TEN BOOME
Het thema van de Heemdag
2004 van Heemkunde Vlaanderen, die einde september doorgaat te Bornem,
wordt samengevat in de lange titel: Van Woordverklaring tot
Landschapsgeschiedenis, een (heemkundige) kijk op toponymie.De geschiedenis
van de plaatsnamen actueel bekeken.
In dit verband herinneren we ons dat reeds in 1982 onze huidige penningmeester een poging ter zake deed door in de gemeentegids van Schelle een artikel in die zin te publiceren.
Omdat door een grove fout van de letterzetter die tekst dooreen gehaspeld werd en aldus onleesbaar en onverstaanbaar werd, publiceren we hier dit opstel integraal, zoals het toentertijd had moeten verschijnen, enkel met verbeteringen van drukfouten en weglatingen.
We zijn ervan overtuigd dat
de schrijver zich bewust is dat, na twee en twintig jaar onderhavige tekst
zeker voor verbetering en aanvulling vatbaar is.
juni 2004 de redactie
WAT NAMEN ONS LEREN
Joz.
Verlinden
De geschiedenis van onze aarde en van het kleine plekje erop, dat we bewonen, is duizenden jaren ouder dan het verhaal van ons geslacht. Hoe interessant die geschiedenis ook moge wezen, ze valt natuurlijk buiten ons bestek. Alleen al om het archief van de bodem te kunnen lezen en begrijpen, vergt ze van ons een heel bijzondere en gespecialiseerde bekwaamheid.
De stuwende werking van de grondlaag en de kracht van de
terugtrekkende zee, die voor de rijke kleiader van het rupeliaan zouden
zorgen, hebben in ons gewest een merkwaardig reliëf nagelaten: de opgaande,
nu bijna weggebaggerde, helling aan de rechteroever van de Rupel.
Deze helling vinden we ook te SCHELLE terug met een zachtere glooiing, noordwaarts naar het dal van de VLIET en het ZINKVAL, zuidwaarts naar de inschuring van de WULLEBEEK. Aan haar westkant, Rupelwaarts toe, is haar stijging iets feller. Nu nog is dit goed waarneembaar voor de wandelaar, die ter hoogte van de PAPENHOEVE de OUDE-BOSSTRAAT naar de SPELTEN neemt en alzo door het vroegere ERTBORN-bos trekt. Deze verhevenheid, die op korte afstand vlug van 10 m naar 20 m boven de zeespiegel verloopt, zal in de geschiedenis van de streek en van ons dorp een zeer belangrijke rol spelen.
Vóór het indijken van de grote waterplas, die de oorspronkelijke samenvloeiing van de VLIET, de RUPEL en de WULLEBEEK maakte, die later het WIEL werd geheten, en waar later ook de SCHELDE een andere uitweg naar de zee heeft gezocht, was de vlakte van het LAAR en de MUYEN (ongeveer het gebied nu ten westen van de spoorlijn BOOM-ANTWERPEN) een drassig en moerassig stuk grond, dat totaal ondoordringbaar en voor bewoning ongeschikt was.
Uit dit natte gebied rees de verhevenheid van de BOERENHOEK als een scheepsboeg op.
Op dit vruchtbare gedeelte van SCHELLE met voor zich de
beschermende gordel van laaggewas, riet, schorren, poelen, killen en geulen en
de brede beveiliging van RUPEL en SCHELDE, lagen de eerste hutten of tenten
van onze voorzaten, die reeds voor de Romeinse overheersing aan hun
nederzetting een naam hebben gegeven, die nu nog bestaat en voorleeft in de
naam van onze gemeente: SCHELLE, DORP AAN DE SCHELDE.
Want de huidige gemeentenaam vindt zijn oorsprong in een oude, moeilijk te bepalen, prehistorische taal, waarin de rivier SKALD werd genoemd en die daaruit SKALD-IU afleidde, wat nederzetting aan de SCHELDE betekent.
