TEN BOOME
een schrijver
van de Rupelstreek
Ten Boome werkte het afgelopen jaar mee aan het intergemeentelijk cultuurproject ‘Klinkaartjaar’, dat de auteur Piet Van Aken in de kijker zette. We kregen de toelating om de teksten uit de tentoonstellings-brochure “PIET VAN AKEN, een schrijver van de Rupelstreek” [1] over te nemen in ons Jaarboek.

Door Marina De Bruijn
Bibliothecaris gemeente Rumst
Coördinator Klinkaartjaar 2004
…hij had het gevoel
alsof hij met al zijn vezels vastzat aan het dorp zoals hij het
zich uit zijn prille jeugd herinnerde.
(De blinde spiegel)
Piet Van Aken wordt geboren op 15
februari 1920 in Terhagen, een dorp langs de Rupel tussen Rumst en Boom. Hij
is de derde in een gezin dat, zoals de meeste mensen in het dorp, de kost
verdient met werk op ‘het gelaag’, de steenbakkerij. Maar voor Petrus,
want zo heet hij eigenlijk, heeft het leven een andere bestemming in petto.
Lezen is al vlug belangrijk voor hem. Hij ontdekt de boeken als hij als
10-jarige bij het spelen met een oude kiepwagen op de steenbakkerij een
gebroken been oploopt en veel moet rusten. Péke kan goed mee op school en mag
naar het Atheneum in Boom. Zijn vader heeft ondertussen vast werk gekregen als
bode van de socialistische vakbond en mutualiteit in Terhagen. Op het Atheneum
blijkt al vlug dat hij erg goed is in Nederlandse taal en vooral in het
schrijven van opstellen. Zijn laatste jaren middelbaar onderwijs maakt hij af
op het Atheneum van Mechelen, waar zijn leraar Nederlands Filip De Pillecyn
is.
“Want
ik was op weg een man te worden die het vertrouwen van zijn oud milieu
verloren heeft en er nooit in slaagt dat van zijn nieuw milieu te
winnen”. (De duivel vaart in ons)
Alls Piet Van Aken 17 jaar is kan hij niet langer wachten op een
uitgever. Hij geeft in eigen beheer zijn eerste verhaal uit: Twee
van ’t gehucht in 78 exemplaren. Iedere vriend koopt er twee om de
uitgave te steunen.
In maart 1939 wordt hij opgeroepen voor zijn dienstplicht en zes weken
later is het oorlog. Na de capitulatie volgt de vlucht naar Zuid-Frankrijk en
eenmaal terug in België werkt hij eerst op het Ministerie van weder-opbouw in
Brussel voor hij in 1943 wordt opgeroepen voor de Arbeits-einsatz in Duitsland
en later als machinebankwerker in de Junkersfabrieken in Mechelen. Na het
bombardement van 19 april 1944 op Mechelen houdt Piet het voor bekeken en
duikt hij onder voor de rest van de oorlog.
Ondertussen heeft hij wel al heel wat geschreven. In deze jaren is dan
ook alles erop gericht om tijd te vinden om te schrijven. In 1942 verschijnt
zijn eerste echte roman bij uitgeverij Manteau: De falende God. Piet Van Akens literaire carrière kent een erg
goede start. Zijn boeken werden door de critici geloofd om het zuivere
taalgebruik en vele van zijn romans zullen herdrukt en zelfs vertaald worden.
In de geschiedschrijving van de Vlaamse letterkunde wordt Piet Van Aken
doorgaans gerekend tot de zogeheten oorlogsgeneratie, waartoe ook Johan
Daisne, Louis-Paul Boon en Hubert Lampo behoren. De term ‘oorlogsgeneratie’
slaat op de periode waarin zij debuteerden, niet op de inhoud van hun boeken.
Tijdens de oorlog leert hij ook Rosa Callaert kennen, ‘mijn tramliefde’.
Rosa woont in ‘De Wildernis’, het ruige stukje van het Eikerveld, een
gehucht dat begon aan het einde van de Hoogstraat in Terhagen en uittorende
boven het dorp. Nu is alles daar weggebaggerd voor de productie van steen. De
verhalen van de familie Callaert en vooral van zijn schoonvader Frans Callaert
zullen erg belangrijk blijken voor het werk van Piet Van Aken.
