oude, afgeleefde vrouwtjes, arm van goed en
geest, zich door hun afwijkend gedrag de verdenking van toverij en het
misbruik daarvan ten opzichte van hun medeburgers op de hals haalden. Voor
sommige vrouwen werd de situatie onhoudbaar en meldden ze zichzelf bij het
gerecht in de hoop van alle schuld vrijgesproken te worden. Dat liep niet voor
iedereen even gelukkig af. Toch waren geruchten niet voldoende voor een
veroordeling, er waren ook andere aanwijzingen nodig. De gerechtsofficier kon
via de genoemde geruchtenstroom op de hoogte gebracht worden van een misdrijf,
maar ook via een aanklacht van een burger of een heksenaanwijzer.
Wanneer men op grond van het vooronderzoek, de ondervraging van de verdachte en het getuigenverhoor niet overtuigd was van de onschuld, werd de procedure verder gezet. Het was essentieel de bekentenis van de beschuldigde heks te verkrijgen, dan pas kon immers een veroordeling volgen. Om de bekentenis af te dwingen, werd de ‘heks’ gefolterd op de pijnbank. Deze bekentenis moest wel buiten de folterkamer herhaald worden met een tussentijd van minstens 24 uur om rechtsgeldig te zijn. De dreiging van nieuwe folteringen zorgde hier meestal wel voor. De folteringen waren brutaal en wreed, ze werden ook gebruikt bij zware misdadigers. Bij Anneke Faes heeft men toch rekening gehouden met haar jonge leeftijd, ze mocht enkel gegeseld worden [29] .
Nadat de verdachte de bekentenissen had bevestigd, viel het vonnis. We mogen echter niet denken dat de heksen automatisch op de vuurstapel terecht kwamen. Hiervoor was de bekentenis dat ze allerlei bovennatuurlijke relaties met de duivel onderhield, van doorslaggevende betekenis. Heksen die dat niet bekenden, ontsnapten aan de brandstapel. Smeken om vergiffenis, verbanning, tentoonstelling op het schavot, brandmerking op de wang, een bedevaart waren mogelijke straffen. In de rekeningen van de schout van Lier staan zeven vermeldingen van toverij. Een vrouw werd verbrand, één gewurgd en verbrand, één verbannen en één kreeg een boete, drie werden vrijgelaten [30] . De straffen konden regionaal verschillen.
Besluit:
Hebben we nu een heks in onze familie of niet? Na al dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ blijft het toch moeilijk om ja of neen te antwoorden. Veel hangt af van je verlangen naar een ‘belangrijk’ persoon in je stamboom! Maar laat ons eerlijk zijn, dit jong, tenger en simpel meisje is het slachtoffer geworden van de woelige tijden waarin ze leefde. We mogen blij zijn dat we niet in haar schoenen staan …
Bibliografie:
Baschwitz,
K. Heksen en Heksenprocessen.
De Arbeiderspers, Amsterdam 1964.
Heksenprocessen in de Zuidelijke Nederlanden. Brochure bij tentoonstelling in het Rijksarchief te Brussel. 1989.
Janssen, Kolet. Het duivelskind. Davidsfonds, 1991. (roman over Anneke Faes)
Maenen, Chr. Anneken Faes Brosis, een heksenproces te Lier in 1589-1590. Seminariewerk KU Leuven, 1989.
Monballyu, J. De
procesvoering in heksenprocessen, toegelicht aan de hand van het geding tegen
Cathelijne Van den Bulcke te Lier in 1589. Heksen in de Zuidelijke
Nederlanden, 16de – 17de eeuw. Brussel, 1989,
19-44.
Leysen, G. Heksenprocessen in Lier
van 1589 tot 1603. Licentiaatsverhandeling. K.U. Leuven, 1998.
Smits, J. en Faes, L. De
Familie Faes uit ‘t Land van Rijen. Edegem, Berchem, 1983.
Smits, J. “Een echte
toverheks in de familie Faes?” in Vlaamse Stam, XVII(1981)318 en 346.
Vanhemelrijck, F. Het
gevecht met de duivel. Heksen in Vlaanderen. Leuven, 1999.