Langs het 9de-eeuwse SCELLEBURD (Scheldeboord) is die oude naam tot ons huidige SCHELLE geëvolueerd, dat sedert de 12de eeuw praktisch geen andere schrijfwijze meer kende.
Alleen al door dit feit verdient onze gemeente - misschien samen met RUMST - de erenaam van oudste dorp der Rupelstreek en is het zeker HET Scheldedorp bij uitstek. De naam van het naburige NIEL gaat eveneens terug naar diezelfde oude taal, maar is door de aard van zijn betekenis zelf van jongere datum dan die van ons dorp. NIEL, wat nieuwe nederzetting betekent, werd immers vanuit de oude nederzetting SCHELLE gesticht. Op een bepaald ogenblik is de primitieve woongemeenschap té volkrijk geworden en is uitgezwermd naar de meest geschikte plaats in het lager gelegen gedeelte aan de Rupeloever. De scheiding tussen de twee woongebieden werd gevormd door de WULLEBEEK, in het later archief al naar het geval de NIELER- of SCHELLEBEEK genaamd, die reeds van oudsher de “schei-beke” tussen de twee gemeenten vormt.
Trouwens haar naam duidt dit aan. WULLE zou terug slaan
op een werkwoordvorm, die omhullen, verpakken, het aan de buitenste rand van
iets zijn, dus grens betekent.
Deze oude binding uit het oer-verleden heeft zich in de latere geschiedenis van beide gemeenten gemanifesteerd. Op bepaalde tijdstippen beschikten beide dorpen over één en dezelfde schepenbank, werden de schepenprotocollen door hetzelfde zegel bekrachtigd. Er is zelfs een pastoor geweest, die de zorg over de twee parochies heeft waargenomen.
Ten tijde van onraad
zakte de gehele gemeenschap met have en goed af door de dichte loofbossen van
de ERTBORN naar het ondoordringbare gedeelte aan de Scheldeoever, waar goed
verscholen tussen riet en gewas een met houten palen ommuurde en met diepe
grachten omwalde plaats voor haar veiligheid was klaargemaakt: de oude Schelse
SCHANS. Van dit “bolwerkje” vindt men nu nog de sporen aan het gebouw, dat
aan de zandweg ligt rechtover de LINDEN aan de splitsing van de
Provincialesteenweg en de Wittegevelstraat. Van op de Fabiolalaan bespeurt men
nog een gedeelte der grachten.
Tussen de SCHANSE en de rivieren lag nog een gedeelte dat men later het LAAR is gaan noemen, waarvan de naam te SCHELLE ten onrechte tot de echte oude plaatsnamen wordt gerekend. Het ontleent zijn naam aan Jan van de LARE, de echtgenoot van Kathelijne SANDERS, die in 1379 het goed van haar vader had geërfd. Slechts van in het begin der jaren 1400 zal men dit hof beginnen te vermelden als het “ ‘thoff te schelle of te lare”.
Vóór die periode was de benaming anders en sprak men steeds van HAGELSTEIN; “te schelle inder hagelstene goet” (akte 1299).
Dit toponiem, waarover een sluier van mysterie hangt, is voor verschillende verklaringen vatbaar. Alleszins betekent het: HAGENSTEEN of STEEN TER HAGE.
Naast de vele
gelijkenissen die het oude dorp van RUMST met SCHELLE gemeen heeft, is het ook
opmerkelijk dat ze allebei een “terhagen” bezitten, d.w.z. een strook aan
de rivieroever, die tussen de vele moeren en killen met riet en struiken was
bezaaid en uiteraard ontoegankelijk was voor oningewijden.
