TEN BOOME
PAARDEN OP DE STEENBAKKERIJEN VAN DE
RUPELSTREEK
Waarschijnlijk
in de 14de eeuw begon men aan de Rupeloever met het delven van klei.
De kleistekers, die voor het steken ijzeren of stalen spaden gebruikten,
vorderden langzaam in Noordelijke richting naar de cuesta (de heuvel) toe. De
ovens stonden in de nabijheid van de rivier. Dicht daarbij lagen de
droogplaatsen (de pletsen, in het Booms),
waar de steenmaker, bijgestaan door een zogenaamde “ploeg”, de klei in een
houtenvorm sloeg. Die “ploeg”bestond uit een steenmaker, een kleiopzetter of
-opzetster en twee afdragers of –draagsters. Om de klei naar de steenmaker te
brengen gebruikte men met de hand bediende kruiwagens. Dat was tijdrovend en
tijd was geld. Men werkte immers “in
entreprise”, d.w.z. per stuk. Met paard en kar vervoerde men niet alleen
een grotere hoeveelheid klei, maar het ging ook vlugger. Het oersterke Brabantse
trekpaard was uitermate geschikt voor dit soort zware arbeid. De
“Brabanders” werden gekocht bij een paardenkoopman of rechtstreeks bij een
boer. Het aankopen van een paard was uiterst belangrijk. De gemiddelde ouderdom
van een paard is 15 jaar. Wegens de zware arbeid waren de paarden die werkten op
de steenbakkerijen vlugger versleten. Een “slecht” paard hield het maar 1
jaar uit, een “goed” maximum 7 jaar. In zijn derde levensjaar was hij het
sterkst. Daarna werd het dier gebruikt in de kleimolen (zie verder) of werd het
geslacht. Een goede “Brabander” woog minstens 900 kg. Die was zo sterk dat
hij een vracht zonder duwwerk van personen zelf in gang kon trekken. Meestal
werden ruinen ingezet, die waren rustiger dan merries. Soms gebeurde het dat de
steenbakker geen paarden kocht. Hij huurde dan een boer met paard om het werk te
verrichten.
*

Paard
en kar werden voor verschillende werkdoeleinden ingezet, zoals:
om
bakstenen naar het spoorwegstation te brengen;
om,
bij bouwwerken in de omgeving, de bakstenen tot aan de bouwplaats te voeren;
om
gebakken stenen van de oven naar de kade te voeren;
later,
vanaf ca. 1900, om de klei naar de machienkamer te brengen, waar de klei
machinaal werd verwerkt tot vormen. Vervolgens om die vormen naar de
droogloodsen (de “lezzes” in het
Booms) en daarna om de gedroogde stenen naar de oven te brengen, waar ze werden
gebakken.
om
de klei naar de kleimolen te brengen, waar de potaarde werd gemalen. Een
ingenieus systeem zorgde er voor dat 1 omwenteling van het paard goed was voor 5
omwentelingen van de kleimolen. Daarvoor werden meestal oude paarden gebruikt.
Ook ossen werden soms ingezet voor dit werk.
*
Elk
paard had een voerman. De stalknecht zorgde er voor dat na elke werkdag de klei
van de poten van het paard werd gewassen. De knecht voederde de dieren. Soms was
de voerman ook stalknecht. Hij ontving daarvoor een speciale vergoeding. De
voerders verdienden minder dan een steenmaker, maar hadden toch een redelijk
goed loon. Sommige steenbakkerijen hadden meer dan 10 paarden in dienst. Ze
werden ondergebracht in paardenstallen. Soms was er zelfs een “stapruimte”
voorzien.
*
En
als het paard versleten was, wat dan?
Paarden
die wegens ouderdom niet meer geschikt waren om te werken werden verkocht aan de
paardenslachter of aan een paardenkoopman. Van het vlees werden de
streekgerechten “schep” en “paardencervelaat” (pjèresjervela, in ’t Booms) gemaakt. Schep is stoofvlees van het
paard (toen goedkoper dan rundsvlees). Paardencervelaat is worst.
Soms
kwam de slachter het paard slachten op de steenbakkerij. In de Rupelstreek waren
verschillende paardenslachters met bijhorende winkel actief. Ze werden
“paardentessers” genoemd, in het Boomse dialect: “pjèrentesser”. Het waren familieondernemingen die van vader op
zoon gingen. In Boom kende ik persoonlijk volgende paardenslachters: René en
Swa Brems en Jan en Jef Van den heuvel”. Die laatste is de vader van de
gekende actrice Loes Van den heuvel uit F.C. De Kampioenen. Ooit was een
paardenslachthuis gevestigd in Bossen (nu Antwerpsestraat) uitgebaat door een
zekere Miller. In 1917 werd die paardenslachterij een officiële
hondenslachterij, volgens mij de enige in België. Daarom worden Bomenaars
terecht “hondenfretters” ( Onnefretters,
in ’t Booms)genoemd, al dient gezegd dat het hondenvlees ook werd uitgevoerd
naar Antwerpen en Mechelen.
De
bekendste kokkin van “schep” in de Rupelstreek was “Trien de heilige”
uit Niel. Maar elke Boomse huisvrouw, die naam waardig, kon schep bereiden.
“Schepavonden” werden dikwijls ingericht door verenigingen. Dat gebeurt nu
nog, maar het paardenvlees wordt ingevoerd, meestal uit Argentinië.
*
Tussen
de twee wereldoorlogen werden de paarden stelselmatig vervangen door kleine
locomotiefjes die op mazout reden. Gedurende een bepaalde periode werden zowel
paarden als locomotiefjes gebruikt. Een paard was soms sneller. Het kon via de
“kiekegaten” in de droogloodsen
een binnenweg nemen. Een locomotiefje moest eerst naar een wissel rijden. Begin
de jaren zeventig van de vorige eeuw waren alle paarden vervangen.
Bronnen:
gesprekken met:
-
Karel De Roeck, ooit baas op de steenbakkerij N.V. De
Roeck, Hoek, Boom. Nu beheerder van het museum “ ’t Geleeg” in Rumst;
- Mathilde Callens, huisvrouw en
ex-pannenmaakster.
Alex Vinck(+ 10 februari 2007).