TEN BOOME
OORLOGSHERINNERINGEN: DE VLUCHT IN MEI 1940
Uit een persoonlijk archief
Inleiding:
Joz. Verlinden
Documenten:
George Verhoeven
Deze
zomer vernamen we het overlijden van ons lid en studiegenoot George Verhoeven
(°Boom, 15/4/1929 - +Malmedy, 7/7/2004), die enige tijd geleden onze
contreien had verlaten voor het Waalse Stavelot. In het voorjaar van 2004
bezorgde hij ons nog een kopie van enkele kleine, maar merkwaardige documenten
in verband met het begin van de Tweede Wereldoorlog, mei 1940, uit zijn
persoonlijk archief. Wij houden er aan deze - ter zijner nagedachtenis - toch
nog op te nemen in ons Jaarboek.
Zoals
zovele Belgische en verschillende Boomse families is de vader van George,
Frans Verhoeven met zijn gezin, 5 personen, per wagen naar Frankrijk gevlucht.
In die tijd heette dat nog “nen ottomobil” en het bezit ervan was een
grote luxe.
Voor
de kinderen is die vlucht een gedenkwaardige gebeurtenis geweest, want de
tocht die zij toen gemaakt hebben, staat nog in het geheugen van onze vroegere
dorpsgenoot gegrift.
Ze
reden over Dendermonde en Gent naar Kortrijk – er bestonden toen nog geen
autostrades – om verd over Ieper en Poperinge te geraken. Dan volgde Watou,
het laatste Belgische dorp aan de Franse grens, waar zij twee dagen verbleven.
De tocht ging verder over Saint-Omer naar Abbeville, waar gevochten werd,
Rouen en Saint-Pierre. Hier bleef men slapen. Daags nadien trokken zij dieper
Frankrijk in en overnachtten te Tours, de stad van Sint-Martinus. Maar de
grote tocht was nog niet ten einde. Aan de lange lijst van stadjes en dorpjes
voegden ze nog de volgende toe: Sainte-Maure, Chatellerault, Poitiers,
Vivonne, Ruffec, Angoulème en Barbezieux, als einde van de etappe. De dag
nadien bereikten zij over Libourne de pruimenstad Agen. Hier sliepen zij en
vingen de dag erna het laatste gedeelte van hun vlucht aan: over Toulouse naar
Colomiers, waar de familie twee maanden heeft verbleven. Hierna vindt u een
kopie van de verblijfsakte aldaar bij Mr. Dauban aan het Quartier de Carrière
(Bijlage A).
In
de loop van die twee maanden, om precies te zijn op de 11de juni
1940, heeft François Verhoeven volgens de bepalingen van de toen vigerende
wettige voorschriften aldaar zijn voertuig aangegeven op de Préfecture van de
Haute-Garonne (Bijlage B). We trekken de aandacht op het nummer van dit
attest, namelijk nummer 27. Dit betekent dat er daar ofwel niet veel
voertuigen in omloop waren, ofwel dat vader Verhoeven er geen gras heeft laten
over groeien en reeds van plan was terug te keren.
Op
22 juli 1940 ontving hij van de Hoge Commissaris van België voor de
departementen van Zuid-Frankrijk een soort van vrijgeleide brief of – om een
ouder woord te gebruiken – sauve-garde, die een soort bevel inhield, “ordre
de mission” en “doit rejoindre son poste en Belgique” (moet
in België zijn taak gaan uitoefenen) (Bijlage C).
De
terugtocht liep over Montauban, Cahors, Brive, Limoges, Chateauroux en verder
Orléans. De doortocht van Parijs was verboden; zij moesten over Melun en
Senlis naar Compiègne rijden om verder te bollen naar Saint-Quentin, Cambrai,
Valenciennes en de Belgische grens. Over Mons en Brussel was Boom – over de
houten tolbrug, want de boulevartbrug was opgeblazen door het Belgsiche leger
– niet ver meer.
Bijlage
A:
Verblijfsakte van F. Verhoeven bij Mr. Dauban in Colomiers