Stond hier in de eerste eeuwen van onze tijdrekening een “steen” of huis (vergelijk SCHERPENSTEEN), wiens bewoners de ontginning en de bedijking van het gebied zijn begonnen? Zou dat het kasteel aan de rivier geweest zijn, dat in de 11de eeuw door de geschiedschrijver, een monnik van LOBBES, als de geboorteplaats van Sint-Renilde (7de eeuw) wordt vermeld als het “condacum castrum super scelt” (het kasteel bij de schelde aan de samenvloeiing) en waarvan het bestaan door BOLLANDUS wordt vermoed?
“Fotassis olim habuit aliquam scaldi impositam, circa rupelae fluminis ostium” (Misschien is er vroeger een versterking geweest, die aan de Schelde lag omtrent de monding van de Rupel).
Of, verwijst dit “steen” naar een oudere periode van voor de Romeinen?
Het zou de oude offerplaats kunnen geweest zijn, waar onze voorzaten hun goden hebben vereerd en die heilig was en door niemand mocht of kon betreden worden. Als we de theorie mogen geloven, die stelt dat de oude kapellen werden opgetrokken op de heidense offerplaatsen, dan zou onze huidige Laar-kapel daar wel een voorbeeld van kunnen zijn, hoewel we het uitdrukkelijk voorbehoud moeten maken dat zij in haar huidige vorm slechts van in het begin der jaren 1600 dateert en er geen sporen van een vroegere zijn. Wel weer zeer belangrijk is, is het feit dat juist in de omgeving van de kapel een grootveld met de naam van een “heilige” boom werd benoemd, wat ons vermoeden omtrent het voorgaande kan doen versterken; “het capelleveldekens neffens de buck van heuvick (…) item den buck).
Een andere plaatsnaam,
die zeker verder in die richting wijst, is het BOSCH AEN DE PERPETEN LINDE
(Laarhofstraat). Alleszins vinden we rond HAGELSTEEN en de LAAR-kapel de
bevestiging van de elders vastgestelde continuïteit tussen prehistorische
begraafplaats POTTELBERCHVELDT (urnenveld) en de middeleeuwse gerechtplaats
GALGENVELD, GALGENSTRAETE (begin van de Tolhuisstraat) en VIERSCHAAR ( aan het
Schelse moleke).
De vaste woonplaats, die
SCHELLE reeds vóór de Romeinse inval was, bewijst dat haar bewoners met
groot welslagen aan intensieve akkerontginning en veeteelt hebben gedaan. Met
uitzondering van DEN BRANDT (Brandekensweg) vinden we op het gebied der eerste
bewoning geen toponiemen, die op bebossing, of zelfs Frankische rooiing ervan,
wijzen. De bossen lagen aan de rand van dit gebied: de LOEVERSCHE of
NOEVERSCHE BOS aan de VLIET, de ERTBORN- en BERREHEYDEBOSSCHEN tussen de
huidige Tuinlei en de Consciencestraat.
De Schelse nederzetting
was geen geïsoleerd eiland, maar door wegen met andere gemeenschappen
verbonden. Een té grote verering voor al wat met de Romeinse cultuur in
verband staat, doet ons al te gemakkelijk vergeten dat de autochtone bevolking
van ons gewest een eigen rijke beschaving bezat en de eerste wegen hier heeft
aangelegd, die door de Romeinse bezetter wel tot diverticuli werden verbeterd
(zijbanen van heirwegen). Zulk een diverticulum moet de baan geweest zijn,
HOLLE WECH of HOGHESTRAETE genoemd, die over het ZINKVAL liep naar de VIER
PALEN en daar de verbinding was met HELLEGAT, KONTICH (Pierstraat) en RUMST (’s
Herenbaan).
Toen Julius CAESAR in 57 v.K. de stammen der BELGAE onderwierp, begon voor onze streek een periode van totale ommekeer, waarvan de PAX ROMANA - tijdperk van rust en vrede - het sluitstuk was, dat door de barbaarse invallen bruusk zal verbroken worden. Van deze Romeinse overheersing is in ons dorp buiten een fragmentarische opgraving weinig of niets gevonden, hoewel er langs het oude diverticulum enige toponiemen aan te wijzen zijn, waarvan alleen de spade nog kan bewijzen dat ze getuigen van een Romeinse bewoning zijn. Aan de hand van de kavelstudie der Schelse erven kunnen we toch een viertal Romeinse hovae (hoeven) bepalen.