“Ik kom uit een gezin waar men omzeggens bang
was om zijn gevoelens te tonen. Toen ik in maart 1940 naar het leger
vertrok, ben ik thuis weggegaan zonder iemand een hand te geven. Toen
ik begon te vrijen, kwam ik dan ook in een heel andere wereld terecht
want mijn vrouw komt uit een gezin dat het hart op de tong draagt.” (Ten huize van Piet Van Aken 1978)
In 1945 wordt hij redactiesecretaris van ‘De Werker’, het ledenblad
van het pas opgerichte A.B.V.V. en hij zal dit blijven tot zijn dood in 1984.
Als in 1950 de burgemeester van Mechelen Piet wijst op de mogelijkheid
van een woning in Battel, vertrekt het jonge gezin richting Mechelen.
De eerste roman is ondertussen snel gevolgd door Het hart en de klok (1944), De
duivel vaart in ons (1946), Zondaars
en sterren (1946) en Alleen de doden
ontkomen (1947). Ook de jaren ’50 en ’60 laten een niet aflatende
stroom boeken, verhalen en artikelen zien: Het
begeren (1952) en Klinkaart
(1954) die zeer goed werden onthaald, De
wilde jaren (1958) en De nikkers
(1959). Dit laatste speelt zich af in Belgisch Congo en veroorzaakt bij
verschijning heel wat commotie.
Piet Van Aken speelt ook een actieve rol in het literaire leven van zijn
jaren. Hij zit o.a. tientallen jaren in de redactie van het Nieuw Vlaams
Tijdschrift, schrijft voor de literaire pagina van De Volksgazet, bespreekt
boeken in radioprogramma’s en engageert zich in menig polemiek over
literatuur, o.a. met de generatie schrijvers uit de jaren ’60 die zich willen afzetten tegen hun voorgangers.
Hij is niet bang om de confrontatie aan te gaan en staat erom bekend
onomwonden te vertellen wat hij denkt en schopt daarbij wel eens tegen
gevoelige schenen. Piet Van Aken
heeft een zeer groot rechtvaardigheidsgevoel, dat blijkt ook uit zijn
romanonderwerpen, maar wordt tegelijkertijd een ‘Prinzipienreiter’ genoemd
en een koppigaard. Hij zal ook altijd partij kiezen voor de underdog, ook als
die het misschien niet bij het rechte einde heeft.
In 1962 verschijnt De verraders,
dat in 1964 gevolgd wordt door De
onschuldige barbaren, het boek dat sterk geïnspireerd is door de verhalen
van zijn schoonvader en de mensen van De Wildernis. De lezers zijn zeer
enthousiast over het boek, maar vanuit literaire hoek krijgt hij veel
commentaar, met name van Paul De Wispelaere.
In 1965 wordt zijn roman De jager,
niet de prooi gekozen voor het Referendum Vlaamse Letterkundigen en in
1966 valt hem de zolang begeerde Staatsprijs voor proza ten deel voor de roman
De slapende honden.
In 1966 verschijnt nog Grut / De
mooie zomer van ’40, twee novellen die sterk biografisch zijn, maar de
ader met scheppend proza lijkt droog te vallen. Lezen doet hij nog wel veel en
de commentaren die Piet Van Aken schrijft over lezers, schrijvers en eigen
verleden voor het Nieuw Vlaams Tijdschrift, worden gebundeld in het
eigenzinnige Agenda van een heidens
lezer (1967).
Maar hij is niet langer bestand tegen de toenemende polemieken en korte tijd later keert hij het literaire wereldje de rug toe en trekt hij zich volledig terug in de privéwereld van werk, huis en familie. In 1970 verhuist hij naar Leest.
|
“… dat ik alleen maar schrijver ben zolang
ik aan mijn schrijf-machine zit. Ik ben liever thuis dan elders. Ik
heb meer dan voldoende werk in mijn planten- en groententuin, waar
mijn vrouw en ikzelf proberen de insektenvogels een kans te geven.
Voor de rest herhaal ik dat ik mijn gemoedsrust hoger aansla dan mijn
artistieke ambitie.” interview
|
In tegenstelling tot het beeld dat Piet Van Aken de buitenwereld meestal
laat zien beschrijft zoon Paul zijn vader eerder als een verlegen en gevoelig
man die het erg moeilijk vindt om over problemen of emotionele zaken te
spreken met zijn kinderen. Enkel ter verdediging van zijn gevoelige ziel komt
hij van de weeromstuit vaak erg stuurs en boos over op de buitenwereld.