Bijlage B:
Aangifte van zijn voertuig op de Préfecture door F.
Verhoeven
Bijlage C: Vrijgeleide brief om zijn taak in België te gaan hervatten
Bij dit bundeltje voegde G. Verhoeven een uittreksel uit Belgisch
Staatsblad van 7 oktober 1937 met
de stichtingsakte van de personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid
tussen J. Femont en F. Verhoeven (zijn vader), die gespecialiseerd en
gerenomeerd was in de bagger- en kranenbouw. Zij waren gevestigd aan de
Bassinstraat nr. 98, naast de kil of “den basseng van ’t geleig van Jiel
van Richard” (Bijlage D).
Mijn
eigen vader, die toen zelf “ajustuer” was op een steenfabriek, stond in
bewondering voor het werk van beide mannen, die volgens hem bij De Winter (de
Boomse Metaal) hun ondervinding hadden opgedaan en rond 1930 hun eigen zaak,
vooral baggerbouw, zijn begonnen en die 7 of 8 jaar later tot een pvba hebben
omgevormd.
Voor
de eigenaardigheid vragen wij u eens te kijken hoe de naam van notaris van
Reeth uit de Tuyaertsstraat in het begin van de akte wordt afgedrukt; onderaan
staat hij correct.
Bijlage
E is een afdruk van een artikel dat ons lid G. Verhoeven gepubliceerd heeft in
het tijdschrift The Antique Studebaker Review van maart/april 1992. Dit
artikel handelt over de merkwaardige constructie die zijn vader voor hun auto
heeft ontworpen en uitgevoerd om gedurende de oorlog zonder de normale
brandstof te kunnen rijden. Ten gerieve van de Engels-onkundigen hebben we
volgend ons vermogen getracht daar een behoorlijke vertaling van te maken.
Bijlage
D:
Stichtingsakte van de personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid
tussen
J. Femont en F. Verhoeven (uittreksel uit Belgisch Staatsblad
van 7 oktober 1937)

Bijlage E:

Vindingrijke Belgen hielden hun Studebaker op de baan gedurende de
nazi-bezetting
Door
George L. Verhoeven, Aartselaar, België
De
foto’s hierbij vertonen iets wat je voordien nog nooit hebt gezien. Het is
onze auto, merk Studebaker, die we tijdens de Duitse bezetting van België
uitgerust hebben met een gasgenerator. De foto’s zijn genomen tussen 1940 en
1944.
In
die dagen was er een groot gebrek aan oliebrandstof of was er doodgewoon geen.
Om hun oorlogsmachine draaiend te houden, hadden de nazi-troepen beslag gelegd
op de bestaande voorraad zonder iets te bedelen aan de burgers en speciaal nog
de bewoners van bezet België.
Mijn
vader verbeterde een oud systeem om uit antraciet gas te distilleren in
vervanging van de gewone motorbrandstof. Het gas werd direct aangemaakt in een
generator. Op de rechtse foto zie je de voorzijde van een aldus uitgeruste
Studebaker, die eigendom was van de zakelijke partner van mijn vader. Op de
linkerkant was de gasgenerator voor het antraciet (1ste kwaliteit)
aangebracht plus de kalkverbranding, rechts de filters en in het midden de
afkoeling. Het was een zeer ingewikkeld systeem dat vele ongemakken met zich
meebracht en een zorgvuldig onderhoud vergde; want met dit apparaat kon de
wagen maar amper 70 à 100 km rijden.
De
beste remedie daartegen was een voorraad kolen mee te sleuren in de
bagageruimte om de generator bij te vullen. Een voordeel was dan wel dat in
België de afstand tussen de steden niet zo groot was.
Er
bestond ook een generator die met hout werd gestookt, maar die was zo
omvangrijk dat hij enkel voor vrachtwagens kon dienen. De fabrikant hiervan
was Imber Holzvergasser (uit Duitsland).
De
bovenste foto toont de wagen van mijn vader met de gasgenerator gemonteerd op
een aanhangwagentje. Dat bleek een beter systeem te zijn omdat het niet nodig
was het voorste gedeelte van de auto om te bouwen. Maar om te parkeren leek
het niet zo handig.
Juist
voor de oorlog, in 1939, reed mijn vader met diesel. Hij installeerde toen een
tweede tank, een uitlaat van een oude wagen op de “firewall”, een slang
rond de uitlaat-collector en een bijgevoegde lijn naar de carburator. We
starten toen de wagen altijd met normale essence en als de motor warm was,
reden we verder op diesel (er was een mengeling voor stationair draaien en
gewoon rijden).