In de Rupelstreek zijn slechts KONTICH en RUMST tot Romeinse nederzettingen van middelmatig belang uitgegroeid; te RUMST werd waarschijnlijk de rupeliaanse klei door hen ontdekt en stenen gebakken.Dat was zeker niet het geval in ons dorp.
Het zal waarschijnlijk
ook in deze tijd zijn geweest, dat de weg naar de landtong aan de monding van
de Rupel is aangelegd en dat er een primitieve vlot- of veerdienst werd
ingericht. De Romeinen, waarvan een vlootdeel te RUMST gestationeerd lag,
zullen wel degelijk het strategisch belang van deze plaats hebben beseft. Dat
hier een zogenaamde heirbaan heeft gelopen, moet wel zuivere verbeelding zijn.
De baan van BAVAI (F) naar het noorden liep over KESTER en ASSE en stak te
RUMST de Rupel over om langs KONTICH naar RIJSBERGEN (Nl) te gaan.
Omtrent de drie Friese toponiemen, die ons dorp rijk is,nl. MUYEN,ZINKVAL en TENESSE, zien we niet duidelijk het tijdstip van hun ontstaan. We weten dat de Friezen bondgenoten en leveranciers van de Romeinse bezetter zijn geweest en dat zij daartoe hun factorijen en depots aan de oevers der rivieren hadden. Dit kan te SCHELLE onder het Romeinse tijdvak ook zo zijn geweest. TENESSE, de landdtong aan de Rupel, is later uitgegroeid tot een tolcentrum met kasteel en aanhangenden: het TOLHUIS; de MUYEN, wat her Fries voor monding is (vergelijk Rupel-monde met Arne-muiden) wordt door Judocus BAL nog vernoemd als een “florisant plaetske…wel bewoont ende vermaert door de schiptimmerlieden die daer woonden”.
Dit welvarend en nijverig gehucht met zijn eigen gebruiken en geplogendheden - hun doden werden per sloep over de Vliet naar de kerk te Schelle gevoerd - is totaal verdwenen. Werd hier het grote schip voor de Kruistocht om Constantinopel te bevrijden - de befaamde “voeu du faisan” door Filips de Goede op een hoffeest te RIJSEL in 1454 afgelegd - gebouwd?
“Interim parata fuit ad s.bernardi grandis navis, ibi iussi confecta, pro expeditione sancta contra turcas “ (acte 1464). (Intussen liet hij bij Sint-Bernards een groot schip maken, dat op zijn bevel voor de kruistocht tegen de Turken in gereedheid werd gebracht.)
Een ander meer waarschijnlijker mogelijkheid is dat de Friezen voet aan wal hebben gezet gedurende de periode van grote verwarring, die hier rond 650 te lande heerste. De Barbaren die omstreeks die tijd Sint-Renilde te SAINTES hebben vermoord, waren rondtrekkende Friese plunderaars. Die mogelijkheid wordt onderstreept door het toponiem ZINKVAL, wat op een koningswal zou wijzen. Dit merkwaardig toponiem vinden we terug te KNOKKE bij het ZWIN. Het wordt vermeld in de Friese wet, die omstreeks 800 van onze jaartelling werd opgetekend. De zuidergrens van het Friese gebied wordt erin afgebakend door de woorden “ van het zwin tot aan het zinkval”. Het zou betekenen dat de SCHELDE, wiens monding in zee langs het ZWIN of de BRAAKMAN liep, de grens van het oude Friesland zou geweest zijn. Het ZINKVAL op HEMIKSEM en SCHELLE zou dan hier als een belangrijk referentiepunt vermeld staan.