Piet Van Aken heeft zich altijd weinig gelegen laten liggen aan de
interesse van journalisten en critici voor de persoon van de schrijver, dat
leek hem teveel op persoonlijkheidscultus. Als het niet anders kan geeft hij
de voorkeur aan het schriftelijk beantwoorden van vragen, maar over zijn
persoonlijk leven laat hij erg weinig los. Deze houding bevordert de goede
relatie met de pers niet en als daarbij nog een tiental jaren van
schrijfstilte volgen, lijkt aan een veelbelovende schrijverscarrière
voortijdig een einde gekomen te zijn.
|
Pas in 1978 weet Joos Floorquin dit zelfgekozen isolement te doorbreken
voor een opname van ‘Ten huize van…’ Op vraag van de interviewer neemt
Piet Van Aken plaats aan zijn schrijftafeltje en men vraagt hem te doen alsof
hij schrijft. Daarop merkt de schrijver op dat hij niet kan doen alsof en hij
begint ter plekke een nieuwe roman: Dood
getij (1979).
Van Aken heeft een nieuwe adem gevonden en in 1981 verschijnt De
blinde spiegel, een dikke roman waarin de schrijver zijn frustratie van
zich af schrijft over wat er van het oude socialistische ideaal overgebleven
is in de socialistische partij van de jaren ’70. Ondanks de ontkenning van
de schrijver is De blinde spiegel een sleutelroman waarin Van Aken zich voor zijn
personages heeft laten inspireren door zowel nationale als plaatselijke
politici en dat zet heel wat pennen en stemmen in beweging.
In 1982 verschijnt dan De
Hoogtewerkers waarin de verloedering en afbraak van de Rupelstreek wordt
getekend. In 1983 volgt De Goddemaers, dat
breekt met de vorige romans en teruggrijpt naar oudere boekfiguren en een
soort samenvatting van zijn werk lijkt van De
falende God tot De blinde spiegel.
In maart 1984 wordt Piet Van Aken getroffen door een
hersenbloeding die hem tenslotte op 2 mei fataal wordt. De tweede adem heeft
niet lang genoeg mogen duren.
“Wie
de moed heeft een boek van Piet van Aken van voor naar achter of omgekeerd
uit te lezen zou in goede trouw kunnen menen dat de Rupelstreek een
gedroomde nationale kweek-school voor bokskampioenen en catchers is; dat de
veldwachter er meer dan de handen vol heeft om op alle uren van de dag de
wet op de openbare zedelijkheid te doen eerbiedigen; dat alle meiskens er
schoon en verstandig zijn; dat er meer bier gedronken wordt dan er water
door de rivier loopt; dat die rivier er ongetwijfeld moet uitzien als de
Mississippi bij een springtij; dat het er harder vriest dan aan de noordpool
en dat het er in de zomer heter is dan in de Dodenvallei, en dat de lui die
daar wonen de enigen in geheel Vlaanderen zijn die beschaafd en geleerd
genoeg zijn om een vlekkeloze omgangstaal te spreken.”
Zoon van auteur Piet Van Aken
Piet van Aken (1920-1984) is ongetwijfeld de bekendste literaire zoon van de Rupelstreek. Hij werd niet alleen in Terhagen geboren, maar zou ook het grootste deel van zijn oeuvre in en rond dit dorp situeren. Als rechtstreeks getuige en meester van het geschreven woord heeft hij dan ook de sociale geschiedenis van de regio gestalte kunnen geven: van de industrialisatie van de steenbakkerijen en de bloei van deze aparte vorm van nijverheid, tot de totale ondergang en, daarmee gepaard, de economische teloorgang van de streek.
Toch was hij meer dan een schrijver van zogenaamde heimatliteratuur. Van meet af aan poogde hij zijn geboortestreek als het ware boven het tijdruimtelijke kader uit te heffen, en er een mythische dimensie aan te geven. Dat verklaart de epische kracht van de eerste romans zoals De falende god, Het hart en de klok en De duivel vaart in ons. Daarmee vestigde hij ook zijn reputatie, die definitief werd bekrachtigd door de roman Het begeren en vooral door Klinkaart. In Het begeren zien we hoe de sociale strijd van de arbeiders tegen de uitbuiting en voor meer rechten wordt verweven met een thematiek die tot dan slechts onderhuids aanwezig was: de macht van de seksualiteit. Seks en (politieke) macht blijken twee aspecten van een zelfde verschijnsel te zijn. De korte roman Klinkaart, tweemaal verfilmd, is van bij zijn verschijnen uitgegroeid tot een klas-sieker van het Nederlandstalige proza. De eerste werkdag van een jong meisje toont ons het vernederende initiatieproces waaraan zij wordt onderworpen, maar waar het lot van het hele gezin van afhangt.