[1]
Smits, J. en Faes, L. De
Familie Faes uit ‘t Land van Rijen. Edegem, Berchem, 1983. Gegevens
uit dit boek werden met toestemming van de auteurs overgenomen: “Een echte
toverheks in de famile Faes?” pag. 18-28.
[2] Maenen, Chr. Anneken Faes Brosis, een heksenproces te Lier in 1589-1590. Seminariewerk KU Leuven, 1989.
[3] Chr. Maenen geeft Lisken Stuyper op als haar moeder. Broos: zie C. Janssen, Duivelskind, 38. In de teksten lezen we dikwijls: “Anneken faes brosis”.
[4] Maenen, Chr. Anneken Faes, 5.
[5] Smits en Faes raadpleegden de schepenregisters (Oud gemeentearchief Lier) in het Rijksarchief in Antwerpen (RAA). Later werden ze overgebracht naar het stadsarchief van Lier. Maenen raadpleegde in het Algemeen Rijksarchief in Brussel (ARA) processtukken en rekeningen (Geheime Raad, Spaanse Tijd, 1098 en Rekenkamer nr. 12908).
[6] Willem Brandt, heer van Bouwel, was schout van Lier en de Bijvang van Lier sinds 1570. In 1577 werd hij afgezet en aangehouden. Hij zou met Alva hebben gecollaboreerd. Na enkele dagen werd hij reeds vrijgelaten en in 1583 werd hij door Parma terug als schout benoemd. Maenen, Chr. Anneken Faes, 16.
[7] Oud Gemeentearchief Lier, nr.2 f°139 in Smits en Faes. De Familie Faes, 19.
[8] Maenen, Chr. Anneken Faes, 5-6.
[9] Antwoirde, fol. 5 in Maenen, Chr. Anneken Faes, 6-7.
[10] Aensprake, 13/11/1589, fol.2 in Maenen, Chr. Anneken Faes, 11.
[11] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 147v in Smits en Faes. De Familie Faes, 21.
[12] Slot van haar verzoekschrift met de handtekening van haar advokaat Verwilt op 17 november 1589. Algemeen Rijksarchief Brussel, geheime Raad – Spaanse periode, nr. 1098, proces A. Faes Brosis, “Supplicatie in plaetse van antwoirde”. In: Janssen, C. Het duivelskind, 134.
[13] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 140 in Smits en Faes. De Familie Faes, 22.
[14] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 141v. in Smits en Faes. De Familie Faes, 23.
[15] Vanhemelrijck, F. Het gevecht, 66.
[16] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2 f° 144v. in Smits en Faes. De Familie Faes, 23.
[17] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 145. in Smits en Faes. De Familie Faes, 24.
[18]
Verslag van de rechtszitting van 30/12/1589. Oud
Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 146v. in Smits en
Faes. De
Familie Faes,
24.
[19]
Dit «placcaet» of openbare verordening van Keizer Karel betreft de te
volgen procedure in wereldlijk
strafrecht. Het wordt aangeduid met de naam «Carolina»
en verbiedt willekeur en wreedheid bij het
gerechtelijk onderzoek en wijst de schepenen aldus op de
onwettelijkheid van een eventuele veroordeling.
[20] Janssen, K. Het duivelskind, 122.
[21] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 142v. in Smits en Faes. De Familie Faes, 26.
[22] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, f° 147. in Smits en Faes. De Familie Faes, 27.
[23] Oud Gemeentearchief Lier, RAA, nr. 2, fo 143. in Smits en Faes. De Familie Faes, 28.
[24]
Smits en Faes. De
Familie Faes, 19.
[25] Vanhemelrijck, F. Het gevecht, 45, 50.
[26] Baschwitz, K. Heksen en Heksenprocessen. De Arbeiderspers, Amsterdam 1964.
[27] Vanhemelrijck, F. Het gevecht, 57.
[29] Vanhemelrijck, F. Het gevecht, 82, 89, 92.
[30]
ARA, Rek.12908, 17
sept.1885-86, nov.1599 in Vanhemelrijck, F. Het
gevecht, 105.