Kunnen in de omliggende
gemeenten veel plaatsnamen van Frankische oorsprong verzameld worden, wat op
latere bewoning en ontwikkeling wijst, dan is dit in onze gemeente niet het
geval. Wat hier te benoemen viel, was reeds genoemd. Toch kan een Frankische
aanwezigheid te SCHELLE niet ontkend worden. We kunnen dit afleiden uit de
verschillende - een viertal zijn bekend - “reuten” en “drinken”, die
op de erven en doeningen aan de Boerenhoek werden gegraven, en die eerst als
ganzenplas, later als vlasrootput werden gebruikt. Een grote drink werd
aangelegd op de driehoek, die nu nog ligt tussen de Provincialesteenweg, de
Peper- en De Keyserstraat. Bij de
latere ontwikkeling van de dorpskom werd bij brand hier het bluswater gepompt.
Bij de stijging van het inwonerstal werd de ontginning van het gehele Schelse grondgebied aangevangen; het vee werd geweid in de beemden en meersen, die tussen de MUYEN en de QUAEDE HOECK (drassige, minder vruchtbare grond) aan de VLIET waren ontstaan; de schapenkudde graasde buiten de ontginning op de heide, die aan de noordkant van de WULLE-beek was verschenen: de SCHELLERHEYE. De weg die naar deze heide leidde, was natuurlijk de HEIDESTRAETE (de huidige Kapelstraat).
Om het grote vee te vrijwaren van de gevaren van overstromingen, die praktisch bij iedere springtij ontstonden, werd naar het Friese terpenvoorbeeld, door het graven van grachten een vlucht- of vliedberg opgeworpen, die ongeveer een twaalftal meter hoogte had bij een doorsnede van dertig meter bovenaan. Deze berg, de KATTENBERG, lag tegenover de kerk aan de huidige Molenbrug en is voor de geschiedenis van ons dorp een zeer voornaam toponiem.
De oude vorm van KATTEN is CATTEL, wat vee betekent. Dat deze kunstmatige opgeworpen hoogte voor de bescherming der dieren ook voor de mens een strategische betekenis kon krijgen, vooral bij de invallen der Noormannen, ligt voor de hand.
Allengs zien we dat rond de KATTENBERGEN kastelen en op de bergen windmolens werden gebouwd.
Dat SCHELLE hierop geen uitzondering maakte, vinden we in het archief: “matthys wijndrechts…sijne cattenbergh is groot met het water 168 R ende sonder het water 78 R” (BM) “item noch de motte oft bergh met syne grachten…genaempt den berch van berthout” (schepenakte 1654), “den cattenbergh ofte oud hof van berthout” (LB) “dit hoff van berthout heeft gestaen op de oostseyde vande kercke van schelle, ter plaetsen die men nu den cattenbergh heet, de bousels van dit ridderrlyck huys sijn daernaer veregaen” (LB).
Het HOF VAN BERTHOUT, heren van het land van Mechelen, moet zeer vroeg ontstaan zijn en was een zeer voornaam goed. Het was eigenaar van de BONA DOMINORUM of ’S HEERENVELDEN en het volle bezit van de VLIET, d.w.z. de beide oevers. Dat er op de KATTENBERG een windmolen heeft gestaan is niet erg duidelijk maar wel waarschijnlijk. De oudste gekende eigenaar van de molen was Janne van BERLAER, die hem op 1 oktober 1323 aan zijn neef Floris BERTHOUT verkocht een der oudste molenvermeldingen van ons land) .
De molen werd later op een andere plaats op de SCHELLERHEYE gebracht (de GALGENBERG) en vandaar in 1472 naar NIEL bij het fort DE STERRE op een KATTENBERG.
Jammer genoeg werd in 1611 wegens décconfiture (faling) van de eigenaar Loys CLARISSE, koopman te Antwerpen, de KATTENBERG met de grond gelijk gemaakt, met behoud van de grachten ten dienste van de watermolen van de abdij.