Van Aken, die steeds een nauwe band met zijn Terhagen hield, liet zich ook graag inspireren door volkse verhalen. Met name zijn schoonvader, Franske ‘de’ Callaert, bleek een dankbare en onuitputtelijke inspiratiebron. Uit de vertellingen die hij zijn kleinkinderen opdiste, ontstond een soort schelmenroman, De onschuldige barbaren, waarvan de titel belangrijker is dan men zou vermoeden: Van Aken koos als locatie voor deze roman de ‘Wildernis’ en het ‘Eikerveld’, twee gehuchten of liever woonkernen die zich boven de noordelijke helling van de Rupel bevonden en die niet alleen geografisch, maar ook sociologisch duidelijk van het dorp waren gescheiden. De bewoners van deze ‘Wildernis’ kunnen in vergelijking met de zogenaamde beschaafde wereld inderdaad als barbaren worden beschouwd, maar zij zijn tenminste nog onschuldig, want niet gecorrumpeerd door economische krachten en politieke machinaties waardoor onze ‘beschaving’ ten onder gaat.
In de late jaren zestig werd het stil rond Piet van Aken, maar zijn terugkeer in de letteren was meteen een voltreffer. In zijn roman Dood getij beschreef hij opnieuw de sociale strijd, ditmaal met het accent op de stakingen, waarvoor hij vooral uit het eigen familieleven had geput. Voor het eerst doken zijn eigen ouders op als literaire personages: zijn stille, dromerige vader die de utopie van de volmaakte samenleving koesterde, en de ietwat norse, realistische moeder die schamper deed over de dromen en het engagement van haar echtgenoot.
De ontgoocheling over het
socialisme die Van Aken zelf had ervaren tijdens zijn werk voor de vakbond,
moest dan ook leiden tot een afrekening met wat hij als het verraad aan de
oorspronkelijke idealen zag. Zo ontstond na jaren de sleutelroman De blinde
spiegel. Het is weliswaar een genadeloos boek, maar wie de passages over
de hoofdpersoon aandachtig leest, herkent onmiddellijk de schrijver, deze
stille man die geen compromissen wou sluiten, die recht door zee ging en die
het hart op de tong droeg. Ook hier vinden we de problematiek terug van seks
en (politieke) macht. De rauwe wereld van de seks staat in schril contrast met
het verlangen van het hoofdpersonage naar authenticiteit, eerlijkheid en
vooral tederheid en geborgenheid. Wie de laatste bladzijde van dit lijvige
boek leest, herinnert zich ongetwijfeld ook meteen gelijkaardige passages in
de voorgaande boeken: beschrijvingen van ‘gemis’, ‘holte’ en ‘leegte’,
gevoelens die slechts kunnen worden overwonnen door wat Van Aken als het
hoogste geluk beschouwde: gemoedsrust.
Voor wie de schoonheid meet met de
normen der aantrekkelijkheid, is de Rupelstreek aartslelijk. Maar er gaat
inspiratieve kracht genoeg uit voor wie de kunst verstaat een bril op te
zetten die het uitzicht vergroot en met een persoonlijke glans overgiet:
De grondstoffen van het verleden
die de kleurloze objecten van het heden glans en leven schenken.
De aanwezigheid van het sociale
element.
De volkse overlevering die de
uitstervende gebruiken steeds weer opnieuw, maar steeds ook weer zwakker,
leven probeert in te pompen.
De eerbied en de kruiperigheid van
de arbeidende klasse voor de klasse der bezitters.
De lafheid van de man die voor
zijn boterham werkt en alleen maar een grote muil durft openzetten als het
gaat over sport, of als er vuile moppen worden getapt.
En hier en daar, een
straatfilosoof die ongenood vertelt over de vervlogen tijden. En die zich
niet bewust is van het feit dat hij duizendmaal meer talent heeft dan gelijk
welke schrijver die naar hem luistert met de vage, maar niettemin berekende
gedachte, het vertelde en de verteller te misbruiken tot zijn eigen roem.”
(De geboortestreek als inspiratiebron, 1948
[1]
Deze
tentoonstelling liep van 26 juni 2004
tot 30 september 2004 in het Museum Rupelklei in
Terhagen (Rumst).